Idee 381.                                       


Toen ik zoo-even beweerde dat schoolmeesters te karig beloond worden, was dit niet omdat ik die belooning beschouw als onevenredig met de geleverde hoeveelheid kennis, wetenschap of menschmakery. Ik had alleen het oog op de bitterheid van 't brood dat betaald wordt met zoo lastigen arbeid, en op de onvoldoende schadeloosstelling voor 't gemartel van den man die z'n leven doorbrengt in 'n wespennest.

Buiten 't verzenmaken bereed meester Pennewip nog 'n stokpaardje, dat hem boven ieder ander aanspraak gaf op 'n troon. Hy was bezeten door de verdeelwoede, een ziekte die aan weinigen bekend is omdat ze maar zelden en niet dan sporadisch voorkomt.  *)   Ik heb die ziekte nooit goed begrepen, maar alle onderzoek naar de eerste oorzaak opgegeven zoodra ik inzag dat het moeielyk omgaan is met stokpaardjes uit den stal van 'n ander, en zal me dus bepalen tot de korte beschryving van Pennewip's onschuldig dier. Hy bracht al wat-i zag, waarnam of ondervond, tot familiën, genera, klassen, species en onderdeelen, en maakte alzoo de heele maatschappy tot één botanischen tuin waarvan hy de Linnaeus was. Hy beschouwde dit als de eenige wyze om te geraken tot 'n helderen blik in de einddoelen der schepping, en tot de verklaring van alle duisterheden in en buiten de school. [1] Ja, hy ging zoo-ver, te beweren dat Wouter's Nieuw-Testament weer zou te-voorschyn gekomen zyn, als juffrouw Pieterse maar had kunnen opgeven tot welke klasse de man behoorde, die 't gebonden had in zwart sjagryn. Maar dat wist ze niet.

Wat my aangaat, ik zou niet eens gesproken hebben over Pennewip's verdeelzucht, als ik niet kon van zyn arbeid gebruik maken om m'n lezers eenig denkbeeld te geven van den kring waarin de held myner geschiedenis zich bewoog, even als ik gezegden Pennewip ongestoord zou hebben laten onderricht geven in verzenmaken - dat après-tout niet verboden is - wanneer ik niet voorzag weldra 'n paar gedichten van z'n leerlingen te zullen noodig hebben tot plaatselyk kleursel.

Na de gewone hoofdafdeelingen van bezield en onbezield - waarby de goeieman stoutweg den mensch 'n ziel gaf - volgde 'n stelsel dat er uitzag als 'n pyramide, waar God met engelen, geesten en verder toebehooren, bovenop stond, terwyl de oesters, polipen en mosselen op den bazis rondkropen of stillagen naar verkiezing. Ter-halverhoogte stonden de koningen, schoolopzieners, burgemeesters, wethouderen en dominees-doktoren in de H. Godgeleerdheid. Daaronder, professoren en kooplieden die niets zelf maken. Vervolgens, doktoren in wereldsche dingen - mits tweepaardig - advokaten en ongedokterde dominees, kolonels van de burgerwacht, de rektor van de latynsche school, en zoo voort. Wysgeeren - maar ze moesten 'n stelsel hebben - dokters met één paard, en dichters kwamen later. Heel laag daaronder, en vry naby de mosselen, had-i de zevende onderafdeeling geplaatst der III klasse van den burgerstand, en in die buurt hoorde myn held thuis. [2]

Burgerstand, IIIe Klasse, zevende onderafdeeling.
 
Burgermenschen ‘op kamers’ wonende.
 
a) Vrye opgang. Drie ramen. Twee verdiepingen met achterkamers. De jongens slapen alleen, maar kleeden zich in gezelschap van de meisjes. Kraamschut. Leeren fransch, en reciteeren den Kersnacht. De meisjes heeten Lena, Maria, soms - maar zelden - Louise. Ze borduren, en zeggen: U. De jongens op 'n kantoor. Houden meid, naaister, en 'n ‘mensch voor 't grove werk.’ De was nat thuis. Lezen preeken van v.d. Palm. Zondags rookvleesch, schoon linnen, en likeur na de koffi. Godsdienst en fatsoen.
b1) Altyd nog drie ramen. Eén verdieping. Boven wonen buren die ‘tweemaal schellen.’ (Zie b2) Leentje, Mietje, Jansje. Louise komt minder dikwyls voor. De onderdeur wordt opengetrokken met 'n touw dat glimt van lange dienst. Slapen in één kamer. Kraamschut. Meid ‘halve naaister’ en 'n ‘mensch.’ Zondags kaas, geen likeur, maar overigens godsdienst en fatsoen als-boven.
b2) Tweeschellige buren. Nagenoeg als-boven. Zonder meid, maar met 'n ‘mensch.’ Naaister, kaas en schoon-linnen van-tyd tot-tyd, maar zelden. Godsdienst als-boven.
c) Tweede verdieping. Twee schuiframen. Kleine achterkamer die inspringt om de binnenplaats. 't Heele gezin slaapt in twee bedden. Van kraamschut geen spoor. De jongens heeten Louw, Piet of Gerrit, en gaan ‘op’ horologiemaken of letterzetten. Soms naar zee, maar zelden. Gedurig twist met de buren over dien verstopten gootsteen in 't portaal. Overigens godsdienst als-boven. Hebben kennis aan ‘heel fatsoenlyke menschen.’ Lezen den Haarlemmer samen met III, 7, b2 (Pp). Geen meid of ‘mensch’ maar 'n naaister van zeven stuivers en 'n boteram...

Daar zyn we aangeland by juffrouw Pieterse.

De lezer weet nu vry juist wat-i te denken heeft van Wouter's omgeving, en begrypt waarom ik z'n gezichtje stadskleurig noemde toen we hem voor 't eerst zagen in de hartenstraat. [3]

*)  Toch niet! De manie van klassificeeren is algemeener dan ik hier aannam. En ook de oorzaak is my duidelyker geworden. Die oorzaak is... traagheid. We nemen in kunst, wetenschap, moraal en staatkunde, zekere konventioneele onderscheiding van soorten aan, om door 't rangschikken van elke voorkomende zaak onder een van die rubrieken, ons ontslagen te rekenen van verdere beoordeeling. ‘Die man is van de klasse der geleerden.’ Dus: hy weet het! ‘Rafaël staat genoteerd onder de meesters.’ Dus: die schildery is mooi! ‘Het tegenwoordig ministerie behoort tot de liberale party.‘ Dus: hoerah voor dat ministerie! Enz. [4]
Den zotten schroom om myn werken te noemen, schryf ik voor een deel toe aan de moeielykheid om ze onder deze of gene ‘soort’ van letterkundery te rangschikken. Men is bevreesd voor de inspanning die 't kosten zou hen te beoordeelen zonder maatstaf. Pennewip's pruik weet er geen weg mee. [5]


[1] "Hy beschouwde dit als de eenige wyze om te geraken tot 'n helderen blik in de einddoelen der schepping, en tot de verklaring van alle duisterheden in en buiten de school."

En hij had een gelijk dat zich in 't Engels laat vangen als "For the human mind everything is of some kind".


[2] "Heel laag daaronder, en vry naby de mosselen, had-i de zevende onderafdeeling geplaatst der III klasse van den burgerstand, en in die buurt hoorde myn held thuis."

Héél laag dus, in ieder geval. Ik zei dat "For the human mind everything is of some kind" en er zijn vele voorbeelden van menselijke verdeelwoede, van sterrenbeelden tot Linnaeus. Het meeste daarvan is nogal dwaas, zoals het meeste wat mensen denken, maar aan de andere kant is het verdelen van dingen in soorten en het toekennen van kenmerken nodig voor het menselijk verstand om dingen te begrijpen.


[3] "De lezer weet nu vry juist wat-i te denken heeft van Wouter's omgeving, en begrypt waarom ik z'n gezichtje stadskleurig noemde toen we hem voor 't eerst zagen in de hartenstraat. "

Multatuli had het niet hoog op met classificatie-systemen, maar hier wordt althans de Amsterdamse burgerstand bijzonder fraai beschreven en de sociale plaats van Wouter's familie duidelijk aangegeven.


[4] "De manie van klassificeeren is algemeener dan ik hier aannam. En ook de oorzaak is my duidelyker geworden. Die oorzaak is... traagheid. We nemen in kunst, wetenschap, moraal en staatkunde, zekere konventioneele onderscheiding van soorten aan, om door 't rangschikken van elke voorkomende zaak onder een van die rubrieken, ons ontslagen te rekenen van verdere beoordeeling. ‘Die man is van de klasse der geleerden.’ Dus: hy weet het! ‘Rafaël staat genoteerd onder de meesters.’ Dus: die schildery is mooi! ‘Het tegenwoordig ministerie behoort tot de liberale party.‘ Dus: hoerah voor dat ministerie! Enz."

Hier maakt M. van het onjuiste en onzinnige en luie gebruik van classificaties een onterecht argument tegen classificaties.


[5] "Den zotten schroom om myn werken te noemen, schryf ik voor een deel toe aan de moeielykheid om ze onder deze of gene ‘soort’ van letterkundery te rangschikken. Men is bevreesd voor de inspanning die 't kosten zou hen te beoordeelen zonder maatstaf. Pennewip's pruik weet er geen weg mee."

Ja, maar een deel van de reden dat Multatuli's ideeën niet of nauwelijks serieus behandeld werden is dat ze als "literatuur" geclassificeerd werden en Multatuli (tot zijn frustratie en woede) als "schrijver", "literator", "letterkundige" - en niet als filosoof, politicus, hervormer of maatschappelijk voorganger.

Ik behandel zijn Ideen niet als letterkunde maar als ideeën en kommenteer ze als ideeën, en onthoud me bovendien van letterkundige noten - en ben één van de eersten zo niet de eerste die dat enigermate serieus doet. Waar een klein land klein in kan zijn! Waar een klein land dom in kan zijn! Waar een klein land achterlijk in kan zijn!

Idee 381.