-

Idee 371.                                       


Toen onze held thuiskwam, verstopte hy den vetten Glorioso achter de latafel van Leentje, van dezelfde Leentje die na den poortsprong z'n broekje herstelde dat zoo gaapte aan de knie, zoodat z'n moeder 't nooit geweten heeft.

Ja, ze is ten-grave gedaald zonder kennis aan die gescheurde broek! Ik weet niet of ‘broek’ mannelyk is, en heb geen lust het optezoeken, vooral omdat ik 't toch niet begrypen zou, al vond ik ‘broek. m.’ in 'n woordenlystje. Onlangs vond ik géén m. achter natie. Dat zal 'n scherpe geestigheid van Siegenbeek geweest zyn. [1]

Of Wouters broek mannelyk was, weet ik niet, maar Leentje had de scheur geheeld, dat is de waarheid. Zoo heelde ze meer breuken, en ontving daarvoor zeven stuivers in de week, en 'savends 'n boterham. [2]

Lang na Habakuk, dacht Wouter nog meermalen aan haar deemoedig: ‘goeien avend, juffrouw. Goeien avend, m'nheer en jonge-juffrouwen. Goeien avond, Wouter’... en de rest.

Want Wouter's moeder heette ‘juffrouw’ om de schoenmakery. De jonge-juffrouwen waren z'n zusters, die dansen geleerd hadden. En z'n broer was ‘m'nheer’ sedert diens benoeming tot derden ondermeester aan de stads-tusschenschool.  *)   Hy had toen verlengstukken aan z'n buis gekregen om ontzag inteboezemen aan de schooljeugd, en ‘Stoffel’ paste toen niet langer, meende Wouter's moeder. [3] Maar dezen noemde Leentje eenvoudig Wouter, omdat-i nog maar 'n kleine jongen was. Ook was hy haar drie stuivers schuldig, of eigenlyk zes-en-twintig duiten, die hy haar nooit heeft teruggegeven, want toen hy, jaren later, die schuld wilde afdoen, waren er geen duiten meer, en Leentje was ook dood.

Dit speet hem zeer, want-i had veel van haar gehouden. Ze was foei-leelyk, nogal vuil, en bovendien wat onrecht van leest. Ook beweerde Stoffel de schoolmeester, dat ze 'n booze tong voerde. Ze zou namelyk hebben oververteld dat-i bessen met suiker had gedronken in de Nederlanden.  **)  

Ik wil dit wel gelooven, maar wat kan men verlangen voor zeven stuivers en 'n boterham? 'k Heb hertoginnen gekend met ruimer inkomen, en toch niet aangenaam in den omgang.

Dat Leentje scheef was, kwam van 't aanhoudend naaien. Ze hield het gansche gezin ‘heel’ en verstond de kunst om een broek, twee buisjes en 'n lakenschen pet te maken uit 'n duffelsche jas, en toch schoten er nog lappen over voor de sous-pieds ***) die Stoffel noodig had voor z'n examen als sekondant naar de Kaap. Dat niet lukte, door 'n fout in Euklides. [4]

Niemand buiten Wouter was tevreden met Leentje. Ik denk dat men bang was haar te bederven door te groote zachtzinnigheid. De ‘jonge-juffrouwen’ spraken gedurig van ‘stand’ en ‘dat ieder op z'n plaats moest blyven.’ Dit gold háár. Leentje's vader namelyk was 'n schoenmaker geweest die achterlapte, en de vader van de jonge-juffrouwen had 'n winkel ‘gedaan’ waarin-i schoenen verkocht die uit Parys kwamen. Dit maakt 'n groot verschil. Want het is deftiger iets te verkoopen dat gemaakt is door 'n ander, dan zelf wat te maken. [5]

De moeder meende dat Leentje wel wat zindelyker wezen kon. Dat juist gemeend was. Maar ik kom weer terug op den prys, en op de moeielykheid van 't wasschen, voor iemand die geen tyd, geen zeep, geen ruimte en geen water heeft. Duinwater was er nog niet, en al was 't er geweest, het zou toch niet doorgedrongen zyn tot Leentje. [6]

*) Die zoogenaamde tusschenscholen zullen nu wel niet meer bestaan. Het waren inrichtingen van onderwys voor niet zéér arme kinderen, maar toch voor dezulken wier ouders niet by-machte waren 't volle schoolgeld te betalen. Of men op zoo'n school nog minder leerde dan by 'n Msjeu, weet ik niet. [7]

**) Een herberg met tuin, even buiten de stad.

***) Dit is met het oog op andere tydaanwyzende omstandigheden, 'n fout. De sous pieds zyn van eenigszins lateren datum, en zullen nu wel haast terugkomen. Liever zag ik de lange broeken afgeschaft, die leelyk staan en zeer ondoelmatig zyn.


[1] "Onlangs vond ik géén m. achter natie. Dat zal 'n scherpe geestigheid van Siegenbeek geweest zyn."

Die de Neerlandse natie grammatikaal voor verwijfd uitmaakten, kennelijk. Daarvan afgezien: Het toekennen van geslachten aan Nederlandse woorden is belachelijk. Het is kennelijk ooit door schoolmeesters ontleend aan het Latijn, waar het wel een zekere functie heeft, en waar er ook regels zijn om het geslacht van de meeste worden af te leiden uit hun spelling.


[2] Merk de "zeven stuivers in de week, en 'savends 'n boterham." op: Een waarachtig slavinnen-bestaan - met dit verschil dat wie salaris vangt ("zeven stuivers in de week") ook geen enkel ander recht meer heeft.


[3] "Want Wouter's moeder heette ‘juffrouw’ om de schoenmakery. De jonge-juffrouwen waren z'n zusters, die dansen geleerd hadden. En z'n broer was ‘m'nheer’ sedert diens benoeming tot derden ondermeester aan de stads-tusschenschool.  *)   Hy had toen verlengstukken aan z'n buis gekregen om ontzag inteboezemen aan de schooljeugd, en ‘Stoffel’ paste toen niet langer, meende Wouter's moeder."

Wat hier vooral opvalt is de zeer grote zorgvuldigheid waarmee maatschappelijk onderscheid gemaakt werd op basis van inkomen en positie van de ouders. Wanneer we aanlanden bij meester Pennewip en zijn klassificatie-woedes dan krijgen we meer relevante informatie.


[4] "Dat niet lukte, door 'n fout in Euklides."

Ook het leven van de Stoffels van de wereld loopt niet over rozen.


[5] " De ‘jonge-juffrouwen’ spraken gedurig van ‘stand’ en ‘dat ieder op z'n plaats moest blyven.’"

Dit zijn Neerlandse varianten op "Voor honden en Chinezen verboden", "Joden geen toegang", "Alleen vir blankes" en overig fraais. Dit standsbewustzijn is dus verre van typisch Nederlands, maar menselijk-al-te-menselijk.


[6] Inderdaad was "de moeielykheid van 't wasschen, voor iemand die geen tyd, geen zeep, geen ruimte en geen water heeft" nogal wezenlijk. Het duinwater waar direct hierna sprake van is werd later in de 19e eeuw in Amsterdam ingevoerd en werd inderdaad gewonnen in de duinen.

Een interessante vraag is overigens: Hoe zou het 19e eeuwse Amsterdam geroken hebben? Het lijkt me moeilijk te zeggen, en er zal geen gebottelde lucht van over zijn, maar ik gis: Naar een mengsel van verrot grachtenwater, ongewassen mensenlijven en paarden. Ik neem aan dat - voor tijdsreizigers - vooral die paardengeur het grote ruikbare verschil tussen toen en nu uitmaakt: Waar het nu naar benzine en olie ruikt, rook het ooit naar paardenvijgen.


[7] "Of men op zoo'n school nog minder leerde dan by 'n Msjeu, weet ik niet."

Ik ook niet, maar het lijkt me zeer waarschijnlijk, weer als uiting van standsverschil. Dit is trouwens ca. een eeuw lang behoorlijk duidelijk uitgedrukt in de namen voor schooltypes: "ULO" = "Uitgebreid Lager Onderwijs", en was bedoeld voor de intelligente zoons van lager stand, die hiermee opgeleid werden "voor kantoor"; "HBS" = "Hogere Burger School" diende om 't kroost van de hogere stand voor te bereiden op de universiteit.

Idee 371.