Idee 365.                                       


Een italiaansche roover op 'n buitensingel te Amsterdam. Proefje van 't bitter lyden der deugdzame Amalia. Privat en Jouvin met huwelyken en godsdienstige waskaarsen, de palladia der zedelykheid. Bewys van het fatsoen der Hallemannen, waaruit men tevens kan te weten komen hoe eerlykheid ryk maakt. Korte bespiegeling over gebrek aan ruimte.

Wouter dacht volstrekt niet aan heldeneeuwen of chinesche staarten, toen-i heel ongevoelig voor de afwezige schoonheid van 't landschap aan 'n moddersloot kwam, waarover 'n onnoodig brugje lag, welks leuning hy uitkoos tot lezenaar, na goed te hebben rondgezien, en zich overtuigd dat-i alleen was, en ongestoord kon overgaan tot het verslinden van z'n roover.

Ik heb 'n oogenblik den lust in my voelen opkomen, den lezer deelgenoot te maken van Wouter's genot, door 't leveren eener schets van 't onsterfelyk werk dat hem zoo boeide. Maar, behalve dat ik Glorioso's geschiedenis niet recht ken - wat me trouwens niet volstrekt beletten zou er over te spreken - heb ik u veel andere zaken te verhalen van dringender aard, en ben dus wel genoodzaakt u te verwyzen naar de hartenstraat, in de hoop dat ge daar zult terechtkomen zonder uwen weg te nemen over d'ouwenbrug. Laat het u genoeg zyn te weten dat het ‘heel mooi’ was. ‘De deugdzame Amalia, die, by flikkerend toortslicht, aan het treurig sterfbed van hare verëerde moeder, in het somber cypressendal, plechtig had gezworen, dat hare vurige liefde, voor den edelen roover, door het yzingwekkende valluik, en de verroeste ketenen, met derzelver zilte tranen... kortom, 't was treffend. Ook was er meer zedelykheid in dan in al die flauwe navolgingen. Al de leden der bende waren behoorlyk getrouwd, en droegen handschoenen. In de grot stond 'n altaar met kaarsen, en de hoofdstukken waarin meisjes geschaakt werden, eindigden met eerbare puntjes of geheimzinnige gedachtenstrepen die Wouter vergeefs tegen 't licht hield om er meer van te weten. [1]

Hy las tot ‘sterf verrader.’ Toen was 't donker, en hy begreep dat het tyd werd 'n eind te maken aan de voorgewende wandeling met de Hallemannetjes ‘dat zulke fatsoenlyke kinderen waren.’ Met weerzin sloot hy 't dierbaar boekjen, en liep haastig weg, omdat-i vreesde beknord te worden over z'n lang uitblyven.

‘Hy zou nooit weer permissie krygen’ werd er by zoo'n gelegenheid gedreigd. Maar Wouter begreep wel dat dit geen ernst was. Daartoe wist-i te goed dat men graag de kinderen ‘eens van de vloer heeft, als men zoo klein behuist is.’ En ‘de Hallemannetjes waren zoo buitengewoon fatsoenlyk. Ze woonden naast 'n huis met 'n balkon, en hadden onlangs heel lief hun petjes afgenomen.’

Ik voor my geloof niet dat de Hallemannetjes fatsoenlyker waren dan de andere mannetjes onder Wouters kennissen. En daar ik graag reden geef van m'n geloof, wil ik hier 'n voorval inlasschen dat iets vroeger had plaats gevonden.

Wouter ontving geen zakgeld. Z'n moeder zei dat hoefde niet omdat hy thuis alles kreeg wat-i noodig had. 't Stuitte hem altyd te moeten wachten op vergunning om ‘meetedoen’ als z'n kameraadjes met den bal speelden, en hem verweten dat hy 't zyne niet had bygedragen tot aanschaffing van dat meubel. 't Kostte drie duiten in Wouters tyd. Nu zal 't wel duurder wezen... neen, goedkooper... door de staathuishoudkunde.

En by veel gelegenheden meer had-i verdriet over z'n voortdurende geldeloosheid. Later zullen we zien of 't waar was, wat z'n moeder zei, dat-i thuis alles ontving wat hy noodig had. Zéker is het, dat men hem thuis niet de gelegenheid gaf om nu-en-dan over 'n kleinigheid te beschikken naar eigen wil. Wat toch zoo heel prettig is voor kinderen. En voor menschen. [2]

De Hallemannetjes - die zoo byzonder fatsoenlyk waren - gaven hem heel duidelyk te kennen dat het hun verveelde, langer alleen de kosten te dragen van 't verkeer. Fransje berekende dat Wouters vriendschap hun al negen stuivers gekost had - wat ik duur vind, niet om de vriendschap, maar om 't berekenen - en Gus zei dat het nog meer was, maar dat laat ik daar. Ook had deze hem vier griften voorgeschoten, welke hy noodig had om z'n hof te maken by lange Ceciel die niet van hem weten wou omdat i 'n insteekpakje droeg. *)  Maar de griften had ze aangenomen, en overgedaan aan Gus voor 'n zoen.

De bittere verwyten der Hallemannetjes - die zoo byzonder fatsoenlyk waren - maakten Wouter wanhopig.

- Ik heb gevraagd aan m'n moeder, zeide hy, maar ze wil me niets geven.

- Dat gaat ons niet aan, antwoordden de Hallemannetjes d.z.b.f.w. [3] Je bent 'n klaplooper.

Wouter hoorde dit woord voor 't eerst, maar begreep het terstond. Niets maakt scherpzinniger dan bitterheid van hart. [4]

- Klaplooper, klaplooper... ik ben 'n klaplooper!

Schreiend liep hy heen, en koos 'n omweg om de straat te myden, waar lange Ceciel's vader 'n lappenwinkel ‘deed.’ Och, als ze gezien had hoe hy als 'n klein kind liep te huilen op straat... zeker, dat was črger dan de broek boven 't buisje.

- Klaplooper, klaplooper!

Hy ontmoette veel groote menschen die misschien ook klaploopers waren, maar ze huilden er niet om als Wouter. [5]

- Klaplooper!

Hy zag 'n diender, en haalde diep adem toen die voorby was. 't Bevreemdde hem dat de man hem niet gevangen nam.

- Klaplooper!

Daar kwam de man van de vuilniskar, die 't woord naklepperde met z'n ratel. 't Was niet uittehouden!

Onze arme lyder herinnerde zich, hoe de Hallemannetjes d.z.b.f.w. hem eens hadden voorgespiegeld welke winst er viel te behalen op 'n kleinhandel in peperment. Voor vierentwintig stuivers had men 'n grooten zak vol. By verkoop tegen zóóveel stuks voor 'n duit zou 't voordeel enorm wezen, als men maar kapitaal had om te beginnen. Dit hadden de Hallemannetjes precies uitgerekend. Want ze waren niet alleen byzonder fatsoenlyk, maar knap ook. Knapheid en fatsoen gaan meestal samen. [6] Maar, hadden ze gezegd, er moest kapitaal wezen. Zy zouden de inkoopen doen, zy zouden zich belasten met den verkoop, en als Wouter maar één gulden kon bydragen, was de zaak gezond.

- Klaplooper... klaplooper...

Wouter stal 'n gulden uit het ‘knipje’ van z'n moeder, en bracht die aan de Hallemannetjes d.z.b.f.w. [7]

- Hoe kom je 'r aan? vroeg Gus, maar zorgde dat Wouter geen tyd had om te antwoorden, en tevens dat-i 't antwoord niet verstond, dat deze gaf door zwygende verlegenheid. [8]

- Hoe kom je 'r aan - zonder vraagteeken alzoo - zie, nu zullen Franssie en ik ieder 'n dubbeltje byleggen, dat maakt vierentwintig, en dan koopen wy de peperment. Op de Rozengracht is 'n fabriek... zóó'n zak voor vier schellingen! Wy zullen al de moeite doen, Franssie en ik. By ons op school is meer gelegenheid om te slyten, weetje! Kris Kloskamp heeft er al twaalf besteld - hy zal betalen na de vakantie - wy zullen ons al de moeite getroosten... jy hoeft niets te doen, Wouter... en gelyk deelen, daar kunje-n-op aan...

Wouter ging naar huis, en droomde van ongehoorde winst. Hy zou 'n daalder teruggeven in 't knipje van z'n moeder, en voor lange Ceciel 'n potlood koopen van den man die er gaten mee prikte in 't hout van z'n kruiwagen. Zóó sterk waren ze! [9] Dat was wat ŕnders dan 'n paar griften, dacht-i, en als lange Ceciel hem dan nňg niet wou hebben tot 'n vryertje, dan... neen, verder dacht Wouter niet. Daar zyn op den weg onzer verbeelding afgronden die we niet durven peilen. Wy worden ze instinktmatig gewaar, schrikken terug, sluiten de oogen, en... ik weet niet verder. [10] Maar dit weet ik, dat Wouter dien avend heel gelukkig insliep, in de hoop dat-i weldra 'n goed geweten hebben zou over 't bestolen knipjen en 'n voldaan hart over z'n liefde tot lange Ceciel.

Helaas, helaas, Wouter had gerekend buiten de knapheid en 't fatsoen van de Hallemannetjes! [11]

Den volgenden dag namelyk zochten zy hem op toen-i de school verliet. Wouter die zich gevleid had hen te zien hygen onder 't gewicht van 'n grooten zak. Wouter die zoo verlangend was te weten of Kris Kloskamp z'n kordate bestelling had volgehouden, Wouter die brandde van nieuwsgierigheid naar den uitslag... och, hy voelde zich bitter teleurgesteld toen-i Gus Halleman ontwaarde, die niet alleen geen zak peperment droeg, maar bovendien 'n zeer ernstig gezicht meebracht. Ook Franssie keek als de deugd. [12]

- Wel, hoe staat de zaak? vroeg Wouter zonder 'n woord te spreken. Hy was te nieuwsgierig om niet te vragen, en te angstig om die vraag anders te uiten dan door 't geluideloos openen van z'n mond en 't vooruitsteken van zyn gelaat. [13]

- Hoor eens, Wouter, we hebben - ons bedacht... er is veel tégen.

Arme Wouter! Daar verongelukten in één schipbreuk, z'n geweten en z'n hart. [14] Weg, droomen van zedelyke rehabilitatie, weg, gapend ‘moeder's knipje’ weg, houtborend potlood dat 'n opening klieven zou in 't hart van lange Ceciel... weg... weg... weg...alles weg!

- Je begrypt, Wouter, die peperment zou smelten...

- Ja... a... a, hikte de arme jongen.

- En die Kris Kloskamp, die 'r twaalf besteld heeft, weetje?...

- Ja... a... a...

Of Kris ook smelten zou?

...hy gaat van-school, en zal zeker niet weerom komen na de vakantie.

- Zoo... o... o?

- Ja, en daarom... en ook... we hebben uitgerekend, Franssie en ik, dat er veel minder in 'n pond gaan dan we meenden, omdat de peperment tegenwoordig heel zwaar is, weetje? [15]

- Ja, voegde Fransjen er by, met hoogen ernst als iemand die in levensgevaar 'n ‘eerst’ beginsel verkondigt, ja, de peperment is heel zwaar tegenwoordig. Voel eens, maar je moet 't weeromgeven. [16]

En hy bood Wouter 'n pepermentjen aan, dat deze heel goedmoedig woog op z'n vinger. De arme jongen gaf het trouw terug. Zwáár vond-i 't... och, hy was zoo bedrukt, en zou alles zwaar gevonden hebben op dat oogenblik.

Fransje stak 't zware pepermentjen in z'n mond, en zei, al zuigende: 

- Ja wezenlyk, heel zwaar...'t is engelsche, weetje? En dan is 'r nog wat... niet waar Gus? 't Fatsoen! Toe Gus, zeg jy 't maar.

- 't Fatsoen, Wouter! riep Gus bedenkelyk.

- We meenen 't fatsoen, herhaalde Fransjen, alsof -i wat ophelderde. [17]

Wouter zag beiden beurtelings aan, en scheen begrip tekort te komen.

- Zeg jy 't maar, Gus.

- Ja, Wouter, Franssie zal 't je wel zeggen.

- Wouter, onze pa is in de diakenie, weetje, en-i gaat rond met 'n zakje, en by ons ‘op’ de gracht...

- Ja, riep Fransje, by ons op de gracht... weetje... daar woont m'nheer Krullewinkel die 'n buiten heeft...

- En 'n balkon... [18]

- 't Is maar om 't fatsoen... weetje, Wouter? En als er huisbezoek komt, dan prezenteert onze mama...

- Ja, dan prezenteert ze madera... heusch, en onze tabakspot is van zilver...

- Né, Franssie... maar 't is net als zilver, weetje, Wouter?

De arme jongen zei maar dat-i 't wist, hopende eindelyk te weten te komen wat-i inderdaad niet wist: het verband tusschen al die dingen en zyn vervlogen hoop. [19] Hy stamelde:

- Ja, Gus... ja, Franssie... maar de peperment?

- 't Is maar, weetje-n-om je te zeggen dat we heel erg fatsoenlyk zyn.

- Ja, Gus.

- En braaf.

- Ja... a... a... Franssie!

Arme Wouter! 

- En daar je zei dat je geen zakgeld krygt...

- Ja, Wouter, en weetje, omdat onze pa zoo fatsoenlyk is... als 't winter wordt kan je 't zien, dan gaat-i rond met 'n weesjongen...

- Ja, en-i schelt aan al de deuren. Nu, daarom zyn we bang dat je...

- Dat je...

- Die gulden...

- Die gulden, weetje?

- Dat je 'm niet...

- Dat je 'r niet eerlyk aankomt... dŕt is het, zei Fransje, die 'n tweede pepermentjen uit z'n zak haalde en in den mond stak, tot versterking zeker na dat beslissend woord. [20]

 't Was er uit! Arme, arme Wouter!

- En daarom, Wouter, willen we niet met je meedoen. Maar gelyk deelen... dat is afgesproken!

- Ja, gelyk deelen, riep Gus. Je begrypt... wy hebben al de moeite gehad, en daarom... ziedaar, gelyk deelen!

De Hallemannetjes waren knap. Gelyk deelen:

20+2x2
--------- = 8
     3

en alzoo... Wouter ontving acht stuivers. [21]

- Weetje, zei Gus, 't is omdat onze pa diaken is.

- Ja... en onze tabakspot... al is 't dan geen zilver, 't lykt precies op zilver. [22]

Op deze waarachtige historie [23] grondt zich myn ongeloof aan de buitengewone fatsoenlykheid van de Hallemannetjes, en ik hel over tot de meening dat dit fatsoen eigenlyk niets was dan 'n uitvindsel van Wouter's moeder, omdat ze ‘nauw behuist’ was. 't Is de vraag of zy ooit iets zoo byzonder fatsoenlyks in die kinderen zou ontdekt hebben, als ze kans had gezien Wouter met wat nut te gebruiken in 't huishouden

*)  De overgang van, zoo'n ‘insteekpakjen’ op 't ‘buisje boven den broek’ was 'n enorme sprong, vooral omdat daarby 'n vest te-pas kwam, waarvoor by zoo'n insteekpakje geen plaats was. Hierby namelyk was het buisje gesloten, en de broek van alle zyden daarop vastgeknoopt. Of die hierarchie in 't kindertoilet nog bestaat, is me onbekend. In Wouter's tyd speelde ze 'n groote rol. En ook jaren daarna. Ikzelf heb menigen traan geschreid omdat het ‘open buis’ met daarby behoorend ‘vest’ my onmenschelyk lang onthouden werd. [24]


[1] Ik wil niet overmatig vaak opmerken dat Multatuli schitterend kon schrijven, maar deze alinea en dit hele idee vormen een fraai voorbeeld.

Hier zou veel over te zeggen zijn, waarvan ik een klein deeltje in m'n commentaren hoop te zeggen. Ik wil hier alleen opmerken dat Multatuli's Nederlands zowel buitengewoon complex als bijzonder helder is, en dat hij er in slaagt zeer veel te zeggen en aan te duiden in weinig woorden. Eén reden is zijn ironie.
 


[2] "Zéker is het, dat men hem thuis niet de gelegenheid gaf om nu-en-dan over 'n kleinigheid te beschikken naar eigen wil. Wat toch zoo heel prettig is voor kinderen. En voor menschen."

Dit is zo - en geeft een mens en een kind de kans zichzelf te zijn.
 


[3] "de Hallemannetjes d.z.b.f.w."

Dit is één van de vele Multatuliaanse stilistische inventies. Trouwens, twee redenen voor M. om Nederlands te schrijven zoals hij deed, in feite een geheel eigen, uniek en nieuw Nederlands, waren om zijn ideeën zo goed mogelijk uit te drukken en zichzelf en z'n taal helder te onderscheiden van die van anderen.


[4] "Wouter hoorde dit woord voor 't eerst, maar begreep het terstond. Niets maakt scherpzinniger dan bitterheid van hart."

Niet helemaal, dunkt me. Bij gegeven vermogens maakt gevoeligheid, geraaktheid scherpzinnig - maar "bitterheid van hart" behoort daartoe.
 


[5] "Hy ontmoette veel groote menschen die misschien ook klaploopers waren, maar ze huilden er niet om als Wouter."

Wat weer eens een prachtige en terechte observatie is. Kinderen menen dingen nog écht, terwijl de meeste volwassenen zichzelf zó vaak verloochend en verleugend hebben dat ze niet meer in staat zijn tot waarachtig voelen en denken, en alleen nog maar verleugende en vervalste versies van zichzelf hebben om maatschappelijk uit te venten en zichzelf mee overeind te trachten houden. Zie 74.
 


[6] "Want ze waren niet alleen byzonder fatsoenlyk, maar knap ook. Knapheid en fatsoen gaan meestal samen."

De reden is welbegrepen eigenbelang plus waarachtige mensenkennis. Conformisme, vooral vals conformisme, biedt de meeste maatschappelijke voordelen en is 't veiligst.
 


[7] "Wouter stal 'n gulden uit het ‘knipje’ van z'n moeder, en bracht die aan de Hallemannetjes d.z.b.f.w."

Merk de fraaie oppositie op.

Overigens: De meeste persoonsnamen in "Woutertje Pieterse" hebben een bij-betekenis, en de Hallemannetjes lijken iets met de hel van doen te hebben.
 


[8] "- Hoe kom je 'r aan? vroeg Gus, maar zorgde dat Wouter geen tyd had om te antwoorden, en tevens dat-i 't antwoord niet verstond, dat deze gaf door zwygende verlegenheid."

Dit is één van Multatuli's vele scherpzinnige psychologische observaties en inzichten: Zó gaat dat in het maatschappelijke, al tussen kinderen: wederzijds bedrog, verzwijgen, doen alsof.
 


[9] " Hy zou 'n daalder teruggeven in 't knipje van z'n moeder, en voor lange Ceciel 'n potlood koopen van den man die er gaten mee prikte in 't hout van z'n kruiwagen. Zóó sterk waren ze! "

Merk op dat het slechte gewoonlijk gedaan wordt met de prachtigste - echte of voorgewende - bedoelingen; dat de meeste bedoelingen van een mens egoďstisch en egocentrisch zijn; en dat M. hier duidelijk aangeeft dat Wouter kinderlijk redeneert, en (bijv.) hoofd- en bij-zaken verwart.
 


[10] "Daar zyn op den weg onzer verbeelding afgronden die we niet durven peilen. Wy worden ze instinktmatig gewaar, schrikken terug, sluiten de oogen, en... ik weet niet verder."

Multatuli was logisch zinnig op het zelfde terrein als Freud logisch onzinnig was.
 


[11] " Helaas, helaas, Wouter had gerekend buiten de knapheid en 't fatsoen van de Hallemannetjes! "

Dit overkwam Multatuli zelf regelmatig. En geen Nederlander kan erin geslaagd zijn "de knapheid en 't fatsoen" van z'n mede-Nederlanders voortdurend te ontlopen.
 


[12] "  Ook Franssie keek als de deugd."

De Hollandse deugd kijkt streng, somber, serieus. Dit is één van de vele dingen die M. ertegen had - zure bekrompen "deugd" kan niet anders dan verleugende deugd zijn.
 


[13] "- Wel, hoe staat de zaak? vroeg Wouter zonder 'n woord te spreken. Hy was te nieuwsgierig om niet te vragen, en te angstig om die vraag anders te uiten dan door 't geluideloos openen van z'n mond en 't vooruitsteken van zyn gelaat."

Weer heel scherp gezien en heel helder beschreven. En inderdaad kan men vragen zonder een enkel woord te spreken - katten en honden ook trouwens.
 


[14] "Arme Wouter! Daar verongelukten in één schipbreuk, z'n geweten en z'n hart."

Zo gaat dat vaak.
 


[15] "- Ja, en daarom... en ook... we hebben uitgerekend, Franssie en ik, dat er veel minder in 'n pond gaan dan we meenden, omdat de peperment tegenwoordig heel zwaar is, weetje?"

Merk op dat de berekenende Hallemannetjes alléén gronden opvoeren die ze wisten of hadden kunnen weten vóórdat ze met Wouter de pepermunthandel begonnen.
 


[16] "- Ja, voegde Fransjen er by, met hoogen ernst als iemand die in levensgevaar 'n ‘eerst’ beginsel verkondigt, ja, de peperment is heel zwaar tegenwoordig. Voel eens, maar je moet 't weeromgeven."

Hier wordt het Neerlands gebruik van eerste morele beginselen verduidelijkt. Een wezenlijk deel daarvan is morele perfectie van anderen te eisen en zichzelf het recht toe kennen anderen te straffen vanwege hun tekortkomingen, altijd tot eigen voordeel of vermaak. (Dit is niet uitsluitend Neerlands. Publiek stenigen is één van de vormen die dit deugdsbegrip aanneemt in sommige maatschappijen.)
 


[17] "- 't Fatsoen, Wouter! riep Gus bedenkelyk.
       - We meenen 't fatsoen, herhaalde Fransjen, alsof -i wat ophelderde.
"

We zijn aangeland bij de norm aller normen, het fatsoen. Voor werkelijk goed begrip is het essentieel in te zien dat werkelijk fatsoen neerkomt op volledig extern conformisme in dienst van eigenbelang: Wat een mens perfect fatsoenlijk maakt is het vermogen de schijn van maatschappelijk conformisme hoog te houden in het heldere besef te liegen en bedriegen, als ieder ander perfect fatsoenlijk medemens.

Door en door fatsoenlijke mensen wéten hun fatsoen te huichelen - om welke reden ze het deugdzaam vinden fatsoen van anderen te eisen. (Zie ook 618).
 


[18] " - Ja, riep Fransje, by ons op de gracht... weetje... daar woont m'nheer Krullewinkel die 'n buiten heeft...
     - En 'n balkon...
"

Merk op dat "het fatsoen" strikt evenredig is met financiële welstand: hoe rijker hoe fatsoenlijker; hoe armer hoe onfatsoenlijker. Dit is ook geheel vanzelfsprekend: In een maatschappij waar alles om geld draait moeten in de feitelijke praktijk de maatschappelijk voortreffelijksten de rijken zijn, volgens de norm waar het feitelijk om draait. Bovendien geeft rijkdom weer de middelen zich te conformeren en étaleren in volle  maatschappelijk aangepaste glorie.

Nogmaals: Welbegrepen werkelijk fatsoen is extern conformisme, en fatsoenlijke mensen weten huichelaars te zijn - en dat fatsoenlijke mensen dat nooit publiek toegeven.
 


[19] "De arme jongen zei maar dat-i 't wist, hopende eindelyk te weten te komen wat-i inderdaad niet wist: het verband tusschen al die dingen en zyn vervlogen hoop."

Een dergelijk zoekt ieder mens bij gelegenheid. Levenservaring is de optelsom van desillusies.
 


[20] "- Dat je 'r niet eerlyk aankomt... dŕt is het, zei Fransje, die 'n tweede pepermentjen uit z'n zak haalde en in den mond stak, tot versterking zeker na dat beslissend woord."

O, wat zijn het typisch Neerlandse sadistjes, deze twee!
 


[21] "De Hallemannetjes waren knap. Gelyk deelen:

20+2x2
--------- = 8
     3

en alzoo... Wouter ontving acht stuivers. "

Er was minstens een eeuw lang een vak op de Nederlandse scholen dat "Handelsrekenen" heette. Tegenwoordig zal dit wel onder "communicatie-wetenschappen" vallen, maar de gegeven deling lijkt me een perfect voorbeeld van Nederlands handelsrekenen. (Zo rekenden Nederlanders ook in Nederlands Indië met de belangen van de inwoners.)
 


[22] "- Weetje, zei Gus, 't is omdat onze pa diaken is.
       - Ja... en onze tabakspot... al is 't dan geen zilver, 't lykt precies op zilver.
"

Hier wordt een andere Nederlandse morele eigenschap toegelicht: Wat telt is niet de werkelijkheid maar de schijn en pretentie van werkelijkheid - en het heldere bewustzijn dat dit zo is.

De essentie van werkelijk maatschappelijk conformisme is het heldere besef van de conformist dat zijn conformisme welbewuste leugen, welbewust theater is, en dat hij liegt en bedriegt in collusie met alle andere conformisten, en om dezelfde redenen: angst en egoďsme. (Zie 618).
 


[23] "deze waarachtige historie"

M. vertelde z'n tweede vrouw dat deze vertelling autobiografisch is.
 


[24] "Ikzelf heb menigen traan geschreid omdat het ‘open buis’ met daarby behoorend ‘vest’ my onmenschelyk lang onthouden werd."

Weer interessante historische, sociologische en psychologische informatie. En in meer algemene zin bestaat het maatschappelijk leven uit het spelen van rollen met een bepaalde status, en hangen de rollen nauw samen met kleding en taalgebruik.

Idee 365.