*) (Dit
nummer is in 1879 tusschen gevoegd.) Zoo schreef ik zeventien jaar geleden. Is er
sedert dien tyd iets verbeterd? [1] Als antwoord op deze vraag geef ik
hier eenige uittreksels uit het onlangs verschenen werk van denzelfden
Luitt-Genl Van Swieten
over den Atjinschen oorlog:
‘Onze strijd in Atjeh
is geen gewone oorlog, geen strijd waar twee mogendheden zich afbreuk
doen, tot de overwonnen partij, den oorlog moede, vrede vraagt en tot
het nederleggen der wapenen besluit. Het doel van dezen oorlog is om
het land en het volk te onderwerpen, - het volk tot onderdanen en het
land tot eene bezitting van Nederland te maken. Waar vindt men een
tweede voorbeeld, dat om een dergelijk doel te bereiken, het land
verwoest, het volk verarmt, de bezitting tot een lastpost maakt, en
daarvoor ongeveer honderd à honderd vijftig millioen en vele
menschenlevens ten offer brengt? [2]
Wij hebben getracht den oorsprong te vinden van eene oorlogvoering,
die voor de eer der nederlandsche wapenen zoo beleedigend is dat zij
aan Multatuli heeft doen zeggen: een dorp dat pas veroverd was door
de nederlandsche troepen en “dus” in brand stond. Wij
hebben die niet kunnen vinden. Wij weten echter dat ze vroeger niet
bestond, en eerst sedert ongeveer 25 jaren door eenige bevelhebbers is
ingevoerd. Wij hebben op Java den oorlog mede gemaakt in de jaren 1827
tot 1829, als tweede luitenant onder Michiels
en Ledel, twee mannen die onder de actiefste
KolonneKommandanten gerekend werden. Maar nimmer hebben wij in dien
tijd een Kampong zien verbranden. Wij zullen niet beweren dat het
elders, onder de bevelen van andere Kolonne-Kommandanten nimmer
geschiedde, maar wij kunnen verklaren dat het tot de zeldzaamheden
behoorde. Enz. Enz.
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Het is toch niet van U, Seelig,
Delprat, Van Overstraten,
Scheltus, Van Molken
en Knoop, dat zulke kwade leerstellingen
zijn uitgegaan! Wij kunnen, wij durven er geen antwoord op geven. Wij
kunnen slechts die beginselen uit naam der menschelijkheid, der
beschaving, der eer van het leger en de nederlandsche vlag, der
moraliteit en utiliteit, als schandelijk bestempelen. Enz. Enz.
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Wij zeggen andermaal met Multatuli, dat wij niet mogen “afdalen tot
het zeer lage standpunt van den vijand, in-stede van nooit, zelfs
tegen den onbeschaafden, te vergeten wat men aan eigen beschaving
verplicht is.”’
De heer Van Swieten
heeft hier uit het geheugen aangehaald, want zóó heb ik me nooit
uitgelaten. My komt het zedelyk standpunt van den Atjinees die zoo
moedig zyn land tegen roovers verdedigt, zoo laag niet voor!
[3] Doch
dit doet nu niet ter-zake. De vraag is slechts of ik door de
mededeeling der woorden van den heer V.S. het woordje ‘dus’ in de
Saïdjah-geschiedenis gerechtvaardigd heb?
Wat overigens de door dien generaal vruchteloos nagespoorde oorzaak
van de gewraakte barbaarsche domheid aangaat, ze ligt in den
algemeenen toestand van ons Staatsbestuur (286)
en in de onzedelykheid der Maatschappy die daarmee
by-voortduring genoegen neemt. [4] Wat kan er verwacht worden van 'n
Volk dat voor Droogstoppel party trok tegen Havelaar? [5]
*) Dit nummer is van 1879.
[6]
[1]
Zoo schreef ik zeventien jaar geleden. Is er
sedert dien tyd iets verbeterd?
In feite is dit één van de
allerlaatste Ideen die M. schreef en publiceerde (zie de noot: 1879), en
de vraag is gerechtvaardigd, terwijl het antwoord "Nee!" is.
[2] Het antwoord op de vraag "Waar
vindt men een tweede voorbeeld, dat om een dergelijk doel te bereiken,
het land verwoest, het volk verarmt, de bezitting tot een lastpost maakt"
is natuurlijk:
In de hele wereldgeschiedenis zijn er talloos vele van
dergelijke voorbeelden, en Thucydides beschreef ze al 400 voor Chr.
Een algemeen punt hierbij is dat
strijdende partijen altijd een heldere visie hebben op de
onmenselijkheid van de tegenpartij, maar niet op hetzelfde gebrek in
eigen rijen. Ook dit is van alle tijden en plaatsen, en niet bijzonder
Nederlands.
[3] Ja - maar het verdient ook
opgemerkt te worden dat de Luitenant-Generaal Van Swieten, anders dan
zijn collega's, kennelijk één van die zeldzame mannen was die morele
principes enigszins serieus nam, en niet alléén als propaganda
beschouwde. Ook is het interessant dat wat hij beschrijft sindsdien
bekend is geworden als "guerilla-oorlogsvoering".
Trouwens, wat betreft het serieus nemen
van de morele principes die men verbaal belijdt:
Men doet dit kennelijk wanneer men z'n
vijanden poogt te behandelen volgens dezelfde beginselen als men z'n
vrienden behandelt. Dit is moeilijk en zal nooit volledig mogelijk zijn
tussen verklaarde vijanden, maar 't is mogelijk. Zie verder
423.
[4] "Wat overigens de door dien
generaal vruchteloos nagespoorde oorzaak van de gewraakte barbaarsche
domheid aangaat, ze ligt in den algemeenen toestand van ons
Staatsbestuur (286)
en in de onzedelykheid der Maatschappy die daarmee by-voortduring
genoegen neemt."
Zoals blijkt uit bovenstaande
opmerkingen is het hier geciteerde enigszins onrechtvaardig tegen
onrechtvaardige Nederlanders - immers, Nederlandse oorlogspraktijken
(plundering, brandstichting, verkrachting, marteling) zijn niet zozeer
Nederlands als menselijk, en de oorzaken liggen niet zozeer in het
Nederlands bestuur maar in de doorsnee menselijkheid van doorsnee
mensen.
[5] Het antwoord op de vraag "Wat
kan er verwacht worden van 'n Volk dat voor Droogstoppel party trok
tegen Havelaar? " moet evident zijn: Méér "rustige rust",
méér exploitatie van "de Javaan", méér rijkdom voor Nederlandse
rijkworders, en overeenkomstig méér ellende en armoe in Nederlands-Indië
onder de bevolking. En zo geschiedde ...
[6] "Dit
nummer is van 1879."
En daarmee vrijwel het laatste dat M.
voor publikatie schreef. Zie over Atjeh ook 982.