Idee 279.                                       


Zou 't wel zoo erg wezen? Overdryving zeker... [1]

Ei, en ik toon u 'n prospektus waarin duidelyk wordt verklaard dat al 't vroeger geleerde gekheid was? Die veertien heeren hebben gelyk, of ze hebben ongelyk. Ze zeggen tot de slotsom gekomen te zyn dat er verschil is tusschen onze inzichten in de waarheid, en de waarheid. Als tusschenzin, 'n aardige parafraze van: tot nog toe hebben wy u maar wat voorgelogen. Men kan het niet fatsoenlyker uitdrukken. [2]

Die heeren hebben gelyk, of niet. Hebben zy gelyk, dan geldt myn : vloek over u, schriftgeleerden! de oudjes. Hebben de veertien evangelie-spiegelaars geen gelyk, nemen zyzelf 't volk waarheid af, om 't leugen in de plaats te geven, dan adresseer ik m'n verontwaardiging aan de modieusen of modernen, of hoe ze dan heeten mogen.

Zou 't wel zoo erg wezen? Dat zullen wy onderzoeken, terloops... want waar zou 't heen als we een boek maakten van al de domheden die voor-en-na zyn uitgekraamd door wie bezoldigd werden en worden om wysheid te leveren? [3]

We zien met minachting neer op doctor Nathalsius of dominee KroeghoudÚrius - 't is nog zoolang niet geleden dat geleerdheid zich openbaarde in 'n latynschen staart aan den naam - en ik moet erkennen dat het niet te verwonderen is dat onze groot-ouwelui niet heel snugger waren, wanneer men let op 't gehalte hunner geleerde voorgangers.

Ja, op die oude voorgangers zien we met minachting neer, en te-recht. Wat vroeger de zoogenaamde hoogescholen leverden...

Ik heb gezien - gezien en gelezen - een akademisch proefschrift, waarop summÔ cum laude de graad verleend is van doctor in de rechten, een proefschrift waarin betoogd werd dat de heksen-vonnissen, zooals ze tot dien tyd toe waren geveld, voor 'n groot deel onwettig waren.

Ei... dat is zoo heel erg niet, meent ge? Voor 'n aanstaanden advokaat is 't inderdaad sterk dat-i 't verbranden van arme leelyke oude vrouwtjes afkeurde...

Een oogenblik! De doctorandus keurde 't verbranden niet af, hy beweerde maar dat de vonnissen meestal niet goed geredigeerd waren, omdat daarin boven en behalve verboden omgang met den duivel, zoo dikwyls als verzwarende omstandigheid vermeld werd dat de delinkwente den heer gemaal Duivel een kind had gebaard. Dit nu hield de doctorandus voor 'n onmogelykheid: quia frigidum diaboli semen. En hy betoogde die kou op helkundig-zo÷logische gronden! [4]

Dat heb ik gelezen! En, terstond niet, maar na eenigen tyd hoop ik 't stuk te kunnen toonen!

't Komiekste was dat de man z'n werk opdroeg: carissimo patri, zeker om z'n oudeheer te doen zien dat-i z'n tyd aan de akademie goed besteed had!

Och arm, ik kan me zoo voorstellen hoe zoo'n vader zich zal hebben verkneuterd van pleizier over zooveel knapheid!

Maar, meent ge... heksen? Dat is lang geleden. 't Stuk is 150 jaren oud, 'n stipje tyds, 'n seconde slechts in de geschiedenis! [5]

Toch schynt ˛ns dat tydsverloop lang. Dit dringen wy ons op, omdat we gaarne vŔr staan van zooveel dwaasheid. Ik ben zeker dat onze achterkleinkinderen ook zullen trachten alle geestverwantschap met de tegenwoordige geleerden van zich aftewerpen door 't voorgeven: dat het al zoo lang geleden is!

Of meent ge dat men over honderd jaar trotsch wezen zal op de tegenwoordige voorgangers der natie? [6]

Op schoolmeesters die taal, geest, genie, ondergeschikt achten aan spelling?

Op volksvertegenwoordigers die niet spreken kunnen?

Op hoogleeraren die 't volk willen voeden met de gedachte aan zekere visschen die rondzwemmen in zekere zee? *)

Op Godgeleerden die brutaal-weg komen verkondigen dat al 't vroeger geleerde - NB. achttienhonderd jarenlang! - maar gekheid was?

Op andere geleerden die... [7]

Ja, gy maakt 'n uitzondering, hooggeleerde Muurling! Op U zal 't nageslacht staren als 'n vuurbaak in den Oceaan der theologie. Gy zoudt nooit op 't denkbeeld komen dat er fouten waren in de heksen-vonnissen! Gy zoudt...

Laat zien wat gy voor den dag brengt, gy... geen doctorandus meer, maar doctor, leeraar! Gy, geen doctor meer, geen leeraar meer, maar hoog-doctor, hoog-leeraar, leeraar van doctoren, doctor van leeraren, opperleeraar, opperdoctor!

En: hoogleeraar, niet in de eene of andere menschelyke nietige zaak, niet in de geneeskunde, niet in de natuurkunde, neen, in de boven-natuurkunde, in de kennis van iets hoogers dan de Natuur, in de kennis van 'n God die tot de Natuur staat als gy tot 'n schooljongen, o Muurling!

Opper-hoog-leeraar dus in de opperste hoogste dingen. Ja, in dingen zˇˇ hoog, dat zy er niet zyn... wat in myn oog uw hoogleeraarschap heel moeielyk maakt. [8]

Gy, Muurling, hebt gehoord dat er huwelyken worden gesloten.

Gy weet dat zulke maatschappelyke overeenkomsten - die, dit erken ik, soms nuttig zyn - worden gezegend, bezegend, ingezegend. Wat inzegenen is, weet ik niet. By analogie met inzouten, heeft het iets van: rondom besprenkelen met zegen, doortrekken met zegen, inkuipen... neen, of er by gekuipt wordt weet ik niet.

Genoeg, gy hooggeleerde Muurling wist dat er getrouwd wordt, en dat daarby moet gezegend worden.

Uw hooggeleerd verstand begreep dat het inzegenen goed moest geschieden. Dat zeg ik ook. Wat al jammer zou er voortvloeien uit verkeerde onvoldoende scheeve onhandige zegening!

De vrees nu dat sommige zegenaars hun beroep niet goed zouden uitoefenen, heeft u bewogen 'n boekje te schryven als handleiding tot het zegenen, zooals professeurs de Jeu teHomburg en te Spa Manuels schryven pour gagner Ó la banque.

Wie speelt moet goed spelen, zˇˇ dat-i wint. Wie zegent moet goed zegenen, zˇˇ dat het helpt. [9] Dit alles is klaar als de theologie. Neen, klaarder. Laat ons nu eens zien hoe gy uw Manuel geschreven hebt.

Le trente et quarante se joue... ik ben in de war. Hier is 't:

FORMULIER ter HUWELIJKS-INZEGENING
door W. MUURLING, HOOGLEERAAR TE GRONINGEN.
 
JEUGDIG* ECHTPAAR...

Halt! Nu zult ge terstond inzien, lezer, waarom ik zoo-even professor Muurling benoemde tot kandidaat-lichtbaak. Nu zult ge ontwaren hoe vreeselyk ondankbaar ons nageslacht wezen zal, als 't later zoo'n voorganger op ÚÚn lyn stelt met den heksendoctor van zoo-even! Nu zult ge begrypen...

Wat is 't eerste woord van Muurling's inzegenmethode? Het eerste woord, vraag ik u, 't aller-eerste?

Ja, 't eerste! Want verder dan 't eerste, hoeft 'n hoog-opper-voorganger in de heilige Godgeleerdheid niet te gaan, om te toonen hoe hemelsbreed het verschil is tusschen laag- en hooggeleerdheid...

't Eerste woord alzoo is: Jeugdig.

Goed! Maar de domme laaggeleerde zou vragen: als nu eens de bruid oud is, en de bruigom bejaard, of ÚÚn van de twee is wat onjeugdig?

Gy laaggeleerde, zwyg! Ge hebt met Muurling's arbeid niets te maken. Ge laat u geduldig bezegenen en beformulieren, hoe ook.

't Is voor U niet, inzegening-dorstende leeken, dat de hoogeerwaarde hooggeleerde Muurling zich verwaardigd heeft by dat woord: jeugdig 'n sterretje te plaatsen.

Want, er staat 'n sterretje by.

Dit sterretjen is:

10 't Symbool van Muurling's godgeleerd genie.
20 Een verwyzing naar de noot onder de bladzyde.

Een noot? Ja. Die. noot zullen wy - met gepasten eerbied -behandelen.

Neen, domme ongeleerde leek, niet tot U spreekt de getabberde hoogleeraar! [10] Die noot kunt gy overslaan, gy die daarvan de diepte niet zoudt peilen. Die noot is gericht tot de personen die beroepshalve zich bezighouden met inzegenen. Hebt ge niet gezien op den titel van 't Manuel dat de uitgave geschiedt door de predikanten-vereeniging in de provincie Groningen? Ziehier 't voorbericht. Want het, stuk heeft 'n voorbericht ook. Ziehier:

Dit formulier ter huwelijks-inzegening werd in de vergadering der predikanten-vereeniging der provincie Groningen den 28 September 1858 als proeve meegedeeld, en in het verslag van die vergadering gedrukt.
Om aan de veelvuldige aanvragen te voldoen, heeft de predikanten-vereeniging besloten, het voor hare eigene rekening te laten drukken, en algemeen verkrijgbaar te stellen.
Vooraf is het door den opsteller herzien.
 
C.H. van Herwerden C.H.z. President.
J. Sinnighe DamstÚ, Secretaris.
 
Groningen, November 1861.

Ziet ge wel, leek, dat het sterretje by 't woord jeugdig U niet aangaat? Die ster is 'n ridderorde van den geest des professors, 'n grootkruis van 't verstand des hooggeleerden, en tevens - waarom zou ik 't verzwygen? - tevens licht dat sterretje de Zeergeleerde inzegenaars voor, om ze te leiden naar 't Bethlehem der noot waarvan ik sprak, en waarin de professor zyn heerlykheid te aanschouwen geeft. [11]

Die noot, die noot!...

Wilt ge 't volstrekt weten, leek? Wilt ge? Vreest ge niet blind te worden als ik de gordyn ophaal waarachter de hooggeleerdheid des theologiae professoris blinkt, glanst, schittert, als 'n vuurpyl?

Vreest ge die blindheid niet? Kunt ge zoo veel licht verdragen? Welnu, erken dat ik u gewaarschuwd heb.

Professor Muurling vertelt als noot op 't woord jeugdig: dat dit epitheton naar omstandigheden moet gewyzigd worden!

En - o, diepte der wysheid en der kennisse! - in diezelfde noot vermaant hy z'n discipelen - de zeer geleerde Groningsche Dominees alzoo - om in-plaats der vertegenwoordigers van de gemeente, de gemeente zelve aantespreken, als die tegenwoordig is. Maar 't fynst, het diepst, het hoogst, het belangrykst, het meest oostersche-sterńchtige is: de professorale erkenning van 't ongepaste om ouders en bloedverwanten aantespreken, als er geen ouders en bloedverwanten zyn!

Wat verder vertelt de man - ik gis, na inspiratie van den H.G. - dat de zeer-geleerde heeren inzegenaars niet moeten roepen: knielt! als ze geprevenieerd zyn dat het zegenbehoevend paar niet knielen wil.

Ook, dat ze niet hoeven te zeggen: sta op als er niet geknield is.

By m'n arme ziel het staat er!

De hoog-geleerde die zulke wenken geeft...

De zeer-geleerden die aan zulke wenken - zie 't voorbericht - behoefte voelen... [12]

Die lui zullen aan 't volk vertellen wie God is, en hoe 'n ongeleerd burgermensch 't moet aanleggen om behoorlyk zalig te worden! [13]

Voor drie stuivers kan men 't vod koopen. Ik hoop dat het ding veel aftrek vindt, niet zoozeer omdat ik me verheug over de behoefte van die predikanten, maar wyl ik graag zou zien dat het Volk behoefte voelde eens te overwegen of 't ook behoefte heeft aan voorgangers die behoefte voelen aan andere zaken dan muurlingsche god- en hoog-geleerde formulieren? [14]

*) De hier bedoelde professorale onnoozelheid wordt aangehaald in m'n stuk over Vryen Arbeid. Een fransch staathuishoudkundige beging dezer dagen (1872) in de LibertÚ 'n gelyke... staathuishoudkundigheid. Ieder weet dat er in Frankryk gebrek is aan edel metaal, of althans aan 'n behoorlyke hoeveelheid circuleerend medium. Indien dit laatste alleen 't geval ware zou de nood, by welstand van andere zaken, zoo groot niet zyn, doch - gelyk in Holland met de voeding - er bestaat pÚnurie. Onze staathuishoudkundige voorlichter geeft 'n eenvoudig redmiddel aan de hand. Hy becyfert de opbrengst der onlangs ontdekte Novada-mynen in Amerika, en raadt Frankryk aan: dat zilver tot zich te lokken. Simple comme bonjour! Met de middelen om die zilververhuizing te doen plaats hebben, bemoeit hy zich niet.


[1] "Zou 't wel zoo erg wezen? Overdryving zeker..." Nu volgt een Multatuliaanse behandeling van een trivialiteit - een bijzaak van een bijzaak van eeuwen her, die toch interessant, leerzaam en amusant zal blijken, en een polemisch kunststukje over een futiliteit.


[2] " Die veertien heeren hebben gelyk, of ze hebben ongelyk. Ze zeggen tot de slotsom gekomen te zyn dat er verschil is tusschen onze inzichten in de waarheid, en de waarheid. Als tusschenzin, 'n aardige parafraze van: tot nog toe hebben wy u maar wat voorgelogen. Men kan het niet fatsoenlyker uitdrukken. " Dit is natuurlijk niet waar, maar ik neem aan dat M. feitelijk welbewust en weloverwogen polemisch overdreef. Het hier gestelde is - strikt genomen - onwaar omdat wie toegeeft zich vergist te hebben geeft daarmee nog niet toegeeft eerder gelogen te hebben, en er is een aanmerkelijk verschil tussen "onwaarheid spreken" en "liegen", want "liegen" is niet zozeer onwaarheid spreken als "onwaarheid spreken over het eigen geloof" - dat zelf weer waar of onwaar en geloofwaardig of ongeloofwaardig kan zijn.


[3] "Zou 't wel zoo erg wezen? Dat zullen wy onderzoeken, terloops... want waar zou 't heen als we een boek maakten van al de domheden die voor-en-na zyn uitgekraamd door wie bezoldigd werden en worden om wysheid te leveren? ": Om te vermijden in te gaan op hoofdzaken (waar M. elders - zie idee ___ - op ingaat) gaat hij hier welbewust op een bijzaak in.


[4] Er staat inderdaad, wellicht opzettelijk "helkundig-zo÷logische gronden".


[5] "'t Stuk is 150 jaren oud, 'n stipje tyds, 'n seconde slechts in de geschiedenis!" En dateert dus feitelijk van rond 1710. Als ik 't wel heb werd in Europa de laatste heks judicieel verbrand in anno Domini 1726, in Schotland.


[6] "Of meent ge dat men over honderd jaar trotsch wezen zal op de tegenwoordige voorgangers der natie?" De waarheid blijkt dat het in 1960 vrijwel niemand iets kon schelen wat het peil van de "voorgangers der natie" in 1860 was, en dat dit in 2002 in het geheel niet anders is - behalve dat de meerderheid van het Neerlands volk ongetwijfeld chauvinistisch zal vinden dat - "right or wrong, my country!" - 't peil hoe dan ook voor de weldenkende en welvoelende Neerlandse doorsnee voldoend moet zijn geweest, waar ze ongetwijfeld gelijk in hebben.

En we kunnen dit aanzienlijk versterken:


[7] Niet alleen geeft de doorsnee Nederlander anno Dominus 2002 niet om het peil der schoolmeesters, volksvertegenwoordigers, hoogleraren, theologen en overige geleerden van eeuwen her, ook van de huidige schoolmeesters wordt verwacht dat ze "taal, geest, genie, ondergeschikt" maken aan "de belangen van het onderwijs"; ook van de huidige volksvertegenwoordigers wordt verwacht dat ze niet welsprekend zijn; ook van de huidige hoogleraren wordt originaliteit noch zelfs zinnigheid geŰist; ook de huidige theologen liegen en bedriegen; en de tegenwoordige "overige geleerden" hebben zich bekwaamd in vakken als "communicatie-wetenschappen".

Er is dus ook in dit opzicht weinig werkelijk veranderd in nogmaals (meer dan) 150 jaar.


[8] Op dit moment is de "hooggeleerde Muurling" zo ver en zo ongeloofwaardig de hoogte in gestoken dat hij wel diep moet gaan vallen.


[9] "Wie speelt moet goed spelen, zˇˇ dat-i wint. Wie zegent moet goed zegenen, zˇˇ dat het helpt." Niet echt: Je kunt spelen om de vreugde van het spel, terwijl het zegenen al goed geacht wordt alleen omdat er gezegend wordt - men vergelijke M.'s zeeziekte-geschiedenis.


[10] Wat ook hetzelfde was in 1710, 1860 en 2002 was er "de getabberde hoogleeraar" - voorgangers en leiders plegen zich speciaal te kleden in mensenmaatschappijen, om hun voorganger- of leider-schap duidelijk aan te geven. En gewoonlijk maakt dit, als de spreekwoordelijke kleren des keizers, op de onbevooroordeelde, d.i. de niet-belanghebbende, waarnemer een behoorlijk ridicule indruk. Maar het geeft vorm en uitdrukking aan een diep-menselijk verlangen naar onderscheid en onderscheiding dat kennelijk bij vrijwel alle mensen en in alle grote menselijke gemeenschappen sterk leeft: Een verlangen naar bijzondere leiders met bijzondere kenmerken, die een bijzondere behandeling verdienen.


[11] "om ze te leiden naar 't Bethlehem der noot waarvan ik sprak, en waarin de professor zyn heerlykheid te aanschouwen geeft.": Uiteraard overdrijft M. heel welbewust, en uiteraard heeft hij z'n verhaal heel zorgvuldig opgebouwd en z'n termen met zorg gekozen, en uiteraard behandeld hij feitelijk een futiliteit .... maar toch is dit iets wezenlijks, en heel wel mogelijk niet in een door Multatuli bedoelde zin.

Immers: het sociale leven, ook dat van hoogleraren, bestaat voor een groot deel uit plichtplegingen, uit aanstellerij, uit theater, uit rollenspel, uit leugen kortom. De "hooggeleerde Muurling" wist zo goed als Multatuli dat geen mens zat te wachten op z'n kwalificatie bij "Jeugdig", en had vrijwel zeker beter door dan Multatuli wat het is het maatschappelijk spel mee te spelen.

Het is precies hiertegen dat Multatuli zich verzette: de maatschappelijke leugen in z'n talrijke verschijningsvormen - men leze het program en het begin van zijn Ideen.


[12] "By m'n arme ziel het staat er! De hoog-geleerde die zulke wenken geeft... De zeer-geleerden die aan zulke wenken - zie 't voorbericht - behoefte voelen..." - nu, ofwel die zijn gek, ofwel die spelen een maatschappelijk spel mee dat op Multatuli een minderwaardige indruk maakt, maar geheel en al volgens de normen, gebruiken, regels en doorsnee-verlangens is en was, en zonder welk spel er ook geen normaal maatschappelijk verkeer is.


[13] "Die lui zullen aan 't volk vertellen wie God is, en hoe 'n ongeleerd burgermensch 't moet aanleggen om behoorlyk zalig te worden!" Het is hier dat het probleem ligt voor M.: Hoogleraren die zich de moeite geven dergelijke banaliteiten te publiceren hebben kennelijk noch de tijd noch de vermogens tot iets beters.

En daar had hij ongetwijfeld ook gelijk in, al overziet hij ook hier dat het werkelijke probleem niet schuilt in het niveau van de voorgangers maar in dat van de volgelingen - immers, het zijn de volgelingen die de voorgangers de macht gunnen, en zich door hen (mis)leiden laten, gewoonlijk uit vrije wil, gewoonlijk naar eigen zeggen compos mentis, gewoonlijk, volgens de volgelingen zelf, op basis van voldoende kennis en informatie bij henzelf, dat hen immers overtuigde van hun volgelingen-gelijk.

Wat M. hier ook enigszins of geheel over het hoofd ziet is de zeer fundamentele rol die de leugen - doen alsof, meespelen met de meute, huichelen omwille van de lieve sociale vrede, voor het welzijn van de groep de buitenstaander bedriegen, vals zijn uit beleefdheid of wellevendheid etc. - speelt in het gewone maatschappelijke verkeer, en dat het gewone maatschappelijke verkeer inderdaad niet mogelijk is zonder een grote hoeveelheid welbepaalde en welbekende leugens, die overwegend samenhangen met het algemeen onderkende handhaven van het groepsbelang tegen buitenstaanders.


[14] Hier steekt M. de draak als in een eerder idee door een term veelvuldig te herhalen in verschillende betekenissen.

 

Idee 279.