(In de vorige Uitgaaf als
Noot gedrukt.) Hier blykt dat m'n geringschatting van den heer
Thorbecke als staatsman (452,
966, vlgg.) geen parti-pris
was. Gelyk velen verwachtte ik in 1862 inderdaad iets van hem. Hy
heeft geen enkele der zaken afgedaan die ik hier op z'n agenda zette.
Het Dagbladzegel is nu afgeschaft, maar door hèm niet. Wat de man wèl
heeft verricht, is my onbekend. Hy is nu, geloof ik, weer minister
(1872) doch zeker weet ik het niet. 't Boezemt me geen belang meer in.
Er staan heel àndere veranderingen voor de deur, dan dat gedurig
inruilen van lood om oud yzer.
Uit de schoone
redevoering van den heer Wintgens in de
Kamerzitting van 13 November 1871, meen ik te mogen opmaken dat ik
niet te-vergeefs geleefd, gedacht, geleden, gearbeid heb.
[1] Ook anderen beginnen intezien...
Maar wel is 't weer
karakteristiek, dat ik - zoo kort na 't verschynen van m'n stuk
over Specialiteiten, waarop de
debatten van die maand zoo'n scherp afgedrukt zegel zetten! - niet
genoemd werd, noch door den heer Wintgens noch door de andere
sprekers, al bleek er dan telkens - byv. uit het nogal boetvaardig
veroordeelen van schoolmeester-specialiteiten, door Mr. Thorbecke-zelf!
- dat men myn beschouwingen over de kamerdebatten pas onlangs gelezen
had. [2]
Er is iets komieks in
die vrees m'n naam te noemen. Begrypen die heeren niet hoe luid dat
zwygen spreekt? [3] Nadat ik zoo kort geleden in
myn Nogeens Vrye Arbeid had
aangetoond dat het zoogenaamd Kultuurstelsel op den aard des
Javaansch en Volks gebazeerd was, en dáárom moest behouden blyven,
voerden de voorstanders van dat stelsel als motief voor hun meening
hoofdzakelyk aan: dat de zaak eigenlyk 'n ethnologisch
vraagstuk betrof, 'tgeen, zeiden zy, onlangs verzekerd was door... 'n
Oostenryker! Ook de kapellenvanger Wallace
- 'n opmerker van de minste soort, waarachtig! [4]
- werd tot getuige geroepen! 't Is waarlyk om te vertwyfelen aan z'n
denkvermogen als men bemerkt dat zulke hansworsten 't met ons, eens
zyn. De man spreekt mee over zaken waarvan hy 't eerste woord niet
weet. Ter verontschuldiging kan misschien worden aangevoerd, dat-i
niet kon voorzien door Nederlandsche Staatslieden te worden
gepromoveerd tot autoriteit. Op Java zou geen koelie 'n raad van hem
hebben aangenomen, maar voor Den Haag schynt alles - behalve 't
goede, natuurlyk! - goed genoeg.
Wel echter kon de man
voorzien dat de beoefenaars van z'n vakken - botanie, zoölogie,
ethnologie, enz. - z'n werken zouden raadplegen, gelyk dan ook,
byv. door Darwin, geschiedt. Dit is zeer te
betreuren, en ik zal dezen eerlyken maar naïven denker waarschuwen
tegen zulke berichtgevers. [5] Wat in Wallace
ten-eenenmale ontbreekt, is: de konscientie der wetenschap. Ik neem
aan, dit in z'n werken aantetoonen. Dat de hollandsche vertaling
daarvan door Prof. Veth, in zekeren zin naar
my gedoopt is - Insulinde! - doet me hartelyk leed. Het is 'n
aardig boek voor leeken, en ontleent z'n grootste waarde aan de zoo
korrekte noten van den heer Veth-zelf, wiens kennis van indische zaken
verbazend is. Het verwondert me dan ook zeer dat hem Wallace's gebrek
aan wetenschappelyke konscientie niet meer stuit, of althans dat
daarvan zoo weinig blykt. Ook Prof. Veth vergist zich nu-en-dan. Wie
niet? Wat, byv. de baarsche Wallace - wiens filologische kennis,
behalve z'n onwetenschappelyk Engelsch, zich hoofdzakelyk wel bepalen
zal tot wat muzeum-latyn: dit- of dat-ptera Wallacii! -
wat die man outriggers noemt (zie noot 9 van den heer
Veth, blz. 287) zyn de aan twee dwars over 'n klein vaartuig
liggende staken bevestigde stukken bamboe van 'n prahoe sajab =
vlerkschuit. [6] Deze uitleggers bevinden
zich dus niet, gelyk de heer Veth meent, aan de loefzyde alleen, 'tgeen
vanzelf spreekt omdat loef en ly gedurig verwisselen, en men die
mekaniek niet telkens zou kunnen overbrengen. Ook doet ze haar werking
niet door de zwaarte aan den loefkant - de heele toestel is daartoe te
licht, en de manschappen zouden er niet dan zeer moeielyk, en dan
slechts 'n oogenblik, op kunnen zitten maar door den tegenstand van 't
water tegen de met lucht gevulde bamboe aan den lykant van 't
vaartuig.
Zulke foutjes
zyn menschelyk, en doen 'n goeden opmerker te meer in 't oog vallen
hoe nauwkeurig overigens de heer Veth alles onderzoekt. Byna ieder
ander had die engelsche outriggers zonder kommentaar laten
voorbygaan. Men is grooten eerbied schuldig aan de wetenschappelyke
hoogte waarop de heer Veth staat, al verschilt men dan - gelyk met my
't geval is - van hem in zoogenaamd-staatkundige richting. Ikzelf heb
genoeg gewerkt om te begrypen hoeveel hy moet gearbeid hebben! *)
Met dien Wallace nu,
is de zaak juist andersom. Mir nichts, dir nichts gaat hy veel
belangryks voorby, en geeft telkens, in-plaats van rezultaten eener -
in Indie dikwyls lastige! - wetenschappelyke nasporing, een ter-loops
opgevangen praatje, zoodat hy, ook waar-i de waarheid zegt, zeer
dikwyls slechts de verdienste heeft van juist-raden. De voorbeelden
die ik hiervan kan aanhalen, zyn anekdotisch. En soms wapent hy zich
tegen misraden, door 'n zonderling: of. Een uit 'n boom
gevallen orang-oetang, dien hy N.B. zegt ontleed te hebben, had
volgens hem 'n been ‘of’ 'n arm gebroken. Zou 't ook misschien de
staart geweest zyn?
Het zou 'n werk van
langen adem wezen, al de byzonderheden optegeven, die
Wallace stempelen tot 'n bevoegde vraagbaak
voor ieder die aan wetenschap geen behoefte voelt. De goedige
vergunning om te kiezen tusschen arm en been van dien orang-oetang
- let wel, dat z'n ‘of’ geen sive is, maar wel degelyk vel,
want twee en drie regels vroeger spreekt hy van vingerspitsen,
elders van handen, en overal stelt hy de armen van het dier
tegenover de beenen - de vergunning nu, om ditmaal te kiezen,
wordt den lezer wel eenigszins vergald door de onmeedoogende wys
waarop hy hem 't getal van de gedurende zes-en-twintig nachten
gevangen nachtuiltjes opdringt, nacht voor nacht, met de datums er by:
totaal 1386 stuks, welgeteld! (blz. 141) De man die 'n maand zoek
maakte met het vangen en tellen van die nachtuiltjes, heeft middel
gevonden om in drie en een halve maand (blz. 162) de Javasche
Flora en Fauna en de geologische struktuur van dat
groote land te determineeren, aan de - NB. uit verschillende stammen
bestaande - bevolking van vyftien millioen zielen haar
anthropologische plaats aan te wyzen, en pour la bonne bouche
gewysde te slaan in 't proces tusschen Kultuurstelsel en
Vryen Arbeid... waaromtrent hy godbeter't van myn opinie is!
[7]
Het getal soorten van
vlinders noemt hy met stipte cyfers. En dat der vogels... lezer,
Wallace verzekert ons dat er in zyn tyd op Java slechts tweeërlei
soort van papegaaien waren, en tevens dat hyzelf van daar vertrok op
den 31n October 1861. De ornithologen zullen dus in
November van dat jaar aan de psittaceën niet veel te tellen gehad
hebben.
Zoo'n
kwakzalver - een der engelsche trompetters, waarvan ik sprak in
de ‘Specialiteiten’ - wordt als autoriteit aangehaald in onze
Volksvertegenwoordiging! Is 't wonder dat het vaderlandslievend gemoed
van 't straatgrauw, zich richtend naar zulke voorbeelden, z'n
Neerlandismus uitgalmt in: die Wacht am Rhein?
Ik bèn nu eenmaal,
helaas, slechts 'n Hollander. Kan ik 't helpen? Maar zy die
op-grond hiervan gedurig de vryheid nemen my beneden den eersten den
besten vreemdeling te stellen, moesten bedenken dat zoo'n
antinationaliteit henzelf ook niet verhoogt. Money, of 'n Oostenryker
- 'k weet waarachtig 's mans naam niet, en heb geen lust dien te
zoeken - en Wallace... hartelyk dank!
Ik betwyfel zeer of
men in 't Engelsch Parlement gebruik maken zou van myn
wysheid als ik 'n vertoog schreef over de werking van plumpudding
of de spleen, of 'n handboek voor boksers. Ik zal er me niet
aan wagen.
*) Noot van
1879. Ik laat dit getuigenis met te meer genoegen onveranderd staan,
om daardoor 'n tegenhanger te leveren tegen de laaghartige
oneerlykheid waarmee de vry-arbeidende professor Veth by-voortduring
den politieken kant der Indische zaken behandelt. Hy - de
schryver toch van 't stuk in den Gids van Augustus 1860! (Minnebrieven,
uitgaaf 1875, blz. 153) - neemt den schyn aan, nooit iets van Havelaar
gehoord te hebben! [8] De belangen der edele
vry-arbeidsparty schynen die voorgewende ignorantie te vereischen. Wie
van 's mans onbeschaamde valsheid meer weten wil, wordt verwezen naar
Roorda's kritiek van z'n werk: Java, geographisch, ethnologisch,
historisch, Afl. 28 en 29. (Weekblad Oost en West,
1878, No 21, vlgg.)
[1] We lezen hier een nogal unfair
idee van M. en 't is nogal dwaas om te schrijven n.a.v. een rede van
een kamerlid dat "ik niet
te-vergeefs geleefd, gedacht, geleden, gearbeid heb."
Maar ja - Wintgens had Multatuli geprezen, ook in
privé-correspondentie, waar M. gevoelig voor was.
[2] "Maar wel is 't weer
karakteristiek, dat ik - zoo kort na 't verschynen van m'n stuk
over Specialiteiten, waarop de
debatten van die maand zoo'n scherp afgedrukt zegel zetten! - niet
genoemd werd, noch door den heer Wintgens noch door de andere
sprekers, al bleek er dan telkens - byv. uit het nogal boetvaardig
veroordeelen van schoolmeester-specialiteiten, door Mr. Thorbecke-zelf!
- dat men myn beschouwingen over de kamerdebatten pas onlangs gelezen
had."
Dit is vrijwel zeker waar -
zoals het ook vrijwel zeker waar is dat M. door Thorbecke en vele
anderen beschouwd werd als tamelijk gek én een veel te gevaarlijk
polemist om te
bruuskeren of noemen.
[3] "
Er is iets komieks in die vrees m'n
naam te noemen. Begrypen die heeren niet hoe luid dat zwygen spreekt?
"
M.s naam werd gewoonlijk niet genoemd
uit angst publiek verbaal gevild te worden, en uit angst om met zo
iemand geassocieerd te worden. En hij werd doodgezwegen om
maatschappelijk zoveel mogelijk uitgeschakeld te worden.
[4] Wat betreft "
de kapellenvanger
Wallace - 'n opmerker van de minste soort, waarachtig!
" is M. unfair. Ik heb vrijwel niets van Wallace
gelezen, maar hij ontdekte de evolutie-theorie onafhankelijk van
Darwin, en voordat deze daarover gepubliceerd had, en werd door Darwin
zeer hoog geacht.
[5] Het lijkt me niet
waarschijnlijk dat M. " dezen
eerlyken maar naïven denker waarschuwen tegen zulke berichtgevers
" werkelijk geschreven heeft over de vermeende
tekortkomingen van Wallace.
[6] Wat betreft de "
prahoe sajab = vlerkschuit
": Dit lijkt me wat tegenwoordig een catamaran wordt genoemd.
[7] "De
man die 'n maand zoek maakte met het vangen en tellen van die
nachtuiltjes, heeft middel gevonden om in drie en een halve maand (blz. 162) de Javasche
Flora en Fauna en de geologische struktuur van dat
groote land te determineeren, aan de - NB. uit verschillende stammen
bestaande - bevolking van vyftien millioen zielen haar
anthropologische plaats aan te wyzen, en pour la bonne bouche
gewysde te slaan in 't proces tusschen Kultuurstelsel en
Vryen Arbeid... waaromtrent hy godbeter't van myn opinie is!"
Zodat M. niet kan zeggen dat
Wallace zich in àlles vergiste.
[8] "Ik
laat dit getuigenis met te meer genoegen onveranderd staan, om
daardoor 'n tegenhanger te leveren tegen de laaghartige oneerlykheid
waarmee de vry-arbeidende professor Veth by-voortduring den politieken kant der Indische zaken behandelt. Hy - de
schryver toch van 't stuk in den Gids van Augustus 1860! (Minnebrieven,
uitgaaf 1875, blz. 153) - neemt den schyn aan, nooit iets van Havelaar
gehoord te hebben!"
De reden zal zijn dat Veth vrij
snel ná 1860 concludeerde dat Multatuli te radikaal of te gek was om mee
geassocieerd te willen worden. Dit deden veel leden van de Nederlandse
élite uit M.'s tijd na 1860. (Dit is begrijpelijk via mijn noot bij
226.)