Idee 183.                                       


Hoe... er wordt gesproken van 't huwelyk, van de vereeniging der geslachten, die den mensch - man of vrouw, onverschillig - eigenlyk voor 't eerst waarlyk tot mensch maakt, en hy, de wetgever, de voorganger, de opvoeder, de wysgeer, de zedemeester, heeft daarover niets meetedeelen dan die platte ruwe ongemanierde opsomming der onderscheiden manieren waarop de man - neen, 't mannetje - voor 't huwelyk ongeschikt wordt? Hoe... hy die 'n vygenboom wist te gebruiken als onderwerp van vervloeking... hy die gelykenissen - en schoone! - wist vastteknoopen aan 't geringste voorwerp, aan zuurdeeg en mosterdzaad... hy die farizeen en schriftgeleerden te-woordstond - en flink! - met donderend verwyt en dieper treffende spot... hy wist niets dan dàt van 't huwelyk te zeggen? Hoe... hy dacht aan den man alleen, en scheen te verstaan dat men hem om raad vroeg in 'n kwestie van hygiène? Hoe... hy vergat die geheele andere helft van 't menschelyk geslacht, om de vraag alleen optevatten met het oog op de dierlyke behoefte, op de allerplatste konvenientie van deze helft? Foei! [1]

Foei, foei, foei!

Nooit heb ik de vrouw behandeld gezien met zooveel vernietigende minachting.

In veel wetgevingen van zoogenaamde zedemeesters - zie de mozaïsche - is zy 'n zaak, 'n ding, 'n meubel, 'n koe... [2]

Hier, naar de uitspraak van Jezus, is ze niets, niets, volstrekt niets! Elders worden haar rechten miskend om alleen te spreken van haar verplichtingen. Hier schynt het niet de moeite waard zelfs, met 'n enkel woord van die verplichtingen te spreken! [3]

Ik vraag u of Jezus anders had kùnnen antwoorden, als de discipelen hadden gevraagd of 't goed is pantoffels te dragen? Of, in 't nu gegeven antwoord, iets meer is gelet op de belangen der vrouw, op de rechten der vrouw, op de behoeften der vrouw, dan in zoo'n antwoord zou gelet zyn op de behoeften, belangen en rechten van 'n ouwe slof?

Foei, foei, foei!

Ziehier 'n andere lezing die 'k voorstel te leggen naast de oude. Ik wil zien welke Christen den moed heeft die van Mattheus mooier te vinden! [4]

10) Toen zeiden zyne jongeren tot hem: staat de zaak eens mans met zyne vrouw alzoo, dan is het niet goed te trouwen.

11) En hy zeide tot hen: ik zegge u 't is den man goed te trouwen, opdat zyne ziele geheel worde, en hy mensch zy.

12) En der vrouwe is 't goed te huwen , opdat haar ziel volmaakt worde, en ze een mensch zy.

13) Want de Heer rustte niet na 't scheppen van den man. En hy schiep niet de vrouw alleen, zonder man. Maar man en vrouw schiep hy ze, opdat de mensch volmaakt zy.

14) Zoo wie eene rechterhand heeft en de linker mist, hy is niet volmaakt. En wie eene linkerhand heeft, en niet de rechter, hy is niet volmaakt. Maar den mensch is gegeven eene rechterhand en eene linkerhand, opdat hy volmaakt zy.

15) En de rechterhand zegge niet, wat is u, linker... ik ben de hand. Noch zegge de linkerhand tot de rechter, wat is u, ik ben de hand. Want te-zamen zy ze volmaakt. Alzoo de man en de vrouw.

16) De rechterhand gespt den gordel die noodig is. En de linker draagt de waterkruik die gy noodig hebt. Wie z'n gordel verliest, en 't geld dat hy daarin bewaarde, kan niet leven. En wie geen waterkruik meedraagt, zal bezwyken. Alzoo de man en de vrouw.

17) Gy hebt gehoord dat er gezegd is: zy zullen één vleesch zyn... doen niet hoereerders en overspeelsters ook alzoo? Waar is uw huwelyk?

18) Gy hebt gehoord dat er gezegd is: vleesch van myn vleesch, been van myn been... doen niet de dieren des velds ook alzoo? Waar is uw huwelyk?

19) Zoowaar uw God is een God van waarheid, zoowaar zegge ik u, gy man en gy vrouw, huwt in de waarheid, opdat gy geen leugen kweekt.

20) Zoowaar uw God is een God van geest, zoowaar zegge ik u, gy man en gy vrouw; huwt in den geest, opdat niet de jongen van de dieren des velds zeggen tot uw kroost: wy zyn u gelyk.

21) Zoowaar uw God is een God van liefde, zoowaar zegge ik u , gy man en gy vrouw, huwt in liefde, opdat gy kinderen voortbrengt die geteeld zyn in liefde.

22) Gy man, plooi niet in den tempel uw mond naar de wyze der rabbi's, als proefdet gy zoeten wyn, en spreek niet tot uwe vrouw, als ware er alsem op uw tong.

23) Wie wysheid spreekt in den tempel, en dwaasheid geeft aan zyne vrouw, is een dief.

24) Wie heeft u geroepen in den tempel? Gy kwaamt opgeroepen. Maar aan uwe vrouw hebt gy liefde beloofd. Daarom opende zy, op u vertrouwende, haar schoot.

25) En gy, vrouw, onteer niet uwen man door te zeggen: heer! Want als ge uzelve verlaagt, verlaagt gy hem die met u één is. Neem van zyn pad wat gy kunt, opdat hy niet struikele.

 26) Doch ik zegge u dit, niet sprekende als tot eene slavin, maar opdat gyzelve niet valt, waar hy gestruikeld is. Want gy zyt één.

27) De vrouw zal verantwoorden voor den man, en de man voor de vrouw, want ze zyn één.

28) Wie zyner vrouw tarwe geeft dat zy koeken make, éét van die koeken. Zy is den man geen dank schuldig. Doet niet de broeder ook alzoo? Waar is uw huwelyk?

29) De vrouw die koeken bakt, dat de man ete, éét van die koeken. De man is haar geen dank schuldig. Doet niet de zuster ook alzoo? Waar is uw huwelyk?

 

30) Maar zoo wie eene ster ziet, zegge tot zyn beminde: zie die ster, en verheug u! En de vrouw die eene aandoening heeft van vreugde, deele die met haren man. 't Is zyn eigendom, en zy verliest niet door 't deelen. En waar de man smart voelt, deele hy die met de vrouw, opdat zy niet vrage: ben ik beneden uw gevoel?

31) Waar zy treurt, treure hy mede, opdat zy niet vreeze lager te wezen dan zyn droefheid, en beschroomd worde haar deel te nemen van blydschap.

32) En als de man verneemt dat de Sadduceën bekeerd zyn tot het geloof aan opstanding, hy zegge dat der vrouw, opdat ze niet inslape aan haar spinnewiel.

33) En als de draad breekt van haar spinsel, zy zegge dat haren man, opdat hy niet meene meer te zyn dan zy, door schriftgeleerdheid.

34) Bevrydde niet Judith het volk van Israel, met koenen moed? Daar waren veel mannen te Jeruzalem die thuisbleven, toen zy uittoog naar de tent des geweldigen.

35) Heeft niet Deborah Israels volk gericht, en was er wanorde toen zy richtte?

36) En wanneer de man een oprechten farizeër heeft gezien, hy zegge dat der vrouw, opdat zy zich verheuge met hem; als ze 't gelooven kan. *)

37) En zoo wanneer de schriftgeleerden hem hebben verstrikt met strikvragen, hy hoore z'n vrouw, wat ze zegt. Misschien bedacht zy een antwoord, onder 't spinnen, voor ze de vraag vernam.

38) En de discipelen zeiden: - Heer, hoe is dit? Der vrouwen is verboden de schriften te onderzoeken, hoe zal ze strikvragen oplossen?

39) En hy zeide: uit de schriften leert men strikvragen stellen, maar er is veel antwoords in het denken by 't spinnewiel.

40) En wederom vraagden de discipelen, zeggende: Rabbi, daar was eene vrouw wier man leerde in den tempel. En hy kwam tehuis, en zeide: daar is gesproken over 't koninkschap van Melchizedek en zy vraagde: wie is Melchizedek?

En hy zeide: wy waren gevangen in Egypte. En zy hernam: ik was nooit in Egypte.

En hy zeide: men vraagt of Elias hooger zy dan Mozes?

En zy riep: ik ken Elias niet.

En hy zeide: de tempel is vol nieuwigheidszoekers die den mensch verdeelen in lichaam en ziel. En zy antwoordde: deze dingen zyn my te hoog, ik wil niet verdeeld zyn, ik spin.

 Want Rabbi, al spinnende had ze niet geleerd Melchizedek te kennen, noch hare ziel. Meester, hoe is dit?

41) Doch hy, voortgaande, zag een akker waarvan de grond goed was, maar daarop groeide geen graan, ofschoon 't in den tyd was van den oogst.

42) En hy nam een stoksken, en sloeg tegen de deur van 't huis des mans wien de akker behoorde. En de man riep: waarom slaat ge myn deur?

43) En hy zeide: kom uit, en oogst! Zyn niet de aren gezwollen, en roepen om den sikkel? Waarom oogst ge niet van uwen akker?

44) De discipelen zeiden: Heer, hy heeft niet gezaaid.

45) En hy, antwoordende, zeide: voorwaar, voorwaar, ik zegge u, wie niet zaait in den zaaityd, hy zal niet oogsten in den tyd des oogstes. Er zyn weinig akkers onvruchtbaar, maar 't getal der trage landbouwers is groot.

46) En nogmaals sloeg hy tegen de deur des mans die niet gezaaid had. Maar de discipelen begrepen hem niet.

 

*) Dit voorbeeld van slechtschryvery kan gevoegelyk gebruikt worden op de wyze als bedoeld wordt in 547. De scherpte der woorden: als ze 't gelooven kan, past volstrekt niet by den toon van 't geheel. De auteur-zelf spreekt hier, in-plaats van 't woord te laten aan Jezus, dien hy - overigens nogal op verdienstelyke wyze - sprekend invoert.


[1] "Hoe... hy vergat die geheele andere helft van 't menschelyk geslacht, om de vraag alleen optevatten met het oog op de dierlyke behoefte, op de allerplatste konvenientie van deze helft? Foei! "

Het is de moeite waard een bijbel ter hand te nemen en Mattheus XIX na te lezen en te vergelijken met M.'s verbeterde versie, die hieronder volgt. Ik zal dat ook doen, en citeren naar de King James vertaling, zodat er enig onderscheid blijft. (Wie een Nederlandse bijbel wil lezen beveel ik van harte een oude Statenvertaling aan, en raad ik alle modernere versies af, was het alleen omdat de Statenvertaling zeer veel meer invloed had dan de latere vertalingen, en veel beter Nederlands is.)

Ondertussen heeft M. overwegend gelijk - zoals de lezer hieronder kan nagaan - met z'n "Hoe... hy vergat die geheele andere helft van 't menschelyk geslacht, om de vraag alleen optevatten met het oog op de dierlyke behoefte, op de allerplatste konvenientie van deze helft?".


[2] "In veel wetgevingen van zoogenaamde zedemeesters - zie de mozaïsche - is zy 'n zaak, 'n ding, 'n meubel, 'n koe..."

Dit is waar, maar hetzelfde geldt de meeste mannen in de meeste oude wetgevingen: Er was immers geen sprake van menselijke gelijkheid, niet tussen man en vrouw, en ook niet tussen man en man. 


[3] Wat betreft: "Hier schynt het niet de moeite waard zelfs, met 'n enkel woord van die verplichtingen te spreken!" Dit is minstens enigszins misleidend: In Mattheus XIX vinden we Jezus' moraalleer voor iedereen, zowel mannen als vrouwen, zoals we hieronder zullen zien. 


[4] "Ziehier 'n andere lezing die 'k voorstel te leggen naast de oude. Ik wil zien welke Christen den moed heeft die van Mattheus mooier te vinden!".

Uiteraard is M. hier zeer uitdagend zeer ketters, of anders gezegd: zeer provocerend. Als gezegd zal ik M.'s tekst vergelijken met de versie van Mattheus XIX in de King James vertaling van de bijbel.

Ik volg de versnummers, en heb in mijn html-redactie Multatuli's tweekolommige presentatie - kennelijk: als in de Bijbel, zoals toen gebruikelijk - gevolgd.

(10) De eerste 9 verzen maken duidelijk dat - volgens Mattheus - Jezus' tekst in antwoord kwam op een vraag van farizeeërs:

(7) "They say unto him , Why did Moses then command to give a writing of divorcement , and to put her away?".

Onder de joden was scheiding namelijk toegestaan onder voorwaarden, en heersten daarover verschillende opvattingen over welke voorwaarden. Hier is Jezus' antwoord:

"(8) He saith unto them, Moses because of the hardness of your hearts suffered you to put away your wives: but from the beginning it was not so.
(9) And I say unto you: Whoever shall put away his wife, except it be for fornication, and shall marry another, committeth adultery: and whoso marrieth her which is put away doth commit adultery."

Kortom, terwijl er onder de joden enige mogelijkheid was tot scheiden besloot Jezus dat scheiden verboden was behalve wegens overspel, en dat weduwen niet mochten hertrouwen. Dit zijn bepalingen die tot veel leed - als ongelukkige huwelijken; als veel ongelukkige weduwnaars en weduwen gedwongen tot sexuele onthouding - geleid hebben, zoals Jezus zelf heel goed had kunnen weten, gezien z'n waarachtige inzicht in "the hardness of your hearts", immers ook volgens God's almachtige wil. Merk overigens op dat hier nergens staat dat vrouwen van hun mannen mogen scheiden: Er staat alleen dat mannen van hun vrouw kunnen scheiden wegens overspel.

We komen nu waar M. begon. In de King James bijbel:

"(10) His disciples say unto him, If the case of the man be so with his wife, it is not good to marry.
(11) But he said unto them, All men cannot receive this saying, save they to whom it has been given.
(12) For there are some eunuchs, which we so born from their mother's womb: and there are some eunuchs, which were made eunuchs of men: and there be eunuchs, which have made themselves for the kingdom of heaven's sake. He that is able to receive it, let him receive it."

De betekenis hiervan is mij niet geheel helder (als veel in de Bijbel), maar ik neem aan dat Jezus bedoelde dat het niet iedereen gegeven is zich aan z'n regels te kunnen houden, en dus feitelijk redeneerde als Mozes (zie vers (8))

Kontrasteer het bovenstaande met M.'s versie:

"11) En hy zeide tot hen: ik zegge u 't is den man goed te trouwen, opdat zyne ziele geheel worde, en hy mensch zy.
12) En der vrouwe is 't goed te huwen , opdat haar ziel volmaakt worde, en ze een mensch zy.
"

Hier wordt het huwelijk gepresenteerd als een project tot wederszijds mens-worden of mens-maken, en is geen sprake van het niet mogen huwen van weduwen en weduwnaars, en ook geen sprake van overspel. En natuurlijk verwijst M. impliciet naar z'n eigen idee 136.

In de bijbel begint nu een passage die M. in zijn versie niet parallel behandelt:

(13) Then were there brought unto him little children, that he should put his hands on them, and pray: and the disciples rebuked them.
(14) But Jezus said, Suffer little children, and forbid them not, to come unto me: for of such is the kingdom of heaven.
(15) And he laid his hands on them, and departed thence.

In plaats van over kinderen te spreken zegt M:

13) Want de Heer rustte niet na 't scheppen van den man. En hy schiep niet de vrouw alleen, zonder man. Maar man en vrouw schiep hy ze, opdat de mensch volmaakt zy.
14) Zoo wie eene rechterhand heeft en de linker mist, hy is niet volmaakt. En wie eene linkerhand heeft, en niet de rechter, hy is niet volmaakt. Maar den mensch is gegeven eene rechterhand en eene linkerhand, opdat hy volmaakt zy.
15) En de rechterhand zegge niet, wat is u, linker... ik ben de hand. Noch zegge de linkerhand tot de rechter, wat is u, ik ben de hand. Want te-zamen zy ze volmaakt. Alzoo de man en de vrouw.

Dit lijkt mij inderdaad zinniger dan de joodse of Christelijke bepalingen hier behandeld: Man en vrouw als gelijkberechtigd, en in staat elkaar te supplementeren en verbeteren.

In de bijbel arriveren we nu bij een centrale passage uit de hele bijbel, die beging met de volgende inleiding:

(16) And, behold, one came and said unto him, Good Master, what good thing shall I do, that I may have eternal life?
(17) And he said unto him, Why callest thou me good? There is none good but one, that is, God: but if thou wilt enter into life, keep the commandments.

Mijn eigen neiging zou zijn zo iemand eerst te vragen wat ie met dat eeuwige leven aanwilde, en wat daar zo wenselijk aan was, en overigens niet op te merken dat alleen God goed is, want dan is er voor mensen geen hoop goed te kunnen zijn - maar dit terzijde. Multatuli heeft op de plaats van deze verzen:

16) De rechterhand gespt den gordel die noodig is. En de linker draagt de waterkruik die gy noodig hebt. Wie z'n gordel verliest, en 't geld dat hy daarin bewaarde, kan niet leven. En wie geen waterkruik meedraagt, zal bezwyken. Alzoo de man en de vrouw.
17) Gy hebt gehoord dat er gezegd is: zy zullen één vleesch zyn... doen niet hoereerders en overspeelsters ook alzoo? Waar is uw huwelyk?

M.'s vers 16 diept de eerder gegeven gelijkenis over de gelijkberechtigdheid en wederszijdse aanvulling van man en vrouw verder uit, mij dunkt wat naïef, maar ook dát is bijbels. In M.'s vers 17 wordt in feite verwezen naar het begin van Mattheus XIX, waarin staat, in vers 5, over man en vrouw "and the twain shall be one flesh". M merkt terecht op dat het zijn van één vlees - op z'n Shakespeare's: het vormen van het beest met de twee ruggen - niet wezenlijk kan zijn voor het huwelijk, dat veeleer een verbond tussen twee menselijke individuen dan tussen twee menselijke lichamen is.

In de bijbel beantwoordt Jezus de vraag naar welke geboden gehouden zouden moeten worden door goede mensen:

"(18) He saith unto him, Which? Jesus said, Thou shalt do no murder, Thou shalt not commit adultery, Thou shalt not steal, Thou shalt not bear false witness.
(19) Honour thy father and thy mother: and thou shalt love thy neighbour as thyself."

Dit is een morele code, en hoewel Jezus hem verstrekt aan een vragende man is het duidelijk dat de code bedoeld is voor zowel man als vrouw. Deze code is overigens niet bijzonder bruikbaar:

Het in vers 18 gestelde is weliswaar de moeite van het memoreren waard, maar is niet iets zonder hetwelk enige mensenmaatschappij in stand kan blijven: Maatschappelijke omgang tussen mensen verwordt tot strijd als men elkaar vermoord, elkaars echtgenoten verleid, elkaar besteelt of elkaar beliegt. Ieder van die dingen is mogelijk bij uitzondering en bij gelegenheid zonder dat een maatschappij eraan kapot gaat, maar is niet in meerderheid en niet bij voortduring mogelijk zonder dat de maatschappij ten gronde gaat. En daarom zijn bepalingen als deze in iedere maatschappelijke legale code voor een maatschappij van mannen, vrouwen en kinderen zus of zo terug te vinden - zodat hun vermelding (bij goddelijk gebod!) meer in de orde van "trapt geen open deuren in" is dan dat het bijzonder christelijk of religieus is. En waarom trouwens - bijvoorbeeld - slavernij en uitbuiting niet expliciet verboden bij zoveel morele open deuren?

Daarbij is er - in het zojuist genoemde verband - nog een belangrijk probleem, zowel met deze code als het hele Nieuwe Testatement: Als religieus geïnspireerde literatuur geschreven door mensen is de bijbel bij gelegenheid fraai (het boek Prediker bijvoorbeeld), en bij gelegenheid saai of slecht - maar als woord van God (een onfeilbare, almachtige, goedertieren God!) is het volledig ongeloofwaardig - en volgens het Nieuwe Testatement is dit: "het Woord Gods" wat de bijbel zou zijn.

Bij kontrast met het nogal open deuren intrappen van vers 18 is het in vers 19 voorgeschrevene onredelijk. In de eerste plaats immers: Het eren van vader en moeder kan nauwelijks verplichting zijn, en behoeft dat evenmin te zijn als goede smaak verplicht is. Daarbij: Aangezien niet alle ouders altijd goed zijn, behoren de ouders meer te doen dan alleen kinderen maken om door deze geëerd te worden. Het hier verplichte leest als "Hebt autoriteiten lief omdat het autoriteiten zijn (en niet omdat ze erin slaagden goede autoriteiten te zijn)".

En in de tweede plaats: Dat men z'n naaste lief moet hebben als jezelf is een gebod dat nauw verwant is aan: Wie eeuwig zalig wil worden - die tekene vierkante cirkels. Het gebod is ófwel totaal onmogelijk voor doorsnee mensen, zoals het de Heer heeft beliefd deze te maken, ófwel verdient een toelichting ter dikte van de bijbel om begrijpelijk te worden - en ook dan zal het weinigen gegeven zijn elkaar te beminnen zoals ze zichzelf beminnen, omdat ieder mens alleen zichzelf voelt, en als individu lijdt, streeft en geniet. Kortom: Non posse nemo obligatur, en het hier gebodene is vrijwel iedereen volkomen onmogelijk (behalve bij zeldzame uitzondering, en dan alleen - voor mannen - in de vorm "bemin uw buurvrouw als uw eigen vrouw of intenser").

Multatuli heeft op de plaats van deze versnummers:

18) Gy hebt gehoord dat er gezegd is: vleesch van myn vleesch, been van myn been... doen niet de dieren des velds ook alzoo? Waar is uw huwelyk?
19) Zoowaar uw God is een God van waarheid, zoowaar zegge ik u, gy man en gy vrouw, huwt in de waarheid, opdat gy geen leugen kweekt.

Hij vervolgt dus in feite z'n kritiek op het gebod geen overspel te plegen als essentie van het huwelijk of als grond tot scheiding (geheel conform z'n eigen huwelijken), en komt met het fraaie: "gy man en gy vrouw, huwt in de waarheid, opdat gy geen leugen kweekt." - dat niet vaak gevolgd wordt, want de grote meerderheid der huwelijken is gebaseerd op driftnood, misleiding, hypocrisie, onwetendheid en overige gebruikelijke menselijke zwakheden.

In de bijbel hebben we vervolgens dit:

(20) The young man saith unto him, All these things have I kept from my youth up: what lack I yet?
(21) Jesus said unto him, If thou will be perfect, go and sell that thou hast, and give to the poor, and thou shalt have treasure in heaven: and come and follow me.
(22) But when the young man heard that saying, he went away sorrowful: for he had great possessions.
(23) Then said Jesus unto his disciples, Verily I say unto you, That a rich man shall hardly enter into the kingdom of heaven.

Dit is de parabel van de rijke jongeling, waar Multatuli herhaaldelijk naar verwees. Het gestelde is psychologisch plausibel, in dat er sprake is van "treasure in heaven" in de toekomst die de rijke jongeling niet wenst op te geven voor z'n rijkdom hier en nu. In plaats hiervan heeft M. dit, in vervolg op het door hem hiervoor gestelde:

20) Zoowaar uw God is een God van geest, zoowaar zegge ik u, gy man en gy vrouw; huwt in den geest, opdat niet de jongen van de dieren des velds zeggen tot uw kroost: wy zyn u gelyk.
21) Zoowaar uw God is een God van liefde, zoowaar zegge ik u , gy man en gy vrouw, huwt in liefde, opdat gy kinderen voortbrengt die geteeld zyn in liefde.
22) Gy man, plooi niet in den tempel uw mond naar de wyze der rabbi's, als proefdet gy zoeten wyn, en spreek niet tot uwe vrouw, als ware er alsem op uw tong.
23) Wie wysheid spreekt in den tempel, en dwaasheid geeft aan zyne vrouw, is een dief.

Merk op dat M. opnieuw onderstreept dat een werkelijk huwelijk een band tussen menselijke individuen is, en geen fokverbond van lichamen.

De bijbel vervolgt aldus:

(24) And again I say unto you, It is easier for a camel to go through the eye of a needle, than for a rich man to enter into the kingdom of God.
(25) When the disciples heard it, they were exceedingly amazed, saying, Who then can be saved?
(26) But Jesus beheld them, and said unto them, and said unto them, With men this is impossible; but with God all things are possible.
(27) Then answered Peter and said unto him, Behold, we have forsaken all, and followed thee; what shall we have therefore?

Dit - "exceedingly amazed" - is opnieuw tamelijk plausibel, zij het nogal ongeloofwaardig voor "disciples". Wat geheel plausibel is, is de vraag van Petrus: Wat brengt het óns op? Daarover hieronder meer - hier zijn Multatuli's overeenkomstige versnummers:

24) Wie heeft u geroepen in den tempel? Gy kwaamt opgeroepen. Maar aan uwe vrouw hebt gy liefde beloofd. Daarom opende zy, op u vertrouwende, haar schoot.
25) En gy, vrouw, onteer niet uwen man door te zeggen: heer! Want als ge uzelve verlaagt, verlaagt gy hem die met u één is. Neem van zyn pad wat gy kunt, opdat hy niet struikele.
26) Doch ik zegge u dit, niet sprekende als tot eene slavin, maar opdat gyzelve niet valt, waar hy gestruikeld is. Want gy zyt één.
27) De vrouw zal verantwoorden voor den man, en de man voor de vrouw, want ze zyn één.

Dit gaat tegen de gebruikelijke achterstelling van de vrouw in het huwelijk in. Het is overigens wel zo dat deze "eenheid" eerder metaforisch en juridisch dan werkelijk is, en dat een werkelijk goed huwelijk zeldzaam is, en al is het gebaseerd op wederszijdse liefde z'n inhoud krijgt in wederszijdse vriendschap. (In dit verband een Amerikaanse definitie: You know what's tragedy? Men love women; women love children; children love animals.)

We komen nu bij de laatste versen uit Mattheus XIX:

(28) And Jesus said unto them, Verily I say unto you , That ye which have followed me, in the regeneration when the Son of man shall sit in the throne of his glory, you also shall sit upon twelve thrones, judging the twelve tribes of Israel.
(29) And everyone that hath forsaken houses, or brethren, or sisters, or father, or mother, or wife, or children, or lands, for my name's sake, shall receive an hundredfold, and shall inherit everlasting life.
(30) But many that are first shall be last; and the last shall be first.

Kortom, de beloning waar Petrus om vroeg is verheffing en glorie en eeuwig leven, en iets als wie het laatst lacht lacht het best. Wat het eeuwig leven zo bijzonder of aantrekkelijk maakt wordt geheel niet uitgelegd, trouwens.

Multatuli heeft op overeenkomstige plaatsen dit:

28) Wie zyner vrouw tarwe geeft dat zy koeken make, éét van die koeken. Zy is den man geen dank schuldig. Doet niet de broeder ook alzoo? Waar is uw huwelyk?
29) De vrouw die koeken bakt, dat de man ete, éét van die koeken. De man is haar geen dank schuldig. Doet niet de zuster ook alzoo? Waar is uw huwelyk?
30) Maar zoo wie eene ster ziet, zegge tot zyn beminde: zie die ster, en verheug u! En de vrouw die eene aandoening heeft van vreugde, deele die met haren man. 't Is zyn eigendom, en zy verliest niet door 't deelen. En waar de man smart voelt, deele hy die met de vrouw, opdat zy niet vrage: ben ik beneden uw gevoel?

Zijn tekst loopt door tot vers (46). Ik ligt er twee dingen uit. Eerst dit:

"En hy zeide: de tempel is vol nieuwigheidszoekers die den mensch verdeelen in lichaam en ziel. En zy antwoordde: deze dingen zyn my te hoog, ik wil niet verdeeld zyn, ik spin."

Dit is in feite een argument voor atheïsme en op deze plaats aardig. (Overigens: Voor wie voor "ziel" leest "ervaring" heeft een soortgelijk probleem: Hoe kan ervaring ontstaan uit samenstellende delen - atomen, moleculen, electrische stroompjes - die geen ervaring zijn of hebben?)

En dan M.'s slot, eindigend met "Maar de discipelen begrepen hem niet." - wat voor alle voorgangers van betekenis lijkt te gelden: Nooit heeft een werkelijke volgeling z'n voorganger meer dan partieel en onvolledig begrepen - was het anders dan was de volgeling geen volgeling. Er zijn proportioneel heel weinig originele individuen met karakter, moed en hersens; het grootste deel van de mensheid zijn volgelingen.

Tenslotte, om dit kommentaar af te sluiten:

Multatuli was behoorlijk tevreden over z'n tekst, en leidde deze dan ook in met "Ziehier 'n andere lezing die 'k voorstel te leggen naast de oude. Ik wil zien welke Christen den moed heeft die van Mattheus mooier te vinden!". Ik ben geen Christen, en merk alleen op dat het aantal wereldberoemde epigrammen van Mattheus in de geciteerde tekst groot is, en dat althans hier de bijbelse auteurs strikt en alleen wat de stijl betreft Multatuli hier overtreffen naar mijn smaak.

Idee 183.