Idee 177.                                       


Maar die leer der Noodzakelykheid is troosteloos, meent ge?  [1]

Zoo moet ieder adept van elken persoon-godsdienst gesproken hebben, toen men hem kwam vertellen dat zyn god alleen in z'n verbeelding bestond. Ik kan me voorstellen hoe verdrietig de Griek moet geweest zyn, toen hy begon in te zien dat z'n Ceressen en Minervas niets anders waren dan dichterlyke personifikatin van Ideen. Verbeeld u den vromen Katholiek die 't vertrouwen verliest op den Heilige wiens hem bewaren moet voor tandpyn of likdoorns! Zoo'n Katholiek zou ik, in plaats van z'n heilige, de raad geven z'n mond zuiver te houden en zich 'n scherp mesje aanteschaffen. Dien Griek had ik voor Ceres en Minerva een abonnement gegeven op de Landbouwkundige Courant, en 'n exemplaar van Humboldt's Kosmos. Ik bezweer dat ze winnen zouden by dien ruil.  [2]

En gy die klaagt over de troosteloosheid myner leer.... gy die waggelt zoodra men u 't geknakt stokjen afneemt waarop gy meendet te steunen.... gy die vreest niet alleen te kunnen staan, zonder 'n Wezen dat gyzelf hebt geschapen om aantevullen wat U  ontbrak aan bevatting, kracht en wil, gy.... wees niet troosteloos! Die domme, zichzelf onbewuste, almachtige onwetende Noodzakelykheid is 'n God van liefde die u meer geeft dan 'n persoonlyken god doen kon, en - met het oog op de rechten van anderen - doen mag. *)  [3]

De Noodzakelykheid is voor allen gelyk. Dit is meer dan men zeggen kan elken anderen god.  [4]

De Noodzakeykheid is aan zichzelf gelyk. Nooit heeft ze om iemand te plagen 1 + 1 = 3 gemaakt. Men kan op haar rekenen. Waar we meenen dat ze ons verraadde, lag de schuld aan onszelf. We hadden niet goed opgelet. Wy maakten fouten in onze berekening, niet Zy.

En zelfs waar ze wreed schynt - waar ze jonge meisjes doorknipt - ook daar ligt de schuld aan ons. Waarlyk, we hadden dat meisje niet moeten opnemen tusschen duim en vinger! Wy hadden haar niet moeten voorhouden aan sde lemmetten van de schaar! Drin lag de fout.

En - vraagt ge, hoop ik - als zoo iets gebeurt buiten onzen wil door 'n zoogenaamd ongeluk.... is er dan nog geen wreedheid in uw god?  [5]

Neen, neen, duizendmaal neen. Wat is, moet zyn. 't Staat aan ons - en juist dit is Gods wil - voorzichtig te wezen, opteletten, ons te wachten voor 't kwade.  [6]

't Staat aan ons, waartenemen, natedenken, toetepassen.

't Staat aan ons, te willen en te werken.

't Staat aan ons, te streven naar ontwikkeling.

't Staat aan ons, genot te vinden in dit alles.... dat is in n woord: het staat aan ons deugdzaam te zyn, want genot - z begrepen - is  deugd.  [7]

*) Een god die gebeden verhoorde, zou oogenblikkelyk moeten worden afgezet wegens misbruik van gezag en schennis der Natuur. En 'n god, die zich niet schuldig maakt aan deze vergrypen, is overtollig, en zou zich dus moeten terugtrekken uit verveling wegens gebrek aan bezigheid. De eenig denkbare funktien immers van zoo'n god zouden bestaan in 't verrichten van daden die door z'n onbevlekte heiligheid-zelf verboden zyn.  [8]


[1] "Maar die leer der Noodzakelykheid is troosteloos, meent ge?"

Niet zozeer "troosteloos" als wel onvolledig, en dus misleidend. Immers, ik geloof dat er naast "Noodzakelykheid" ook toeval, waarschijnlijkheid, onzekerheid, keus en vrije wil is - maar ik weet ook dat hier diepe problemen liggen. (En van Einstein's uitlatingen - ingegeven door z'n ontevredenheid met quantum-mechanica, waar hij overigens met recht ontevreden over was - had beter niet in steen gehakt kunnen worden: "Der liebe Gott wrfelt nicht". Dat mag zo zijn, was 't al vanwege z'n goddelijke inexistentie, maar de veel realistischer en ook wat smoezeliger Moeder Natuur dobbelt wel degelijk, naar 't schijnt.)


[2] "Ik bezweer dat ze winnen zouden by dien ruil."

Ik wil 't wel geloven, want ze zouden beschaving van rond 22 eeuwen later aangereikt gekregen hebben.

Maar afgezien van dergelijke anachronismes: Ik vermoed dat het toch overwegend zo is dat gelovers in 'n religie weten dat ze geloven, en weten dat ze willen geloven: Mundus vult decipi.

Het zijn alleen de sterkste zielen die individueel en onafhankelijk nadenken - de rest, d.i. de grote meerderheid, bedriegt met een gerust hart zichzelf omdat ze naar waarheid inzien dat in zelfbedrog en maatschappelijk wenselijke pose en pretentie persoonlijk voordeel steekt, en dat het populair maakt en fatsoenlijk heet. (74)


[3] : " gy die waggelt zoodra men u 't geknakt stokjen afneemt waarop gy meendet te steunen.... gy die vreest niet alleen te kunnen staan, zonder 'n Wezen dat gyzelf hebt geschapen om aantevullen wat U  ontbrak aan bevatting, kracht en wil, gy...."

't Is bitter maar waar.

Maar dat "Die domme, zichzelf onbewuste, almachtige onwetende Noodzakelykheid is 'n God van liefde" ontken ik. Moeder Natuur is niet wreed, omdat Moeder Natuur doet wat ze doet zonder overleg of preferentie, maar ze is wel hard, zonder medelijden, en regelmatig zeer pijnlijk. (Overigens: M. kombineert opzettelijk "almachtige onwetende": 't eerste is een gebruikelijke kwalificatie van God; 't tweede een directe tegenspraak met "alwetende". Maar ik hoef intelligente lezers - en anderen zoek ik niet - dergelijke punten eigenlijk niet onder ogen te brengen.) 


[4] "De Noodzakelykheid is voor allen gelyk. Dit is meer dan men zeggen kan elken anderen god. "

Tennaastebij hetzelfde geldt voor Moeder Natuur: Zij heeft geen preferenties, geen bedoelingen, geen wil, en behandelt alles en iedereen op gelijke wijze. En dit verschilt inderdaad van alle bekende Goden, die - hoe universeel goedertieren ze ook opgevoerd worden door hun gelovers - altijd blijken te functioneren als een jaloers godje van een groep, en door die groep gebruikt wordt als boeman, icoon en voorganger in oorlogen tegen de vijanden van de groep. (Zie Mark Twain's "The War Prayer".)


[5] "En - vraagt ge, hoop ik - als zoo iets gebeurt buiten onzen wil door 'n zoogenaamd ongeluk.... is er dan nog geen wreedheid in uw god?"

Het antwoord op de vraag over de vele pijn in Moeder Natuur, en in het natuurlijke vreten of gevreten worden, staat in de voorgaande noot.

En men moet niet blind willen zijn voor de talrijke gruwelen die een essentieel onderdeel vormen van hoe de Natuur werkt en leeft: door levende wezens te scheppen die 't eigen leven in stand houden ten koste van de levens en 't geluk van andere levende wezens.

Wat mensen zulke bijzondere dieren maakt is dat ze in staat zijn tot weloverwogen zorgvuldig beredeneerde rationele keuzes, en dat ze andere wezens geen kwaad moeten doen omdat het ze aan instinct ontbreekt iets anders te willen dan zich te voeden met 't bloed en vlees van 'n ander dier. Mensen danken hun overmaat aan intelligentie aan hun gebrek aan instinct: ze moeten kiezen en oordelen waar andere dieren geen keus en geen oordeel hebben, en alleen een gegeven blinde voor- of afkeur, zonder reden of rationalisatie. (Dieren zijn te dom om wreed te zijn. Mensen niet. Alleen mensen zijn welbewust beestachtig.) 


[6] "Neen, neen, duizendmaal neen. Wat is, moet zyn. 't Staat aan ons - en juist dit is Gods wil - voorzichtig te wezen, opteletten, ons te wachten voor 't kwade."

Dat "Wat is, moet zyn." heb ik herhaaldelijk afgewezen. Afgezien van natuurkundige bezwaren vind ik het trouwens ook overmatig nodend tot fatalisme, en geloof ik geen moment dat Multatuli had toegestemd in: Er is slavernij - maar...:  "Wat is, moet zyn."; Er is uitbuiting van de Javaan - maar...:  "Wat is, moet zyn." etc.  Zie verder  bijv. [1].


[7] "'t Staat aan ons, waartenemen, natedenken, toetepassen.
     
't Staat aan ons, te willen en te werken.
      't Staat aan ons, te streven naar ontwikkeling.
     
't Staat aan ons, genot te vinden in dit alles.... dat is in n woord: het staat aan ons deugdzaam te zyn, want genot - z begrepen - is  deugd. 
"

Multatuli gebruikte de frase "Genot is deugd" 't eerst in "Minnebrieven". Het is n van z'n minder geslaagde frases, want het is niet duidelijk wat hij bedoelde, terwijl de frase zelf teveel verwart dat gescheiden moet blijven, zoals blijkt uit Ovidius' "Video meliora proboque; deteriora sequor": De gewone gang van 't menselijk hart is om redenen van eigen genot dat wat men weet dat men zlf voor deugdzaam houdt na te laten.

Overigens was Multatuli bepaald niet de enige met verwarringen over genot en deugd, want bijvoorbeeld Bentham en Stuart Mill en z'n volgelingen hadden bijzonder eigenaardige - kromme - redeneringen over de door hen veronderstelde samenhang van nut, deugd, en plezier.

En Multatuli had overwegend gelijk met z'n

't Staat aan ons, waartenemen, natedenken, toetepassen.
't Staat aan ons, te willen en te werken.
't Staat aan ons, te streven naar ontwikkeling.
't Staat aan ons, genot te vinden in dit alles...

al is 't ook zo dat hij daarmee een probleem voor z'n eigen positie introduceert waar ik eerder op in ben gegaan. Zie ook 423 en 817.


[8] "Een god die gebeden verhoorde, zou oogenblikkelyk moeten worden afgezet wegens misbruik van gezag en schennis der Natuur. En 'n god, die zich niet schuldig maakt aan deze vergrypen, is overtollig, en zou zich dus moeten terugtrekken uit verveling wegens gebrek aan bezigheid. De eenig denkbare funktien immers van zoo'n god zouden bestaan in 't verrichten van daden die door z'n onbevlekte heiligheid-zelf verboden zyn."

Tsja. M. redeneert hier teveel op basis van de onuitgesproken veronderstelling van Christelijke goden en wat daarop lijkt, als Allah.

Maar de oude Grieken, in tal van zaken niet zo onverstandig, hadden ook een wat minder problematisch godsgeloof: Als de goden die in 't menselijk leven ingrijpen feitelijk een soort Olympirs zijn, die om onbegrijpelijke reden macht hebben gekregen over een deel van de Natuur en de mensen zoals mensen macht hebben over de hen omringende Natuur en dieren, maar dat deze Olympische goden weinig menselijks vreemd is, dan is 't geloof aan dergelijke goden niet met alle argumenten van Multatuli rationeel bestrijdbaar.

Idee 177.