Idee 161.                                                           


Er ligt 'n bevestiging myner meening over de domheid van de Natuur, in het by zoovelen bestaand geloof dat het intelligent-goddelyke aanvangt waar van haar wetten wordt afgeweken voor 'n "wonder".

Men begrypt eerst verstandelyken zelfbewusten wil van 'n "God" als de Natuur schijnt op te houden.

Daar die werking der Natuur nooit ophoudt, geen grenzen heeft, is er alzoo voor 'n God geen plaats. Wie aan God gelooft, moet wonderen aannemen, op straffe van inkonsekwenties. Een God zonder wonderen - d.i. 'n God die niet mag, kan of wil afwyken van de wetten der Natuur - is 'n overbodig Wezen. Dit wordt in de volgende IDEEN betoogd, alsmede in 530, 899, 907, vlgg. Zie ook 1256, vlgg.


Tsja. Eerst zie 158, in het bijzonder [12].

Er zijn, kortom, diverse problematische punten hier, zonder twijfel voor een deel alleen een kwestie van woordgebruik en -betekenis:

  • Als mensen en dieren niet uitsluitend dom en mechanisch zijn, en deel van de Natuur, dan is niet de gehele Natuur dom, mechanisch, niet voelend, niet denkend, niet willend, niet strevend etc.
  • Zeer veel van wat mensen dagelijks en direct om zich heen zien en horen is onbegrepen wonder: Men is 't gewoon, maar kan niet verklaren dat en waarom 't zo is als het is.
  • Er is iets wonderbaarlijks in de menselijke wil en de menselijke fantasie, dat bovendien afwijkt van de dode Natuur, waar 't menselijk verstand zich vaak tegen moet richten om te overleven.
  • Gelovigen hebben een uitermate domme en immorele neiging zaken die ze zelf uitdrukkelijk zeggen niet te begrijpen - 's Heren ondoorgrondelijke wegen, onbegrijpelijke hoogheid, hoogverheven mirakelse almacht, inzicht en liefde, enzovoort - aan te nemen als verklaringen, alsof wat men niet begrijpt verklaring kan zijn, en bovendien deze fundamentele begrips-verwarringen en -verduisteringen op te willen dringen aan anderen als bijzonder respectabel, geloofwaardig, belangrijk, zedelijk en zo meer. (Zie 855.)
Idee 161.