Idee 160.                                       


Ik woonde eens in de buurt van 'n berg die rookte. Toen ik 'm voor 't eerst zag, meende ik - bedorven door schoolboekjes - dat zoo'n berg 'n schoon gezicht opleverde. Ik herinnerde my dat ik in vervoering wezen moest, en deed wat ik voor plicht hield. By 't opstaan 's morgens zag ik dien berg, en wat hy uitblaasde. Den volgenden dag, 't zelfde. Weken, maanden achtereen... twee jaren lang, iederen dag, ieder uur, ieder oogenblik, zag ik hetzelfde. De berg stond er, en blaaste rook.

Maar ik leefde. Ik dacht, peinsde, onderging, leed, streefde en streed...

Myn berg blaasde rook.

Ik leed... hy blaasde. 't Ding kon niets dan dat.

Als ik sprak van geloof,  gaf hy rook. Van geluk, rook. Van toekomst, rook. Van eerzucht, rook. Van trouw, liefde, offer, ziel, zaligheid, poëzie, eeuwigheid en God... altyd gaf hy rook, rook, niets dan rook. 't Ding had niets, wist niet anders, verstond niet anders...

Altyd zat me die domme polichinel op den nek, alsof daar z'n plaats was.


Er is een zeer menselijke tendens die bestaat in 't willen reduceren van alles wat is tot één enkel ding of soort dingen, en die een boel te maken heeft met hoe mensen verklaren, denken en filosoferen.

Zo zijn er reducties geweest van al wat is tot: Geest, stof, liefde, strijd, water, kracht, tegenspraak, woorden, illusies en niets - en in ieder geval tot niets anders en niets dan dat. Dit lijkt me een menselijke denkfout, en ik prefereer de aanname dat wat is gelaagd en complex is, en zich niet behoorlijk en waarachtig laat herleiden tot één enkel soort ding.

Het onderwerp is ingewikkeld, en hier is een link naar een uitleg van systemen en niveaus, en een andere link naar een uiteenzetting over heldere filosofische terminologie.

Wat betreft "Maar ik leefde. Ik dacht, peinsde, onderging, leed, streefde en streed...": Dit betreft weer propositionele attitudes, waarvan ik sprak in 158.

En de polichinel - hansworst, Jan Klaassen, plaagduivel - zijn we ook eerder (158) tegenkomen en zullen we later (403) tegenkomen, als een zinnebeeld van de hoofdoorzaak van 't menselijk onvermogen: de valse illusies en pretenties die men zichzelf aangeschaft heeft om maatschappelijk mee te doen en te mogen slagen (73, 74).

In dit verband tenslotte: "meende ik - bedorven door schoolboekjes" geeft een van de fundamentele redenen voor 't menselijk onvermogen van volwassenen:

 Ze hebben schoolgegaan, en zijn dus 't behoorlijk denken, voelen en doen verleerd.

Idee 160.