Ik wil
iets zeggen over humor, en wat daarby behoort. Alle definitiën
zyn moeielyk. (10, 13)
Verbeeld u dat de maanbewoners, die geen onderlyf hebben, geen beenen
en geen voeten - omdat er geen maanbewoners zyn - verbeeld u dat zoo'n
maanbewoner, die als 't gevolg van 't gemis dier dingen - wellicht ook
uit gebrek aan existentie - nooit 'n stoel gezien had, u vroeg: wat is
by u, aardlingen, 'n stoel? Ik zou 't hem niet kunnen uitleggen.
Of, als hy tevreden was met myn uitlegging, zou 't alleen bewyzen
dat-i even weinig verstand had van "bepalingen" als van
stoelen. [1]
Toch
kan ik u - nagenoeg altyd - zeggen wat humor is. Humor is 't
weergeven van de Natuur, anders niet. Dit is zeer eenvoudig. Maar
als 't ingewikkeld was, zou 't primo: niet waar wezen, en secundo:
dan had ik 't niet behoeven te zeggen, want ingewikkelde waarheden zyn
van algemeene bekendheid. Zie de man die met z'n kind voor me uitging te
Brussel, en vele andere mannen en kinderen. [2]
Humor
is 't weergeven van de Natuur. De Natuur-zelf namelyk is zeer humoristisch.
Ja, zy is alleen humoristisch, en meer nog, ze is altyd
humoristisch. Dat zal ik straks aantonen. Wat wy humor noemen,
is slechts een kopie daarvan. [3]
Dat
weergeven van de Natuur kan geschieden op velerlei wyze. Men doet het
in klanken, in kleur, in vormen, in blik, wenk, gebaar, kortom, we
kunnen die Natuur konterfeiten op zooveel manieren als we middelen
hebben om 'n indruk meetedelen. [4]
Waarin
bestaat nu de humor van de Natuur? In haar domheid in verband
met haar algemeenheid. [5]
Haar
domheid. De Natuur is zoo dom als elk ander werktuig dat naar
vaste afmetingen, naar bepaalde - neen, naar gegeven krachten:
hakt, snydt, stampt, drukt, heft, draait, maalt, samenstelt,
verbryzelt. Zoo'n werktuig is schoon, zegt ge? Ja, als werktuig. Dat
is:'t blyft en werktuig, meer niet. 't Is een tuig dat werkt, of
juister: dat door zekere kracht wordt gedwongen zich zóó te bewegen
als noodzakelyk is voor 'n doel, dat geheel en al ligt buiten 't
bewustzyn van dat tuig zelf. Er zou juistheid liggen in de uitdrukking:
't horloge wordt gelopen. [6]
In 'n
kooperplettery ziet men, onder andere toepassing van de stoomkracht,
'n groote schaar die voortdurend gaapt en hapt. Als men niets
daartusschen steekt knipt zy de lucht. Doch haar eigenlyke bestemming
is kooperen platen doorteknippen, dat ze dan ook trouw doet zonder 't
minste blyk te geven dat ze 't verschil begrypt tusschen die platen en
de lucht. Reik die schaar een papiertje toe, ze knipt het. Een boek,
ze knipt het. Men kan haar niet aanzien dat ze onderscheid maakt
tusschen 'n taaie preek of 'n onsamenhangende redevoering. [7]
Ga verder nog. Ge
bezoekt met dames die plettery. De schaar knipt... knipt...
Dat meisje naast u is
achttien jaar. Ze is lief, bevallig, haar middel zoudt ge omspannen.
Vat haar de hand
tusschen duim en vinger van de linkerhand, gryp haar met uw
rechterhand by de enkels, houd haar horizontaal, strek ze vooruit,
breng de taille die ge zoo lief vond...
De schaar knipte...
knipte lucht, gedurende den tyd dien ge noodig had om 't lieve kind
optenemen.
Breng haar - maar
voorzichtig, want als gy de schaar aanraakt zoudt ge u bezeeren -
breng haar op 't oogenblik als de beide lemmetten den grootstmogelyke
hoek vormen, als de schaar gaapt...
Wacht even... deze
keer is het te laat... ze sluit zich alweer, en knipt nogeens lucht,
die volstrekt geen hinder heeft van 't knippen...
Nu is het tyd... nu...
juist... daar hebt ge 't!
Het
meisje is doorgeknipt. Ge houdt in elke hand 'n helft, en de schaar
heeft al vyf maal lucht geknipt, met dezelfde onverschilligheid, voor
ge tyd hadt die twee helften weer byeen te brengen, en u met het
doorgeknipte kind te verwonderen over de werktuigelyke domheid van die
schaar, die niet weet wat ze knipt. Zoo dom als die schaar is de
Natuur. [8]
De
Natuur is algemeen. Haar domheid hebben we gezien in de
koperplettery. Om u opmerkzaam te maken op sw algemeenheid der
Natuur, noodig ik u uit tot een bezoek aan 't verkoophuis, of
beter aan 'n bataviasche toko. Voor niet-Indiërs moet ik hier
even zeggen dat het woord winkel, dat eigenlyk beteekent: inspringende
hoek, stamt uit den tyd toen de ruimte tusschen twee uitspringende
vleugels van 't een of ander gebouw gebruikt werd tot het verkoopen
van goederen. Liefst koos men daartoe kerken, wyl die door den
kruisvorm en de uitstekende kapellen, de mooie "winkels"
vormden. Dit in 't voorbygaan. [9]
In 'n winkel
verkoopt men iets, een soort van goederen. In 'n toko verkoopt
men allerlei soorten, alle goederen, alles. Vraag naar
schoensmeer, ham, tandpoeder, muzenalmanakken, dominees-portretten, bonhommes,
duikelaartjes, schaatsen, rouwlint, aandeelen in 'n schip of
kuitgespen - dat alles levert u 'n rechtgeaarde toko.
Zoo'n
toko is de Natuur: Zy heeft in haar oneinidig magazyn: alles!
Lucht, zee, leven, liefde, zwaarte, ziekte, vreugd, schoonheid,
karakter, pyn, klank, spoed, traagheid, kracht, groei, ontbinding,
dood. 't Doet er niet toe of ze dat alles teweegbrengt door één
middel: beweging, even als 't ons onverschillig is of 't verkoophuis
z'n waren ontvangt uit één fabriek. Genoeg, die waren zyn er. [10]
Maar
in 't groote verkoophuis van de Natuur ligt alles door elkander. De
polichinel zit schrylings op den nek van 't bronzen vrouwtje dat haar
kind beweent. Napoleon in gips staat tusschen twee spellen kaarten, en
'n flesch konjak is gewikkeld in 'n traktaatje van de afschaffers.
[11]
Want
de Natuur is dom. Ze heeft geen verstand van étalage. Daardoor
is ze humoristisch, en wie dat goed nateekent is 't ook. [12]
[1] "Ik wil
iets zeggen over humor, en wat daarby behoort. Alle definitiën
zyn moeielyk. (10, 13)
Verbeeld u dat de maanbewoners, die geen onderlyf hebben, geen beenen
en geen voeten - omdat er geen maanbewoners zyn - verbeeld u dat zoo'n
maanbewoner, die als 't gevolg van 't gemis dier dingen - wellicht ook
uit gebrek aan existentie - nooit 'n stoel gezien had, u vroeg: wat is
by u, aardlingen, 'n stoel? Ik zou 't hem niet kunnen
uitleggen. Of, als hy tevreden was met myn uitlegging, zou 't alleen
bewyzen dat-i even weinig verstand had van "bepalingen" als van
stoelen."
Dit IDEE is
niet de eerste noch de laatste verhandeling over humor, en ik vermoed
dat M.'s definitie - die volgt - enigszins
"tongue in cheek" is. Hij zegt ook expliciet "Alle
definitiën zyn moeielyk" wat
waar is, althans als we 't over zinnige, heldere en bruikbare definities hebben.
Dit geldt ook de definitie van "definitie".
Een bruikbare (maar onvolledige) definitie van "definitie"
is:
Een definitie van een
uitdrukking is een aanname dat in een zekere tekst deze uitdrukking
dezelfde betekenis heeft als een andere uitdrukking en beide
uitdrukkingen overal door elkaar kunnen worden vervangen in de tekst.
Hoe 't zij, in de eerste paragraaf
zien we een van M.'s eigenaardigheden: Logisch doorredeneren.
En M. heeft gelijk dat het moeilijk is
een heldere, zinnige en bruikbare definitie van de term "stoel"
te geven, die erin slaagt alles of in ieder geval een groot deel van
wat mensen stoelen believen te noemen af te grenzen van wat mensen geen
stoelen believen te noemen - en zag dit, en veel andere talige, met
waarheid, betekenis, paradoxen, logica en
waarschijnlijkheid samen
hangende problemen zeer veel helderder in dan de meeste filosofen van
z'n tijd.
Dit is één van de redenen dat ik 'm
voor een groot filosoof houd: Z'n aandacht voor taal, logica en
waarschijnlijkheid gaat veel dieper dan van de meeste van z'n
tijdgenoten, filosoof of niet, en komen dicht in de buurt van
overwegingen van 20ste eeuwse zogeheten analytische filosofen.
En overigens had Multatuli een logisch
hoofd, een vermogen tot werkelijk logisch redeneren, waar geen enkele
andere Nederlandse schrijver aan kan tippen.
"Bepalen"
is een ander woord voor "definiëren", en het onderwerp van
(10).
[2] "Toch
kan ik u - nagenoeg altyd - zeggen wat humor is. Humor is 't
weergeven van de Natuur, anders niet. Dit is zeer eenvoudig. Maar
als 't ingewikkeld was, zou 't primo: niet waar wezen, en secundo:
dan had ik 't niet behoeven te zeggen, want ingewikkelde waarheden zyn
van algemeene bekendheid. Zie de man die met z'n kind voor me uitging te
Brussel, en vele andere mannen en kinderen."
Als dit waar zou zijn, dan is iedere
waarachtige weergave, ook van de meest tragische of weerzinwekkende of
lelijke of gruwelijke gebeurtenissen een voorbeeld van humor. Dit is
waarom ik hierboven zei dat M.'s definitie waarschijnlijk enigszins
"tongue in cheek" is.
Ikzelf zeg liever - zonder 't
onderwerp te pretenderen volledig te behandelen:
Een voorstelling of verhaal is
humoristisch wanneer 't een onverwacht licht werpt op een onderwerp
dat een kern van waarheid bevat.
De stelling dat "ingewikkelde
waarheden zyn van algemeene bekendheid"
is een fraai sarcasme voor: Wat van algemene bekendheid heet bestaat
overwegend uit illusies.
En dit moet zo zijn volgens iedere
lezer die na kan denken, ongeacht wat ie voor waar en onwaar houdt,
omdat ie het voor waar moet houden dat de meeste mensen in de wereld
nogal àndere ideeën hebben over wat waar, onwaar, goed, slecht, mooi
en lelijk zou zijn, en waarom dat zo zou zijn, dan de ongetwijfeld
voortreffelijke lezer(es) zelf heeft.
[3] "Humor
is 't weergeven van de Natuur. De Natuur-zelf namelyk is zeer humoristisch.
Ja, zy is alleen humoristisch, en meer nog, ze is altyd
humoristisch. Dat zal ik straks aantonen. Wat wy humor noemen,
is slechts een kopie daarvan."
De Natuur
lijkt mij noch "alleen
humoristisch" noch
"altyd
humoristisch", vanwege het in
[2] gezegde.
Vervolgens, wat betreft "weergeven":
De oude Grieken hadden een theorie over kunst die aangeduid wordt met
het Griekse woord "mimesis" dat "imitatie,
namaak" betekent: Goede kunst zou een goede weergave, imitatie,
kopie van een werkelijk iets zijn.
Net als M.'s definitie
van "humor" kan dit hooguit een deel van de zaak waarop
't slaat dekken, omdat kunst, voorzover 't de werkelijkheid al
weergeeft of tracht weer te geven, dat vooral doet door selectieve
weglating, accentuering, opzettelijk aanzetten van kontrasten,
overdrijving etc.
In die zin is realistisch bedoelde
kunst niet zozeer navolging van de natuur - "natura artis
magistra" is waarachter over technologie dan over kunst -
maar herscheppen, en dan niet herscheppen in werkelijkheid, wat
de toegepaste wetenschap beoogt, maar in fantasie, door iets te
maken dat iets voorstelt, iets verbeeldt, dat beter - of anders:
intenser, dramatischer - is dan de werkelijkheid waarnaar 't
verwijst, maar niet is, noch tracht te wezen, omdat het welbewuste
fantasie is.
Een definitie van kunst met
enige zin is dus: Kunst is toegepaste, beheerste en gecultiveerde
materieel vormgegeven bewuste menselijke fantasie.
[4] "Dat
weergeven van de Natuur kan geschieden op velerlei wyze. Men doet het
in klanken, in kleur, in vormen, in blik, wenk, gebaar, kortom, we
kunnen die Natuur konterfeiten op zooveel manieren als we middelen
hebben om 'n indruk meetedelen. "
"Weergeven"
(deftiger: representeren) is één van de fundamentele capaciteiten
van hersens is die in staat zijn zowel aspecten van het lichaam waar
't de hersens van zijn als van de omgeving weer te geven. Zie onder 11
voor 'n schets van een fundamentele theorie hiervan.
Maar wat M. zegt is enigszins
verwarrend, want "klanken",
"kleur",
"vormen"
zijn 't alleralgemeenst wat weergegeven kan worden, terwijl "blik,
wenk, gebaar" een stuk
ingewikkelder zijn, omdat het pogingen zijn de aandacht van een ander
op iets te richten (dat bovendien niet in de omgeving hoeft te zijn:
't Kan voldoende zijn dat de ander iets gelooft waarop de aandacht
gevestigd wordt).
Tenslotte, wat betreft "we
kunnen die Natuur konterfeiten op zooveel manieren als we middelen
hebben om 'n indruk meetedelen":
Juist, en het aantal manieren is een goede index van de mentale
vermogens die men heeft: Evenveel als men kan gebruiken om ideeën en
ervaringen weer te geven. En 't is een interessant menselijk feit dat
deze vermogens individueel nogal verschillen, en dat de grote
meerderheid van de mensheid weinig talent heeft voor de taal waarin de
Natuur zichzelf schrijft: wiskunde.
[5] "Waarin
bestaat nu de humor van de Natuur? In haar domheid in verband
met haar algemeenheid."
Die
"domheid
" en
"algemeenheid"
zijn toch vooral eigenschappen van
de dode Natuur, niet de levende. Zie verder [12].
[6] "Haar
domheid. De Natuur is zoo dom als elk ander werktuig dat naar
vaste afmetingen, naar bepaalde - neen, naar gegeven krachten:
hakt, snydt, stampt, drukt, heft, draait, maalt, samenstelt,
verbryzelt. Zoo'n werktuig is schoon, zegt ge? Ja, als werktuig. Dat
is:'t blyft en werktuig, meer niet. 't Is een tuig dat werkt, of
juister: dat door zekere kracht wordt gedwongen zich zóó te bewegen
als noodzakelyk is voor 'n doel, dat geheel en al ligt buiten 't
bewustzyn van dat tuig zelf. Er zou juistheid liggen in de uitdrukking:
't horloge wordt gelopen."
De termen
"hakt, snydt,
stampt, drukt, heft, draait, maalt, samenstelt, verbryzelt"
zijn zorgvuldig gekozen, en verwijzen allen naar dingen die kunnen
plaatsvinden zonder dat er "'n doel"
is te hakken, snijden, stampen etc. van wat ""hakt,
snydt, stampt " enz.
Het is een interessant feit dat er
nogal wat zeer alledaagse termen zijn die wèl een dergelijk doel
veronderstellen, en dit zijn gewoonlijk termen voor zogeheten propositionele
attituden als geloven, weten, denken, willen, wensen, hopen,
vrezen, proberen enz.
De reden dat "Er
zou juistheid liggen in de uitdrukking: 't horloge wordt
gelopen" is dat 'n horloge
geen enkel besef heeft van wat 't doet; geen enkele bedoeling of wens
heeft de tijd aan te geven; en niet het minste zelfbewustzijn heeft.
Hier ligt een diep probleem, waarop ik o.a. inga met mijn
opmerking 17 bij Leibniz' Monadologie.
Het diepe probleem is in feite:
Hoe kan levende Natuur, met
doelen, wensen, geloven, gevoelens, verwachtingen ontstaan uit dode
Natuur, waaruit het samengesteld is, die juist gekenmerkt wordt door
het ontbreken van doelen, wensen, geloven, gevoelens en
verwachtingen?
[7] "In 'n
kooperplettery ziet men, onder andere toepassing van de stoomkracht,
'n groote schaar die voortdurend gaapt en hapt. Als men niets
daartusschen steekt knipt zy de lucht. Doch haar eigenlyke bestemming
is kooperen platen doorteknippen, dat ze dan ook trouw doet zonder 't
minste blyk te geven dat ze 't verschil begrypt tusschen die platen en
de lucht. Reik die schaar een papiertje toe, ze knipt het. Een boek,
ze knipt het. Men kan haar niet aanzien dat ze onderscheid maakt
tusschen 'n taaie preek of 'n onsamenhangende redevoering."
Hier begint in feite M.'s definitie
van "humor" middels een parabel, een vertelling, een geschiedenis,
zoals hij zeer graag en goed deed. Dergelijke begripsbepalingen zijn
zelden logisch volledig sluitend, maar vaak veel helderder en
informatiever dan een volledig sluitend pedant betoog.
[8] "Het
meisje is doorgeknipt. Ge houdt in elke hand 'n helft, en de schaar
heeft al vyf maal lucht geknipt, met dezelfde onverschilligheid, voor
ge tyd hadt die twee helften weer byeen te brengen, en u met het
doorgeknipte kind te verwonderen over de werktuigelyke domheid van die
schaar, die niet weet wat ze knipt. Zoo dom als die schaar is de
Natuur."
Is het
doorknippen van dit meisje nu humor? Nee, want wie dit werkelijk deed
zou voor pathologische sadist doorgaan. En M. geeft vrijwel direct aan
dat hij niet iets werkelijk gebeurds beschrijft, want hij zegt "voor
ge tyd hadt die twee helften weer byeen te brengen, en u met het
doorgeknipte kind te verwonderen"
- en het humoristische van 't voorbeeld schuilt 'm in de onverwachte
toepassing van werktuigelijke domheid.
Maar precies de toevoeging, die fysiek
onmogelijk is, maakt duidelijk dat humor niet alleen "'t
weergeven van de Natuur, anders niet."
is: Zie [2].
[9] : "De
Natuur is algemeen. Haar domheid hebben we gezien in de
koperplettery. Om u opmerkzaam te maken op sw algemeenheid der
Natuur, noodig ik u uit tot een bezoek aan 't verkoophuis, of
beter aan 'n bataviasche toko.
"
't Beeld van
"toko"
voor Moeder Natuur is weer fraai gevonden, precies omdat een toko een
allegaartje is, maar of M.'s verklaring van de term "winkel" juist is
betwijfel ik.
[10] "Zoo'n
toko is de Natuur: Zy heeft in haar oneinidig magazyn: alles!
Lucht, zee, leven, liefde, zwaarte, ziekte, vreugd, schoonheid,
karakter, pyn, klank, spoed, traagheid, kracht, groei, ontbinding,
dood. 't Doet er niet toe of ze dat alles teweegbrengt door één
middel: beweging, even als 't ons onverschillig is of 't verkoophuis
z'n waren ontvangt uit één fabriek. Genoeg, die waren zyn er."
Dat Moeder
Natuur haar talrijke wonderen verricht doordat "ze
dat alles teweegbrengt door één middel: beweging"
was een populair denkbeeld onder 19e-eeuwse fysici. Het lijkt mij een
onterechte simplificatie, maar 't is moeilijk zinnig aan te geven welk
soort structuren toegevoegd moeten worden om zowel de bewegingen, als de dingen
en de oorzaken van 't bestaan van de dingen en bewegingen te
beschrijven die in de Natuur aangetroffen worden.
En hier ligt dan ook weer een diep
probleem: De opsomming die M. levert bij "alles!
" valt in feite - dunkt
me - in drie klassen uiteen:
Lucht,
zee, zwaarte, klank, spoed, traagheid, kracht,
bestonden
voordat er levende natuur was;
leven,
ziekte, pyn, groei, ontbinding, dood,
ontstonden
met de levende natuur; terwijl
liefde,
vreugd, schoonheid, karakter, een
zekere mate van bewuste reflectie op gegeven ervaringen
veronderstellen (zoals 't besef dat al dit lieflijks vreugde-gevend
schoons en karaktervols allemaal ànders zou hebben kunnen zijn dan 't
is of schijnt: wie geen enkel alternatief kent, voelt, begrijpt of
ziet voor wat 'm overkomt heeft weinig reden tot vreugde of angst, en
weinig aanleiding voor gevoel, dat immers vooral samenhangt met het
maken van keuzes).
Voor de filosofische slimmerds onder
mijn lezers trouwens: Er was klank voordat er oren waren om te horen,
want klank is luchtverplaatsing. Oren doen klanken weerklinken, zoals
ogen vormen en licht zichtbaar maken. (De welbekende boom van Bishop
Berkeley, die 't onfatsoen had te vallen in een oerbos waar geen oren
waren z'n val te horen, maakte wel degelijk geluid. Dat niet gehoord
werd, bij afwezigheid van oren.)
Hoe het zij, M. verwisselde, verwarde
of nam in ieder geval onder een term - "Natuur"
- samen wat verschilt: dode natuur, levende natuur, en
denkende
natuur. (Dieren denken ook, want mensen zijn dieren, en andere dieren
- bevers, bijen, nestvogels - kunnen wel degelijk nadenken en
doelmatig en planmatig handelen. Maar taal hebben ze niet,
behoudens fragmentarische signaal-systemen, en wiskunde ook
niet.)
Ik ben 't met M. eens dat mensen deel
van de Natuur zijn, maar geloof niet dat er op dit moment enige
behoorlijke theorie is van wat leven is, van wat geest,
gevoel, intelligentie of betekenis is, en dat dit een
fundamenteel filosofisch (en psychologisch en logisch) probleem is.
[11] "Maar
in 't groote verkoophuis van de Natuur ligt alles door elkander. De
polichinel zit schrylings op den nek van 't bronzen vrouwtje dat haar
kind beweent. Napoleon in gips staat tusschen twee spellen kaarten, en
'n flesch konjak is gewikkeld in 'n traktaatje van de afschaffers."
Hier ligt
de humor weer in 't kontrast, en kan alleen onderkend worden voor wie
voldoende geest heeft de bestaande kontrasten te onderkennen.
En een "polichinel
zit schrylings op den nek"
van ieder mens dat tracht een maatschappelijke rol te spelen die ie
niet is, met hulp van ideologieën
die ie ternauwernood begrijpt en niet rationeel kan beoordelen. (inleiding,
74, 403)
[12] "Want
de Natuur is dom. Ze heeft geen verstand van étalage.
Daardoor is ze humoristisch, en wie dat goed nateekent is 't ook."
Hier ligt
weer de mogelijke begripsverwarring van dode en levende Natuur, en 't
feit dat mensen en hun bedoelingen, wensen, gevoelens en fantasieën
óók deel van de Natuur zijn. De dode Natuur is dom, doelloos,
gevoelloos, gedachteloos, en zinloos. De levende Natuur heeft althans
enige representatie van de omgeving, enige doelen, enige gevoelens,
enige gedachten, en enige zin, lust, en betekenis.
En humor is 'n vorm van welbewuste
misrepresentatie vanwege de waarachtigheid van de misrepresentatie en
de onverwachtheid ervan.
Voorbeeldje van Monty Python:
"Why is Australian beer like making
love in a canoe?
Because it is fucking close to water, mate!"