Idee 157.                                                 


Onsterfelykheid zonder eeuwigheid is 'n koord met één eind. [1]

D.w.z. iets onmogelyks. Een onsterfelyk wezen kan geen begin hebben. Al wat begonnen is moet eenmaal eindigen. De tegen deze waarheid soms aangevoerde stelling dat misschien ons eeuwig vóórtbestaan 'n onbewuste existentie was behoeft niet beantwoord te worden. Wie zóó redeneert, zal zich te-zyner-tyd met 'n even onbewuste onsterfelykheid moeten tevredenstellen, 'n onbewust genoegen dat ik niemand ontnemen wil, mits men 't slechts my niet opdringe als iets wezenlyks.

Het verdient opmerking dat de goede Jezus meer te lyden had van de Farizeeërs dan van de Sadduceeën die niet aan de opstanding geloofden. De onsterfelykheidsleer schynt alzoo niet onvoorwaardelyk moralizeerend te werken. Dit blykt trouwens uit den toestand onzer geheele maatschappy die geloovig en.... infaam slecht is. [2]


[1] Onsterfelykheid zonder eeuwigheid is 'n koord met één eind.

Onsterfelijkheid en eeuwigheid hebben beide in feite een negatieve definitie, die in beide gevallen ontkent dat deze dingen zijn als gewone dingen die we in de ervaring kennen, waar wat leeft sterft, en wat begint eindigt.

En oneindigheden blijken bijzonder moeilijk te begrijpen zijn. Cantor bedacht eind 19e eeuw een bruikbare wiskundige theorie van de oneindigheid, die in feite berust op 't idee dat een oneindige verzameling gekarakteriseerd wordt door de eigenschap een echte deelverzameling te hebben met evenveel leden, wat we kunnen "zien" aan de verzameling van alle natuurlijke getallen: 1,2,3,4,..... enz. tot het oneindige, en de verzameling van alle even natuurlijke getallen: 2,4,6,8,..... enz. tot het oneindige.

Namelijk: Ieder getal uit de laatste verzameling komt voor in de eerste, en er zijn getallen in de eerste verzameling (alle oneven getallen) die niet in de tweede zitten. Dus de verzameling van even natuurlijke getallen is een echte deelverzameling van de natuurlijke getallen.

Vervolgens: Voor ieder natuurlijk getal is er precies één natuurlijk getal dat het dubbele ervan is, en voor ieder even natuurlijk getal is er precies één natuurlijk getal dat de helft ervan is. Vandaar dat we systematisch de twee reeksen kunnen 1 op 1 kunnen correleren: (1,2), (2,4), (3,6) ... enz. met telkens links de helft van het getal rechts, en rechts het dubbele van het getal links.

Het lijkt verder een zeer vanzelfsprekend idee - dat David Hume al had, toen hij over de zaak nadacht - dat twee verzamelingen A en B evenveel leden hebben precies wanneer er een regel is waarmee met ieder element van A precies één element van B correspondeeert, en met ieder element van B precies één element van A.

Nu, uit wat we gesteld hebben volgt logisch dat er evenveel even natuurlijke getallen zijn als natuurlijke getallen. Dit was o.a. Galilei al bekend, maar het schijnt Cantor te zijn geweest die als eerste konkludeerde dat dit als boven verklaard kan worden: Oneindige verzamelingen worden gekarakteriseerd door de eigenschap een echte deelverzameling te hebben die evenveel leden heeft als de verzameling waar het een echte deelverzameling van is. (En eindige verzameling is derhalve een verzameling waarvan iedere echte deelverzameling minder leden heeft dan de verzameling waar het een echte deelverzameling van is.)

Maar hiermee leren we weinig of niets over onsterfelijkheid, behalve dat 't een zeer moeilijk te begrijpen iets is.


[2] De onsterfelykheidsleer schynt alzoo niet onvoorwaardelyk moralizeerend te werken. Dit blykt trouwens uit den toestand onzer geheele maatschappy die geloovig en.... infaam slecht is.

Meer algemeen:

Religie in 't algemeen lijkt niet erg moraliserend, wat blijkt uit de toestand van de wereld, die overwegend gelovig is en was, en voorzover bekend nergens en nooit aan meer dan een klein deel van de maatschappij veel geluk of mogelijkheden tot ontplooiing en ontwikkeling heeft geboden - wat religie bood aan de massa's was hoop op een betere wereld dan waar de grote meerderheid van de geloven hun God voor dankten in te mogen leven en hopen op beter, en wat religie bood aan de maatschappelijke élite was een middel om de massa te regeren en manipuleren via de religieuze ideeën die ze zelf onderwezen aan de massa.

Dit zijn goede gronden om weinig vertrouwen te hebben in de doorsnee goedheid van de mens, of in de verbeterbaarheid van doorsnee mensen, noch in het intellect van de zeer grote meerderheid, of in de verbeterbaarheid van de maatschappij of de mens door een beroep op goede wil.

Wat houdt de grote meerderheid - die niet bijzonder goed is, niet zeer verbeterbaar is, en in termen van de morele normen die het zèlf uitdraagt meestal slecht is - "video meliora proboque; deteriora sequor" - en ook nauwelijks in staat is zèlf behoorlijke ideeen te bedenken over de oorzaken van 't eigen falen en tekortkomen - dan tóch overwegend moreel, aangepast, normaal, oppassend, kortom fatsoendelijk?

Kortweg: angst en eigenbelang - angst voor sancties van de strafwet en de zeden, de laatsten gewoonlijk gehandhaafd door de  buren, de baas en de familie, en vaak begint met "wat "men" er van zal denken en zeggen", terwijl eigenbelang dat mensen weerhoudt van handelingen waar ze voor gestraft, gediscrimineerd of gemeden worden.

Moraal, filosofie, wetenschap en kunst zijn de werkelijke drijfveren van zeer weinigen, en van véél minder dan voorgeven dat ze erdoor gedreven zouden worden.

Idee 157.