Idee 138.                                                 


[1] (Vervolg van 132). Ik ontvang van den heer Hveker 't volgende briefje:

WelEdele Heer, Ik begryp niet regt UEd's bedoeling. Gaarne echter zag ik van het bewuste stukje geen gebruik gemaakt.
Ik heb de eer, enz.

De heer Hveker begrypt m'n bedoeling niet? Ik ben zeer gewoon aan gebrek aan begrip, zoowel by anderen als in mezelf, maar ditmaal...

Eilieve, wat kan er duisters liggen in m'n bedoeling? De Heer Hveker heeft, met loffelyke zucht om z'n medemenschen te waarschuwen tegen den verderfelyken invloed des Bybels, 'n boekjen uitgegeven waarin die invloed in vry scherpe omtrekken wordt geschetst. Ik schryf hem dat z'n waarschuwend werkjen ondanks den lagen prys niet genoeg verspreid is, en vraag vergunning het over te nemen in m'n IDEEN die door 't heele land gaan.

M'n bedoeling? Wel m'n bedoeling is meetewerken tot de verspreiding van de nuttige wenken die in dat boekje worden gegeven, anders niet.

Hoe, de heer T. M. Looman - zoo heet de vertaler van het in 't duitsch geschreven werkje - geeft in eenvoudige indrukwekkende taal, 'n tafereel van de vreeselyke gevolgen der bidstonden, van bybellezing en dergelyke tot krankzinnigheid leidende - of van krankzinnigheid getuigende - uitspattingen en de Heer Hveker, de uitgever staat my niet toe gebruik te maken van de nuttige wenken die hy verkrygbaar stelt tegen drie gulden de honderd exemplaren?

Hoe, ik hoor brand roepen, en mag niet herhalen: brand !

Hoe, de schrijver van 't verhaal der "geestelyke opwekking" te Elberfeld, zegt ons dat er 'n leeuw op pad is, en de Heer Hveker handhaaft z'n kopyrecht op die waarschuwing?

Waarlyk, ik begryp den heer Hveker niet.

Van geldelyk voordeel kan hier geen sprake zyn. Een werkje dat al voor vyf centen te verkrygen is, komt me als fondsartikel niet zeer belangryk voor. En al ware dit anders, er ligt  wreedheid in 't tegengaan der verspreiding van zoo nuttige waarschuwingen als in dit kleine boekje worden gegeven.

Een kort verslag evenwel - altyd in het belang der zaak - zal my geoorloofd zyn. Misschien zal men na 't lezen daarvan het spaansche vonnis waarvan ik sprak in 132, minder ongerymd vinden.

Er schynt 'n Evangelisch-Verbond te bestaan, dat in de publieke bladen alle Christenen heeft opgeroepen om bidstonden te houden in de week van 6-13 Januari 1861. Achtienhonderd 61, achtienhonderd, niet vyftienhonderd, niet dertienhonderd, niet zeshonderd, niet nhonderd. Ik spreek van 't n en zestigste jaar der negentiende eeuw !

In die week dan van dat jaar zouden alle Christenen gemeenschappelyk bidden. Of alle Christenen 't gedaan hebben, weet ik niet. Ik denk, neen. Ik althans heb weinig gehoord van de gevolgen die zoo'n biddery blykt na zich te slepen.

De suppoosten van 't stadhuis te Elberfeld voelden zich opgewekt, om ook van hunne zyde gemeenschappelyke bidstonden te houden, en den Heer, behalve in de door het verbond voorgeschreven algemene aangelegenheden van het Godsryk...

Sic. Dat "Verbond" schynt de aangelegenheden  van 't Godsryk voorteschryven. Behalve daarin alzoo:

Den Heer inzonderheid aanteroepen om de bekeering van de aan hunne zorg toevertrouwde kinderen, wier verregaande ligtzinnigheid hun reeds sedert lang menigen zucht had afgeperst, en hun gemoed te neder gedrukt had...

Ik ben innig begaan met die zuchtende, ter-neder-gedrukte suppoosten, en tuchteloos als ik ben, wil ik even ter-zy springen om wat te zeggen over exordia.

Een exordium, voor wie 't niet weet, is de eerste akte van 'n drama. Knoop, ontwikkeling, beloonde deugd, toepassing, baasspelend fatum en ryke ooms... dat alles komt later.

Hebt ge ooit 'n zoo schoon "eerst bedryf" gelezen als ik u gaf in de weinige kursief gedrukte regels waarmee 't weeshuis-drama aanvangt? Al de dramatis personae werden u in n pennestreek voorgesteld en geschilderd. Men laat u de verwikkelingen van onderscheidene belangen gissen. Ge voorziet stryd. Stryd tegen de lichtzinnigheid van die kindertjes. Ge voorziet droefheid. Zeker, de suppoosten hadden al lang gezucht. Ge ziet overwinning in de vyfde akte. Ja, overwinning, want alle Christenen zullen tegelyk bidden van 6-13 Januari. Als dat niet hielp, mocht de drommel-zelf dramaas maken en bidstonden uitschryven.

En toch - want ik wil rechtvaardig zyn, zelfs tegen schryvers van toneelspelen - toch is er 'n fout in den aanhef. De booze tante, de onverbiddelyke voogd, de valsche knecht, de tegenwerkende kracht is vergeten. Dat is in dit geval, zooals in veel gevallen, de duivel.

Gegeven: 'n "Evangelisch verbond" zuchtende en saamgevouwen suppoosten, biddende Christenen en 'n "Heer"... zie, dat alles wil denzelfden weg op. De stryd van al die elementen tegen de lichtzinnigheid van weeskindertjes zou al wat te gemakkelyk wezen, zou te weinig kans bieden op de in christelyke bedestonden en tooneelspelen zo onmisbare katastroof, wanneer niet de lichtzinnigheid werd gesteund door zekere macht, sterk genoeg om vyf akten lang den stryd vol te houden. Welnu, die macht komt dan ook wel degelyk in 't stuk voor, maar ik had gewenscht die met 'n enkel trekjen aangeduid te zien in 't overigens zoo schoone exordium. By herdruk stel ik voor aldus te beginnen:  [2]

"De duivel, die niet begrypt hoe ernst en vertwyfeling past aan weeskindertjes, had de weezen te Elberfeld ligtzinnig gemaakt."

Daarop zou dan heel geleidelyk volgen: 't biddend Christendom, de suppoosten en de welbekende "Heer".

Doch dit kleine vlekje ontneemt niets aan de waarde van den diamant.

De aanhef eindigt met de geruststellende verklaring dat de Heer het gebed verhoort, dat hy helpt boven bidden en denken, dat geen arbeid in hem te vergeefs is.

Zeer juist: De "Heer" en de suppoosten, en al die biddende Christenen zullen den stryd tegen den duivel winnen. De arme duivel die altyd wordt overwonnen - altyd op-nieuw gereed is ten-stryde - moet ook alweer den stryd opgeven. Hy wordt gedwongen den lichtzinnigen geest van de weeskinderen te doen uitvaren, die ter schadeloosstelling worden bedeeld met 'n groote mate van vrome, suppoostbehagende, christelykbidstondachtige, den "Heer" welgevallige krankzinnigheid.

Ik betreur zeer dat my 't verlof geweigerd is het pronkstuk in z'n geheel te geven. Ik mag maar 'n paar punten aanstippen.

Reeds op den dertiende Januari was een van de meisjes "stil en zichtbaar inwendig aangedaan". Die datum geeft stof tot nadenken, en tot bewondering van de wysheid der Evangelische Verbonden. Men had bidstonden uitgeschreven van zes tot dertien Januari, en ziet, reeds op den dertienden was een van de meisjes stil.

Het nut der gebeden zelf ga ik nu eenmaal voorby, om alleen te wyzen op de maat der gebeden. De kunde van 'n arts openbaart zich evenzeer in de hoeveelheid als in de soort der geneesmiddelen die hy toedient. [3]

Men zou bidden. Goed, maar hoeveel, hoelang? Wat was de noodige dosis van 't gebed? Het Evangelisch-Verbond zeide: van zes tot dertien Januari. Niet: van zeven tot veertien. Niet: van vijf tot twaalf. Een volle week, en juist die week.

Wanneer werd een der meisjes "stil en inwendig aangedaan?"

Op den twaalfden ?  Neen. 't Zou schynen of het bidden van den dertienden overkompleet was.

Op den veertienden ? Nogeens neen. Men zou in dat geval mismoedig zyn geworden op den laatsten biddag.

Een van de meisjes moest "stil worden en inwendig aangedaan" juist op het ware oogenblik. Niet later omdat men niet vertwyfelde aan 't effekt. Niet vroeger, opdat niet de hoeveelheid gebed te groot voorkwam.

"Tegen den avond klaagde zy den vader of directeur, over zieleangst....

Heel braaf!

"Den volgende dag werrd zy weder even onrustig."

Heerlyke onrust!

"Kort daarna kwam een tweede meisje by den vader, en klaagde over angst en zondennood. Zy verzocht om den sleutel eener vrye kamer, om in stilte te bidden. Er werd van de zaak geen gewag gemaakt."

Waarom niet? Ik begryp dit niet recht. Ook vind ik 't nogal moeielyk voor bestuurders van weeshuizen, om by zulke gelegenheden ieder kind 'n lokaal part te geven.  [4]

Nu kwamen er verscheidene meisjes die "aangegrepen" waren en de "vader" begon meetebidden.

Maar ziet, 'n afzonderlyk lokaal, 'n "vrye kamer" scheen niet meer aan dat doel te beantwoorden. De "vader" werd geroepen by 'n jongen "die op de keldertrap lag". Deze "had een hevigen zielestryd". Men wenschte dat "allen zich alzoo mochten onderwerpen voor den Heer".

Ik vrees dat dit de passage naar dien kelder zou belemmerd hebben.

De "vader" bad met den "aangevochten jongen".

Hier eerst komt de Duivel in 't spel, dien we zoo ongaarne misten in 't exordium.

Nu liepen vier jongens, "mede aangegrepen, en wel zoo krachtdadig, dat ze niet konden slapen".

"Den ganschen nacht bragten zy door met bidden en smeeken" en 't hielp zoo, "dat ze smaad en spot konden verdragen".

Dit zou my te-pas komen! Zoodra mogelyk maak ik 'n uitstapje naar dien kelder. Maar ... wie smaadde hen? En waarom toch?

"Zy baden over dag in ieder vry kwartiertje, lazen en verklaarden(!) de H. Schrift".

Die "verklaringen" zullen kurieus geweest zyn.

"Toen werden er zeven andere jongens overtuigd van hunne zonden".

Den volgende avond lagen er "zestien jongens op de knieen of op het aangezicht."

In gewone gevallen keur ik 't af dat men z'n aangezicht gebruikt om er op te liggen. Ik geloof dan ook zeker dat het daarvoor niet gemaakt is. Maar zoo'n drama heeft byzondere eischen.

Op 31 Januari werd er door 'n kind van tien jaar 'n toespraak gehouden die klonk als 'n klok, en door 'n veertienjarigen jongen 'n gebed uitgesproken: "waarvan men met verbazing bermerkte dat de H. Geest het had gewerkt".

Die verbazing is overkompleet. Na al 't bidden om dien Geest, verbaas ik my over die verbazing.

Daarna las dezelfde jongen Openbaring 21, en het tienjarig kereltje hield daarover 'n "uitweiding, waarby men dikwyls moest denken: vanwaar komen zulke dingen?"

Wel, van den Geest, dat 's klaar!

's Avends baden er dertig jongens en even zooveel meisjes.

Na dien bidstond gingen de "aangegrepen jongens weder naar den kelder, en baden...

Ter afwisseling zeker. Onder ons, ik denk dat er ook meisjes naar den kelder gingen, maar dat de gewyde schryver dit verzwygt, omdat de wereld booze gedachten heeft.

Een jongen was "verstokt"... als Koning Faro, denk ik. Hy "wou niet zalig worden", had hy gezegd, al werd ook ieder zalig." [5]

Daar is originaliteit in dien Elberfeldsche Radboud, maar 't bekwam 'm slecht, dat zult ge zien.

Door bidden en weer bidden kreeg ook hy 't eindelyk te-kwaad.

Eerst klaagde hy "dat zyn kracht half gebroken was". En 'n oogenblik later "gaat ook hy naar den kelder".

"Hy valt oogenblikkelyk neder, kermt en valt in hevigste stuiptrekkingen neder (tweemaal vallen: sic) zoodat hy weder naar boven gedragen moest worden".

"De stuiptrekkingen duurden meer dan drie uren."

"Tegen vier uur vertoonden zich - voor de verandering alweer - de stuiptrekkingen".

"Toen uitte hy dat hy nu gelooven kon."

Parbleu, il tait pay pour cela ! Na zooveel stuipen!

"s Avonds ten zeven ure viel hy weer in...

In wat? denkt gy? Ditmaal in:

"Stuipen, die tot elf uur duurden. Hy had een geweldigen honger...

Honger, appetyt, trek, begeerte... naar wat? vraagt ge weer. Raad eens. Ik geef 't in drien, in zessen, in tienen...

"Honger naar... zielespijs."

"Hy zocht met krampachtig bevend vingers kapittels uit den bijbel op, onder anderen Ps. 23.

"Hy geraakte in verrukking. Hy nam in handen eene tabel waarop een gezangvers stond uitgedrukt, en maakte den indruk als wilde hy den inhoud verslinden."

Ik geloof 't graag. Met zo'n honger.

Na achten hielden den stuiptrekkingen eensklaps op. Een weinig later kwamen ze terug. Toen werd hy "kalm en bad". De stuipen lieten zich weder niet wachten. Eindelyk ontving hy den "behoorlyken vrede des gemoeds, die hij tot nog toe behouden heeft."

Nu... gestolen heeft die arme jongen dien vrede niet!

Maar nu wierpen zich vele anderen neder voor den "Heer".

's Namiddags baden 37 jongens. Er staat ditmaal niet by of 't in den kelder was. Maar we vernemen by deze gelegenheid "dat de Geest blaast waarheen hij wil."

Dat vind ik pleizierig voor den Geest. Verbeeld u de onaangename positie van 'n Geest die maar mag blazen in een richting. Of van 'n Geest die niet vry is in zyn blazen. Of van 'n Geest in 't geheel niet blazen mag.

"Grootere beweging onder den meisjes. 's Avonds algemeene bidstond."

Wat al variatie in de stoffeering. Bidden en stuipen. Stuipen en bidden! Maar nu gebeurde er iets dat lastig weezen zou in vergaderingen als 't mode werd. Meer dan zestig jongens en evenveel meisjes hielden zich ditmaal bezig met bidden:

"Na 't gezang bad de voorganger eerst; terstond na hem een der suppoosten, en daarna sloeg een opzichter een gedeelte der Heilige Schrift ter lezing voor, waarna hij - ter afwisseling altyd, - een gebed wilde doen".

Maar die opzichter had gerekend buiten 'n "elfjarig jongetje" dat vr hem begon te bidden, en wel z dat hy er niet toe komen kon".

A la bonne heure !

En hoe bad dat kereltje? Hy bad zoo "schriftuurlyk dat het allen door de ziel ging." Vervolgens begonnen er anderen te bidden namelyk:

"Vier of vijf jongens, ook de knaap die den vorigen avond in stuiptrekkingen gelegen had."

Die arme opzichter kon maar niet aan den slag komen. Er is 'n schoone dramatische spanning in 't vruchteloos streven van dien man om te verlossen van z'n gebed. Maar zie, 't jongetje dat den vorigen avond "stuiptrekkingen" had gehad, kreeg ditmaal... "stuiptrekkingen". Dat komt er van als men 'n opzichter niet aan 't woord laat koomen! Gelukkig duurden de stuipen ditmaal niet lang, want kort daarop:

"zong hij lofliederen." "Allen waren ontroerd." "Niemand kon zich inhouden." "Ieder liet zijn tranen den vrijen loop." "De meisjes snikten en weenden luid." "Er moesten twee volwassenen en verscheidene kinderen naar buiten gebracht worden."

Wat 'n levendigheid in de aktie! Naar binnen, naar buiten, naar boven, naar beneden, naar den kelder, op de trap... gedurig verandering van tooneel. Later:

"baden eenige jongens." "De beweging werd hoe langer hoe sterker."

De plus fort en plus fort !

"Over den tijd was men geen meester meer."

Waarom denkt ge? Omdat de horloges verzet waren? Omdat er verwarring was in 't klokkenspel van het Elberfeldsche weeshuis? Volstrekt niet! Men was:

"over den tijd geen meester meer, omdat de Heer zelf het bestuur in handen had genomen, en zoo kon de bidstond eerst te 10 1/2 uur gesloten worden".

Die Heer, die Heer! Is dat nachtbraken !

"Men hoorde overal lof- en dankliederen weergalmen. Maar hier en daar lag er ook een die over zijn zonden jammerde ! "In deze nacht werden den Heer vele kinderen geboren."

En, lezer, wat denkt ge dat er plaats vond, den volgenden avond? Wel:

"Een bidstond." "Opwekking onder de kleinere meisjes." "Zeven of achtjarigen kinderen riepen om genade, om een rein hart(!), om den H. Geest voor zich zelve, voor andere kinderen, voor de suppoosten, voor den onderwyzer." Een der kinderen viel daarby ALS DOOD NEDER, en bleef een langen tyd in koude verstyving.

De "vader" moest met drie groote meisjes "bidden". Voor hy daarmee "gedaan had" werd hy geroepen by de andere meisjes "die op de slaapplaats naar hem verlangden."

En wat vond hy daar? De oude geschiedenis. Neen, niet geheel. De meisjes lagen ditmaal "op hare knien in de bedden" wat dan ook gemakkelyker is dan op 'n trap of in den kelder. Maar overigens - o heerlyke overeenstemming in verscheidenheid! - overigens: "luid roepen om genade en ontferming, weenen en snikken en jammeren" en tusschen dat alles in: "bidden". "Op de naaste gangen gebeurde...

Wat zou er nu op de naaste gangen gebeuren, denkt ge? Wel, op de naaste gangen gebeurde "hetzelfde". Merk op, lezer, hoe den schrijver eenheid van handeling weet te huwen aan verscheidenheid van plaats. Men weent, huilt, jammert, stuipt, en bidt op de trap, in den kelder, in 'n "vrye kamer", in de bedden, en nu eindelyk in de gangen.

"Na middernacht kwamen de meisjes tot rust."

Gy meent misschien dat ze naar bed gingen pour tout de bon ditmaal... mis!

"De meisjes kwamen tot rust, plaatsten zich in groote getale op een der trappen in de naaste gang, en zongen "een liedje, waarin zy den "Koning der eere" uitnoodigen te zien "hoe zy zich nederwierpen aan den voet van zyn troon... d.i. op die trap. Dit wordt door den schryver het "aandoenlykst tooneel" genoemd.

Den volgenden morgen hadden vele meisjes vrede gevonden, maar anderen "lagen nog in worsteling". Er moest weer 'n jongetje weggebracht worden, en nog drie anderen "die zeer over hunne zonden kermden." De kinderen wenschten dien avond...

Weer moet ge raden. Welnu? De kinderen wenschten dien avond: een "bidstond."  Tegen zoo'n hardnekklige biddery is geen Duivel bestand. "Vier kinderen vielen neder en moesten weggedragen worden." Onder deze was een leerling die niet tot het huis behoorde maar die binnengeleid was "door een onzichtbare macht." Op weg werd hy "gedwongen hard te lopen." "Vele dagen achtereen had hij moeten worstelen, en was daarby letterlyk BRULLENDE" (Hu!) "Den volgenden dag viel 't eene kind na 't andere in zwijm." "De kinderen hadden stuipachtige aanvallen... verloren den spraak... sloegen voortdurend met de handen... de engelen in den hemel zullen zich verblijd hebben".

Ik heb er niets tegen, maar blyf er by dat het 'n zonderling amuzement is, en dat die engelen met weinig tevreden zyn.

Een jongen van zeventien jaar had zich onvoorzichtig uitgelaten. By 't zien van 'n kermenden knaap had hy gezegd "ik wilde wel dat ik ook eens in zulke worsteling viel." Dit had hy niet moeten zeggen, want "plotseling zakt hij in een, stampt met de voeten, weent en steunt, slaat met de handen en klaagt hoe de SATAN hem heeft aangegrepen, en hem den mond toehoudt als hij bidden wil." Hy zag er "yzingwekkend" uit. Een jongen die hy omarmde, riep "hy krabt my ! " Hy waarschuwde dezen, die niet wilde gekrabd worden, tegen den Duivel: Th. riep hy, bid, hy krygt u gewis."

Den 7den Februari lagen twintig jongens gelyktydig te bed, en konden grootendeels niet spreken. Voortdurend stuipen. "Hoe hooger de nood, hoe krachtiger 't verlangen naar 't gebed. Zy baden den Heere, dat hy als de sterkere, niet meer toelaten wilde dat zy door den boozen vyand nog langer aangevochten werden."

Ik voor my vind dat de Heere daaraan al lang 'n eind had moeten maken.

Eindelyk bidt een tienjarig jongetje heel aardig. Hy zegt dat zooveel jongens "lauw" zyn in 't gebed.

Ik vind, dat schikte nogal.

Vervolgens betuigt hy "dat hyzelf zoo lauw geworden is, maar dat hij niet weer lauw worden wil." Hy vraagt om zegen op 't weeshuis "waarin wij 't zoo goed hebben."

O, die kleine vleier!

Maar hy vindt niet goed "dat men zo weinig dacht aan...

Weer geef ik u te raden in drien!

"Dat men zo weinig dacht aan de Syrische Christenen."

Hoe vindt ge 't toch, lezer? Zoo'n kleine politikus!

"Help hen toch !" zegt hy tot den Heer. Maar hy doet ook een goed woordje voor de Mohammedanen "die een valschen profeet hebben, maar trouw in hunne godsdienst zyn. Zij gaan waarlijk met hun koran trouwer om, dan veel Christenen met den bijbel." Ei?

Eindelyk bidt hy voor de Hollanders in watersnood.

De heilige schryver verzekert ten-slotte, als bewys van den rykdom der genadegaven Gods, dat van de 295 kinderen in 't Elberfeldsche weeshuis, het grootste gedeelte AANGEGREPEN is, en dat... o h 't zal nu wel genoeg zyn!

Lezer, zonder u te wllen overhalen tot goedkeuring van 't spaansche vonnis, durf ik u toch na dat alles vragen of ge u niet kunt voorstellen dat menschen die veel houden van hun kinderen, menschen die minder zachtmoedig zyn dan gy en ik, menschen die misschien bericht ontvingen van den toestand der Elberfeldsche weezen ... dat zulke menschen boos zyn op de verspreiders van boeken die zulke krankzinnigheid teweegbrengen?


[1] : Aan deze schone vertelling ben ik bijna bezweken als 14-jarige, van 't lachen. Ik had toen al zo ongeveer een hele bibliotheek - "Oranjehof", aan de Kostverlorenkade bij de Admiraal de Ruyterweg, nu terziele - uitgelezen, want na de jeugdafdeling twee keer doorgenomen te hebben werd ik z vroegrijp geacht dat men mij ook, gekontroleerd natuurlijk, uit de "boeken voor volwassenen" liet lenen - maar ik had nog nooit zoiets als het bovenstaande gelezen, van niemand, niet bij benadering.

En 't kwam niet van de bibliotheek, maar van m'n moeders vader, een anarchistische handzetter, die van Multatuli hield, en van mooie boeken, meetkunde, bloemen en al wat fraai gedrukt was.

Sindsdien weet ik dat proza dodelijk kan zijn, want ik ben op 't uiterste nippertje niet gestikt van 't lachen. Wie een soortgelijk experiment wil wagen (sterven van 't lachen moet een mooie dood zijn, lezer) en dit, hier gearriveerd, kennelijk overleefd heeft, leze "DE ZEGEN GODS DOOR WATERLOO", in deel 10 van de Garmond-uitgave. Ik wens de lezer vreugde en geluk!


[2] "Gegeven: 'n "Evangelisch verbond" zuchtende en saamgevouwen suppoosten, biddende Christenen en 'n "Heer"... zie, dat alles wil denzelfden weg op. De stryd van al die elementen tegen de lichtzinnigheid van weeskindertjes zou al wat te gemakkelyk wezen, zou te weinig kans bieden op de in christelyke bedestonden en tooneelspelen zo onmisbare katastroof, wanneer niet de lichtzinnigheid werd gesteund door zekere macht, sterk genoeg om vyf akten lang den stryd vol te houden. Welnu, die macht komt dan ook wel degelyk in 't stuk voor, maarik had gewernscht die met 'n enkel trekjen aangeduid te zien in 't overigens zoo schoone exordium. By herdruk stel ik voor aldus te beginnen: "

In Nederland is er nu een jaar of 20 "de Evangelische Omroep". Wie deze electronische evangelisten wel eens toevallig 's nachts op de radio hoorde (ik heb geen TV, dus ben verschoond van 't bespreken daarvan), was in de gelegenheid godsdienst-waanzin van deze tijd te horen, van de meest gruwelijk-debiele en immorele vorm.

Je zou willen denken dat dit soort waanzin ooit ophield aan overmaat van weerleggingen, maar 't voortdurend verschijnsel van massa's godsdienst-waanzinnigen, overal, altijd, bewijst dat de menselijke diersoort in meerderheid niet denkend is, zoals individuutjes ervan graag geloven, maar... gelovend en zelfbedriegend is, en dat niet uit kwade wil maar uit domheid, of goddelijke gekte, naar verkiezing van de lezer: "Als God niet zo bijzonder van domme mensen had gehouden, had Hij er veel minder gemaakt."   Terug.


[3] : "Het nut der gebeden zelf ga ik nu eenmaal voorby, om alleen te wyzen op de maat der gebeden. De kunde van 'n arts openbaart zich evenzeer in de hoeveelheid als in de soort der geneesmiddelen die hy toedient. "

Wat "Het nut der gebeden " aangaat:

Francis Galton heeft dit serieus statistisch onderzocht aan het eind van de 19e eeuw - en bevond dat het al dan niet bidden geen enkel verschil maakt (wat voor verzekeraars nuttige kennis is: de premies voor fanate bidders hoeven niet lager te zijn dan voor anderen, want de statistiek - immers toch ook Godgegeven, als alles? - leert dat bidden geen enkel verschil maakt).

Dit hangt verder samen met de reeds in de Klassieke Oudheid gestelde vraag over dankoffers voor zeelieden die de Heere het behaagd had, gewoonlijk uiteraard op mirakelse wijze, want zo zijn de wegen des Heren, te redden van de verdrinkingsdood: Waar zijn de gedenktekens voor de veel talrijker verdronken zeelieden, die niet mirakels (of gewoon alledaags) gered werden door de Heer?

Het antwoord dat "de wegen des Heeren ondoorgrondelijk zijn" is bijzonder bevredigend voor een breindode maar lost niets op: Waarom meent de breindode de Heer dan wl te doorgronden waar 't wenselijke gebeurtenissen betreft, en niet waar niet?   Terug.


[4] : "Waarom niet? Ik begryp dit niet recht. Ook vind ik 't nogal moeielyk voor bestuurders van weeshuizen, om by zulke gelegenheden ieder kind 'n lokaal part te geven. "

Hier is reeds sprake van "a room of one's own", lang voor Virginia Woolf daarover schreef.

Maar waar ik 't eigenlijk kort over wilde hebben in deze fanaat-religieuze context is de malle hoofddoek waarmee Islamitische meiden tegenwoordig hun religieuze gezindheid, morele voortreffelijkheid en overige Mohammedaanse niet-zondigheid belijden tussen 't Nederlands publiek.

Ik vind het een vorm van religieuze auto-mutilatie, om de volgende reden:

Het zondert ze af; het verminkt het uitdrukken van hun schoonheid; het is zelf-discriminerend; en het introduceert een continue uiterlijke gedwongen religieuze belijdenis die niet rijmt met de werkelijke interesses en vermogens van de meerderheid van hen: Voor katholieke meisjes zou 't zelfde gelden als hun ouders ze alleen buiten lieten in een nonnen-habijt.

En 't is bijzonder vreemd - gezien van rationeel standpunt, niet met een religieuze optiek, die nimmer volledig rationeel is - dat deze publieke auto-mutilatie toegestaan wordt in een beschaafd land, zeker gelet op 't feit dat het dragen van een hoofddoek of sluier uitdrukkelijk geen plicht is die uit de Koran volgt.

Tenslotte is het tamelijk dom hoewel menselijk begrijpelijk wanneer Mohammedaanse mannen hun vrouwen en dochters een dergelijke vernederende verplichting opleggen en wanneer de vrouwen en meisjes zich dat laten aandoen: 't Is een begrijpelijke reactie op de discriminatie waaraan de doorsnee Nederlander ze blootstelt (hypocriet als altoos, dus huichelend dit niet te doen terwijl ie het wel doet) - maar ze reageren daarop door zichzelf uiterlijk discriminabel te maken, alsof je discriminatie kunt ontkomen door jezelf publiek te discrimineren.  Terug.


[5]  : "Een jongen was "verstokt"... als Koning Faro, denk ik. Hy "wou niet zalig worden", had hy gezegd, al werd ook ieder zalig.""

Een jongen die van "Etiamsi omnes, ego non!" wist, kennelijk. Mijn vader drukte hetzelfde idee zo uit: "Als iedereen zo gek is om in de gracht te springen, ben jij dan ook zo gek?" Terug.

Idee 138.