Idee 135.                                                 


In die kiesregeling dan is 'n radikale fout. [1] Ik weet wel dat alle menschelyke zaken gebrekkig zyn, en 't is al ongelukkig genoeg dat ook de beste inzichten van 'n wetgever vaak worden verydeld door verkeerde toepassing, door afwyking, door ontduiking, door bedrog. [2] Maar juist dit is 'n reden te-meer om de wet-zelf zoo volmaakt mogelyk te doen wezen, opdat althans het goede voorgeschreven zy, en 't kwade uitzondering blyve. [3]

Door de Kieswet nu wordt het kwade tot regel gemaakt, en 't goede tot uitzondering. [4]

In de geheele Tweede-Kamer zyn hoogstens vyf of zes leden die gekozen zouden zyn door 't Nederlandsche Volk, als dat Volk inderdaad z'n afgevaardigden kiezen mòcht. [5] Zonder allen te noemen, die door de geheele natie zouden uitverkoren worden om haar te vertegenwoordigen indien de Kieswet haar dit niet belette, en slechts om m'n bedoeling duidelyk te maken, vraag ik of niet de namen van Thorbecke en Van Hall, van Groen en Van Hoëvell altyd zouden voorkomen onder hen die de meeste stemmen hebben? Zoo bestaan er nog 'n paar namen, maar niet meer dan 'n paar.

Ik plaats de namen van Thorbecke en Van Hall, van Groen en Van Hoëvell met voordacht naast elkaar, om te doen in 't oog vallen hoe hier geen spraak is van zoogenaamde staatspartyen. De vier mannen die ik noemde, zyn in Nederland bekend, door 'n groot gedeelte der Nederlanders geacht, en kunnen worden opgegeven als vertegenwoordigers der meening van velen.

By konkurrentie evenwel in 'n ouwerwets-behoudend kiesdistrikt, zouden de heeren Van Hoëvell en Thorbecke den stryd verliezen tegen iemand die - hoe onbekend en onbeduidend ook overigens - meer geestverwanten telde in dat distriktje, en zoo zou 't ook gaan met de heeren Groen en Van Hall,  wanneer ze tegenover deze of gene liberale nietigheid moesten worden gewogen door 'n kiesdistriktje waar 't zoogenaamd liberalismus à l'ordre du jour was.

Van misbruiken spreek ik thans niet *1) ik spreek van de wet. Hoe gebrekkig die is, hoe schadelyk, hoe gevaarlyk, zal, meen ik, ieder in 't oog vallen zonder verder betoog. Toch zal ik 't verder betoogen, maar om welwillend gehoor te mynen voor 't bewys a priori - het bewys dat zoo'n Kieswet geen goeden uitslag hebben kàn - wil ik u even vooraf en a posteriori aantoonen, dat die wet inderdaad 'n zeer ongelukkigen uitslag heeft. [6]

In m'n stuk over Vryen Arbeid val ik zeer laag neer op de Tweede-Kamer. Daar bewys ik niets, ik schets maar, en men heeft het recht die schets karikatuur te noemen. Doch ook 'n karikatuur heeft waarheid noodig tot grondslag.

Een teekenaar, byv. van de Charivari, stelt Dupin voor - Dupin, den ex-president van de Assemblée Nationale - als 'n boers-gekleed man. Z'n schoenen zyn breed, lomp, grof, ware schuiten.

Nu is de vraag niet, of Dupin wel zulke schoenen draagt? De vraag is: ligt er waarheid in de meening die de artist heeft willen uitdrukken, dat de heer Dupin zich kleedt als 'n buitenman? Zulke waarheid nu zoeke men in karikaturen, die wanneer ze goed worden begrepen, groot nut kunnen doen.

De vraag over m'n charge van de ‘geachte leden’ is alzoo niet: spreken en handelen die leden zoo als ik ze daar spreken laat? De vraag is: staat onze Tweede-Kamer inderdaad op zoo'n lagen trap als ik heb willen te kennen geven in m'n overdreven schets?

En dit is zoo. De schoenen van Dupin zyn iets minder lomp dan de Charivari die teekent, maar dat Dupin zich voordoet als 'n boer, is de waarheid.

Onze Tweede-Kamer is inderdaad, op vyf of zes uitzonderingen na, 'n verzameling van nietigheden. [7] En wat zulk 'n verzameling kan tot-standbrengen, is afteleiden uit 4, 5, 6 en 9. De geschiedenis van die Kamer zou 'n treurige staalkaart wezen van nederlandsche hoedanigheden, àls we moesten aannemen, dat de leden waren gekozen door 't nederlandsche Volk. [8]

Laat ons dus ter eere van dat volk zoo dikwyls mogelyk den vreemdeling toeroepen: beoordeel ons niet daarnaar! Niet wy hebben die heeren gekozen... zie onze Kieswet.

Maar het schryven van die geschiedenis zou 'n groot en tevens 'n ondankbaar werk zyn. Ik wil trachten de nietigheid van de Kamer op korter wyze aantetoonen, en beroep me op de zaken waaromtrent partyen in confesso zyn.

Ik heb gezegd: er is verrotting in den Staat! [9]

Tegenspreken zou niet bewyzen dat de Staat gezond was, maar ik zou verplicht wezen m'n stelling te verdedigen, en de uitslag zou aantoonen of ik recht had.

Doch zie... men spreekt niet tegen. Ik behoef niet te bewyzen. Men bekent dat ik gelyk heb!

Men? Wie?

Ik beschouw de dagbladen - zooals ze thans zyn - volstrekt niet als vertegenwoordigers van de publieke opinie. [10] Maar wanneer die bladen, zóó kort na 'tgeen ik hun toevoegde in m'n stuk over Vryen Arbeid, zóó kort nadat ik afstand deed van alle sympathie of hulp van hun kant, volmondig toestemmen dat ik gelyk heb in de hoofdzaak: bedorvenheid der politieke atmosfeer, dan geloof ik ze te mogen aanhalen als bewys dat ik eenvoudige ronde waarheid zeide, waar men my ouder-gewoonte verdacht hield van excentriciteit.

En, zooals altoos, ik maak geen onderscheid tusschen staatkundige partyen. Alle getuigenissen aantehalen zou my te veel plaats wegnemen, ik verzoek dus my te mogen bepalen tot het citeeren van twee geheel verschillende bladen, die in zekeren zin kunnen geacht worden de twee richtingen te vertegenwoordigen, waarin de stroom der publieke opinie zich verdeelt.

In den Arnhemmer van 12 Februari 1862, wordt betoogd dat wel-is-waar de Tweede-Kamer allerellendigst is saamgesteld, maar dat men die - om meer of min goede redenen - op dit oogenblik niet behoort te ontbinden. Om goed begrepen te worden, zal ik 't heele stuk hier laten volgen, met, onderstreeping van wat ik meer rechtstreeks noodig heb voor m'n doel, nl. te doen zien dat niet alleen ik verontwaardigd ben over de onbekwaamheid, de onbeduidendheid, de middelmatigheid onzer vertegenwoordigers. [11]

De drie woorden op ‘heid’ had ik kunnen samenvatten in dit eene: misdaad. Want, ook zonder te spreken van omkooping of oogendienst, het is misdadig plichten op zich te nemen van welker goede vervulling zooveel afhangt, zonder tot dat vervullen instaat te zyn. [12]

Arnhem, 11 Februarij, 1862.
 
Bij de tot-stand-koming van dit Ministerie is door verschillende dagbladen de vraag geopperd, of het nu niet noodig en nuttig wezen zou de Vertegenwoordiging, of ten minste de Tweede Kamer der Staten-Generaal, te ontbinden?
Er was aanleiding tot die vraag, voornamelijk in het verschijnsel der weifelende en wisselende meerderheden, met welke de Kamer in de laatste tijden nu eens deze dan weder gene rigting, nu dezen en dan genen minister gesteund had. Het was niet onnatuurlijk, dat het publiek, nu eindelijk eens een gouvernement van beginselen optrad, vroeg: kan zulk een gouvernement met zulk eene Kamer zamenwerken? Kan de besluiteloosheid gemeen overleg houden met de stelselmatigheid?
Wij hebben ons die vraag ook gedaan; wij hebben ons afgevraagd, of het nu niet het juiste oogenblik zijn zou aan het land te zeggen: stel thans aan deze homogene, door stelselmatige liberaliteit krachtige regering ook eene homogene stelselmatige Kamer over. Het denkbeeld lachte ons toe; kon het verwezenlijkt worden, het zou, van den aanvang af, een nieuw tijdvak van parlementaire werkzaamheid openen; versche mannen vrij van compromitteerende antecedenten konden de weifelaars vervangen, de veelbewogen overtuigingen, die van alles medegedaan hadden, zouden eenige jaren in stille rust hunne overgangstijdperken doorleven, om zich te bekwamen tot het vormen van nieuwe politieke gevoelens. *2)
Van deze kant beschouwd zou eene nieuwe, doch vooral eene met versche elementen aangevulde, Kamer ons zeer wenschelyk schijnen. Doch er zijn bedenkingen, die ons eene ontbinding nu ondoeltreffend doen voorkomen. Voordat men nader op de ontbinding aandringt, moet men twee moeielijke vragen kunnen oplossen: is er een stellige grond van verschil tusschen Regering en Vertegenwoordiging, die voor de kiezers het uitschrijven van nieuwe verkiezingen motiveert? Is het met reden te verwachten, dat algemeene verkiezingen thans eene Kamer met een nieuw element geven zouden?
Wij gelooven dat beide vragen ontkennend moeten beantwoord worden. Eene ontbinding is een beroep van de Regering op het volk, een beroep dat zijne reden alleen kan vinden in eene gebleken onmogelijkheid van opregte zamenwerking tusschen het Gouvernement en de Vertegenwoordiging. Maar van de onmogelijkheid dat de tegenwoordige Kamer met het tegenwoordig Ministerie zamenwerke, is niets gebleken. Ronduit gesproken, wij twijfelen aan die zamenwerking geen oogenblik; *3) deze Regering zal niet minder eene meerderheid in de Kamer vinden, dan voorgaande regeringen die vonden.

De Kamer, zoo als zij thans zamengesteld is, zoo als zij ten gevolge der slingeringen, staatskunsten en standpunt-toeren der laatste jaren geworden is, bezit als kamer geen politiek karakter. Zij is niet eene liberale Kamer, maar zij is even weinig eene reactionnaire, een ultramontaansche, eene anti-revolutionnaire Kamer; als ligchaam, als eenheid drukt zij geene bepaalde rigting uit, maar daardoor heeft dan ook elk gouvernement, dat talent toont en met kracht optreedt, de meeste kans om eene meerderheid te vinden. *4) Wij stellen dit als een feit, niet als eene aanbeveling. Het feit eenmaal zoo zijnde, vervalt voor de Regering dan ook de grond, waarop eene ontbinding zou moeten steunen. De kiezers zouden te regt vragen: wat moeten wij eigenlijk beslissen? En wij zien niet, wat het gouvernement op die vraag zou kunnen antwoorden. Zou het de kiezers moeten uitnoodigen alle niet-liberale leden en alle gecompromitteerde liberale leden door nieuwe mannen te vervangen? Zou men willen, dat het gouvernement aan de kiezers verzocht mijnheer A. uit Q., mijnheer B. uit X., mijnheer C. uit Z. niet te herkiezen? Men behoefde dan slechts een stap verder te gaan en, gelijk onder de tegenwoordige Napoleontische constitutie, de gouvernements-kandidaten aan de kiezers te beteekenen. Of zou men willen dat het gouvernement de Kamer ontbond, ten einde van het land te vernemen, of het wel genoegen neemt met dit liberaal ministerie? Het zou, in andere woorden, gevraagd zijn: ‘De koning heeft ons gekozen, maar wilt gij ons wel? ratificeert gij die keuze?‘ Men zou een constitutioneel middel niet inconstitutioneler toepassen kunnen.
Daar de grond om te ontbinden niet aanwezig is, daar de kiezers niet zouden weten welk punt van verschil zij beslechten moeten, zou de waarschijnlijke uitslag der verkiezingen deze wezen, dat de Kamer nagenoeg onveranderd zamengesteld bleef uit dezelfde leden. Waartoe zou dan de kiesbeweging, waarmede men het geheele land in rep en roer gebragt had, dienen? Zij zou alleen ten gevolge hebben kunnen, dat de Kamer en het ministerie, van den beginne af, in eene zeer gewrongen houding tegenover elkander stonden; er zou tusschen beiden een wederkeerig mistrouwen heerschen; *5) het ministerie zou in gemeen overleg treden moeten met eene Vertegenwoordiging, die het ondersteld had, dat haar vijandig was, en de Vertegenwoordiging zou geene nieuwe kracht putten uit eene herkiezing die niets uitgemaakt had, omdat de kiezers geen oordeel konden vellen over een geschil dat nog niet had plaats gehad

Deze bedenkingen doen, dunkt ons, de schaal overhellen, en maken eene ontbinding thans onraadzaam, hoe wenschelijk wij anders eene vernieuwing der vertegenwoordiging, ook in haar eigen belang, rekenen zouden. Op dit oogenblik zou de ontbinding toch waarschijnlijk geen ander gevolg hebben dan eene onvruchtbare kiesbeweging door het gansche land en een ontzaggelijk tijdverlies, terwijl er zooveel dringend werk voorhanden is *6).

Nu hoop ik dat men zeggen zal: die Arnhemmer is verdacht van partydigheid. Zyn oordeel over de Kamer kan voortvloeien uit byredenen, onverschillig welke. Goed. Ik wys dus op 'n ànder orgaan, op 'n blad dat het Volk tracht voorttedryven in àndere richting dan de Arnhemmer. Ik kies daartoe de oude Amsterdamsche courant, die zich nooit heeft schuldig gemaakt aan radikalismus of excentriciteit. Laat zien wat zy te zeggen heeft over de algemeene zaak en de Tweede-Kamer. Waarschynlyk zal men inzien dat ik slechts wáár was, toen ik werd gehouden voor àl te fors. ‘Er is verrotting in den Staat’ had ik gezegd...

Verrotting is 'n sterk woord, dat alleen by overdryving kan gezegd worden door iemand die persoonlyk diep gekrenkt, eigen smart neemt voor redeneering, eigen grief voor bewys. Door iemand die z'n oordeel niet put uit z'n verstand, maar uit exceptioneele indrukken...

Verrotting is 'n woord dat alleen kan gebruikt worden door 'n persoon die door lang lyden z'n taal vergat. Die de waarheid overzet in b dur. Door iemand die klacht geeft in-plaats van betoog, en voor 'n woord, 'n gil...

Verrotting zou niet gezegd zyn door 'n kalm, bedaard, bezadigd mensch. Er is pyn noodig, en overdryving door smart, om zoo'n woord uittespreken...

Zegt ge zoo? [13]

Welnu, luister dan en verneem hoe de bezadigde Amsterdamsche spreekt:

KRACHT.
 
De dagbladen vergoeden thans in ruime mate de stilte, die er gedurende het reces der tweede kamer heerscht. Zelfs in die, welke ons zelden of nooit politieke beschouwingen leveren, wordt het optreden van het ministerie Thorbecke besproken, en met wezenlijk genoegen merken wij op, dat dit over het algemeen zonder hartstogtelijkheid geschiedt. Zekere wijze voorzigtigheid zelfs heerscht in de artikelen van sommige voorstanders; eene voorzigtigheid, die soms aan bezorgdheid voor teleurstelling grenst; en de bladen, anders het vinnigst van toon, prediken nu verzoening of trachten tot welwillendheid te stemmen.
Dat er onder het geschrevene menige banaliteit voorkomt is het natuurlijk gevolg daarvan, dat dezelfde woordvoerders bijna jaarlijks over eene ministeriële krisis, met de gevolgen van dien, eenige kolommen hebben moeten vullen. Er zijn evenwel van die bij herhaling en sints jaar en dag gebruikte woorden en termen, welke al den schijn van banaliteiten hebben, maar nu echter van meer beteekenis kunnen, of liever behooren te zijn.
Wat men dus anders als lieux communs achteloos had kunnen voorbijgaan, verdient thans opmerking en bovenal toetsing.
Zoo mogen wij nu b.v. de herhaling van al wat lang en onophoudelijk en bij elke gelegenheid nopens ‘de kracht’ van de ‘algemeen erkende behoefte’ aan, en de ‘nationale wensch’ naar een ministerie Thorbecke geschreven is, niet meer als gemeenplaatsen beschouwen, en als uitvloeisels van de kracht der gewoonte door de vingers zien. Immers, er is thans een ministerie Thorbecke opgetreden, en men heeft dus nu het regt te eischen dat van een en ander blijke.
De geschiedenis der wording en zamenstelling was niet schitterend. Er schijnt zelfs scheuring onder de ‘mannen van naam van de zuiver vrijzinnige rigting (zie Arnh. Courant), namelijk die na 1856 ‘het vendel’ niet schandelijk verlieten, ontstaan te zijn; niet ligt zal vergeten worden, dat de Arnh. Courant eenigen van ‘politieke lafhartigheid beschuldigd heeft. *7)
Met het oog op vele en beteekenisvolle stemmingen in de tweede kamer, waaruit feitelijk blijkt, dat de Heer Thorbecke in haren boezem geene meerderheid heeft; ten andere in aanmerking nemende dat hij nimmer in de voorname kiesdistricten *8)  en als om strijd, maar daarentegen, in Maastricht en Deventer tot afgevaardigde gekozen werd; en eindelijk omdat aanhoudend van geringe ingenomenheid in den lande met door hem geleverde wetten, b.v. de kieswet en gemeentewet, blijkt, - kwam het ons voor dat een ministerie Thorbecke geen deugdelijke raison d'être had, althans niet, dat het de vervulling van een ‘wensch der natie’ zou zijn. Wij konden geen woord voor die bewering vinden, en verklaarden, dat, naar onze innigste overtuiging, hier niets dan ‘eene stijf en strak volgehouden dagbladen fiktie bestond. *9)

De Arnh. Courant komt daartegen op. Behalve de onheuschheid in den eersten regel van haar betoog, waar zij ons ‘een der organen van de reaktionaire partij‘ noemt, hetgeen zij niet zou kunnen bewijzen, waardeeren wij den goeden toon van haar artikel, en het is ook daarom dat wij het in overweging namen.
Het heeft ons echter niet van gedachten doen veranderen. De argumenten, door ons vroeger breeder geformuleerd en ontwikkeld, en hierboven kortelijk in herinnering gebragt, zijn niet door de Arnh. Courant wederlegd. De optreding van een ministerie, welks ‘eminent hoofd‘ door de kiezers van de voornaamste districten *10) niet gewild, wien door de vertegenwoordiging nederlaag op nederlaag gegeven is, kunnen wij niet de vervulling van een algemeenen nationalen wensch achten, *11) en wij handhaven ons woord: eene dagbladen fiktie, anders niet.
Wij hadden gehoopt, neen, meer nog, wij hadden in gemoede gewenscht, dat de eerste daad van den heer Thorbecke zuivering zou geweest zijn van de totaal bedorven politieke atmosfeer, dat is: Kamerontbinding. Bij herhaling is die Kamer veroordeeld, en door eerlijke mannen van verschillende rigting. Men heeft beweerd, en helaas! de feitelijke bewijzen ontbreken niet, dat in haren boezem lokale belangen veler oordeel vervalschten; dat een egoistische politiek uit veler handelingen zonneklaar bleek; dat personen er meestal boven zaken gingen, - met een woord, de Nieuwe Rotterdamsche Courant heeft het uitgesproken, dat zij een ligchaam was ‘waarvan de geest der meerderheid totaal is bedorven.‘ Oordeelde men zóó buiten af, en had men tot dat oordeel, ongelukkig genoeg, regt, - in de Kamer zelve waren de wederzijdsche verwijten als aan de orde van den dag. ‘Gij Droogstoppel!‘ - ‘Neen, Droogstoppel gij!’ Wij zullen er maar niet meer van zeggen.

Tot dusver de Amsterdamsche Courant. Een weinig verder herhaalt ze de verklaring dat er ‘een volslagen bedorven geest heerscht in de Vertegenwoordiging’ ze spreekt van de karakterloosheid der Tweede-Kamer, en alsof dit alles niet genoeg ware, alsof ze er aan hechtte myn woord: ‘verrotting’ te yken, door 't nogeens natespreken op andere wyze en in andere taal, betuigt zy: ‘de Tweede Kamer is... hetgeen de Engelschen zeggen van hun Parlement in gelyke omstandigheden... a rotten Parliament!’ [14]

Ter-loops wys ik hier op de aanhaling uit den Nieuwen Rotterdammer, 'n ‘geacht blad.’ M'n woorden worden dus herhaald, bevestigd, versterkt door drie organen van de publieke opinie, door:

Een orgaan in de behoudende richting.

Een orgaan van de zoogenaamd liberale party, en

Een orgaan van de radikalen.

Zy allen roepen om 't luidst: karakterloos, bedorven, verrot!

Ik, die zoo excentriek scheen voor weinig tyds, zal weldra moeite hebben om sterker uitdrukking te vinden voor m'n verontwaardiging, dan al die zeer incentrieke verkondigers en voorlichters van de openbare meening.

Bedorven... verrot!

Dat zyn nu niet meer myn woorden alleen, Nederlanders - wèl waren 't myn woorden 't eerst! - dat zeggen thans uw couranten. Ik ga nu voorby hoe diezelfde couranten dapper hebben meegewerkt om u aantesporen tot het byeenbrengen van al de bestanddeelen die oorzaak waren der verrotting van `t geheel. In m'n Vry-Arbeid zyn uw kranten voorloopig genoeg bedeeld.

Bedorven... verrot!

Uw Vertegenwoordiging, Nederlanders, is bedorven.

Neemt ge daarmee genoegen?

Het lichaam dat waken moet voor uw dierbaarste belangen, voor uw bezittingen, voor uw staatkundige waardigheid, voor uw vryheid en voor uw eer - ik heb geen tyd tot rechtzetten van den klimax, die verkeerd is, helaas! - dat lichaam is verrot...

Neemt ge daarmee genoegen, Nederlanders? *12) [15]

In m'n Vry-Arbeid zeg ik: de vreemdeling zal vragen wat hy te denken hebbe van de rest, als de élite van 't Volk... [16]

Ja, als de élite van 't Volk, de gekozenen, de uitverkorenen, en bloc genomen - jammer genoeg voor de enkelen die 'n eervolle uitzondering maken - als de élite saamgenomen, door mannen van allerlei inzichten, door henzelf die 't hunne toebrachten tot dat kiezen...

Als de élite van 't Volk door die mannen met touchante eenstemmigheid wordt uitgemaakt voor 'n verrotte boel?

Ja, vreemdeling, ik vraag als gy: wat heeft men dan te denken van de rest?

Ik zeide dat de Tweede-Kamer 'n verrot lichaam was... ik 't eerst!

Toen werd ik gehouden voor plat, triviaal, onbeleefd, voor onfatsoenlyk misschien...

't Doet me genoegen dat nu zooveel anderen even onfatsoenlyk zyn geworden, even triviaal.

M'n Ideen zullen langer leven dan 'n krant. Ik heb door 't overnemen van de beide artikelen uit den Arnhemmer en de Amsterdamsche, gezorgd dat men later by 't lezen van m'n filippika in Vryen Arbeid inzie: qu'il y avait de quoi! [17]

Zoodra mogelyk kom ik op dit onderwerp terug, en ik zal 't nog dikwyls doen. Het moet wel. [18]
 

*1) 1879. Dit wordt wel gedaan in de voor omstreeks een jaar by den uitgever De Graaf te Haarlem verschenen brochure van den heer Van Vloten, 'n stuk dat de behartiging overwaardig is. Het daarin ten-toongesteld voorbeeld van de mogelykheid - ik zeg: van de waarschynlykheid, jazelfs van de zekerheid - dat de uitdrukking van den Volkswil vervalscht wordt, is sprekend.

*2) Zonder het te willen, want de Arnhemmer laboreert nog altyd aan de stelselziekte, zegt hy hier wat ik op 't slot van m'n stuk over Vryen arbeid bedoel met de Derde Party. Juist: nieuwe politieke gevoelens! (1862)
 
*3) Die gerustheid is niet vereerend voor 't ministerie. Ik zeg dat ik van den heer Thorbecke te hoogen dunk heb, dan dat ik hem in-staat zou achten iets uitterichten met deze Kamer. Ik zie in den heer Thorbecke een man die kracht heeft om tegenstanders te overwinnen, geen man die medestanders begeert of noodig heeft uit het groote kamp der onbeduidende middelmatigheden. (1862)
(Noot van 1872, met den meesten nadruk in 1879 herhaald!) De ondervinding heeft getoond dat ik van den heer Th. te goede meening had. Hy doet (deed) in middelmatigheid niet onder voor de rest. Hoe die man aan z'n renommee kwam, is my een raadsel. En 'n raadsel zal 't ook zyn voor ons nageslacht. [19]

*4) Ik zou 't betreuren als de heer Thorbecke de moeite nam zich hierop toeteleggen. De Arnhemmer zegt eigenlyk: ‘die Kamer is zoo laag gezonken, dat ieder daarvan maken kan wat hy wil.’ 't Is de scherpste veroordeeling der zedelyke waarde, die men uiten kan. (1862)
 
*5) Alsof dat niet ook nu 't geval was! (1862)

*6) Kurieus! Er is veel dringend werk. Uw werklui deugen niet. Maar roep geen ander werkvolk, want... er is zooveel dringend werk! Zoo redeneert alleen 'n dagblad! (1862) [20]

*7) Wat leert men hieruit? Dat die heele zoogenaamde politieke richting gekheid is, en duitenplatery. Er is maar één richting, dat is: de richting naar waarheid. Wat daar-buiten is, daar-boven, daar-beneden, daar-bezyden, is uit den booze. (1862) [21]
 
*8) Ei... men stemt dus toe dat de vertegenwoordigers niet zyn de vertegenwoordigers van 't Nederlandsche Volk? Ik neem er akte van, en stel voor te bepalen: ‘voortaan zal ieder lid van de Kamer niet hebben een geheele stem, maar slechts zooveel zeventigste gedeelten van 'n stem als z'n distrikt deelen voornaamheid bezit. Dit is de onvermydelyke konklusie van die distriktskiezery. De heer Thorbecke is maar gekozen door Kralingen. Kralingen staat tot Nederland gelyk 1:1000. De stem van Mr. Thorbecke geldt voor 1/1000 stem. Quod absurdum. (1862)
 
*9) Weer neem ik daarvan akte. Een dagbladschryver - en 'n geacht dagbladschryver, de heer De Bull is niet le premier venu - spreekt van ‘dagbladen-fiktie.‘ Heb ik ooit iets anders gezegd? (1862)
 
*10) Adstruktie van de voorlaatste noot. (1862)
 
*11) Goed! Akte, akte! Zóó doet de Vertegenwoordiging, maar zóó en heel anders, wil 't Volk! (1862)

*12) (Noot van 1872 en ... 1879!) O ja, nog altyd! En de ziekte is verergerd. Uit den tekst blykt dat men in '62 nog besef had van de kwaal, en op herstel aandrong. Thans is ze chronisch geworden en men berust er in. [21]


[1] In die kiesregeling dan is 'n radikale fout.

Weer een lang idee over de kiesregeling. Ik heb er 21 noten in gezaaid omdat het tekst van Multatuli is en het onderwerp belangrijk, maar geef toe dat dit niet één van Multatuli's meest interessante ideeën is. Ook begaat hij de fout te veel over te schrijven uit dagbladen (immers: wie kan schrijven of denken doet dat zelden of nooit in een dagblad), en daar te ver gaande conclusies aan te verbinden - maar de belangstellende lezer kan vinden dat de Nederlandse dagbladen uit 1862 niet interessanter, zinniger of beter geschreven waren dan de Nederlandse dagbladen uit 2002 (of daartussen).
 


[2] Ik weet wel dat alle menschelyke zaken gebrekkig zyn, en 't is al ongelukkig genoeg dat ook de beste inzichten van 'n wetgever vaak worden verydeld door verkeerde toepassing, door afwyking, door ontduiking, door bedrog.

Het hier door M. gestelde is geheel waar, maar onvolledig. Er is nog een principieel en onvermijdbaar tekort aan rechtspraak, ook indien deze goed en rechtvaardig is: Het recht is een onvermijdbaar grof middel om conflicten te beslechten en overtredingen te bestraffen en is - in een enigermate behoorlijke rechtsstaat - een laatste middel, en in het geheel geen model, middel of fundament van rechtvaardigheid.
 


[3] Maar juist dit is 'n reden te-meer om de wet-zelf zoo volmaakt mogelyk te doen wezen, opdat althans het goede voorgeschreven zy, en 't kwade uitzondering blyve.

Ik weet niet in hoeverre M. dit serieus bedoelde, maar er is een groot gevaar "het goede" te willen voorschrijven bij wetsartikel: Vlak om de hoek daarvan ligt namelijk de dictatuur à la Robespierre of Stalin. De meeste zinnige rechtsspraak betreft niet direct "het goede" maar is een poging geweld te vermijden door een compromis te vinden tussen de conflicterende belangen die het niet eens konden worden zonder tussenkomst van een rechtbank, of is anders een poging geldende maatschappelijke regels en praktijken te handhaven door het bestraffen van overtreders van die regels.
 


[4] Door de Kieswet nu wordt het kwade tot regel gemaakt, en 't goede tot uitzondering.

Hier moet de lezer zich realiseren dat in 1862 (toen M. dit idee schreef) maar een klein en welstaand deel van het Nederlands volk - namelijk: volwassen mannen die minstens een bepaalde hoeveelheid belasting betaalden - feitelijk recht had "de Volksvertegenwoordiging" te kiezen. Zelfs indien dit volstrekt eerlijk zou zijn gebeurd, zonder bedrog en met de beste bedoelingen door bekwame kiezers en gekozenen, dan nog was dit een kiesstelsel dat "naar moderne democratische begrippen" meer met een dictatuur van een kleine welstaande minderheid van doen had dan met enige vorm van volksregering of volksvertegenwoordiging.

Ook moet de lezer zich realiseren dat Multatuli geen "democraat" was in enige relevante zin van dat woord.
 


[5] In de geheele Tweede-Kamer zyn hoogstens vyf of zes leden die gekozen zouden zyn door 't Nederlandsche Volk, als dat Volk inderdaad z'n afgevaardigden kiezen mòcht.

Tsja. Dit is een puur hypothetische bewering over wat het geval "zou" zijn, als alles nogal anders "zou" zijn geweest dan het feitelijk was. Maar het principiële onderliggende punt is waar: De toen bestaande kieswet - als de nu bestaande! - garandeerde op geen enkele wijze enige bekwaamheid van de gekozenen. Als het bijvoorbeeld nodig zou zijn voor iedere volksvertegenwoordiger om aan te tonen dat hij of zij bekwaam genoeg is een universiteit af te lopen (wat bepaald geen hoge eis is, voor de feitelijke wettelijke machtshebbers over miljoenen) dan zou de meerderheid der kamerleden afvallen.
 


[6] Van misbruiken spreek ik thans niet *1)  ik spreek van de wet. Hoe gebrekkig die is, hoe schadelyk, hoe gevaarlyk, zal, meen ik, ieder in 't oog vallen zonder verder betoog. Toch zal ik 't verder betoogen, maar om welwillend gehoor te mynen voor 't bewys a priori - het bewys dat zoo'n Kieswet geen goeden uitslag hebben kàn - wil ik u even vooraf en a posteriori aantoonen, dat die wet inderdaad 'n zeer ongelukkigen uitslag heeft.

Het gebruik dat M. maakt in de onderhavige passage van "a priori" en "a posteriori" is geheel korrekt: Een bewijs a priori is een bewijs van het gestelde alleen op logische of wiskundige gronden; een bewijs a posteriori is een bewijs dat het gestelde feitelijk en empirisch overeenkomt met wat het geval is.
 


[7] "Onze Tweede-Kamer is inderdaad, op vyf of zes uitzonderingen na, 'n verzameling van nietigheden."

En is dat sindsdien altijd gebleven - en Multatuli is bovendien optimistisch. Wat mij volkomen genas van alle Neerlandse parlementarij (ik koos niet en nooit sinds 1972, in geen enkele verkiezing!) was het enigermate serieus lezen van de Handelingen van Tweede Kamer der Staten Generaal. Wie dat met enig verstand doet riskeert overigens diepe depressies - maar is hierbij genodigd hetzelfde te doen, niet omwille van depressies, maar omwille van inzicht en begrip.
 


[8] En wat zulk 'n verzameling kan tot-standbrengen, is afteleiden uit 4, 5, 6 en 9. De geschiedenis van die Kamer zou 'n treurige staalkaart wezen van nederlandsche hoedanigheden, àls we moesten aannemen, dat de leden waren gekozen door 't nederlandsche Volk.

M.'s eigen verwijzing naar z'n ideeen  4, 5, 6 en 9 is terecht, vooral waar het z'n eigen opvattingen over het verondersteld goede dat te verwachten is van verzamelingen mensen, kiescolleges en democratische verkiezingen.

Ik ben het daar overwegend mee eens, al blijft het probleem dat er vaak geen ander praktikabel middel is om keuzes te maken die velen aangaan dan door een vorm van "meeste stemmen gelden".
 


[9] Ik heb gezegd: er is verrotting in den Staat!

Als Hamlet, zoals M. ongetwijfeld wist. Daarbij: Ongetwijfeld is er in iedere staat wel ergens "verrotting" in deze of gene zin. En inderdaad bedoelde M. iets veel krachtigers en verder gaands dan hij in dit Idee probeert uit te leggen:

De Nederlandse maatschappij en de doorsnee Nederlander zijn moreel verrot, worden onrechtvaardig en onbehoorlijk bestuurd, dienen de belangen van de kleine groep rijken en de machthebbers ten koste van de belangen van de grote groep andere Nederlanders, en zijn niet verenigbaar met hoge beschaving of distributieve rechtvaardigheid (waar ieder het zijne ontvangt, overeenkomstig persoonlijke merites).

Hoe verrot de Nederlandse maatschappij in Multatuli's tijd feitelijk was toonde hij aan in bundels II en III van de Ideen. Voor wie dat niet weet is dat nogal verbazend, en het lijkt zeker dat M. grote hoewel indirecte invloed had op vele verbeteringen die in Nederland plaatsvonden tussen 1875 en 1940.
 


[10] Ik beschouw de dagbladen - zooals ze thans zyn - volstrekt niet als vertegenwoordigers van de publieke opinie.

Toen M. dit neerschreef bestond het zogenaamde "zegel" op de dagbladen nog steeds, dat neerkwam op een dusdanige belasting dat alleen de kleine groep welgestelden zich kon veroorloven met enige regelmaat kranten te kopen.

En overigens zijn de dagbladen nooit "vertegenwoordigers van de publieke opinie", maar de voornaamste makers ervan - althans in M.'s tijd, en toen naast de dominees en priesters. Tegenwoordig is hun rol overgenomen door de TV - wat jammer is, want TV is oppervlakkiger, sensationeler, dommer, ondoordachter, en nog meer toegesneden op de grote massa dan dagbladen.
 


[11] Om goed begrepen te worden, zal ik 't heele stuk hier laten volgen, met, onderstreeping van wat ik meer rechtstreeks noodig heb voor m'n doel, nl. te doen zien dat niet alleen ik verontwaardigd ben over de onbekwaamheid, de onbeduidendheid, de middelmatigheid onzer vertegenwoordigers.

Wie goed leest zal zien dat de geciteerde bladen "de onbekwaamheid, de onbeduidendheid, de middelmatigheid onzer vertegenwoordigers" niet bespreken. En alleen individuen - zonder afhankelijkheid van betalende abonnees - kunnen zich dergelijke uitdrukkingen veroorloven, zelfs nu, al is dit tegenwoordig zogeheten columnisten (de hofnarren van de electorale democratie, getolereerd zolang ongevaarlijk voor machthebbers) toegestaan.
 


[12] De drie woorden op ‘heid’ had ik kunnen samenvatten in dit eene: misdaad. Want, ook zonder te spreken van omkooping of oogendienst, het is misdadig plichten op zich te nemen van welker goede vervulling zooveel afhangt, zonder tot dat vervullen instaat te zyn.

Dit is juist, en een volkomen terechte kritiek op vrijwel alle gekozen volksvertegenwoordigers in Nederland sinds 1862 - waarvan vrijwel allen geheel verdiend volkomen vergeten zijn door de nakomenden, zo ze ooit enige bekendheid hadden.

Waarom ging het dan toch vergelijkenderwijs (met andere landen) niet slecht met Nederland? Omdat dit evident niet aan de regering of de volksvertegenwoordiging lag of ligt (maar: Aan de internationale economie; aan een enigermate zorgvuldige rechtsspraak gebaseerd op een tamelijk rechtvaardig rechtstelsel; aan allang in Nederland bestaande rijkdom die gehandhaafd kon worden, en meer dergelijke oorzaken, zoals aardgas).
 


[13] Verrotting zou niet gezegd zyn door 'n kalm, bedaard, bezadigd mensch. Er is pyn noodig, en overdryving door smart, om zoo'n woord uittespreken...

Zegt ge zoo?

Hier haalt M. retorisch uit - maar wie enige kennis heeft van de grote armoede van de grote meerderheid van het Nederlandse volk in zijn tijd zal eerder menen dat "verrotting" een heel milde term is. (Zie verder bundels II en III van de Ideen).
 


[14] Tot dusver de Amsterdamsche Courant. Een weinig verder herhaalt ze de verklaring dat er ‘een volslagen bedorven geest heerscht in de Vertegenwoordiging’ ze spreekt van de karakterloosheid der Tweede-Kamer, en alsof dit alles niet genoeg ware, alsof ze er aan hechtte myn woord: ‘verrotting’ te yken, door 't nogeens natespreken op andere wyze en in andere taal, betuigt zy: ‘de Tweede Kamer is... hetgeen de Engelschen zeggen van hun Parlement in gelyke omstandigheden... a rotten Parliament!’

Journalisten zijn naschrijvers van professie. Dat Multatuli dus regelmatig zonder dankzegging werd nageschreven kan geen verwondering wekken. (Zie ook "Droogstoppel gy!" in een van de citaten die hij reproduceert.)
 


[15] Het lichaam dat waken moet voor uw dierbaarste belangen, voor uw bezittingen, voor uw staatkundige waardigheid, voor uw vryheid en voor uw eer - ik heb geen tyd tot rechtzetten van den klimax, die verkeerd is, helaas! - dat lichaam is verrot...

Neemt ge daarmee genoegen, Nederlanders? *12)

Welzeker - al 140 jaar, met grote meerderheid van stemmen. En daar zijn minstens twee begrijpelijke redenen voor, bovendien: Sindsdien is de welvaart zeer toegenomen (vooral door de ontwikkeling van wetenschap en technologie) en bovendien aanmerkelijk rechtvaardiger verdeeld dan in M.'s tijd het geval was. Dit laatste is trouwens minder te danken aan M.'s geschriften dan aan de opkomst van de socialistische (en anarchistische en communistische) bewegingen en partijen, en de opkomst van de vakbonden.
 


[16] In m'n Vry-Arbeid zeg ik: de vreemdeling zal vragen wat hy te denken hebbe van de rest, als de élite van 't Volk...

 Een van de interessante verschillen tussen Nederland en de omringende landen, zeker Engeland en Frankrijk, is dat er in Nederland geen werkelijke élite is, anders dan een élite van rijken of bestuurders. Er is geen respect of interesse in exceptioneel begaafde individuen; er zijn geen élite-universiteiten; en zelfs een behoorlijke algemene intelligentie is in Nederland eerder een belemmering dan een hulp voor een maatschappelijke carrière, heel weinig uitzonderingen daargelaten (en ook die moeten gewoonlijk op eigen kracht hun bijzonder talent bekwamen en gebruiken).

Neerland is een zwaar nivellerend land, al eeuwen lang, en dat heeft heel begrijpelijke nogal beestachtige oorzaken: Wie afwijkt van de doorsnee is alleen al daarom onbemind of gehaat door de doorsnee, en "de maatschappij" is zelden gebaat bij uitnemende intellecten of karakters (behalve op termijn), en meestal gebaat bij conformisten en meelopers.
 


[17] M'n Ideen zullen langer leven dan 'n krant. Ik heb door 't overnemen van de beide artikelen uit den Arnhemmer en de Amsterdamsche, gezorgd dat men later by 't lezen van m'n filippika in Vryen Arbeid inzie: qu'il y avait de quoi!

Nu ja - en het is instructief dat er 140 jaar geleden net zo gezwetst werd in dagbladen als tegenwoordig (en sindsdien). Trouwens, mijn eigen bevinding is dat het geschreven taalgebruik in de 19e eeuw, zowel in de dagbladen als de boeken, beter was dan in de 20e, kennelijk omdat in de 20e eeuw er veel meer geschreven en gepubliceerd werd voor de grote domme massa dan in de 19e eeuw.
 


[18] Zoodra mogelyk kom ik op dit onderwerp terug, en ik zal 't nog dikwyls doen. Het moet wel.

Waarom "het moet" is toch niet geheel duidelijk, gezien M.'s eigen ongeloof aan de vermogens van de doorsnee. Aan de andere kant: Het is een feit dat "Onze Democratische Rechtsstaat" feitelijk gebaseerd is op een aanzienlijke hoeveelheid illusies, die tóch enigermate werken juist omdat ze wijd verbreid zijn, zoals dat ook met religies het geval is. Maatschappelijke samenhang is zelden gebaseerd op waarheid, en vrijwel altijd op gedeelde wensen en illusies.
 


[19] (Noot van 1872, met den meesten nadruk in 1879 herhaald!) De ondervinding heeft getoond dat ik van den heer Th. te goede meening had. Hy doet (deed) in middelmatigheid niet onder voor de rest. Hoe die man aan z'n renommee kwam, is my een raadsel. En 'n raadsel zal 't ook zyn voor ons nageslacht.

Dit kwam niet uit, want Thorbecke is vrijwel de enige Nederlandse politicus uit de 19e eeuw die nog enige bekendheid heeft, althans van naam, want vrijwel niemand kent z'n ideeën. De voornaamste reden voor die naamsbekendheid is dat hij de opsteller is van de grondwet van 1848, die sindsdien herhaaldelijk herzien is maar in brede trekken nog steeds geldt.
 


[20] " Zoo redeneert alleen 'n dagblad! "

Was het maar waar! Hoe het zij: Gezond verstand is niet gewoner dan uiterlijk schoon - dat zeldzaam is.
 


[21] Wat betreft "O ja, nog altyd! En de ziekte is verergerd." zie [15].

Idee 135.