Idee 80.                                                 

Eens liet ze 'r kind zien, en vraagde met de oogen:

- Hoe vindt ge m'n kind, m'n schat, m'n alles? Zie eens die kleur!

- Dat gele streepjen is aardig.

- Geel... die wangen geel? 't Is rose! Geel?

- Ik sprak van 't jurkje.

Andermaal liet ze 'r kind zien, en vraagde met de oogen:

- Hoe vindt ge m'n kind, m'n schat, m'n alles? Prachtig, nietwaar? Zie hoe blank... en hoe rood... en gemarmerd!

- Daar is te veel styfsel in.

-Styfsel in de armpjes van m'n kind?

- Ik sprak van 't jurkje.

Weder liet de zorgvuldige moeder haar kind zien, en vraagde met de oogen:

- Hoe vindt ge m'n kind, m'n schat, m'n alles? Zie die vormen... die ronding... die lynen!

- Te kort van lyf.

- Myn kind te kort van lyf?

- Ik sprak van 't jurkje.

Toen werd de moeder verdrietig. Het bedroefde haar dat men het kind niet zag. Wel tooide ze graag haar lieveling, maar 't smartte haar dat die tooi belette het kind te zien.

Iedereen die z'n schrijfsels wel eens aan anderen heeft voorgelegd heeft deze ervaring, vermoed ik.

Sprekend voor mijzelf: Zelden begrijpt men waar ik het over heb, en bijna altijd reageert men alleen op bijzaken. (En nee, lezer: Het door mij ondervonden onbegrip, net als het idem van Multatuli, ligt véél minder aan onze formuleervermogens dan aan de denkvermogens waartoe we ons moeten richten. Helaas.)

Idee 80.