Over: "Multatuli als ketter bij uitnemendheid"
van F. Domela Nieuwenhuis

Er is behoorlijk veel letterkundige literatuur over Multatuli, maar het grootste deel daarvan behandelt hem als schrijver, als letterkundige, en behandelt hem niet zoals hij zich zelf zag: Als maatschappelijk hervormer, als radikaal filosoof, als man van ideeŽn en waarheid, als humanist, als voorstander van wetenschap, als tegenstander van religie en bijgeloof, en als verlicht denker over tal van menselijke, maatschappelijke en filosofische vragen.

Eťn van de weinigen die Multatuli wŤl beschouwde en behandelde (ongeveer) zoals Multatuli zichzelf zag, en zich trouwens ook publiek presenteerde, was zijn jongere tijdgenoot F. Domela Nieuwenhuis, die als kind van welstaande ouders begon als dominťe, maar eindigde als anarchist, en Multatuli en zijn tweede vrouw oppervlakkig persoonlijk gekend heeft en met hem gecorrespondeerd heeft.

En er blijkt dan ook een uitstekend stuk uit 1908 van Domela's hand te zijn over Multatuli, dat ik hieronder weergeef. Ik trof het in een uitgave uit het begin van de 20ste eeuw, uitgegeven door de Multatuliaan en anarchist B. Damme, voor iets dat zich "De Roode Bibliotheek - Zandvoort" noemde, als afsluitend stuk van een boek dat de titel "Multatuli Bloemlezing" draagt. Het boek draagt geen datum, maar stamt kennelijk uit ca. 1925.

Domela's verhandeling neemt daar de paginaas 126 - 160 in beslag, en komt mij voor als ťťn van de zinnigste appreciaties van Multatuli die ik ken, om welke reden ik het stuk hier weergeef. Ik neem het stuk, nu vrijwel een eeuw oud, diplomatiek maar vrijwel ongewijzigd over, met lege regels bij wijze van alinering, met hier en daar een gissing over niet door afsluitende aanhalingstekens afgesloten citaten van Multatuli, en met italisering als in "nadruk" in plaats van spatiŽring als in "n a d r u k".

Ik heb redelijk wat hyperlinks geplaatst in Domela's tekst, en mij overwegend onthouden van noten erbij, maar heb er wel een nawoordje bij geschreven. Hier is een reeks links naar de titels van de opeenvolgende secties van het stuk dat volgt

"Een ketter was hij op godsdienstig gebied.
Een ketter was hij op politiek gebied.
Een ketter was hij op zedelijk gebied.
Een ketter was hij op maatschappelijk gebied.
Een ketter was hij op onderwijsgebied.
Een ketter was hij op koloniaal gebied.
Een ketter was hij op kunstgebied."

Trouwens, wat betreft het woord "ketter": Voor Domela Nieuwenhuis had dit een gunstige klank, om een reden die fraai verwoord is door George Bernard Shaw:

"The reasonable man adapts himself to the world; the unreasonable one persists in trying to adapt the world to himself. Therefore, all progress depends on the unreasonable man."

Het zijn de nee-zeggers die de wereld veranderen, en de conformisten die haar in stand houden zoals ze is.


Multatuli als ketter bij uitnemendheid
Door F. Domela Nieuwenhuis
 

Het is een stout stuk om een voordracht te houden over Multatuli. Ik heb er dan ook altijd tegen opgezien, omdat ik de vrees koesterde te verre beneden mijn onderwerp te blijven en dus onbevredigd te zijn over mijzelven, maar toch word ik sterk gedreven door de begeerte om Multatuli den volke bekend te maken, dan dat ik niet gaarne een nieuwe poging zou willen doen.

Want Multatuli is te veel nog slechts bij naam bekend, terwijl het ons streven moet zijn hem de ware plaats te doen bekleeden, waarop hij aansprak kan maken.

Men prijst hem als letterkundige, maar als denker, als wijsgeer, zo zegt men, betekent hij niet veel. En toch juist als denker, als wijsgeer moet hij bovenal gekend en gewaardeerd worden, later pas als letterkundige.

Het was hem niet te doen om "mooi" te schrijven. al zijn er weinigen die door hun werken zulk een onvergetelijken indruk achterlaten, juist om den eenigen schoonen vorm waarin hij zijn IdeŽn wist te gieten.

Toch begint hij vorderingen te maken, want in het boek van Casimir over de Geschiedenis van het menschelijk denken is hem een plaats toegekend. Dat was reeds een daad van moed. Hoe? Multatuli in een geschiedenis der wijsbegeerte, hij die geen leerstoel in de wijsbegeerte bekleedde, die geen wijsgerig stelsel naliet en toch wie was gedurende zijn leven meer vervuld door zijn zucht naar weten, naar begrijpen dan hij?

Echter Casimir doet het nog schoorvoetend, want nauwelijks heeft hij hem genoemd of hij verontschuldigts zich daarover, zeggende: "Multatuli is geen wijsgeer geweest, maar een letterkundige." Maar waarom hem dan een plaats gegeven in een boek, dat over wijsbegeerte en niet over letterkunde handelt?

Aan den eenen kant moet vooral niet de gedachte worden gewekt, als zou hij "in wetenschappelijken zin nieuwe ideeŽn uitgesproken hebben", maar aan de andere kant is "het geestesleven der XIXe eeuw zonder Douwes Dekker niet te verstaan". Ons dunkt dat zoo iets niet van velen getuigd kan worden. En als straks de namen van de hoogleeraren in de wijsbegeerte aan onze hoogescholen reeds lang vergeten zijn en alleen nog de wanden der akademische vertrekken zich tooien met hun portretten, zal Multatuli pas in al zijn grootheid worden erkend en gehuldigd.

Een zaaier was hij, die op kwistige wijze zijn IdeŽn rondstrooide in de hoop en de verwachting dat zij zouden opschieten en vrucht dragen.

Daarin nu moeten wij hem helpen en wel door zijn werken uit elkaar te rukken, door gedeelten zijner werken over verschillende onderwerpen over te nemen en onder de menschen te brengen.

Mooi vinden is iets, maar niet veel, als het niet omgezet wordt in mooi doen. Wie niet meer gaf dan hij ontving is een nul en deed onnut werk met zijn geboorte.

Voor hem die gevoelde iets te zijn, iets te vermogen, was het een ellendige gedachte, dat zoovelen, die niet in zijn schaduw konden staan, hem voorgingen. Zeker was hij hoogmoedig, want hij wist dat de hoogste graad van moed is ... hoogmoed, maar hij voelde. hij wist dit te mogen zijn. Wij hebben hem er liever om, dat hij zoo zelfbewust was van zijn grootheid, hij had het recht dit te zijn, want hij had zich een plaats veroverd door zijn machtigen geest, al werd hij ook achtergezet bij zoovelen, die omhoog duikelden uit gebrek aan zwaarte.

Dr. H.C. Muller getuigde dat Nederland drie schrijvers heeft gehad van den eersten rang: Vondel, Bilderdijk en Multatuli. Onder die drie stelt hij Multatuli Ťn als prozaschrijver Ťn misschien ook als wijsgeerig en dichterlijk denker het hoogste. Vondel is schitterend verzenschepper, ongeŽvenaard schilder, diepvoelend dichter. Bilderdijk groote geleerde en taalkenner, als lier- en heldendichter Vondels evenknie. Maar in het proza, vooral in het sarkastisch en humoristisch proza, overtreft Multatuli beiden. In IdeŽn minstens hunsgelijke, misschien hun meerdere.

Multatuli had het ongeluk geboren te zijn in een klein land, welks taal zich beperkt tot een betrekkelijk klein gebied; ware dit het geval niet, hij zou beslist nu reeds opgenomen zijn onder de klassieke schrijvers. Toch neemt de bekendheid met hem ook in het buitenland toe, wat te danken is aan de bloemlezing uit zijn werken in het Fransch bezorgd door Alexander Cohen en van een zeer sympathieke inleiding van Anatole France voorzien, alsook door de voortreffelijke vertaling van al zijn werken in het Duitsch door Wilh. Spohr, waardoor Multatuli in dat land bijna even goed bekend is als in het onze.

Misschien staan wij nog te dicht bij hem, om hem juist te beoordelen en zal zijn werk als zoodanig na eeuwen anders en beter worden gewaardeerd, want dat hij eenmaal als een onzer beste schrijvers, een onzer grootste denkers zal worden aangemerkt, dat staat voor mij even vast als een paal boven water.

Maar door zijn veelzijdigheid is het zoo moeilijk hem de juiste plaats te geven, waarop hij recht heeft. Wij zullen echter trachten hem te typeeren naar den indruk dien hij steeds op ons heeft gemaakt.

Lang hebben we gezocht naar een naam, om zijn geheele werkzaamheid, zijn optreden te kenschetsen. Onwillekeurig gaat men aan het vergelijken. Met wien komt hij het meest overeen? Met Heine, Voltaire, Swift, Lasalle, Byron? Van allen heeft hij iets en toch hoe aanmerkelijk verschilt hij weer van die allen! Hij neemt een geheel eigen plaats in. Hij is zichzelf en elke vergelijking gaat hier mank.

Als pionier heeft hij het terrein ontgonnen en wat Voltaire deed in de XVIIIe eeuw door middel van het machtige wapen van spot, dat volbracht Multatuli in de XIXe eeuw.

Wanneer ik hem zou teekenen naar het leven, dan weet ik voor hem geen betere benaming dan ketter.

Ja, een ketter was hij op elk gebied en daarin bestaat zijn uitstekende verdienste, want vergeten wij nooit dat in de geschiedenis van de menschheid de grootste stoot voorwaarts is gegeven door de ketters.

Wij hopen dit voldoende toe te lichten en waar te maken.

In 1860 verscheen de Max Havelaar of de Koffie-veilingen der Nederlandsche Handelmaatschappij, een boek dat "een rilling deed gaan door het land", zoals Van HoŽvell zei in de Tweede Kamer. Het was een welsprekende aanklacht tegen het wanbeheer in IndiŽ, zoals de wereld er geen tweede kan aanwijzen, vol gloeiende haat en aandoenlijke liefde. Tot stand gebracht aan een waggelend tafeltje van een kroeg te Brussel,.omringd door goedmoedige maar onaesthetische bierdrinkers, zelf met koortachtige hersenen en een kloppend hart - ziedaar de wording van dit boek, dat zeker in geen enkel opzicht onder doet voor de beroemde Negerhut van Oom Tom, geschreven door mevr. Beecher Stowe.

Multatuli, hij "die veel gedragen heeft", neemt aan het slot de pen op en al roept men hem toe:

"het boek is bont... er is geen geleidelijkheid in... jacht op effekt... de stijl is slecht... de schrijver is onbedreven... geen talent... geen methode..."

hij antwoordt op dit alles met zijn vlijmend:

"goed, goed... alles goed! Maar... de Javaan wordt mishandeld!"

Juist dat was de hoofdstrekking van zijn werk en deze wordt niet te niet gedaan door allerlei uitvluchten en door allerlei zaken te bespreken, die naast het onderwerp liggen.

Hij zal zorgen dat het bekend wordt in alle landen, hoe "daar een roofstaat ligt aan de zee, tussen Oostfriesland en de Schelde."

Hij wil redding en hulp voor de arme Indische martelaren "op wettelijke weg waar het kan... op wettigen weg van geweld, waar het moet."

En eindelijk die forsche opdracht:

"aan u draag ik mijn werk op, Willem den derde, Koning, Groothertog, Prins... meer dan Prins, Groothertog en Koning... Keizer van het prachtig rijk van Insulinde dat zich daar slingert om den evenaar, als een gordel van smaragd... Aan u durf ik met vertrouwen vragen of het uw Keizerlijke wil is:
Dat de Havelaars worden bespot door den modder van Slijmeringen en Droogstoppels?
en dat daarginds Uwe meer dan dertig millioen onderdanen worden mishandeld en uitgezogen in Uwen naam?"

Trilt daar niet nog iets in ons na, als wij die opdracht hooren voorlezen, al verliepen er reeds ongeveer 50 jaar sints zij verscheen? Waar zou ik moeten beginnen, waar eindigen, als ik de vinger wilde leggen op al de schoone delen van dit boek: die gloeiend welsprekende en toch zo eenvoudige en diepgevoelde toespraak tot de Hoofden van Lebak, die aandoenlijke geschiedenis van SaÔdjah, die beschrijving van den Banjir in zijn woesten loop, ziet ze staan onovertroffen, zo niet ongeŽvenaard daar in welke letterkunde ter wereld ook.

Zijn strijd tegen de bureaukratie, zijn ontslag uit 's lands dienst, zijn pogingen om den gouverneur-generaal Duymaer van Twist te spreken te krijgen, zijn vertrek naar Holland (1857), zijn leven te Brussel bij de gratie van een kroeghouder (in de Prince Belge) en zijn in 1858 geschreven brief aan Duymaer van Twist om te vragen weer in Nederlandsch-Indischen dienst gesteld te worden, waarin hij zei armer te zijn dan de armste daglooner, het papier geborgd te hebben waarop hij schreef, vrouw en kinderen te hebben moeten overlaten aan zijn broeder en toch dat waardige, trotsche slot: "maar, excellentie, anders dienen dan ik diende te Lebak, dat kan ik niet" - het typeert den man van beginsel, van karakter, die liever honger leed dan zich te buigen voor onrechtvaardige machthebbers.

Elk zijner werken heeft een karakteristieke geschiedenis. Hij schreef niet om te schrijven, neen, hij had iets te zeggen tot zijn medemenschen, iets dat vloeide uit zijn hart, dat hij niet smoren kon, dat er uit moest om zijn geprangde borst tot bedaren te brengen.

In 1861 verscheen zijn Minnebrieven.

Wat ze zijn?

Zelf schreef hij aan Tine: "zij hebben gelijkenis met niets. Ik zou moeite hebben om u te zeggen, wat ze zijn. Ze zijn alles! PoŽzie, sarkasme, politiek, wellust, scherpte, logika, godsdienst, alles!" Men zou het een zieledrama in brieven kunnen noemen, waarvan de helden zijn: Fancy, Max en Tine.

Daarin vindt men die kostelijke, Sprookjes van het gezag, die zeer zeker om den prijs zouden dingen, wanneer er een prijsvraag werd uitgeschreven voor het mooiste stuk in de letterkunde in de gansche wereld.

Ongetwijfeld, zoo'n stuk als aan Fancy in het begin heeft groote gelijkenis met sommige stukken uit het Oude Testament. Hoort slechts, hoe melodieus:

"Mijn lief kind, wie zijt ge eigenlijk? Hoe heet gij? Waar woont ge?

Moet ik u noemen met namen uit het Hooglied, u, de donkerkleurige Sulamite? Zijt gij de lelie van Saron, of de narcis uit het dal?

Moet ik uwen hals omvatten met de linker arm, om u te streelen met m'n rechterhand?

Moet ik poŽsie scheppen uit uwen blik? Moet ik rijmen op de kleur uwer haren?

Zal ik u heden zien, of morgen... of wanneer? Zal ik u zien na mijnen dood voor het eerst?

Zijt gij de glorie? Of de deugd? Of de wellust? Of 't genie? Zijt gij de onsterfelijkheid? De rust? De geschiedenis? De toekomst? Een engel? Een daemin, of 'n spook? Progetes, vestale, wichlaarsterm sybille, Egeria, of Ragels zuster, waar zijt ge, waar woont gij?

Moet ik u zoeken in de wolken, of in de straten eener stad? Moet ik vragen aan de schildwachten die de poort bewaken: hebt gij gezien wat mijne ziel lief heeft?

Moet ik 'n tooverspreuk uitvinden om u te doen neerdalen van omhoog? Om u optezweren uit de diepte?

Woont ge op 'n ster die stof is? Draait en slingert uwe woning als de mijne, die onder heeft noch boven?

Kunt gij de zon zien, Fancy?

Of, Fancy, zijt gij de zon?

Zijt gij 't middelpunt van de aarde, die alles aantrekt... Maar, Fancy, dan is elke regendrop een boodschap aan u! Dan is elke bliksemstraal die wegschiet in den grond, een minnebrief aan u!

Ja, ja, ik zal dezen brief neerwerpen op de straten, en de voorbijganger zal meenen dat er onderschepping mogelijk is, door 'n koperstuk te geven voor de bladzij... maar hij zal zich vergissen... de bliksem zal het niet toelaten....

Schrijf mij, of hij is terecht gekomen! En zend mij 'n lok uwer haren, Fancy.... wanneer gij jaren hebt als anderen... wat ik niet hoop!"

En dan dat slot:

"Ik heb het... ik weet het... ik voel het. Mijn hart is niet meer leeg! Zij zond me...

O God, ik begrijp alles!

Eerst de wil.... nu de kracht en in 't eind de overwinning!

Tine... Ik zal overwinnen! Ik beloof dat ik overwinnen zal! Wees gerust!"

Hier spreekt een groote mate van zelfvertrouwen uit en toch hij wist hoe het publiek was. Immers

"gij die uw profeten laat leven, om ze langer te martelen! Men lastert u door te zeggen dat ge de Christus zoudt gekruisigd hebben, als de joden; ge hadt hem loopjongen gemaakt in 'n kruidenierswinkel.... niet waar? Ge zoudt gewacht hebben tot hij vrouw en kind had, om die te laten hongeren.... dat hij 't zou aanzien en buigen voor u! Dit treft zekerder, nietwaar? Ge zoudt den deurwaarder hebben belast met uw antwoord op zijn: wee u Jeruzalem! opdat-i moedeloos en geknakt, z'n wee terugnam bij 't veilen van de kleertjes zijner kinderen, dat hard is te aanschouwen voor 'n vader! Dat treft wisser, dieper, dat pijnigt langer, niet waar, dan slechts een paar uur sterven!"

Ja, hij wist wat het zeggen wil "veel te dragen", hij Multatuli!

In 1862 begon hij met zijn IdeŽn, die nu in zeven bundels voor ons liggen als een rijke mijn om uit te putten. Hoe veelzijdig! Hoe pittig en puntig! Geen gebied schier van menschelijk denken of handelen, dat hier wordt buitengesloten.

En juist uit de IdeŽn vooral zullen wij hem teekenen als ketter op zeer verschillend gebied.


Een ketter was hij op godsdienstig gebied.

Hevig was de strijd dien hij voerde tegen den godsdienst in al zijn vormen en was de echte onvervalschte godsdienst in al zijn ongerijmdheid hem liever dan de gefatsoeneerde en gemoderniseerde uit den nieuwen tijd, die geloof en wetenschap wist verbinden tot een mengsel dat noch den geloovige noch den man der wetenschap bekoort.

"Er is slechts ťťn mysterie: het zijn. De rest volgt vanzelf uit de eigenschappen van 't zijn.

Dat is de Logos: er is, dien men vindt in het evangelie van Johannes, Hoofdstuk I vers 1: In den beginne was de Logos en de Logos was bij God en God was de Logos."

De godgeleerden hebben dat woord Logos verkeerd vertaald, zij maakten en maken ervan: het woord, vandaar dat er staat: In den beginne was het woord. Maar dat is de zin niet.

Het moet luiden: In den beginne was de Rede.

Dat is ook de betekenis van het woord Jehovah in  het Oude Testament. Toen Mozes vroeg welken naam hij moest zeggen dat de God droeg, dien hij aan de IsraŽlieten gaf, toen luidde het antwoord: Ij ben die ik ben of: Ik zal zijn die ik zal zijn! Jehovah - dat is de vervoeging van het werkwoord zijn. Van de Joa der FeniciŽrs heeft men den Jehovah van de IsraŽlieten gemaakt en dat is onze Gpd geworden tot heden. Wetgevers en volksleiders (misleiders) verwrongen den zin van het woord zijn tot den naam eener kinderachtige persoonlijkheid."

Het geloof was voor hem de cellulaire gevangenis van het verstand en steeds bestreed hij het in zijn huichelarij en halfheid.

Zonder genade ging hij ds. Zaalberg, een der toenmale woordvoerders der modernen te 's-Gravenhage, te lijf. om zijn modernen brouwsel "De godsdienst van Jezus en de moderne richting" te ontleden op een wijze. dat deze man er voor goed onsterfelijk door is geworden als een man der frase bij uitnemendheid. Geestig is zijn vergelijking van de verschillende godsdienstige voorgangers bij pasteibakkers, om dan ds. Zaalberg voor te stellen als een van de laatste soort, omdat hij in zijn zestien taartjes (oftewel christelijke toespraken) slaapstroop toediende, maar ditmaal vermengd met rottekruid. Tenslotte, nadat ds. Zaalberg telkens herhaalt: ben ik geen geloovige, omdat ik niet geloof dŗt... en dŗt... en dŗt, dondert hij hem in de ooren: neen, gij zijt geen geloovige, als gij niet gelooft.

Hoe parodieert hij prof. Muurling! Hoe geeselt hij dr. Meyboom, die de wonderen langs rationalistischen weg gaat verklaren.

Zijn God is de Noodzakelijkheid, die niemand zonder troost laat, die rechtvaardig is tegenover iedereen en zonder aanzien des persoons, die liefde is en nooit om iemand te plagen 1+1=3 heeft gemaakt. Ja, zoo waar en zoo eenvoudig is die God, de verbuiging van het werkwoord zijn: Die is, Die was, Die wezen zal. Eťn plus ťťn zal altijd twee zijn. Waar wij menen dat die wet der noodzakelijkheid ons verraadde, daar lag de schuld aan ons zelf. Wij hadden niet goed opgelet. Wij maakten fouten in onze berekening, niet zij. En zelfs waar zij wreed schijnt, ook daar lag de schuld aan ons.

"Wat is moet zijn.

't Staat aan ons voorzichtig te wezen, op te letten, ons te wachten voor het kwade...

't Staat aan ons waar te nemen, natedenken, toetepassen...

't Staat aan ons te willen en te werken...

't Staat aan ons te streven naar ontwikkeling...

't Staat aan ons genot te vinden in dat alles..... dat is in ťťn woord:

't Staat aan ons deugdzaam te zijn. want genot - zoo begrepen - is deugd."

En als hij op zulk 'n aanschouwelijke wijze, alsof men er zelf bij tegenwoordig was, den bekende straatprediker Esser te 's Gravenhage in zijn naÔven en kinderlijken eenvoud beschrijft, zoals hij daar ten spot aan de baldadigheden en spotternijen van het publiek "het woord des levens verkondigde" en daarna het woord neemt, om met ijzingwekkende ernst een aanklacht te slingeren naar het hoofd van de "welEdele heeren en mevrouwen zondaars en zondaressen", wier geloof zoo lauw is, dat zij dien straatprediker onbeschermd overlieten aan vuil straatgrauw, "ziet, die lafhartigen huichelaars willen wel Christus en de zaligheid met hem deelen, maar die niet durven doen wat zij toch zeker zouden verrichten als er oprechtheid was in hun geloof, namelijk om de blijde boodschap der verlossing "of hoe dat ding dan heeten moge", te prediken aan de "hoeken der straten," dan gevoelen wij al het vlijmend-ware in deze beschuldiging.

Wanneer men hem dan verwijt dat hij den godsdienst bespot, hij een godslasteraar was, omdat hij in z'n schetsje van die straatpreekerij wŠŠr durfde zijn, dat hij Jezus smaadde in zijn Kruissprook, dan roept hij zijn tegenstanders toe: "Christus heeft vergeten te zeggen: "Zoo wie in mijnen naam anderen uitzendt om te worden opgegeten, is mijns niet waardig." Ik herstel dit verzuim bij dezen en voegt hun dan nog toe: "ik sta hem nader dan gij, en zeg u dat gij ellendelingen zijt." En schoon is die wending als hij hun toeroept zich op hem te wreken: "neen, wreekt u niet. Waarlijk, er is voor u allen iets beters te doen. Wordt eerlijk, en tracht te leeren lezen."

Dat schoone "Gebed van den Onwetende", die smartkreet van den twijfelaar die snakte naar een openbaring, zoodat elke twijfel verstomde en elkeen zeide: ik voel hem, ken hem en versta hem, is een heerlijke bijdrage, zoo geheel gegrepen uit het van den mensch, die zich niet weer kan neerleggen bij het oude geloof en toch het licht van de nieuwe wetenschap nog niet heeft zien opgaan.

Hoe komt hij telkens en telkens op tegen al wat het denkvermogen bederft en de wilskracht verlamt en ten opzichte van zooveel verschijnselen van onze tijd. die zich hullen in een mantel van wetenschappelijk zou hij meermalen geneigd zijn te waarschuwen tegen alle buitenissigheden en te zeggen:

"een onverschoolde knaap van 10 jaar zou verbaasd staan over de zotternij die men kan wijs-maken aan menschen van zes voet, met baard, knevel, maatschappelijken invloed en papa's rang. Hij zou meenen in een gekkenhuis te zijn verdwaald."


Een ketter was hij op politiek gebied.

De voorname burgerij vierde haar hoogtij en Thorbecke, de chef van de liberale partij, was zoo goed als almachtig. Er heerschte overal een rustige rust. Al wat intellektueel was, behoorde tot de liberalen en wee dengenen, die ook maar ťťn streep verder ging dan de gebaande weg, hij werd zonder genade uit de synagoge geworpen. Multatuli bezat den moed den grooten held van het liberalisme, de "prins der ordinairheid", dien "staatsfeniks die niets, niets, niets heeft voortgebracht", wiens "dorre persoonlijkheid geen behoefte voelde aan uitstraling", met al zijn talent te lijf te gaan. Hij toonde aan dat het liberalism den staat misbruikte om er een privatief jachtgebied van te maken voor de bevoorrechten, die elkaar de bal steeds toewierpen, meer lettende op het belang der betreffende personen dan op dat van het land. Steeds tastte hij een partij aan in haar eminentste vertegenwoordigers en al is hij misschien uit afkeer voor de bende zijner blinde bewonderaars al te ver gegaan in zijn afbrekende kritiek, in hoofdzaak is zij waar, want Thorbecke's grootheid schuilde minder in zijn persoonlijkheid - hij was de type van het benepen, klein burgerdom, welks horizont al heel beperkt was - dan in de kleinheid zijner tijdgenoten of om het met zijn woorden uit te drukken in een zijner 107 grafschriften: "Ik had in mijnen tijd, Precies de maat mijner tijd."

Zo groot toch was Thorbecke, dat het tegenwoordige geslacht op het hooren van zijn naam dikwijls vraagt: wie is dat? meenende dat men van iemand spreekt die nog leeft. Hij was het die, die het liberalisme geeselde om zijn inhoudsloosheid en hij zag in Thorbecke den man, van wien men het best op zijn graf kon schrijven: "In deze eeuw van slenters, Begroef men hier den prins der parlementers."

Hoe ongenadig kon hij het kiesstelsel in zijn onhoudbaarheid uitkleeden, ja het heele parlementarisme vond in hem een bestrijder zoo enig en zoo juist, dat men het niet hoeft te verbeteren. Alds hij daar in zijn Vrije Arbeid redevoeringen fingeert, kostelijk van inkleding en naar het leven geteekend, en door een der leden zoo juist de opmerking laat maken: "maar waar blijven wij dan?" om in een persifflage te doen uitkomen dat de parlementen er zijn om de leden en niet de leden om de parlementen, dan gevoelt men het treffende zijner kritiek. Maar ook het algemeen kiesrecht beschouwde hij als een boerenbedrog om daarachter het recht van de sterkste te verbergen.

Hoe de leden der kamer de distriktsbelangen boven alles stellen - wee als hij dit verwaarloost, bij een eventueele herkiezing valt hij als een baksteen - dat teekent hij zoo goed in die enkele woorden: "Edam stemt voor kaas. Drenthe voor 't veen. Schiedam voor jenever. Schokland voor kabeljauw. Utrecht voor theerandjes. Dit moge nu dom zijn, ontaalkundig, onpraktisch en misdadig ... goed! De man heeft het openlijk beloofd, het wordt verzekerd door al de "eenige kiezers", die z'n reclame teekenden, d.i.: die ze niet teekenden en wie geen lust heeft in de redevoeringen van zoo'n lid, kan ze overslaan, zoals 't volk dan ook meestal doet."

Anarchist was hij in het wezen der zaak, waar hij geen regering de beste van allen noemt, maar straks is hij aristokraat en stelt hij den verantwoordelijken tiran vrij wat hooger dan den konstitutioneelen nietsdoende koning, die door de liberalen gemaakt is tot een ledepop. Het gevolg van dit optreden was, dat hij zich alle Thorbecke-vrienden tot vijand maakte en zichzelf meer en meer alle kans ontnam om ooit een betrekking van de regering te krijgen.

Wat Zaalberg voor hem was op godsdienstig gebied, was Thorbecke op staatkundig en daar de liberalen het monopolie bezaten van regeerkunst, intellekt, enz., daarom was elk die zich daarbij niet onvoorwaardelijk neerlegde, in de oogen der toonaangevende, bovendrijvende partij een ketter, tegen wie alle middelen geoorloofd waren, als ze maar de strekking hadden zo iemand monddood te maken. Nu dit heeft men ook getracht met Multatuli te doen. Men zweeg hem dood en dit prikkelde hem in hooge mate. Wordt men aangevallen, beledigd, belasterd, men kan antwoorden, maar welk middel kan gebruikt worden tegen deze echt-Nederlandse doodzwijgmethode? Intusschen hij bleef strijden tegen alle middelmatigheden. In zijn Vorstenschool, dat volgens zoogenaamde kenners niet precies voldoet aan de eischen der tooneelkunst, maar dat bij elke opvoering steeds opnieuw trekt en indruk maakt, wel een bewijs voor degelijkheid, want het gewone gaat op den duur vervelen en het buitengewone wint steeds, hoe dieper men er in doordringt - hierin bestaat het wezen van het klassieke - zegt hij het zoo juist:

"Wat uitsteekt moet geknot. Wat blinkt, bevuild.
Wat vlucht neemt, neergeslagen en gekneveld.
Talent geloochend, of gesmoord met ma-a-a-ren,
En daarna doodgezwegen... als het kan."

En hoe geeselt hij de hele staatsmanskunst, waar hij den staat voor den staatsman teekent als "een kaatsbaan voor de heeren van het hof, een draaibank voor fortuintjes, een fabriek van Neurenberger eerzucht-duikelaars", die het volk doet beschouwen als "'n kweekkast van lakeien", de welvaar als "een paragraaf in een rapport", den burger als "een artikel te belasting" en een algemeene ramp "de troefkaart op den heer die uitgespeeld was door de partij".

Telkens treft hij de zaak in den hartader, maar natuurlijk vergrootte hij steeds den kring zijner vijanden. Men vreesde zijn scherpe pen, ook al haalde men de schouders voor hem op. Men voelde zijn superioriteit wel, maar hij was niet wat men noemt bruikbaar, daar hij zich niet liet spannen in het gareel der gewoonte en zich niet liet kneden in den gewonen vorm van tegen twaalf in het dozijn. Hij bezat, wat de meesten niet hadden, hart en daardoor gevoelde hij zoo goed wat er ontbrak aan de welvaart des volks. En waar hij met de belangen des volks zag kegelen door eerzuchtigen, daar trad hij op als de belangelooze pleitbezorger des volks, om al die zoogenaamde volksvrienden het masker af te rukken en ten toon te stellen in hun ware gedaante.


Een ketter was hij op zedelijk gebied.

De huisbakken fatsoensbegrippen, die veel voor zedelijkheid werden uitgegeven, vonden in hem ewen verklaarden vijand. Hij gevoelt al het drukkende van het keurslijf, dat de zeden den menschen hebben omgedaan. En hoe juist karakteriseert hij de onzedelijkheid in dit kleine verhaaltje

"In Samojedie is het de gewoonte zich van-top-tot-teen te besmeren met ransige traan.

Een jonge Samojeed verzuimde dit. Hij besmeerde zich volstrekt niet, noch met traan, noch met wat anders.

- Ge volgt de zeden niet, zei 'n Samojedisch wijsgeer... gij hŤbt geen zeden... gij zijt zedeloos.

Dit was heel juist gezegd.

't Spreekt vanzelf dat de jonge zedelooze Samojeed mishandeld werd. Hij ving meer robben dan elk ander, maar 't baatte 'm niet. Men nam hem z'n robben af, gaf die aan Samojeden en hŤm liet men honger lijden.

Maar 't werd nog erger.

De jonge Samojeed, na eenigen tijd te hebben voortgeleefd in onbesmeerden staat, begon eindelijk zich te wassen met eau-de-cologne...

- Hy handelt tegen de zeden, sprak nu de wijsgeer van den dag, hij is onzedig, komt, we zullen voortgaan hem de robben aftenemen die hij vangt, en bovendien slaan...

- Dit geschiedde.

Maar wijl men in SamojediŽ geen laster had, geen kopyrecht, geen verdachtmaking, geen domme orthodoxie, noch valsch liberalismus, noch bedorven politiek, noch bedervende ministers, noch verrotte Tweede Kamer... sloeg men den patient met de afgekloven beenderen van de robben die hy zelf gevangen had."

Hoe heerlijk schoon is zijn Open Brief aan mevr. de wed. X. te Z., waarin hij het opneemt voor een vrouw, die een onecht kind ter wereld bracht en een ander kind - echt dit maal - heeft gestolen, beroofd, verborgen of zoo-iets. De misdaad dier vrouw, die men gekerkerd had, bestond daarin dat zij haar moederschap handhaafde en het toppunt bereikt hij waar hij zegt:

"Gij hebt geleden en gstreden... hij hebt uw hart gesteld boven de domme bijgelooverij der zeden, de liefde van uw kind boven vrees van familie-dwang, vonnissen, rechters, wetten en schandaal... i groet u mevrouw, en roep 't u nogmaals luide toe: hoog uw hoofd in den kerker en voor 't gerecht... wie u zelfvernedering voorpreÍkt als deugd, is 'n bedrieger... want, voorwaar, voorwaar, ik zegge u: de adel en de eer des menschen wonen boven den navel!"

Telkens doet hij uitkomen dat de wet nog lang zo erg niet is als de zeden, want "de wet zou 't euvel opnemen als men een "natuurlijk" kind sloeg... tot blauw wordens toe. Als men het in 't water gooide... tot verdrinkens toe. Als men 't de keel toekneep... tot smorens toe. Maar... de zeden! Zij sparen geen marteling, noch veroordelen die."

En als men in aanmerking neemt, dat die brief geschreven is in 1863, dus 45 jaar geleden, dan kan men begrijpen hoe hoog de moed geweest moet zijn van den man, die zoo onbarmhartig alle huichelarij bestreed en niet aarzelde het recht van de vrouw, van de moeder, te verdedigen op haar kind.

Hoe juist merkt hij op als hij vraagt:

"denkt men er wel eens aan, dat elk opgevischt lijkje een vader had? Waar zijn die vaders?... Waar was de vader toen 't gerecht kwam aankloppen met een barsch gelaat? Toen de arme moeder werd heengeleid naar den kerker? Toen ze, verpletterd onder 't wicht van schaamte, zich vertoonen moest voor 'n vierschaar van deftige manen - die nooit zondigden! - om 't walgelijk gehuichel aan te hooren van 'n zondeloos publiek ministerie, dat - in "een sierlijke rede" altoos - betoogde en bewees, hoe verkeerd zij deed, hoe zij de maatschappij had beleedigd en hoe ze strafbaar was, eerst omdat zij deed wat door de Natuur was gevorderd, wn niet verboden werd door 't hart... daarna wijl ze krankzinnig was geweest van wanhoop?

Waar was bij dit alles de vader, mevrouw?

Niet waar, ge stemt mij toe dat de "braven" zouden wŤl doen hun verontwaardiging te bewaren voor zulke vaders?"

Telkens en telkens neemt hij het op voor de vertrapte rechten van de vrouw, die in vele wetgevingen van zoogenaamde zedemeesters - zie de mozaÔsche - is een zaak, 'n ding, een meubel, eene koe, ja zelfs volgens de uitspraak van Jezus in Matth. XIX niets, niets, volstrekt niets.

Hij geeft een andere lezing van dat hoofdstuk en wil afwachten welk christen  den moed heeft die van Mattheus mooier te vinden.

De geheele opvoeding der meisjes, die gedwongen worden tot liegen en huichelen, die niet mogen weten wat zij weten, niet voelen wat zij voelen, niet begeeren wat zij begeeren, niet wezen wat ze zijn, wordt onbarmhartig onder handen genomen.

En als dan zoo'n arm ingebakerd kind gelooft, berust, gehoorzaamt... als ze heel onderworpen haar lieven bloeitijd heeft doorgebracht met snoeien en knotten, met smoren en verkrachten van lust, geest en gemoed... als ze behoorlijk verdraaid, verkreukt, verknoeid, heel braaf is gebleven - dat noemen de zeden braaf ! - dan heeft ze kans dat deze of gene lummel haar 't loon komt aanbieden voor zooveel braafheid, door 'n aanstelling tot opzichtster over z'n linnenkast, tot uitsluitend-brevetmachine om zijn eerwaard geslacht aan den gang houden. t Is wel de moeite waard.

Want wij

"hebben zeden uitgevonden, we passen die toe, we beweren die te moeten handhaven... zeden welke in aanhoudende strijd zijn met de hoofdwet der Natuur.

Wij meenen die Natuur te moeten tegengaan in haar streven. Wij willen haar dwingen tot stilstand waar ze beweging eischt. Tot alleenzijn, waar ze haakt naar verbinding. Tot scheiding, waar ze aandringt op vereeniging. Wij dringen ons als plicht op, die Natuur te verkrachten.

Deze verkrachting - of de voortdurende vruchteloze poging daartoe - noemen we deugd.

Onze geheele opvoeding van de meisjes is 'n moorddadige opstand tegen het goede."

Geen wonder dat zoovelen als slachtoffers vallen van den Minotaurus onzer zeden, welks naam is Hysterie, dat meisjes eet, meisjes, altijd meisjes en als er een Theseus komt, die 't leelijke dier op den kop slaat, noemt men hem een slechten kerel.

En wij stuiten nog niet zozeer op de wetten als op de zeden. Want

"geen wet was ooit zo kleingeestig en barbaarsch als de zeden."

en hij voegt er aan toe:

"De wet drukt nu en dan, de zeden altijd.
Zoo dom is geen wet, of de zeden zijn dommer.
Zo wreed is geen wet, of er zijn ruwer zeden."

En al zijn we nog lang niet waar we wezen moeten en komen zullen, toch is er een groote verandering waar te nemen in de verhouding tusschen man en vrouw, tusschen jongeling en meisje - en tot deze emancipatie heeft de sport en voornamelijk de fiets meer bijgedragen dan alle vrouwenagitatie tezamen - wie zou durven beweren dat de stoot daartoe niet is uitgegaan van Multatuli?

"Ik tart u te beletten, dat over tien jaren - in 1862 werd dit geschreven - en vroeger reeds, mijn IdeŽn 't gebouwtje omwerpen, dat ge met bebloede hand hebt saÍmgeknoeid uit de materialen van uw domme, godslasterlijke, wreede zedelijkheids-begrippen."

Ja, ook op het gebied der zedelijkheid was hij een baanbreker, een pionier, die het terrein effende, waarop wij later hebben kunnen opbouwen.


Een ketter was hij op maatschappelijk gebied.

Hij was het alweer die het opnam voor de vertrapte rechten van den werkman, om een welsprekend betoog te leveren dat er veel ontbreekt aan het welzijn des volks, om dan na elkander uitvoerig te behandelen dat er veel ontbreekt aan den 1o zedelijken, 2verstandelijken en 3o stoffelijken toestand des volks. Dit stuk is nog ongeveer geheel toepasselijk op onzen tijd en het verdiende bij duizenden in een afzonderlijke uitgave onder het volk te worden geslingerd.

"Het volk is zedeloos en onzedelijk... dat is de zaak niet van de Regering.

Het volk is dom... dit is geen Regeringszaak.

Het volk lijdt honger, 't volk woont ellendig, 't is uitgeput, moedeloos... geen zaak van de Regering.

Al die dingen liggen niet op de weg der Regering.

Eilieve, wat ligt er dan wŤl op dien weg? Wat, in 's hemelsnaam. gaat dan de regeering wel aan?

Of gaat haar niets aan, ligt er niets op haar weg, dan 't kibbelen over 'n plaatsje voor dezen of genen staatsman? Waarlijk, de hele Regeering lijkt op 'n spoorwegmaatschappij die vergeten zou de treinen te doen loopen, om zich alleen bezig te houden met het benoemen van de conducteurs."

En Multatuli stelt zich kandidaat voor de Kamer, hij zal optreden voor den mishandelden arme, als vertegenwoordiger van den arme. Want de regeering draagt geen kennis van de behoeften des volks en als de tijd dŠŠr is, zal hij de regeering bericht doen  van de eischen des volks. De arme, die nu stom is, zal voortaan spreken. De hongerlijdende bevolking van Nederland zal niet langer zwijgend hongerlijden.

Zijn eerste, zeer onparlementaire redevoering zal zijn: wij willen eten, waarlijk leven, genieten, wij willen gelukkig zijn.

De troonrede, die de minister den Koning (de Koningin) laten uitspreken, is een jaarlijks terugkeerende leugen. En het antwoord der kamers daarop insgelijks. Nooit laat men den koning zeggen: Heeren, 't volk lijdt honger en gebrek. Nooit antwoordt men: Sire, 't volk heeft honger. En zoo toch moet er gesproken worden, als er naar waarheid wordt gestreefd. Want er is een goddelijk recht. Dat is 't recht des volks om brood te eischen voor arbeid. Het recht om niet te sterven van honger, of in leven te blijven met moeite in een land, dat ruimschoots het noodige opbrengt, maar welks voedende kracht door wanbestuur ten deele wordt weggeleid naar 't buitenland, ten deele wordt weggeleid naar 't buitenland, ten deele misbruikt om eenige weinigen te overladen met gunst."

Volgens hem zijn vele der verkeerdheden waaronder 't volk gebukt gaat, toe te schrijven aan ons staatsbestuur. Uit vrees voor tirannie heeft men alles zo ingericht, dat het lijdende volk zich op niemand kan beroepen. Een grondwetkoning is zogenaamd onschendbaar, dus: niet aansprakelijk. Zoo'n Koning, wil hij zijn beroep goed waarnemen, moet niets zijn, hij is gedoemd tot niets doen. De ministerieele verantwoordelijkheid is een leugen. Zij heeten zedelijk verantwoordelijk te zijn, maar trekken zich daar niets van aan, in de daad zijn ze ook onschendbaar. Noch de afkeuring der geschiedenis, noch de vloek van den tijdgenoot is hun deel, want wat bekommert men zich om de namen der onbeduidendheden, die elkaar opvolgdenaan de groene tafel. Sedert 12 of 14 jaar hebben wij bijna honderd van die heeren versleten, zodat het in Nederland een onderscheiding is geworden, geen minister te zijn geweest.

De heele inrichting van ons bestuur berust op leugen. Het is treurig om "na 18 eeuwen goddienerij, na 4 ŗ 5 eeuwen ridderschap en adel, nu ten laatste te vallen in handen van de bankiers ... onze vooruitgang is van zonderlingen aard." En dat te meer omdat "er JacqueriŽn voor de deur staan, die veel bloed en tranen zullen kosten en het te vreezen is dat de weg naar nieuwe en betere beschaving. door 'n poel van jammeren zal leiden. De ontwaakte volkeren zullen woedend zijn, en wraak nemen over 't gepleegde bedrog."

Steeds zouden zijn redevoeringen eindigen met hetzelfde refrein: "buitendien blijf ik erbok, dat de ellende des Volks moet worden uitgeroeid" en telkens en telkens zou hij de regeering en de kamerleden toeroepen: ik wilde dat het volk brood had... brood, vleesch en levenslust.

Iedereen erkende dat er vetrroting heerschte in de politiek van den staat - Thorbecke noemde het, na Multatuli, contagium ofwel besmetting, maar zoodanig was men verleugend, dat men het rondborstig erkende en intusschen niets deed om het kwaad te stuiten.

"Ziek-zijn is niet schandelijk.

Ziekte daarstellen, bevorderen, in bescherming nemen, perpetueeren (doen voortduren) is wel schandelijk.

En zich te beroemen op die schande, is 't ergst van al."

Zoo schreef hij in een manifest Aan het Volk van Nederland bij zijn kandidaatstelsel.

Niet dat hij het volk vleide of in de hoogte stak, o neen hij was heelemaal geen demagoog, maar als wijsgeer, als denker trachtte hij een verklaring te geven van den lagen toestand, waarin het volk zich bevond en zoo te zoeken naar de middelen ten einde het op te heffen uit zijn ellende op stoffelijk zowel als geestelijk gebied. Zijn werken zijn een heel arsenaal, waaruit het volk in den strijd tegen zijn verdrukkers ammunitie te vinden, bruikbaar tot een aanval zoowel als ter verdediging.


Een ketter was hij op onderwijsgebied.

De voortreffelijkheid van de openbare neutrale school was het dogma, waabij elk rechtgeaard liberaal zwoer als het toppunt van alle wijsheid. Wee dengenen, die dit heilige huisje durfde aantasten! Hij werd spoedig uitgemaakt voor een domper.

En daar durft me die Multatuli dat troetelkind der liberale wijsheid te lijf te gaan en aan te toonen dat van al die mooiÔgheid op onderwijsgebied al heel weinig deugt.

Wat weet die man van onderwijszaken af! Heeft hij ooit voor de klas gestaan? Zoo riep men hem toe uit het kamp der onderwijzers, meest allen trouwe liberalen, op het platteland zelfs de voornaamste propagandamakers, met de moderne dominees, van de alleenzaligmakende liberale dogma's. Hoe kan nu iemand, die nooit in de praktijk is geweest, over zulke dingen oordelen? Wij en wij alleen hebben het monopolie op onderwijszaken, en dat geliefhebber in zaken, waarvan men geen verstand heeft, brengt altijd schade te weeg.

Alweer, Multatuli maakte zich veel vijanden onder onderwijzers.

Maar hij bekommerde zich daar zeer weinig om en sprak openlijk uit: "ik verwacht niet anders dan dat de meeste onderwijzers van beroep mij ongelijk geven".

Toch waren de vragen die hij stelde rationeel.

Wordt het doel bereikt dat we met het onderwijs beoogen?

Zoo neen, welke fouten staan ons daartoe in den weg?

Moet het onderwijs zijn intensief, extensief of gemengd?

Waar is in 't geval de grens?

Behoort het Onderwijs tot de bemoeienis van de Staat?

Zietdaar allemaal verstandige vragen.

Als de Mecklenburgse methode gevolgd wordt, die daarin bestaat, dat "de jongens onderdanig moeten zijn, meneer de schoolmeester, leer ze dat", dan zal toch heel anders gehandeld moeten worden, dan als men de school dienstbaar wil maken aan de ontwikkeling van het denkvermogen.

Dat is toch zeer duidelijk.

Onze huidige onderwijsmethode kan samengevat worden in deze enkele woorden: "we zeggen veredeling, beschaving enz. te bedoelen en verwachten afgerichtheid tot zeker beroep. Het "jostverdienen staat op de voorgrond."

Hij liep ook hier weer tegen den stroom in, want hij durfde zeggen tegenover alle schoolspecialiteiten en liberale regeerders in, dat het onderwijs niet deugt, dat de inmenging van den staat geen ander gevolg kan hebben dan de verlichting binnen zeer enge grenzen te beperken, niet anders kan werken dan smorend op de ontwikkeling, gekneld als zij altijd is in de uniform der eeuw.

"Onze professortjes, onze meestertjes zijn produkten uit dezelfde fabriek waarin zij zelf geroepen worden tot het voortbrengen van nieuwe produkten. Zoo gieten zij alles in ťťn vorm en deze vorm is... officieel slecht. Het bewaren onzer oorspronkelijkheid - het uitzet toch dat aan ieder wordt meegegeven bij z'n entree in 't leven, wordt hoe langer hoe zeldzamer en wie zich daaraan schuldig maakt - daar hoort moed toe! - is 't mikpunt van al de kleine mannetjes die 't onderwijs knipten naar 't mikroskopisch modelletje van hun geest."

En elders:

"ons onderwijs is juist voldoende tot het vernietigen van de natuurgaven van den wilde en belet tevens de ontwikkeling die te verwachten ware uit de boezem des volks zelf, indien men die gaven niet had verkracht. Wij hebben het gemaakt tot 'n monopolie der halfheid, dat zich verzet tegen de wording van elk geheel. Tot 'n alleenhandel in 't gebrekkige die de mogelijkheid van vervolmaking uitsluit."

En alle vrije begrippen, die nu zelfs door onderwijzers in meerdere of mindere mate worden toegepast, waar zij zulks kunnen doen, zijn feitelijk terug te voeren op Multatuli.

Hij was het die het onderwijs als minimum oplegde, dat het denken niet tegenwerkte.

"Wat en hoeveel men op de school leert, zou er minder toedoen, indien wij slechts het leeren niet afleerden."

Hij ziet in de

"scholen inrichtingen die per se 'n goed onderwijs in den weg staan. Geheele afschaffing zou misschien beter vrucht dragen dan pogingen tot verandering."

En vraagt men hem middelen ter verbetering, hij antwoordt dat ook hij te veel en tevens te weinig heeft geleerd om zich te ontdoen van al den onverteerbaren ballast die zijn werkvermogen bezwaart en het aanwijzen van de bestaande fouten, of van 'n deel daarvan, kostte hem reeds inspanning genoeg.

Men kan ook niet zeggen dat wij met ons eeuwenlang geschoolmeester reden hebben tevreden te zijn met de resultaten, want de markt des geestes wordt bij de meerderheid al even schaarsch voorzien als die der stoffelijke behoeften. "Genie en biefstuk zijn even schaars" - zegt Multatuli op z'n eigenaardige en puntige wijze.

En nu zou dit nog betrekkelijker wijze niets zijn, als wij het denken maar niet afleeren juist in en door school. Hoeveel waarheid schuilt er niet in dat ťťne gezegde: "ťťn bestudeerd grasscheutje is meer waard dan 'n heel zoodje onverteerde volksverhuizingen en UniŽn van Utrecht." Immers hier wordt de aanschouwingsmethode aanbevolen, waartoe men meer en meer komt en de impompingsmethode als schadelijk aan de kant gezet. Als het waar is dat de mensch een denkdier is, dan hebben wij het recht van de opleiders der jeugd te vorderen dat zij het denken oefenen en althans die oefening, die zich even natuurlijk bij het kind openbaart als het ademhalen, niet tegenwerkt.

Evenmin als wij volgens Multatuli het geloof aan een persoonlijken God mogen nalaten aan onze kinderen - "twee maal twee is vier en 'n persoonlijke God is 'n ongerijmdheid" - want zij hebben recht op waarheidm de "legitieme portie van elk jonger geslacht", evenmin als wij onze overtuiging mogev vervreemden aan Kerken, Kloosters en Lieve Heeren ... die "verderfelijke doodehand van menschenwaarde, ontwikkeling, vooruitgang, geluk en deugd"; evenmin mogen wij onze kinderen "ter verstandsverkrachting overgeven aan magnetiseurs, theologen, bidders, godvruchtige schoolmeesters, heksenbezweerders, wichlaars, dominťťs, spookverdrijvers, duivelbanners, priesters."

Men begrijpt dat al degenen die in deze termen vallen of die gevoelen aan dat soort van dingen verwant zijn, zich met alle kracht verzetten tegen den onverlaat, die zoo stout durft te schrijven. En toch gevoelen wij zelven hoe waar het is, dat "zoolang we niet genezen zijn  van de kanker van 't geloof, verbetering van onderwijs - d.i. het geschikt maken tot studie der wetten van het zijn, 'n onmoghelijkheid is".

Maar de staat heeft het onderwijs gemaakt tot 'n regeermiddeltje en als men hem het onderscheid vraagt tusschen het het christelijk en het staatsonderwijs, dan antwoordt hij alweer puntig en geestig: "het christelijk onderwijs wordt bedorven uit de Hemel, het staatsonderwijs uit Den Haag."

Het onderwijs is een soort van biologeeren der kinderen en "wie de geschiedenis bestudeert, zal weldra begrijpen dat we geen biologische sťances behoeven bij te wonen, noch proeven te nemen met oude vrouwtjes op de markten, om te weten hoe zekere lieden het aanleggen om denkvermogen te bederven en wilskracht te verlammen. Om dit gekkenhuis" - bedoeld is de menschenmaatschappij - "voor een vergadering van verstandigen aan te zien moet men onderwijs genoten hebben, dat is: men moet zelf gebiologeerd zijn".

Hij was het die inzag dat goed onderwijs ook materieel 'n onmogelijkheid blijft zoolang ťťn persoon belast wordt met het onderwijzen van 'n groot aantal kinderen. "Tien of twaalf leerlingen hebben de toewijding noodig van al den tijd en ŗl de gaven van 'n bekwaam en welwillend onderwijzer. Met den besten wil reiken de krachten van ťťn persoon niet toe, om te voldoen aan 't geestelijk opzuigingsvermogen van dertig, veertig kinderen. De geplaagde meester is wel genoodzaakt 'n onkritisch watersoepje van dorre feiten voor te zetten aan zooveel hongerige magen en ik mag 't den man niet kwalijk nemen dat hij zich zo bruusk van de zaak afmaakt. Alle waar is voor z'n geld. "Absolvo".

Voor mij staat als ik een keuze moest doen - ik beken dat die keuze heel bezwaarlijk is - den derden bundel IdeŽn bovenaan. Die prachtige onovertroffen voordracht over Vrije Studie, door hem kort en toch volledig bepaald als "het onbelemmerd streven naar waarheid", bevat alleen zulk een schat van waarheden en waarnemingen, dat men jarenlang genoeg aan heeft en dat men telkens bij 'n hernieuwde lezing steeds weer getroffen wordt door iets anders, iets nieuws. Ook deze verdient afzonderlijk te worden uitgegeven, al is voorzien van de noodige noten of opmerkingen, opdat de inhoud ervan doordringe in den wijdsten kring van menschen.

"Studie der Natuur, als hulpmiddel tot vrijheid van studie? Ja. Het zijn liegt niet. Wie de wetten van het zijn nagaat - ik gebruik hier het woord wetten bij-benadering: er is geen: opdat, alles is: omdat! - zeilt den stroom der vooroordelen dood.

Het voortdurend opsporen van de oorzaak der dingen - het rerum cognoscere causas 1), waarin de latijnsche dichter het geluk zocht - maakt ons van lieverlede toegankelijk voor prťconceptiŽn 2) der would-be geleerde fakulteiten, en geeft ons weldra zekere hebbelijkheid om te onderscheiden wat inderdaad is, geweest is en blijven zal, en wat in de termen valt van gelegenheidswaarheid, volksvooroordeel, modegeloof en biologie."

We willen niet zeggen, dat deze denkbeelden van Multatuli zooals men zegt, "een spekje voor ieders bekje", neen men moet er zich inwerken, men moet er in groeien, maar heeft men eenmaal zoover gebracht, dat zal men niet zoo gemakkelijk wezen om terug te vallen in de gelooverij en allerlei vooroordelen en dat zal de schoonste beloning zijn voor zijn werken.


Een ketter was hij op koloniaal gebied.

Ja, op dit gebied bovenal. Als Indisch ambtenaar kwam hij het eerst in zijn jonge jaren in aanraking met de Indische maatschappij. En wat hij daar zag en ondervond van de zijde der Nederlanders tegenover een zacntzinnige bevolking, dat vervulde hem met afkeer en walging. Voor hem is en blijft de hoofdzaak dat men de Javaan niet bestele, niet uitzuige, niet vermoorde. De heele kwestie over Vrijen arbeid of Kultuurstelsel, waarover geheele boekdelen vol geleerdheid zijn geschreven, was voor hem geen kwestie.

Alweer begint hij met de zoo menschkundige opmerking, dat "de geschiedenis ons leert dat overal waar groote bewegingen voor de deur stonden, de leiders der algemeene belangen zich beijverden bijzaken voor-op te schuiven, om de aandacht der NatiŽn af te trekken van de hoofdzaak. Dit noemen kleine bestuursmannen: Kunst van regeeren."

Voor hem is de ware vraag van den dag:

Wordt de Javaan mishandeld?

Zal hij dit voortdurend verdragen?

Wat moet er gedaan worden om een eind te maken aan die mishandeling?

En daarmee hebben allerlei stelsels en principes niets te maken.

Multatuli heeft in IndiŽ gruwelen gezien onder Gouverneur-Generaals van allerlei kleur, gruwelen waarmee het Kultuurstelsel niets had uit te staan.

De behouder heeft den liberaal te dien opzichte al evenmin iets te verwijten als de liberaal den behoudsman. Immers het is in ťťn woord diefje en diefjes maat.

Altijd wordt er geklaagd over de luiheid der Javanen.

Terecht zegt Multatuli: de Europeaan beginne met hem niet te bestelen, niet uit te zuigen, niet te vermoorden en dan zal na eenigen tijd blijken of de Javaan vrijwillig wil arbeiden.

Eigenlijk is ook de zoogenaamd vrije arbeid een leugen, onzin of wie zal durven beweren dat in Europa vrije arbeid bestaat voor duizenden produktieve arbeiders, die alles voortbrengen wat er voortgebracht wordt?

Met leugen wordt de Staat geregeerd en "zoo waarlijk ik veel gedragen heb (Multatuli), zegge ik u, daar is verrotting in den Staat, en de naam van die verrotting is leugen!"

Het ligt 'm niet in de wetten, het stelsel, maar in de toepassing ervan, die zooveel te wenschen overlaat. Men maakt van alles kwestiŽn, politieke kwestiŽn in Nederland en dan persiffleert hij dit op kostelijke wijze door het verhaal van den heiligen Dionysius. Er ontstond namelijk in zeker land een geduchte agitatie, waardoor vaders haatten en hun zoons onterfden, waardoor vrouwen haar echtgenoten verlieten, waardoor winkeliers hun toonbank en geldl‚... verlieten, neen zo erg was het nog niet.

De grote strijdvraag liep hierover: Úf de heilige Dionysius na z'n dood gewandeld heeft met z'n hoofd onder den rechterarm of onder den linkerarm, totdat er eindelijk een eenvoudig man optstond in 't land, die persoonlijk niet geacht was en deze zei tot het volk, dat Dionysius na z'n dood helemaal niet gewandeld had, dus z'n hoofd niet had genomen onder den arm, noch onder den linker- noch onder den rechter-arm. Maar het volk gooide dien man met vuil, allen deden daaraan mede, tot zelfs de winkeliers, die ditmaal geldl‚ en toonbank verlieten. Maar toen hij een stoel nam en het volk zei, dat Dionysius hem in den droom was verschenen en allen groette en zelfs hem gezegd had, dat hij ter voorkoming van na-ijver tusschen z'n beide armen, na z'n onthoofding z'n lichaam genomen had tusschen de tanden en zůů is voortgewandeld, toen werd hij toegejuichd en bekranst en elkeen was tevreden, behalve sommigen, die in gewicht en aanzien en persoonlijke geachtheid ietwat verloren hadden.

Indedaad daar zijn heel wat rechter-linkerkwesties in+ de wereld, die zoogenaamd opgelost worden door iets wat bijna nog ongerijmder, in elk geval even dwaas is.

Maar Nederland heeft behoefte aan geheel andere zaken dan politieke kwestiŽn en een oorlog met Atjeh. En is het alweer niet treffend dat toen niemand onzer nog het bestaan kende van Atjeh, Multatuli de man was die het volk waarschuwde dat Nederland bezig was oorlog te stoken tegen dat rijk onder voorwendsel dat het zich schuldig maakte aan zeeroof? Alsof ons hele Indische bezit uit iets anders bestond dan in roof!

Van hem is dat gevleugelde woord: Van Atjeh begint de nederlaag! en als men weet hoe dat dappere kleine volk nu al meer dan een dertig-jarigen oorlog voert tegen Nederland, dan zou men tot de meening overhellen dat deze profetie alle kans heeft bewaarheid te worden. Ondanks alle zegepralen en pacifikaties blijft de toestand vrij wel dezelfde. Waarschuwend liet hij zijn stem horen in zijn Brief aan den Koning.

Maar de liberalen waren voor vrijen arbeid en nu werd Multatuli ingedeeld bij de behoudslieden, omdat hij niet door dik en dun met hen meeging. Toch was dit niet het geval. Hij echter, die zich niet liet indeelen bij eenige partij, maar vrij man wilde blijven, hij beweerde dat de bepalingen zoo slecht niet zouden wezen, als ze maar gehandhaafd werden. Dit gebeurde niet en daarom was de Havelaars-zaak geen strijd tegen de wet, maar 'n strijd tegen het verkrachten van de wet.

Niet te erg - zoo luidde het van alle kanten en men wilde blijven mishandelen, mits het niet te erg was.

Geen wonder, roept Multatuli, als men het te erg deed, was het gauw gedaan met de koffie.

Het gezagstelsel wordt beschouwd als een noodzakelijk kwaad, maar om te laten bestaan, moest er getemperd worden door allerlei maatregelen van voorzorg: niet te erg!

En nadat hij de volgende stelling had neergeschreven:

"vrijwillige arbeid is wenschelijk, het is ongerijmd vrijen wil te dekreteren bij de wet, het is even ongerijmd te redeneeren, te diskussieeren, te parlementeeren over - onverschillig, vůůr of tegen zulk een wet,"

laat hij die allergeestigste persifflage volgen op het parlementarisme, gelijk men deze aantreft in de brochure Over Vrijen Arbeid in Nederlandsch IndiŽ, blz. 59 en vlg.

Verpletterender requisitoir tegen dat stelsel kan moeilijk worden opgemaakt, maar tegelijkertijd hoe geestig gaat hij hierbij te werk, zoodat zelfs een kind schier het totaal onvoldoende, het ongerijmde en belachelijke ervan kan inzien. Niettemin weet de deskundige dat het hier geen charge is maar de zuivere waarheid weergeeft.


Een ketter was hij op kunstgebied.

Ook op dit gebied, waarop zoo bizonder geliefhebberd wordt heeft hij meedogenloos kritiek uitgeoefend op zoveel laag-bij-den-gronds, dat mooi wordt gevonden, op zooveel misvorming, die met alle geweld als kunst wordt ondergeschoven.

"Ik ben geen kunstenaar", zegt hij elders en wij begrijpen dat gezegde, als wij nagaan wie al niet als zoodanig worden geprezen en gehuldigd. Juist omdat hij kunstenaar was in alle vezels van zijn wezen, juist daarom kon hij dat geknutsel niet verdragen en was hij bevreesd in het gild van zulke kunstbroeders te worden opgenomen.

"Kunst is een godin en de ťťnige" - zegt hij elders. Wel een bewijs hoe hoog hij tegen haar opzag. Vosmaer getuigde dan ook van hem "hij is kunstenaar, maar dat woord betekent niet akrobaat op de gespannen frase, noch kwakzalver met valsche verf, noch hofraad met conventioneel gebaar, noch sybariet met de pen."

Hoe nam hij Thorbecke in de maling, omdat deze eens in de Kamer beweerde dat "Kunst geen regeeringszaak was". Wel, antwoordde hij, als dat waar is wordt 't regeeren gemaakt tot 'n kunstje. Want "geen kunst - dat noem ik: niet kunnen; geen wetenschap - dat noem ik: niet weten; geen wijsbegeerte - dat noem ik: niet willen weten; geen poiesis - dat noem ik niet maken, niet scheppen, niet voortbrengen, dat noem ik onvruchtbaar zijn."

Maar hij maakte een groot onderscheid tusschen Kunst en Kunst en terwijl hij den beoefenaar van de eene soort een kunstenaar zou noemen, noemt hij dien van de andere kant niet met hetzelfde woord - hij zou dit zelfs dan een ontheiliging achten - maar met het woord kunstemaker.

En ja, van dat soort zijn er zoovelen, terwijl de ware kunstenaars dun gezaaid zijn. Voor hem is artist, dichter, wijsgeer in zeer hooge opvatting alles ťťn. O, hoe zou hij den geesel der satire zwaaien tegen al die hedendaagsche woordknutselaars, die zich woordkunstenaars wanen en door zichzelven en hun vriendjes op een voetstuk gezet worden, als voerde men nogmaals het stuk van Scribe op, waarin deze de wederschzijdse bewondering de kunstenaarskliek naar behooren geeselt! Ziet dat zijn menschen die niets te zeggen hebben, veelal omdat er niets in zit en die toch maar boeken regenen laten. Gelukkig dat zij even spoedig verdwijnen als zij verschijnen, ware ťťndagsvliegen, die het papier niet waard zijn waarop ze gedrukt worden. En dezilken hebben bovendien nog den moed om met zekere genadig-neerdalende goedheid, met medelijdende genade Multatuli te behandelen. Daar is wel wat moois in - zoo heet het dan, maar... en dan komt er een stortvloed van woorden, die eigenlijk ten doel heeft dat mooie nog zooveel mogelijk af te kammen. Toch durven wij verzekeren, dat als zij allen reeds lang verdwenen en vergeten zijn, als hun romans en verzen en toneelstukken gebruikt worden als scheurpapier of vergaan tot pulver - gelukkig dat het papier zo slecht is, dat dit proces zelfs zonder kinstmiddelen voltrokken kan worden - Multatuli zal schitteren als een zon aan den letterkundige hemel, die verlichtend en verwarmend zijn stralen uitschiet over de geheele wereld, ja zoolang er een menschenwereld bestaat, zal zijn naam worden opgegeven in de rij der geestesheroŽn, wier waarde steeds zal stijgen naarmate men zich de moeite geeft dieper door te dringen in zijn geest.

Men neme de proef slechts.

Eens gebeurde het mij dat ik, bij uitzondering, tweemalen in ťťn week den schouwburg bezocht. De eerste maal was het de opvoering van een der hedendaagsche stukken, soms aardig in elkaar gezet maar zonder veel inhoud, die een indruk achterlaat, en de tweede maal gold het Vorstenschool van Multatuli, die weer eens werd opgevoerd.

Ziet, toen gevoelden wij het diepgaande onderscheid, want ofschoon meermalen een opvoering gezien hebbende, trof zij mij - was het misschien juist door de tegenstelling? - zoo sterk,dat ik bij mijzelven zeide:dat is toch heel wat anders, het is 't onderscheid tusschen voedzamen kost en allerlei zoete toespijzen.

Juist omdat Multatuli zulk een hooge opvatting had van de kunst en in het lied van Albert in de Vorstenschool noemt "een kracht, uit hooger kracht gesproten", een "gloed die alles kleurt en 't laagste hoog maakt", juist daarom had hij wel een afkeer van al dat kunstmatig gedoe, dat zich wel tooit met den naam van kunst, maar niettemin niets daarmede gemeen heeft dan hoogstens den naam.

En klonken zijn denkbeelden dan ook als zoovele ketterijen op dit gebied, ook nu zal blijken, hoe de reiniging van den Augiasstal door dezen Herkules begonnen is met al de kracht, waarover hij beschikte. Alweer daardoor maakte hij zich vele vijanden evenals hij dit deed op ander gebied, want allen die voordeel trokken ut het bestaande en dus hun belangen aangetast zagen, zij vereenigden zich om gezamenlijk dien nieuwigheidskramer, dien afbreker ten onder te brengen. Dit gelukte tot op zekere hoogte, maar evenals de Phoenix op nieuw uit zijn asch verrees, evenzoo ging het Multatuli, die na gedood en onmogelijk gemaakt te zijn weer opstond, om zijn licht te doen schijnen over de menschheid.

Ja, de Ketter zal leven, als de Kettermeesters reeds lang van het tooneel verdwenen zijn en de namen van al de grootheden reeds lang zijn vergeten, die het hunne deden om hem het leven zooveel mogelijk te verbitteren en te vergallen.

Een ketter was Multatuli gedurende zijn leven, maar een geestesheros zal hij zijn in latere tijden. De plaats door hem ingenomen is zoo enig dat men niet weet waar hem te zetten. Toen zijn broeder den toenmaligen minister van koloniŽn Rochussen dringend verzocht Multatuli weer als ambtenaar naar IndiŽ te willen zenden, toen luidde het antwoord van den minister, dat "Multatuli alleen geschikt zou wezen voor de betrekking van Inspekteur van misbruiken en verkeerdheden in de kolonie" en daar die betrekking niet bestond, kon de mbister hem niet gebruiken.

Als grap bedoeld schuilde in dat gezegde een diepe ernst en tevens een hoogschatting van den persoon, wiens onkreukbaarheid en rechtvaardigheid in zijn oogen zoo vast stonden, dat hij voor zooiets bruikbaar was. Multatuli kon met dit oordeel tevreden zijn, alleen kon hij er niet van leven.

Zelf noemde hij zich een zaaier en inderdaad die naam was goed gekozen, want onvermoeid en zonder ophouden heeft hij gezaaid en nog na zijn dood is hij daarmee voortgegaan.

Toen ik eens las, dat wij eigenlijk over Multatuli heen zijn, dat hij eigenlijk is verouderd, toen kon ik een glimlach niet onderdrukken, want het wil mij voorkomen dat wij pas aan Multatuli toe zijn, dat hij pas langzamerhand zich bezig is een plaats te veroveren in de harten en hoofden der menschen.

Indeelen bij een partij kan men hem niet. Hij was een zoogenaamd "wilde" in den rechten zin des woords. Hij was te groot om partijman te kunnen zijn, hij behoort tot de soort van "Uebermenschen", van wie Nietzsche spreekt. Als men hem den gewonen maatstaf aanlegt dan is men onbillijk tegenover hem en zoo dikwijls als men hem vergeeft wat men in anderen afkeurt, is men geneigd te zeggen: maar dit geldt niet van menschen als Multatuli. In zijn ziel was hij een aristokraat naar den geest. Aan het beste, het hoogste wilde hij de heerschappij verzekeren en tevens was hij anarchist, hij die opkwam tegen alle gezag, ja hij was anarchist juist omdat hij aristokraat van den geest was.

Hij hield niet van het middelmatige, het gewone en van nature gevoelde hij, tot het naÔve toe, hoe hij een heerser was. Eens kwam dit zoo aardig uit. Men noodigde hem uit tot een demokratisch kongres te Antwerpen. Zijn antwoord luidde: "ik kan geen andere positie innemen dan die van een diktator. Na de uitoefening zou ik mij terugtrekken in mijn kluis, want eerzucht in den gewonen zijn heb ik niet. Daarvoor heb ik genoeg van de wereld, van de zoogenaamd demokratische niet minder dan van de overige."

Verbeeldt u hoe zoo'n antwoord gewerkt moet hebben op partijmenschen!

Het socialisme stond hem tegen en toch wie staat bij de socialisten hooger aangeschreven dan hij? Maar dat komt omdat hij het dwaalbegrip koesterde, als wilde het socialisme gelijkmakerij, die hij in strijd achttte met de natuur, welke ongelijk is. Dikwijls heb ik mij afgevraagd: hoe is het mogelijk dat een man, zoo scherp van ontleding en denken zulk een vreemde voorstelling had van het socialisme, en ik kan hiervoor alleen deze verklaring vinden, dat hij het socialisme alleen kende in den vorm der sociaal-democratie en deze met al haar reglementeer en wettenkraam stond hem tegen, hij de "tuchtelooze" bij uitnemendheid, hij kom moeilijk vrede hebben met een stelsel, waarin de tucht (discipline) schering en inslag was. Onze Nederlandsche soc.-demokratie is nooit zoo dogmatisch geweest, zoo bekrompen, zoo tuchtvol als die in andere landen, maar dat onderscheid kende hij niet, die zijn latere leven geheel in Duitschland doorbracht. Bij zijn eerste bezoek aan mij liet hij, mij niet treffende, een visitekaartje achter, waarop hij o.a. schreef: "geheel en al sta ik niet op uw standpunt. Ja toch wel in oprechtheid. Dat is hoofdzaak."

Ik gevoel nu dat Multatuli en ik thans nader bij elkander staan dan toen, want ofschoon wij elkander hoog waardeerden en steeds in vriendschap leefden onze ideŽn liepen ten opzichte van het socialisme uit elkander.

In de niet lang geleden uitgegeven korrespondentie tusschen Multatuli en Roorda van Eysinga lees ik het volgende:

"Ik heb medelijden met Domela Nieuwenhuis, niet ondat-i in de cel moet, maar omdat hij in een droevige positie is geraakt. Zijn aanhangers? Wie zijn dat? Ik heb er een hoogst ongunstig oordeel van. Ze hebben hem aan een ketting en hij is niet de man om zich vrij te maken. 'n Mazaniello moet eelt in de handen en op z'n hart hebben. "En wordt toch uit den weg geruimd" zegt ge? Ja: "doorschoten als een hond". Goed! D.N. zal niet doorschoten worden, maar ... met drek gegooid. 't Voordeeligst voor hem is: niet te slagen. Wee hem als zijn partij macht kreeg en er dan iets ontbrak aan 'n hemel op aarde. Als dan de champagne niet in de riolen vloeit, zullen ze hem uitmaken voor 'n bedrieger. Ja, die staatsalmacht van de socialisten. 't Is bespottelijk".

Hier ziet men dat het staatsalmacht is, waaruit zijn afkeer van het socialisme voortsproot.

En als ik nu naga de behandeling waaraan ik bloot sta van de zijde der sociaal-demokraten, dan denk ik dikwijls aan hetgeen Multatuli mij voorspelde, n.l. dat ik door mijn zoogenaamde aanhangers het meest met drek zou worden gegooid.

Maar dit alles neemt niet weg dat Multatuli de man is op wiens schouder wij staan en al behoorde hij in den engeren zin des woords niet tot ons, wij gevoelen wel bij hem te hooren, van hem af te stammen. Zouden wij zoo spoedig ingang hebben gevonden, als hij het terrein niet vooraf had geŽffend en toebereid?

Hij was het die geen volgelingen, geen napraters wenschte, maar bovenal zelfstandig denkende en handelende menschen. Hij die in Pythagoras zoo afkeurde, dat hij zijn discipelen het zweren bij den woorden van den meester niet tegenging, hij wil allerminst dat men zweren zal bij zijn woorden. Maar wij gevoelen aan den anderen kant, dat in veel wat wij zeggen en denken, zijn geest voorzit en ademt.

Hoe juist drukt hij dat uit in zijn Inleiding op de IdeŽn, dat heerlijke stuk proza dat onvergetelijk blijft, wanneer men het eenmaal heeft gelezen.

Een kemelhuid om de lendenen is geen bewijs voor de waarheid van hetgeen men zegt, maar toch mag men vorderen dat het een aansporing moet zijn om te overdenken wat iemand gezegd heeft. Offer wordt toch geschat boven gebrek aan offer en inspanning mag genomen worden tot maatstaf om 't slagen te meten.

Hij die boven alles streefde zich-zelf te zijn, hij kan ook moeilijk wenschen dat anderen hun zelfheid zullen opgeven om naloopers en napraters te worden en men heeft hem dan ook zeer slecht begrepen dat men dit gaat doen.

Als een reus staat hij daar voor ons temidden van dwergen en daar de gezichtskring van dwergen veel kleiner is, daarom konden ze hem in al zijn grootheid niet zien of omvatten, niet zozeer omdat zij zo bizonder klein, maar omdat hij zoo verbazend groot was.

En als die dwergen nu op zijn schouders staan en zegevierend uitroepen dat zij zooveel verder zien, dan komt dat juist omdat zij op hem staan.

Ik herinner mij levendig de eerste maal dat ik hem zou bezoeken in Nieder-Ingelheim. Niet zonder heiligen schroom naderde ik die woning boven op den berg, vanwaar men den heerlijke Rheingau geheel kan overzien, en toen ik daar aanschelde, klopte mijn hart bepaald sneller. Maar de ontvangst was direkt zo echt vriendschappelijk en hartelijk, wij voelden van beide zijden dat wij ondanks alles strijders waren voor dezelfde zaak, strijders voor waarheid en recht.

Een kenschetsende gebeurtenis zal ik nooit vergeten. Juist voor zijn huis aan den anderen kant van den weg stond een zuil, waaop een prefekt had laten graveeren: "Weg van Karel den Groote, opgericht onder de regeering van Z.M. Napoleon."

Daar zat hij bij voorkeur en ook wij zetten ons daar neder om over allerlei zaken te spreken.

Karel de Groote - Napoleon - Multatuli!

Ik vond die kombinatie altijd treffend en dat een put, die Karel de Groote had laten graven, volgens het zeggen hem nu toebehoorde, dat beviel hem erg.

Nooit is de kombinatie van dit drietal mij uit 't hoofd gegaan. Ja, Multatuli voelde dat er iets van den machtige Karel den Groote, iets van Napoleon in hem woonde en wij aarzelen niet volmondig te erkennen dat in onze schattting Multatuli niet de minste was van de drie, immers hij was een Napoleon in het rijk der gedachten en zoover als dit reikt boven elk ander gebied, zoover staat hij als held des geestes, zegen en goeds verspreidend boven de anderen, die zoveel verderf en verwoesting veroorzaakten.

Weet ge waarop Multatuli geleek?

Op een elektrische batterij, volop geladen en als zoovele vonken spatten zijn IdeŽn tegen ons aan met een overstelpende hoeveelheid en kracht.

Was hij niet ziek, geen zenuwlijder?

Ongetwijfeld was hij een neurasthenicus, maar wat bewijst dit? Vermindert dit eenigszins de waarde van zijn werken? Is tweemaal twee soms geen vier, als een zenuwlijder het zegt?

Dwaze poging om te knagen aan zijn grootheid!

Wij denken dan aan hetgeen Quack eens zo schoon getuigde van zijn leermeester, prof. Martinus des Amorie van der Hoeven, die ook voor een gek werd gehouden: "De dwaasheid van dezre mensch heeft ons meer gesterkt en goed gedaan dan de wijsheid van zoovele anderen."

Daarom, Multatuli... uw naam blijft leven en als ik iets goeds heb verricht in mijn leven, dan dank ik dat voor een groot deel aan den man, die als mijn tweeden opvoeder mijn leermeester en gids is geweest op den weg naar recht en waarheid. En zoolang ik leef, zal ik nooit in gebreke blijven de roem en den lof te verkondigen van den man, die ondanks fouten en tekortkomingen in zijn leven getracht heeft tot waarheid te maken het woord:

De roeping van de mensch is mensch te zijn.


Noten in 't origineel:

1) Het kennen van de oorzaken der dingen.
2) Vooropgevatte of gestelde, aprioristische meeningen.


Nawoord:

F. Domela Nieuwenhuis begon als dominťe en eindigde als leidende Nederlandse anarchist. Hij is tegenwoordig vrijwel vergeten, al staat er een redelijk fraai en redelijk groot standbeeld van hem in Amsterdam.

Het hierboven weergegeven stuk van zijn hand uit 1908, indertijd verkrijgbaar voor 10 cent, heb ik overgenomen voor het Multatuli-deel van mijn site omdat ik het een heel behoorlijk stuk vind dat, anders dan vrijwel alle letterkunde die ik over Multatuli heb gelezen, ingaat op Multatuli zoals deze zich zelf zag: Als maatschappelijk hervormer, als radikaal filosoof, als man van ideeŽn en waarheid, als humanist, als voorstander van wetenschap, als tegenstander van religie en bijgeloof, en als verlicht denker over tal van maatschappelijke, menselijke en filosofische vragen - en niet als Nederlands Literator, alleen belangrijk omdat hij Nederlandse Literatuur schreef die tot de verplichte kost behoort in het VWO (of ooit behoorde - immers: het onderwijs is de afgelopen 40 jaar in Nederland buitengewoon verslechterd over ŗlle linies) en voornamelijk als voertuig en materiaal dient voor scripties en promoties van neerlandistieke letterkundigen, op weg naar inkomens, bekendheid en aanstellingen.

Ik geloof niet dat het veel zin heeft Domela's stuk uitgebreid te annoteren of becommentariŽren, maar ik wil wel een paar aantekeningen en opmerkingen maken.

Om te beginnen is het de moeite waard indien de lezer, het stuk gelezen hebbende, en overwegende dat het feitelijk van de hand van een Nederlands politicus stamt, al was het ook een anarchist, zich afvraagt of hij uit de laatste honderd jaar enige publicaties van politici kent die een enigermate ingewikkeld onderwerp, dat enige studie vergt, zo goed behandelden, in leesbaar en helder Nederlands. Ikzelf zou niet weten van welk Nederlands politicus van de laatste 100 jaar dit gezegd kan worden, al hebben enkelingen daaronder zich wel eens in een eigenhandig geschriftje of boekje tot het publiek gewend.

Vervolgens: Domela is behoorlijk genereus, en geeft tegelijkertijd aan waarom Multatuli zo hoog geacht werd door nogal wat van zijn tijdgenoten, ook indien ze het regelmatig niet met Multatuli eens waren. Immers: Hij schreef zo goed; hij zette zovelen aan het denken; en hij behandelde zo vťťl problemen, vraagstukken, opvattingen en onrechtvaardigheden, alles alweer niet met het doel een gevierd Neerlands Literator te worden, maar met het doel Nederland en Nederlandsch-IndiŽ te hervormen.

En omdat Multatuli uitgebreid schreef over godsdienst, politiek, de zeden, de maatschappij, het onderwijs, de kolonieŽn, en kunst is het prettig eens een niet-letterkundige te hebben gevonden die zelf ook iets voorstelde, zowel als persoon als maatschappelijk, en die althans ingaat op vele onderwerpen die Multatuli publiek en gewoonlijk in schitterend levend Nederlands aan de orde stelde - in plaats van overwegend, als een Nederlandse letterkundige, waar van Multatuli sprake is allťťn de Max Havelaar te behandelen en wat letterkundige of persoonlijke kritiek op Multatuli te vermelden, met voorbijgaan aan de grote meerderheid van zijn inderdaad vaak ketterse ideeŽn over allerlei onderwerpen die alle denkende Nederlanders aangaan, en geen Nederlander in zulk fraai Nederlands behandeld heeft.

Misschien is het echter wel dienstig iets te zeggen over enkele misvattingen van Domela, en wel vooral over die uit de laatste sectie van z'n stuk, voorafgegaan door een opmerking over de citaten die Domela gaf.

Ik heb links geplaatst bij redelijk wat citaten die Domela gaf, en wie ze nakijkt zal zien dat in het stuk zoals ik het vond veel citaten onnauwkeurig zijn, en trouwens ook dat Domela herhaaldelijk iets presenteert dat het midden houdt tussen citaat en samenvatting.

Domela noemt terecht Nietzsche, ook een filosofisch schrijver met een zeer fraaie stijl, en noemt ook het begrip "Uebermenschen", dat zo een bijzonder slechte roep kreeg nadat het gestolen was door de Duitse nationaal-socialisten - die zelf toch veel meer, ook volgens Nietzsche en Multatuli, hadden ze ervan geweten, tot het tegendeel van "Uebermenschen" behoorden. Maar Domela schreef in 1908, en kon niet weten welk misbruik er van Nietzsche en het begrip "Uebermenschen" gemaakt zou gaan worden.

Ook noemt hij Multatuli een "anarchist", en probeert hem op deze manier naar zichzelf toe te trekken, en sympathieker te maken voor z'n eigen volgelingen. Maar dit is toch echt een misvatting of misrepresentatie, want Multatuli was nooit een anarchist in enige gebruikelijke zin van dat woord.

Het is overigens interessant om te zien dat Multatuli scherper het voornaamste gevaar van het socialisme onderkende dan Domela, namelijk de staatsalmacht van een socialistische staat, en de daar vrijwel zeker mee samengaande dictatuur, al is het waar dat Domela zelf ook een tegenstander was van een dergelijke socialistisch staatsalmacht, en onder andere daarom anarchist was.

Dan een opmerking over Multatuli's zo genoemde "neurasthenie", waar iets voor te zeggen valt, en waar een verhaal achter steekt.

Het verhaal is dit. Rond 1862 had Multatuli een flinke tijd een verhouding met zijn veel jongere nichtje Sietske Abrahamsz. De verhouding gaf mede aanleiding tot "Minnebrieven", veroorzaakte overigens een behoorlijk schandaal, en maakte Multatuli's maatschappelijke positie veel moeilijker. Sietske had een jongere broer, Theo, die het rond 1862 goed kon vinden met Multatuli, maar in 1888 ondertussen medicijnen had gestudeerd, carriŤre had gemaakt, en het zijne over Multatuli wilde zeggen, na diens dood in 1887, en daar een boekje over open deed getiteld "Eduard Douwes Dekker (Multatuli) Eene Ziektegeschiedenis".

De medische oordelen van deze dokter ("neurasthenie" e.d.) kunnen gevoegelijk onbehandeld blijven, ingegeven als ze waren door familie-twist en reeds lang verouderde medische ideeŽn, maar het is ongetwijfeld wŠŠr dat Multatuli - afgezien van wat hem verder medisch scheelde, zoals kennelijke manische depressiviteit en asthma - een bijzonder zenuwachtig man geweest moet zijn. Dit wordt ook door diverse van zijn vrienden en bewonderaars opgemerkt die hem persoonlijk meemaakten, en wordt mijns inziens niet voldoende behandeld in de biografieŽn van Multatuli die ik las, zoals van Hermans en Van der Meulen.

Omdat het boekje van Multatuli's neef nogal wat stof had doen opwaaien 20 jaar eerder, en veel gebruikt werd om Multatuli af te breken - op de toon van: "Kijk wie het zei - een zenuwlijder!" -  is het redelijk dat Domela er op in gaat aan het eind van zijn stuk, en wat hij in dit verband zegt lijkt me overwegend terecht.

Overigens lijkt me Multatuli's zenuwachtigheid (hij was zeer bewegelijk, met veel nerveuze gebaren, sprak snel, en was opvliegend, onder andere) meer van belang voor zijn eigen toenmalige maatschappelijke kansen dan voor het tegenwoordige of latere oordeel over hem, dat zich vooral moet baseren op wat hij schreef.

Maar Domela's appreciatie van Multatuli lijkt me overwegend terecht, en inderdaad was Multatuli een "ketter bij uitnemendheid": Een nee-zegger, een zelfstandig denker en beoordeler, een  maatschappelijk hervormer, een radikaal filosoof, een man van ideeŽn en van waarheid, een humanist, een voorstander van wetenschap, een tegenstander van religie en bijgeloof, een verlicht en begaafd denker over tal van maatschappelijke, menselijke en filosofische vragen, en overigens ook nog wat hem in Nederland al ruim 140 jaar bekend houdt, een heel groot schrijver.

Tenslotte zijn er twee andere redenen om in Multatuli geÔnteresseerd te zijn, ook als men het met veel van zijn ideeŽn en idealen niet eens is, die bijvoorbeeld voor mijzelf gelden.

Eťn reden is dat Multatuli het beste voorbeeld is van een genie in Nederland waar ik weet van heb. Wat ik daar mee bedoel heb ik kort toegelicht in mijn commentaren bij de ideŽn 75 en 77, en een commentaar bij Vorstenschool. Er zijn maar hťťl weinig van dergelijke mensen, en hun bestaan is zeer omstreden onder de miljoenen die Nederlander en gťťn genie zijn, maar het is vanwege dergelijke individuen dat een maatschappij, wetenschap, religie of moraal radikaal kan veranderen in korte tijd.

De tweede reden hangt met de eerste samen: Omdat Multatuli door zovelen terecht voor iets bijzonders is gehouden gedurende lange tijd, is er ondertussen meer van hem bekend en over hem gedocumenteerd dan over ieder of vrijwel ieder ander 19e-eeuwse Nederlander, zodat wie een studie wil maken van Nederland in de 19e eeuw of van Nederlanders of de Nederlandse cultuur of literatuur in de 19e eeuw, in Multatuli en het materiaal over hem (vooral maar niet alleen in de delen VIII-XXV van de VW uitgegeven door Van Oorschot) de beste ingang daarvoor heeft.

Maarten Maartensz
Amsterdam
4-5 juni 2006


Link naar de Index IdeeŽn.


Colofon: Domela's stuk heb ik overgetiept begin juni 2006, en op 4 juni opgeladen met een korte inleiding en idem nawoord, en wat correcties en aanvullingen op 5 juni.