|
Fatsoen:
Doen alsof men is, denkt en voelt als de aangepaste conformistische
meerderheid. Dit is de feitelijke
maatschappelijke norm aller normen. Voor werkelijk goed begrip is het
essentieel in te zien dat werkelijk fatsoen neerkomt op volledig extern
conformisme in dienst van eigenbelang: Wat
een mens perfect fatsoenlijk maakt is het vermogen de schijn van
maatschappelijk conformisme hoog te houden in het heldere besef te
liegen en bedriegen,
als ieder ander perfect fatsoenlijk medemens.
Door en door fatsoenlijke mensen wéten hun
fatsoen te huichelen - om welke reden ze het deugdzaam vinden fatsoen van
anderen te eisen. (Zie ook 618).
Merk op dat "het fatsoen"
gewoonlijk strikt evenredig is
met financiële welstand: hoe rijker hoe fatsoenlijker; hoe armer hoe
onfatsoenlijker. Dit is ook geheel vanzelfsprekend: In een maatschappij waar
alles om geld draait moeten in de feitelijke praktijk de
maatschappelijk voortreffelijksten de rijken zijn, volgens de norm waar het
feitelijk om draait. Bovendien geeft rijkdom weer de middelen zich te
conformeren en étaleren in volle maatschappelijk aangepaste
fatsoensrijke glorie.
Welbegrepen werkelijk fatsoen is extern
conformisme, en fatsoenlijke mensen weten huichelaars te zijn - en dat
fatsoenlijke mensen dat nooit publiek toegeven.
Fatsoenlijke mensen zijn gewoonlijk te
herkennen aan een doods uiterlijk, een saaie conversatie, een zeer oppassende
ideeënloosheid, en volledig voorspelbare, volstrekt normale, overwegend
gehuichelde morele normen.
Tenslotte: DE grote aantrekkingskracht van
alle onfatsoen is dat 't bestaat omdat het - zus of zo - lekker is. ("Video
meliora proboque; deteriora sequor." - het goede zien en toestemmen en het
slechte doen is immers gewoonlijk de makkelijkste, veiligste, populairste en
best betaalde weg, en gewoonlijk hoogst fatsoenlijk, omdat ieder geconformeerd
doorsnee mens hetzelfde doet.)
|