-

Maarten Maartensz

Text Philosophy - Boetie - De Vrijwillige Slavernij
 

 

Etienne de la Boétie:
De vrijwillige slavernij


Dit bestand bevat alleen de Nederlandse vertaling van Vertoog over de Vrijwillige Slavernij door Étienne de La Boétie (1530-1563).


Vertoog over de Vrijwillige Slavernij

Étienne de La Boétie

‘Ik zie er het nut niet van in meerdere meesters te dienen.
Laat er slechts één meester zijn.’

Dat is wat Odysseus zei toen hij in Homerus een redevoering hield. Eigenlijk had hij het gewoon moeten houden op ‘Ik zie er het nut niet van in meerdere meesters te dienen’ aangezien één iemand die zichzelf ‘meester’ noemt al erg genoeg is. Maar hij voegde er dus nog aan toe: ‘Laat er slechts één meester zijn.’

Het is natuurlijk zo dat Odysseus die uitspraak deed om een opstandig leger te kalmeren en het zou wel eens kunnen dat hij op dat moment vooral bezig was met de situatie en niet zozeer met de waarheid. Want het vreselijke aan onderworpen zijn is dat je nooit zeker bent van de goede bedoelingen van een meester aangezien die je iets kan aandoen wanneer hij maar wil. En hoe meer meesters je moet dienen, hoe erger.

Een discussie over welke andere regeringsvormen beter zijn dan de monarchie, is hier niet op zijn plaats. En voor ik me de vraag stel wat de plaats van de monarchie zou moeten zijn binnen het openbaar bestuur, zou ik eerst willen weten of die daar wel toe moet worden gerekend. Want wat is er nog openbaar aan een regeringsvorm waarbij alles in handen ligt van één persoon? Maar dat is zo’n uitgebreide materie – die bovendien een hele rits aan politieke discussies zou uitlokken – dat die voor een andere keer is.

Nu probeer ik alleen te begrijpen hoe het mogelijk is dat zoveel landen en volkeren de dictatuur dulden van een enkeling die niet meer macht heeft dan zij hem hebben gegeven. Hij kan hen alleen schade berokkenen en kwaad doen voor zover zij dat toestaan en als zij liever over zich heen laten lopen dan in opstand te komen.

Het is vreemd en tegelijk ook zo gewoon dat je er moedeloos van zou worden: miljoenen mensen gaan gebukt onder een dienstbaarheid waar niemand hen toe gedwongen heeft. Alsof ze betoverd en gefascineerd zijn door de naam van één persoon; door iemand van wie ze geen schrik hoeven te hebben want hij is maar alleen; door iemand die ze zelfs niet hoeven te bewonderen want zijn gedrag is allesbehalve bewonderenswaardig. Een mens is vaak zo zwak dat hij alleen maar kan buigen voor geweld en tijd winnen. We kunnen namelijk niet altijd de sterkste zijn. Het is dus niet zo vreemd dat een volk dat met geweld onderworpen werd, zich ook bij de zaak neerlegt. Maar je kunt het wel betreuren. Of beter nog: het vreemd en jammer vinden helpt niet, je kunt alleen lijdzaam je lot ondergaan en wachten op betere tijden.

Ons leven wordt grotendeels bepaald door toestanden die ontstaan uit persoonlijke relaties. Er is natuurlijk niks mis mee ontzag te hebben voor iemand die goed doet of dankbaar te zijn als een ander wat voor je doet, of om ten koste van jezelf iets te doen voor iemand die je graag mag en die jouw inspanning ook waard is.

Stel nu dat één van de inwoners van een land iemand is die moedig, vooruitziend en zorgzaam is. De inwoners gaan er geleidelijk aan wennen hem te gehoorzamen en hem zozeer te vertrouwen dat hij zelfs bepaalde privileges krijgt. Is het dan wel verstandig die persoon weg te halen uit de functie waarin hij goed presteert en hem een hogere functie te geven waarin hij diezelfde inwoners kwaad kan doen? Want het is zo vreemd niet dat je toegeeflijk bent tegenover iemand die alleen goed heeft gedaan en waarin je ook verder vertrouwen hebt.

Maar waar zijn we dan mee bezig? Het is rampzalig en zelfs pervers dat ontelbaar veel mensen gehoorzamen en dienstbaar zijn terwijl ze eigenlijk niet bestuurd worden maar in een dictatuur leven. Ze spelen hun bezittingen, familie en zelfs hun eigen leven kwijt en moeten plunderingen en wreedheden verdragen. En dan gaat het niet om een leger of een horde barbaren waar je tot je laatste snik tegen moet vechten maar om één iemand, en niet eens de sterkste. Eén enkel mannetje dat vaak ook nog de slapste en lafste is van een heel volk. Een mannetje dat enkel uit de boekjes weet wat oorlog is, dat niet eens een sterke leider is en helemaal onder de knoet leeft van zijn vrouw. Is al wie aan zo iemand gehoorzaamt laf en slap? Als twee, drie of vier mensen zich niet tegen iemand verzetten dan is dat wat vreemd maar nog wel denkbaar en dan kan het echt een kwestie zijn van gebrek aan moed. Maar als het om duizend mensen gaat, gaat het dan niet eerder om zich niet willen verzetten dan om zich niet durven verzetten? En gaat het dan niet eerder om minachting dan om lafheid? Als miljoenen mensen zich niet verzetten tegen die ene persoon door wie ze in het beste geval als slaaf worden behandeld, is er dan nog wel sprake van lafheid?

Alle slechte eigenschappen hebben zo hun grenzen. Twee of misschien wel tien mensen kunnen van één iemand bang zijn. Maar miljoenen mensen die zich niet verweren tegen een enkeling, dat is geen lafheid meer want zover gaat lafheid niet. Net zoals je in je eentje ook geen kasteel bestormt of een land aanvalt omdat moed nu eenmaal zo ver niet gaat.

Over wat gaat het hier dan, over welke eigenschap die blijkbaar zo laag-bij-de-gronds is dat er zelfs geen woord voor bestaat?

Stel dat twee even grote legers tegenover elkaar komen te staan: het ene bestaat uit vrije mensen die vechten voor hun vrijheid en het andere uit soldaten die uit zijn op die vrijheid. Wie wint de strijd denk je? Wie zet alles op alles? De soldaten die hun vrijheid willen behouden of de soldaten die als beloning de onderwerping van de anderen kunnen krijgen?

Wie denk je dat er harder zal vechten: degene die daardoor zijn vrijheid houdt of degene die nadien alleen maar wat te zeggen heeft over de andere? Die ene groep weet hoe gelukkig ze waren en hoopt op een even mooie toekomst. De pijn is voor hen minder belangrijk dan het risico dat ze lopen. De andere groep heeft als enige stimulans zijn honger naar macht. En die verdwijnt van zodra het gevaarlijk wordt, bij de eerste druppel bloed. Bovendien kan die honger nooit zo groot zijn dat ze er de oorlog mee kunnen winnen.

De Grieken leverden 2000 jaar geleden een aantal beroemde veldslagen die ook vandaag nog zo goed gekend zijn dat het wel lijkt alsof het gisteren was. Die veldslagen zijn een voorbeeld voor de hele wereld. Want wat zou aan zo’n kleine groep Grieken die nooit sterk genoeg kon zijn, toch de moed en de doorzetting hebben gegeven om een gigantische vloot af te slaan? Ze hebben volkeren en massa’s soldaten verslaan terwijl de vijand evenveel officieren had als zij manschappen hadden. Dan zou je zo gaan denken dat het toen niet zozeer ging om een veldslag tussen Grieken en Perzen maar tussen vrijheid en dictatuur, tussen de drang om vrij te zijn en de honger naar macht.

Je hoort vaak straffe verhalen over wat die drang naar vrijheid in iemand kan losmaken. Maar als je nu aan iemand zou vertellen dat één persoon er in slaagt honderdduizenden anderen te onderdrukken – wat altijd en overal gebeurt – wie zou dat nu
geloven als hij het alleen ‘van horen zeggen’ had en niet met zijn eigen ogen had gezien. En stel nog dat het alleen in vreemde, verre landen zou gebeuren en iemand zou je dat vertellen, dan zou je zweren dat het verzonnen is. En tegen die ene dictator hoef je zelfs niet te vechten. Het enige wat je moet doen is weigeren hem te gehoorzamen. Je hoeft hem niks af te nemen, gewoon niks geven is al voldoende. Een volk moet geen moeite doen voor zijn eigen welzijn, het moet gewoon niks doen wat tegen dat welzijn indruist. Het is dus het volk zelf dat de onderdrukking toelaat, of beter gezegd, in de hand werkt. Want van zodra het ophoudt onderdanig te zijn, is het ervan af. Het is het volk zelf dat gehoorzaamt en zijn eigen ruiten ingooit. Een volk kan kiezen tussen wel of niet vrij zijn en het is het volk dat ervoor kiest zijn vrijheid te laten schieten en een onderdaan te zijn. Het is het volk zelf dat zijn miserie aanvaardt en in stand houdt. Als het een volk iets zou kosten om die vrijheid te herwinnen, dan zou ik het afraden. Al vraag ik me wel af of er iets belangrijker is dan het doen respecteren van je rechten om – anders gezegd – een mens te zijn in plaats van een dier. Toch vraag ik niet van elk volk dat het zo dapper zou zijn. Ik vind het best als het ervoor kiest om arm te blijven en niet gaat voor de onzekere hoop op een goed leven. Maar als alleen naar vrijheid verlangen al voldoende is om vrij te zijn, als je dat alleen maar moet wensen, is er dan eigenlijk wel een volk dat die prijs nog te hoog vindt?

Eigenlijk is het een beetje als vuur: je gooit een kleine vonk op droog hout en je krijgt een vuur dat steeds groter wordt en blijft branden zolang het hout vindt. Je hebt geen water nodig om dat vuur te doven. Door er gewoon geen hout meer op te gooien, dooft het ten slotte uit en zo gaat het ook met dictators. Hoe meer ze plunderen, hoe meer ze eisen, hoe meer ze vernietigen, hoe sterker ze worden, enzovoort. Als je ze niks geeft en niet gehoorzaamt, dan zijn ze op slag machteloos en verslagen en stellen ze niks meer voor. Net als een boom die verdort en afsterft als hij van zijn wortels geen vocht en voedsel meer krijgt. Als je iets wil, moet je er iets voor doen. En verstandige mensen hebben daar ook iets voor over. Laffe dommeriken daarentegen, zijn niet in staat miserie te ondergaan maar slagen er ook niet in hun situatie te veranderen. Verder dan ernaar verlangen, komen ze niet. En ze hebben de moed niet die verandering op te eisen. Het enige wat ze hebben, is hun aangeboren drang naar geluk. Dat verlangen en die wens om alles te hebben wat je gelukkig zou kunnen maken, is iets wat wijzen en dwazen, dapperen en lafaards gemeen hebben.

Er is maar één ding wat mensen niet automatisch verlangen – vraag me niet waarom – en dat is de vrijheid. En dat terwijl leven zonder vrijheid echt geen pretje is. En zelfs wat er dan nog aan moois overblijft, stelt niks meer voor aangezien alles wordt bezoedeld door het feit dat je onderworpen bent. Vrijheid is het enige waar mensen niet naar verlangen en ik denk dat dat is omdat ze die vrijheid ook meteen zouden bezitten als ze ernaar zouden verlangen. Alsof ze iets wat zo makkelijk te krijgen is, niet willen hebben.

Wat een doffe ellende toch dat alles voor jullie ogen wordt leeggeplunderd, weggehaald en gestolen en dat jullie moeten leven zonder ook maar iets wat van jullie is. Het lijkt wel of jullie al blij zijn als jullie je bezittingen, familie en leven mogen houden. En toch wordt al die ellende jullie niet aangedaan door een groep vijanden maar door één vijand alleen. Diegene namelijk die jullie zo machtig hebben gemaakt als hij nu is, voor wie jullie naar de oorlog gaan en voor wie jullie bereid zijn te sterven. Al heeft hij ook maar twee ogen, twee handen en één lichaam. Hij heeft niet meer dan al de rest, behalve dan het voorrecht dat hij van de anderen heeft gekregen om hun beul te zijn. Hoe zou hij aan al die ogen komen om jullie te bespieden en van waar denk je dat hij al die handen haalt om jullie te slaan en de voeten om jullie mee te vertrappelen? Hoe kan hij macht hebben tenzij jullie die hem hebben gegeven. Hoe durft hij jullie aan te vallen tenzij hij weet dat jullie aan zijn kant staan? Wat zou hij jullie nog kunnen aandoen als jullie hem niet meer beschermden, als jullie geen medeplichtige zouden zijn van jullie eigen moordenaar en als jullie jezelf niet zouden verraden? Jullie zaaien en hij oogst. Jullie zorgen voor de rijkdom en hij gaat er mee lopen. Jullie voeden jullie dochters op en hij bevredigt er zijn lusten op. Jullie brengen je zonen groot en hij stuurt ze het slagveld op. Jullie maken jezelf zwakker zodat hij sterker uitkomt en jullie beter onder de knoet kan houden. Zelfs een beest zou dit niet verdragen. Maar jullie kunnen een einde maken aan al die miserie en jullie hoeven het niet eens te proberen. Er gewoon vanaf willen zijn is al genoeg. Beslis dus gewoon om niet meer onderdanig te zijn, en je bent vrij. En ik vraag niet om een dictator te verjagen of omver te werpen. Hem gewoon niet meer steunen is al voldoende om hem als een enorme kolos zonder voetstuk onder zijn eigen gewicht te zien neerstorten en stukslaan.

Natuurlijk zeggen dokters dat je ongeneeslijke wonden beter niet aanraakt, dus zou ik hier waarschijnlijk ook best over zwijgen. Volkeren beseffen namelijk al lang niet meer hoe erg ze afzien en dat is meteen het bewijs dat het om een dodelijke ziekte gaat. Dus kan een hypothese misschien helpen om er achter te komen waarom die hardnekkige drang naar dienstbaarheid zo diep zit. Alsof ons verlangen naar vrijheid helemaal niet aangeboren is.

Om te beginnen ben ik er zeker van dat we onze ouders zouden gehoorzamen, verstandig zouden handelen en niemands slaaf zouden zijn, als we zouden leven zoals de natuur ons heeft aangeleerd. Iedereen weet dat we als vanzelf gehoorzamen aan onze ouders. Over het al dan niet aangeboren zijn van de rede wordt hevig gediscussieerd en die kwestie wordt ook door elke filosofische school aan de orde gesteld. Maar ik denk niet dat ik er ver naast zit als ik zeg dat in onze ziel altijd een kiem van redelijkheid aanwezig is. Die kiem kan zich ontwikkelen bij wie goede gewoontes aanleert of verstikken en afsterven door een slechte invloed. Maar één ding staat als een paal boven water en dat is dat de natuur ons allemaal op dezelfde manier heeft geschapen en dat we allemaal op elkaar gelijken. Het klopt dat de ene wel eens iets meer heeft gekregen dan de andere op lichamelijk of geestelijk vlak, maar het was niet de bedoeling dat ons leven op het leven in een gevangenis zou gaan lijken. De natuur heeft de sterkste en de slimste niet de wereld ingestuurd om als gewapende bandieten de zwakkeren te koeioneren. Nee, we moeten ervan uitgaan dat de natuur de een wat meer en de ander wat minder heeft gegeven zodat we wat aan elkaar zouden hebben, aangezien de ene hulp kan bieden en de andere hulp kan gebruiken.

Als huis hebben we de hele aardbol gekregen. We wonen allemaal in datzelfde huis en we zien er allemaal net hetzelfde uit zodat iedereen zich kan spiegelen aan een ander en zichzelf kan herkennen in een ander. We hebben van moeder natuur een stem gekregen en leren spreken zodat we elkaar beter kunnen leren kennen, en vriendschappen kunnen sluiten door gedachtenuit te wisselen en zo tot gemeenschappelijke ideeën te komen. De natuur heeft zo goed mogelijk geprobeerd om die verbondenheid tussen de mensen aan te halen. Ze heeft op allerlei manieren getoond dat ze ons niet alleen wilde verenigen maar ook één maken. Daarom moeten we er echt niet aan twijfelen dat we van nature vrij en gelijk zijn. En daarom mag niemand afkomen met het verhaal dat sommigen ondergeschikt zouden zijn.

Maar eigenlijk heeft het niet veel zin te discussiëren over het al dan niet natuurlijk zijn van vrijheid aangezien je van niemand een slaaf kunt maken zonder hem onrecht aan te doen en er is niks wat zo in strijd is met de volkomen rechtvaardige natuur, als onrecht. Conclusie: onze vrijheid is iets natuurlijks. We worden niet alleen als vrije mensen geboren maar we willen die vrijheid ook verdedigen. En als daar nog iemand over twijfelt die zo is afgedwaald dat hij niet meer merkt wat hij heeft en voelt, dan kunnen dieren misschien helpen om de situatie te verduidelijken. Want wie goed luistert, hoort dieren voortdurend ‘Leve de vrijheid’ roepen. Er zijn heel wat dieren die sterven in gevangenschap. Een vis bijvoorbeeld, sterft van zodra hij uit het water wordt gehaald en ook andere dieren willen niet meer blijven leven van zodra ze hun aangeboren vrijheid kwijt zijn. Alle andere dieren verzetten zich zodanig en uit alle macht wanneer ze gevangen worden genomen, dat het wel duidelijk is dat die vrijheid die ze dreigen te verliezen hen erg dierbaar is. En in gevangschap tonen ze duidelijk dat ze zich wel degelijk bewust zijn van hun ellende. Het is echt indrukwekkend om te zien hoe ze liever wegkwijnen dan de rest van hun leven te blijven treuren om dat verloren geluk. Een olifant bijvoorbeeld, die gevochten heeft tot hij niet meer kan, geen uitweg meer ziet en op het punt staat gevangen te worden genomen, slaat zijn kaken tegen een boom om zijn slagtanden af te breken. Alsof hij zo graag vrij wil blijven dat hij zelfs bereid is met de jagers te onderhandelen en ze met zijn ivoor af te kopen. Zijn ivoor als losgeld voor zijn vrijheid. Van zodra een paard wordt geboren, geven we het eten om het eraan te laten wennen dat het moet luisteren. En toch lukt het ons niet van het zo tam te maken dat het nooit meer in de teugels bijt of achteruit schopt als het de sporen krijgt. Ik denk dat een paard op die manier wil tonen dat het niet uit vrije wil dienstbaar is.

Wat kan ik daar verder nog over zeggen? Zelfs een os houdt niet van zijn juk en een vogel in een kooi zingt nooit zo mooi als in de natuur. Het is dus duidelijk dat alles wat gevoel heeft, onderwerping moeilijk verdraagt en vrij wil zijn. Want zelfs dieren die gemaakt zijn om de mens te dienen, kunnen er niet aan wennen zonder heel duidelijk te laten blijken dat ze liever vrij zouden zijn. Hoe komt het dan dat we zo zijn afgedwaald dat we dat primaire verlangen naar onze vrijheid zijn kwijtgeraakt?

Er zijn drie soorten dictators. De eerste soort is gekozen door het volk, de tweede soort kwam met geweld aan de macht en de derde erfde die titel over. Wie met geweld aan de macht kwam, gedraagt zich zoals in veroverd gebied. Wie als dictator geboren werd, is over het algemeen nauwelijks beter. Aangezien hij met die dictatuur werd opgevoed en grootgebracht, beschouwt hij zijn volk als een groep overgeërfde horigen. En of een dictator nu nieuwsgierig of verkwistend is, hij doet met zijn rijk net hetzelfde als met zijn erfenis. Wie zijn macht van het volk heeft gekregen, zou zich eigenlijk beter moeten gedragen. Hij zou dat waarschijnlijk ook wel doen als hij zich op een bepaald moment niet beter ging voelen dan de rest. In de waan van zijn aanzien besluit hij vaak die positie niet meer af te staan. In het algemeen wordt de macht die een dictator van het volk heeft gekregen daarna ook aan zijn kinderen doorgegeven. En het is vreemd hoe een leider na die beslissing ineens vervalt in alle mogelijke slechte gewoontes en zelfs de wreedheden van andere dictators gaat overnemen. Hij kent namelijk geen andere manieren om zijn nieuwe dictatuur veilig te stellen dan zijn onderdanen zodanig te ontvreemden van het begrip vrijheid dat ze niet meer weten wat dat is. Ook al zit de herinnering eraan nog vers in hun geheugen. Ik zie dus wel een verschil tussen de soorten dictators maar vraag me niet om een van hen te kiezen. Ze zijn wel op verschillende manieren aan de macht gekomen maar regeren bijna altijd hetzelfde. Wie verkozen is, behandelt zijn volk als een gevangengenomen dier dat moet worden getemd, een veroveraar behandelt zijn volk als een prooi en een erfopvolger gaat ervan uit dat hij met zijn volk kan doen wat hij wil, net als met een slaaf.

Maar stel nu dat er op dit moment een aantal volkomen nieuwe mensen worden geboren die niet weten wat horigheid en vrijheid zijn en die de woorden zelfs nauwelijks kennen. Als je die nu voor de keuze zou stellen om dienstbaar te zijn of om als vrij mens te leven volgens een aantal regels waarover ze het eens moeten worden, dan zullen ze in elk geval liever voor de regels gaan dan iemand te moeten dienen. Behalve misschien als het om het volk van Israël gaat dat ooit om een koning smeekte, iets waar ik me nog steeds erg druk om kan maken.

Als iemand wordt onderworpen die het nog enigszins waard is mens te worden genoemd, dan wordt die ofwel gedwongen, ofwel misleid. Gedwongen word je door vreemde legers of politiek gekonkel. Maar je verliest je vrijheid vaak door bedrog en dan meestal nog door zelfbedrog. Dat overkwam bijvoorbeeld het volk van Syracuse, een stad in Sicilië, dat zonder verder na te denken dan over de dreigende oorlog, Dionysius benoemde tot leider en opperbevelhebber van het leger. Ze merkten pas hoe machtig ze hem hadden gemaakt toen hij terugkeerde van de oorlog, zichzelf tot koning promoveerde en daarna een dictator werd. Alsof hij niet de vijand maar zijn medeburgers had verslagen. Het is onvoorstelbaar hoe snel een volk zijn vrijheid vergeet als het overwonnen is. Het blijkt dan ook zo goed als onmogelijk om dat volk weer wakker te schudden opdat het die vrijheid terug zou nemen. Het lijkt er zelfs meer op dat een verslagen volk zijn dienstbaarheid wint in plaats van zijn vrijheid te verliezen als je ziet hoe makkelijk het dienstbaar wordt. Het klopt dat in het begin mensen nog wel het gevoel hebben onderdrukt te worden, maar wie daarna geboren wordt en niet echt het gevoel heeft iets te missen, doet met plezier wat zijn voorouders onder dwang deden. Want wie in zo’n situatie wordt geboren en met de paplepel krijgt ingegeven dat hij dienstbaar moet zijn, die is daar tevreden mee en denkt daar niet verder bij na. Aangezien het niet bij hem opkomt dat zijn voorouders misschien ooit andere rechten hebben gehad, is de situatie voor hem normaal. En toch controleren we, in het geval van een erfenis, of we wel alles krijgen waar we recht op hebben en of er niks is wat onze ouders vroeger onrechtmatig is ontnomen. Die macht der gewoonte is nog het sterkst als we dienstbaar moeten leren zijn.

Natuurlijk is het ons karakter dat bepaalt hoe we ons ontwikkelen en of we een goed of een slecht mens worden, maar zelfs dat karakter is minder sterk dan de gewoonte. Want dat karakter gaat verloren als we het niet onderhouden, hoe we ook geboren worden. Het is de manier waarop we worden grootgebracht die ons vormt, ook al gaat die regelrecht in tegen onze natuur. We worden allemaal als goed mens geboren maar dat goede kan niet veel aan en sterft makkelijk af. Je kunt het vergelijken met een fruitboom die zijn eigen specifieke kenmerken houdt als je hem gewoon laat groeien, maar die zijn eigenschappen verliest als hij geënt wordt. Planten hebben zo allemaal hun eigen, natuurlijke en specifieke eigenschappen, maar vorst, weer, bodemgesteldheid en de tuinman kunnen de kwaliteit van een plant danig beïnvloeden. Een plant die je op een bepaalde plek ziet, kan er elders vaak helemaal anders uitzien.

Stel dat er iemand in Venetië rondloopt en ziet hoe de Venetianen zijn: een kleine groep mensen, zo vrij als een vogel, niemand die koning is over al de rest. Ze zijn zo geboren en opgevoed en willen alleen maar zo verstandig en zo zorgvuldig mogelijk omgaan met die vrijheid. Ze zijn er van kleinsaf aan mee grootgebracht en weigeren alle moois van de wereld als ze daardoor ook maar een klein beetje van die vrijheid zouden verliezen. Als je die mensen hebt gezien en dan op reis gaat naar het land van een zogenaamde ‘heer’ en je ziet dat de mensen daar alleen maar op de wereld willen komen om hem te dienen, voor hem te sterven en zijn macht in stand te houden, wat zou je dan denken? Dat die twee groepen identiek waren toen ze op de wereld kwamen? Of zou je denken dat je van een stad vol mensen terechtgekomen was in een dierentuin?

Zo was er ooit een wetgever in Sparta die Lycurgus heette. Hij bracht twee honden groot die uit hetzelfde nest kwamen en gevoed waren door dezelfde moeder. De ene hond werd grootgebracht in de keuken en verwend terwijl de andere buiten leefde en het geluid van een jachthoorn gewoon was. Hij wilde de Spartanen laten zien dat mensen zijn zoals ze worden opgevoed. Hij zette de twee honden midden op de markt met daartussen een bak met voer en een haas. De ene hond ging voor het voer, de andere voor de haas. ‘En toch’, zei hij, ‘zijn het broers’. Hij voedde met zijn wetten en regels de Spartanen zo op dat ze nog liever stierven dan aan iets anders te gehoorzamen dan wet en rede.

Een van de dienaars van de grote Perzische koning Xerxes en twee Spartanen hadden ooit een gesprek dat ook een mooi voorbeeld is. Op het moment dat Xerxes zijn gigantische leger klaar hield om Griekenland te gaan veroveren, stuurde hij gezanten naar de Griekse steden om daar water en aarde te gaan halen. Dat was hun manier om een stad aan te sporen tot de overgave. Maar hij stuurde niemand naar Athene en Sparta want dat had zijn vader ooit al gedaan. Die gezanten waren door de Atheners van de stadsmuren gegooid met de woorden: ‘Haal daar maar zoveel aarde als je wil!’ En bij de Spartanen kwamen ze in een waterput terecht om daar water te halen en dat mee te nemen naar hun koning. De Atheners en Spartanen wilden er zelfs niet over horen spreken dat hun vrijheid zou worden aangetast. Maar de Spartanen wisten dat ze daardoor de Goden hadden kwaadgemaakt en vooral Talthybius, de God der Herauten. Om hem te sussen, stuurden ze twee burgers naar koning Xerxes. Hij mocht met hen doen wat hij wilde, om zo wraak te nemen voor de twee gezanten die zijn vader had gestuurd. Sperthias en Bulis boden zich vrijwillig aan om die schuld te gaan inlossen. Ze vertrokken en kwamen onderweg aan bij het paleis van een Pers, Hidarnes. Hij was de stadshouder van de koning voor alle kuststeden van Azië. Hij was erg gastvrij en nadat ze een tijdje over allerhande zaken hadden gebabbeld, vroeg hij waarom ze de vriendschap van de koning zo resoluut weigerden. ‘Kijk naar mij’, zei hij, ‘en dan zie je hoe goed de koning iemand weet te waarderen die het waard is. Als jullie nu hetzelfde doen voor hem als ik en hij zou jullie kennen, dan zouden jullie allebei een Griekse stad krijgen’. ‘Ja,’ zeiden de Spartanen, ‘maar jouw advies is niet veel waard want je weet wel hoe leuk het is om rijk te zijn, maar je weet niet wat wij voor moois hebben in ruil voor die rijkdom. Je weet heel goed wat het is om in de gunst van een koning te leven maar je weet niet hoe de vrijheid smaakt. Als je daarvan had geproefd, dan zou je ons aanraden voor die vrijheid te kiezen’.

En die Spartanen had helemaal gelijk, maar beide partijen oordeelden zoals ze waren grootgebracht. Want die Pers kon niet treuren om een vrijheid die hij nooit had gekend, net zomin als de Spartanen een leven zonder vrijheid zouden kunnen verdragen.

Toen Cato van Utica nog een kind was, kwam hij samen met zijn leermeester vaak in het huis van dictator Sulla. Hun families waren namelijk zowel vrienden als verwanten. Hij merkte al snel dat er in het huis van Sulla mensen gevangen werden gezet, ter dood veroordeeld en gewurgd en dat Sulla een echte volkstiran was en geen stadsbestuurder zoals het hoorde. De jongen zei op een bepaald ogenblik tegen zijn meester: ‘Waarom geeft u me geen dolk? Ik kan hem binnensmokkelen en ben sterk genoeg om de stad van die man te verlossen.’ Zelfs op die jonge leeftijd al bleek Cato de waardigheid te hebben die hem later zo zou typeren. Als je buiten zijn naam verder niks van Cato zou weten, dan zou je denken dat hij een Romein was die in Rome leefde in de tijd dat Rome nog een vrije stad was.

Ik vertel dit allemaal omdat ik vind dat je medelijden moet hebben met iemand die als slaaf wordt geboren. En daarom vind ik ook dat je het hem moet vergeven als hij niet inziet hoe erg zijn situatie is. Stel dat er een land is waar de zon anders opkomt en ondergaat dan bij ons en waar de mensen zes maanden in het licht en daarna een half jaar in het donker leven. Zou het dan raar zijn als de mensen die tijdens die lange nacht worden geboren, gewend raken aan die duisternis en zelfs niet meer verlangen naar het licht? Mensen kunnen niet verlangen naar iets wat ze nooit hebben gehad en ze gaan iets pas missen als ze weten wat het is. En je kunt niet afzien zonder de herinnering aan iets wat je kwijt bent geraakt. Mensen willen van nature vrij zijn maar ervaren ook alles wat ze met de paplepel binnen kregen als natuurlijk.

Je kunt dus stellen dat alles wat je door je opvoeding en gewoonte aangeleerd krijgt, eigenlijk iets is wat je van nature meekrijgt. Het enige wat je is aangeboren is je primaire, nog onveranderde natuur.

Daarom is de gewoonte de belangrijkste reden waarom mensen vrijwillig slaaf worden. Je kunt ze trouwens vergelijken met paarden die in het begin in de teugels bijten en achteruit schoppen, maar daarna heel volgzaam worden en fier rondstappen met hun borstharnas. Mensen die in vrijwillige slavernij leven, zeggen dat het altijd zo is geweest en dat ook hun voorouders zo hebben geleefd. Ze denken dat ze verplicht zijn dat onrecht te dulden en overtuigen zichzelf daar ook van met allerlei voorbeelden. Ze rechtvaardigen die tirannie bijvoorbeeld omdat de situatie al zo lang bestaat terwijl de duur van een onrecht geen recht geeft op het in stand houden ervan en het alleen maar groter maakt.

Er zijn natuurlijk altijd enkelingen die geboren worden met een sterkere natuur dan al de rest en die de onderdrukking harder aanvoelen. Zij kunnen niet anders dan proberen eronderuit te komen. En omdat ze verstandig en helder van geest zijn, kijken ze niet alleen naar wat er voor hun neus ligt, maar ook voor en achter zich, naar het verleden en de toekomst, om dat heden een plaats te geven. Het zijn mensen die van zichzelf al verstandig zijn maar die dat verstand nog aanscherpen door te studeren en kennis te vergaren. Als de vrijheid volledig verdwenen is, kunnen ze zich die toch nog inbeelden en zich de smaak ervan herinneren. En hoe mooi die dienstbaarheid ook verpakt is, aanvaarden zullen ze het niet.

Een Turkse sultan had ooit goed begrepen dat het vooral de boeken en de wetenschap zijn die ons inzicht doen krijgen in de menselijke natuur en ons een afkeer bezorgen van dictators. Er zouden daarom in zijn land nauwelijks geleerden zijn geweest. Hij wilde ze niet. Het maakt weinig uit hoeveel mensen trouw willen blijven aan de vrijheid. Als hen de vrijheid om te handelen, spreken en zelfs denken is ontnomen, geraken ze helemaal geïsoleerd.

Momus, de god van de spot, was dus toch wel een beetje serieus toen hij, als kritiek op de mens, vroeg waarom die geen raampje in zijn hart had gestoken zodat je zijn gedachten zou kunnen zien.

Er wordt wel eens gezegd dat Brutus, Cassius en Cascus niet wilden dat Cicero meedeed toen ze de bevrijding van Rome en de hele wereld voorbereidden, hoewel die Cicero de grootste ijveraar ooit was voor het algemeen welzijn. Ze vonden dat hij niet moedig en standvastig genoeg was. Ze hadden wel vertrouwen in zijn goede wil maar niet in zijn moed. En toch moet je, als je gaat kijken naar het verleden, constateren dat bijna iedereen die met goede en oprechte bedoelingen probeerde zijn land te bevrijden van een slecht bestuur, zijn doel heeft bereikt en daarbij een handje werd geholpen door de vrijheid die maar al te graag opdook. Brutus de Jongere en Cassius maakten met succes een einde aan die dienstbaarheid maar kwamen om toen ze de vrijheid wilden herstellen wat een grote ramp werd voor de republiek. Naar mijn mening is die toen samen met hen begraven.

De andere aanslagen die daarna tegen Romeinse keizers werden beraamd, waren alleen samenzweringen van ambitieuze mensen die geen medelijden verdienen voor wat hen is overkomen. Want het is wel duidelijk dat ze de kroon alleen op hun eigen hoofd wilden zetten en niet afschaffen, dat ze de dictator wel wilden verjagen maar de dictatuur in stand houden. Ik ben blij dat zij toen hebben aangetoond dat je de vrijheid niet mag misbruiken voor laag-bij-de-grondse plannen.

Maar we dwalen af. De eerste reden waarom mensen graag dienstbaar zijn, is omdat ze als onderworpene worden geboren en opgevoed. En daardoor worden mensen die in een dictatuur leven heel makkelijk laf en weerloos. Ik heb heel veel bewondering voor Hippocrates, de vader van de geneeskunde, omdat hij niet gezwicht is. Hij had beslist om altijd en overal het hart op de juiste plaats te houden en toonde dat heel duidelijk toen zijn koning hem met allerlei geschenken en cadeaus probeerde te paaien. Hij antwoordde ronduit dat hij geen barbaren wilde genezen die de Grieken liever dood dan levend zagen en dat hij weigerde zijn kunnen in dienst te stellen van iemand die Griekenland wilde onderwerpen. Die brief zit nog steeds tussen zijn werken en getuigt ook nu nog van zijn goede inborst.

Het is dus zo dat als je je vrijheid verliest, je ook je moed kwijtgeraakt. Onderworpen mensen gaan niet vrolijk en dapper de strijd in, maar alsof ze gedwongen worden, half verdoofd en zonder enige overtuiging. Ze voelen het vuur van de vrijheid niet branden dat er anders voor zou zorgen dat ze niet letten op het gevaar en vooral eervol en dapper willen sterven tussen hun strijdmakkers. Vrije mensen strijden elk om het hardst voor zichzelf en het algemene welzijn. Zij verwachten namelijk dat ze allemaal zullen delen in de gruwel van een eventuele nederlaag of in de vreugde van een overwinning. Onderworpen mensen verliezen niet alleen hun strijdlust maar ook hun enthousiasme voor alles. Ze zijn moedeloos, willoos en tot niet veel in staat. Dat weten dictators heel goed en als ze zien dat het die kant op gaat, dan helpen ze nog een handje.

Xenophon was een belangrijke Griekse historicus die een boek schreef waarin hij Simonides liet praten met Hiëron, de tiran van Syracuse, over de problemen waar een dictator zoal mee te maken krijgt. Het is een boek vol serieuze maar erg goede kritiek. Als alle dictators zichzelf ooit dat boek als een spiegel hadden voorgehouden, dan hadden ze hun gebreken tenminste moeten toegeven en zouden ze zich geschaamd hebben over hun tekortkomingen.

Xenophon vertelt in deze verhandeling over de moeilijke situatie waarin een dictator leeft. Hij moet namelijk van iedereen schrik hebben omdat hij iedereen wat heeft aangedaan. Hij vertelt ondermeer dat koningen in een oorlog buitenlandse huurlingen moeten gebruiken omdat ze hun eigen mensen geen wapen in handen durven geven. Ze hebben hen het leven namelijk wel erg zuur gemaakt. (Er zijn natuurlijk ook goede koningen geweest die vreemdelingen in dienst namen, ook Franse koningen. Vroeger gebeurde dat vaker dan tegenwoordig maar dat was dan met de bedoeling eigen mensen te sparen. Ik denk dat het Scipio Africanus was die zei dat hij liever het leven van een van zijn burgers zou redden dan honderd vijanden te doden.)

Maar het is wel zo dat een dictator zijn eigen macht pas veilig waant wanneer geen enkele onderdaan nog iets waard is. Dus je kunt hem met recht en rede vragen of hij ‘er echt zo trots op is dat hij beesten commandeert?’

Een heel mooi voorbeeld van een sluwe manier waarop een dictator probeert zijn onderdanen af te stompen is wat Cyrus deed met de Lydiërs, nadat hij zich van hun hoofdstad meester had gemaakt. Hij kreeg het bericht dat de bewoners van de hoofdstad in opstand waren gekomen maar slaagde er al snel in die neer te slagen. Hij vond de stad echter zo mooi dat hij ze niet wilde verwoesten maar hij zag het ook niet zitten van er voortdurend een garnizoen te moeten legeren. Dus opende hij in de stad bordelen en tavernes waar de inwoners gebruik van mochten maken en organiseerde spelen. Dat werkte zo goed dat hij nooit meer hoefde te vechten tegen de Lydiërs. Die mensen gingen zo op in het bedenken van allerlei spelen dat de Romeinen van hen hun woord voor spel, ludus, hebben ontleend. Eigenlijk betekent dat Lydisch. Maar natuurlijk laat niet elke dictator zo duidelijk blijken dat hij zijn onderdanen week en willoos wil maken. Al is het wel zo dat de meeste van hen dat proberen te bereiken.

Het is nu eenmaal zo dat het gewone volk, dat in steden altijd veel talrijker aanwezig is, argwaan heeft tegenover iemand die het goed met hen voorheeft en mensen met slechte bedoelingen vertrouwt. De gretigheid waarmee een vis in een worm aan een haakje hapt, is niks vergeleken bij de snelheid waarmee een volk dienstbaar wordt als het een spreekwoordelijke worst voorgehouden krijgt. En het is al even straf hoe snel ze zich laten gaan als ze ook maar even gepaaid worden. Voorstellingen, spelen, medailles, shows en andere van die verdovende middelen waren in de oudheid lokaas voor dienstbaarheid, de prijs voor de
verloren vrijheid en het gereedschap van een tiran. Het is wat de oude dictators gebruikten om hun onderdanen in slaap te sussen. Het verdwaasde volk vond het leuk en vermaakte zich met wat het kreeg voorgeschoteld. Zo geraakten ze eraan gewend even dienstbaar te zijn als kleine dwaze kinderen. Want gewone kinderen leren tenminste nog lezen. Ook Romeinse dictators misleidden het gepeupel vaak met volksmaaltijden. Want van al die schransers zou er niet één zijn kom hebben laten staan in ruil voor de vrijheid van Plato’s republiek. Dictators deelden hier wat koren, daar wat wijn en elders wat geld uit en het is gewoon zielig hoe er dan ‘Leve de Koning’ werd geroepen. Want die stommelingen hadden niet eens in de gaten dat ze maar een klein beetje terugkregen van wat eigenlijk van hen was en dat die tiran hen dat zelfs niet had kunnen geven als hij het niet eerst had afgepakt. Er waren mensen die de ene dag geld kregen en zich vervolgens volpropten op een volksfeest en de dag daarop alles wat ze hadden, tot hun leven toe, moesten opofferen aan de wreedheid van diezelfde keizer. En dan nog zeiden ze geen woord en gehoorzaamden ze zonder gebaar. Het gewone volk gaat altijd voluit voor genot dat het niet op een fatsoenlijke manier kan krijgen en is ongevoelig voor pijn die het op een fatsoenlijke en oprechte manier kan ondergaan. Ik ken niemand die niet walgt als hij vandaag de dag over Nero hoort spreken. En toch moet je toegeven dat na zijn dood de Romeinen zo triest werden bij de gedachte aan zijn spelen en festijnen, dat het volk bijna rouwde. Dat is wat Cornelius Tacitus schrijft, een serieus en betrouwbaar man. Op zich was dat niet zo vreemd, want de Romeinen hadden dat ook al eens gedaan bij de dood van Julius Caesar. En die schafte immers wetten en vrijheden af en had volgens mij weinig goeds in zich. Zelfs zijn zo geprezen menselijkheid heeft meer schade aangericht dan iemand hem ooit voordeed. Na zijn dood wilde het volk hem een laatste eer bewijzen door hem te cremeren, met de herinnering aan zijn gulle banketten in het achterhoofd. Ze stapelden alle banken van het plein op elkaar en richtten een zuil op ‘voor de vader van het volk’. Ze bewezen hem na zijn dood meer eer dan iemand ooit had verdiend, tenzij misschien zijn moordenaars.

De Romeinse keizers benoemden zichzelf natuurlijk ook allemaal tot volkstribuun. Niet alleen omdat die job als heilig en gewijd werd beschouwd, maar ook omdat dat ambt was ingesteld om het volk te verdedigen en te beschermen. En door die naam alleen al had het volk meer vertrouwen in hen want ze dachten niet verder na over wat de inhoud van die functie moest voorstellen. En wie tegenwoordig al wat hij doet laat voorafgaan door mooie praatjes over het algemeen welzijn, is al niet veel beter.

De koningen van Assyrië en later ook die van de Meden, verschenen niet meteen in het openbaar om het volk te laten geloven dat ze meer waren dan hen. Ze wilden die illusie bij de mensen laten voortleven want mensen laten hun fantasie graag beslissen over de dingen die ze niet met hun eigen ogen hebben gezien. Door die geheimzinnigheid raakten heel wat volkeren die lang onder de Assyrische heerschappij hadden geleefd eraan gewend dienstbaar te zijn. Ze gehoorzaamden makkelijker omdat ze niet wisten wie hun meester was en of er überhaupt wel een meester was. Ze waren gewoon bang voor iemand die ze nooit hadden gezien.

De eerste koningen van Egypte verschenen bijna altijd met een kat, een tak of vuur op hun hoofd. Het was een kwestie van hun eigen uiterlijk te verbergen en ervoor te zorgen dat ze eruit zagen als een tovenaar om bewondering en dienstbaarheid te < kweken bij hun onderdanen. Maar als de mensen nu eens niet zo dom waren geweest, dan hadden ze er het grappige van ingezien. Het is erg als je hoort hoeveel trucs die dictators in het verleden hebben gebruikt om hun macht te bevestigen en hoe het volk zich altijd opnieuw liet beetnemen, hoe dom de valstrik ook was.

Er is nog zo’n voorbeeld dat in de oudheid als zoete koek werd geslikt. Het volk geloofde namelijk dat de grote teen van Pyrrhus, de koning van Ephyrrus, wonderen kon verrichten en miltvuur kon genezen. Dat verhaal werd nog wat aangedikt door te vertellen dat die teen helemaal intact en onaangetast was gebleven nadat de koning na zijn dood was verast. En zo werden leugens verzonnen die vervolgens waarheid werden. Heel wat auteurs hebben dergelijke dingen beschreven maar dan wel op zo’n manier dat je merkt dat ze hun nieuws uit praatjes hadden gehaald. Toen Vespasianus op weg was van Assyrië naar Rome, kwam hij langs Alexandrië en verrichte een aantal wonderen. Hij liet kreupelen lopen en deed blinden weer zien maar wie niet doorhad dat het allemaal doorgestoken kaart was, was volgens mij blinder dan de blinden die hij zogenaamd genas.

De machthebbers zelf vonden het heel vreemd dat mensen in staat bleken iemand te beminnen die hen in de miserie stortte. Ze probeerden zich dus te verschuilen achter het geloof en zich als goden voor te doen om hun slechte gewoontes te kunnen aanhouden. Zo zou Salmoneus nu in de hel moeten boeten omdat hij gelachen had met de mensen en Jupiter probeerde te imiteren:

Salmoneus aapte Jupiters donder en bliksem na maar dat kwam hem duur te staan:hij reed door ‘t hele Griekse land met vier paarden en een fakkel,waande zich even goddelijk, met zijn hoefgedreun en kopergeklater Maar Jupiter sloeg hem neer, de storm nam hem mee.

Als iemand die alleen maar onnozel deed daar beneden in de hel al zo hard wordt aangepakt, dan vrees ik voor degene die het geloof heeft misbruikt om kwaad te doen.

Wat ik dus aan het zeggen was, is dat dictators altijd al heel erg hun best hebben gedaan om hun eigen positie veilig te stellen en het volk gedienstig te doen gehoorzamen. Maar ze laten ons ook aan religieuze verering doen. Dus alles wat ik net heb genoemd als reden voor die volkse slaafsheid, kan een dictator toepassen op gewoon, onwetend volk.

Nu kom ik bij wat volgens mij de geheime kracht is van de macht, wat de fundamenten zijn van een dictatuur en die ook in stand houdt. Ik denk dat je je schromelijk vergist als je ervan uitgaat dat het de bewaking en de spionnen zijn die een dictator beschermen. Ik denk dat ze die meer gebruiken als uiterlijk vertoon en als middel om het volk af te schrikken, dan dat ze die echt vertrouwen. Een bewaker kan wel een arme sloeber tegenhouden die tegen een dictator toch niks kan beginnen, maar geen goed bewapende kerel. Wat de Romeinse keizers betreft is het in elk geval zo, dat er minder bewakers het leven van hun keizer wisten te redden, dan dat er keizers door hun eigen mensen zijn omgebracht. Een dictator wordt niet beschermd door zijn leger en wapens. Je bent misschien niet meteen geneigd dat te geloven maar het is wel waar. Het zijn altijd vier of vijf mensen die een dictator aan de macht houden, vier of vijf mensen die een heel land onderdrukken. Vijf of zes mensen naar wie een dictator luistert. Die mensen zijn uit zichzelf naar die dictator toegegaan of zijn door hem gevraagd om medeplichtig te zijn bij zijn wreedheden, pooier te spelen ter bevrediging van zijn wellust, en mee te profiteren van zijn roverijen. Die zes pakken het zo goed aan dat een dictator niet alleen zijn eigen boosaardigheid botviert op de maatschappij maar ook die van hen. En die zes hebben elk zeshonderd mensen onder hun leiding die mee profiteren van de hele zaak en die ze corrumperen zoals zij de tiran hebben gecorrumpeerd. Die zeshonderd hebben er dan nog eens zesduizend onder zich die ze een of andere hoge functie geven, macht of beheer van geld, zodat ze die door hun hebzucht en wreedheid in hun macht hebben. Die zesduizend onderdanen moeten die hebzucht en wreedheid op het juiste moment aanwenden en zoveel kwaad aanrichten dat ze alleen door bescherming van hogerop kunnen blijven leven en alleen met die hulp kunnen ontkomen aan wetten en straffen. En talloze anderen volgen. Wie wil proberen dat netwerk te ontrafelen, zal merken dat niet zesduizend, maar honderdduizenden en uiteindelijk miljoenen mensen op die manier iets te maken hebben met de dictator. En die maakt daarvan gebruik, net als Jupiter in de Homerus waar hij zegt dat hij alle goden naar zich toetrekt als hij aan de ketting trekt. Dit is ook meteen waarom de senaat onder Julius Caesar werd uitgebreid en waarom er nieuwe functies en nieuwe instanties kwamen. Dat was niet om de rechtspraak te hervormen maar om de macht van de dictator te vergroten. Kortom, door alle profijt en gunsten die men ontvangt van de tiran, blijkt altijd dat er bijna evenveel mensen zijn voor wie de dictatuur een voordeel is dan dat er mensen zijn die liever vrij zouden zijn.

Volgens artsen gebeurt hetzelfde met ons lichaam. Als alles in orde is behalve één zieke plek, dan concentreert alles zich op dat deel. Van zodra een koning zichzelf tot tiran uitroept, zal hij omringd worden door de slechten, door het uitschot van het rijk, door diegenen die branden van ambitie, door de hebzuchtigen, die hem steunen om in de buit te kunnen delen, en om in de schaduw van de grote tiran als kleine tirannetjes te kunnen optreden. En dan heb ik het niet over kleine bendes en boefjes maar over mensen die voor geld over lijken gaan. Dat is ook wat grote rovers en zeerovers doen. De ene werkt op het land en de andere op zee, de ene ligt in een hinderlaag en de andere op de loer, de ene doodt en de andere rooft. En ook al zijn er in die bendes rangen en standen en gaat het altijd om knechten en aanvoerders, toch voelt elk van hen dat hij aan de rooftocht deel heeft.

Er wordt wel eens gezegd dat men geen andere keuze had dan Pompeius op de piraten van Sicilië af te sturen. Die waren namelijk niet alleen met veel maar ze hadden van een aantal grote, mooie steden hun bondgenoot weten te maken. Ze stonden een deel van hun winst af om er hun buit te mogen verbergen en er veilig te kunnen schuilen. Een dictator onderwerpt zo het ene deel van zijn onderdanen met behulp van de rest. En hij zou bang moeten zijn voor degene die hem bewaakt als die niet zo corrupt was.

Om hout te splijten, heb je namelijk houten wiggen nodig en die wiggen zijn de lijfwachten en bewakers van een dictator. Niet dat ze nooit iets van hem te verduren krijgen, maar ze ondergaan het kwaad om zelf kwaad te kunnen doen. Niet tegenover degene die hen dat kwaad aandoet, maar tegenover diegenen die net als zij het onrecht ondergaan en daar niets aan kunnen doen. Ik sta vaak paf als ik zie hoe slecht mensen kunnen worden die op een goed blaadje proberen te komen bij een dictator omdat ze deel willen uitmaken van de dictatuur en willen meewerken aan de onderwerping van het volk. Al heb ik soms ook medelijden met hun dommigheid. Want wie wil meeheulen met een dictator laat zijn vrijheid achter en gaat vrijwillig dienstbaar doen.

Als ze al hun ambities eens opzij zouden zetten, die hebzucht wat verminderen en dan eens goed naar zichzelf zouden kijken, dan zouden ze zien dat die dorpelingen en boeren die door hen zo slecht behandeld worden, eigenlijk nog gelukkiger en vrijer zijn dan zijzelf. Want boeren en arbeiders worden dan wel uitgebuit, maar zodra ze gedaan hebben wat ze moeten doen zijn ze er vanaf. Rond een dictator cirkelen echter hele zwermen mensen die hem opvrijen en die niet alleen moeten doen wat hij zegt, maar ook bedenken wat hij wil en vaak zelfs zijn gedachten moeten raden. Ze moeten niet alleen gehoorzamen, maar ook bij hem in de smaak vallen. Ze moeten zich kapot werken en plezier beleven aan wat hij leuk vindt. Ze laten hun eigen smaak staan voor die van hem. Ze moeten alles vergeten wat hen aangeboren is en goed letten op de woorden, stem, gebaren en blikken van de dictator. Ze moeten volledig beschikbaar zijn om zijn wensen te raden en zijn gedachten te lezen. Is dat een gelukkig leven? Is dat een leven? Is er iets wat voor een mens erger is dan zo te moeten leven? En dan heb ik het niet over iemand van goede komaf met een degelijke opleiding, nee, gewoon over een menselijk wezen met een portie gezond verstand. Is er iets ergers dan zo’n leven te lijden waarbij je niks van jezelf hebt en alles van een ander afhangt?

Maar die mensen willen juist dienstbaar zijn om bezit te vergaren. Alsof daarvan ooit iets van hen zou zijn, want ze zijn niet eens van zichzelf. En toch willen ze ‘hebben’, alsof dat mogelijk is in een dictatuur. Ze zien niet in dat ze die dictator zelf de macht hebben gegeven om alles van iedereen af te pakken. Ze zien mensen slachtoffer worden van zijn wreedheid enkel en alleen omwille van hun bezit. Als er een misdaad wordt gepleegd tegen die dictator, dan gaan de zwaarste straffen naar misdaden die met zijn bezit te maken hadden. Het is duidelijk dat een dictator alleen van zijn rijkdommen houdt en alleen de rijken berooft. En toch komen die rijken als makke schapen op hem af en wakkeren zo zijn hebzucht aan. Ze zouden eigenlijk niet mogen denken aan iedereen aan het hof die rijk is geworden, maar zouden moeten stilstaan bij al die mensen die heel even rijk zijn geweest en daarna alles zijn kwijtgeraakt. Ze zouden niet mogen denken aan hoeveel rijken er zijn maar aan hoeveel rijken nu weer arm zijn. Als je de hele geschiedenis bekijkt, dan zie je heel goed hoeveel mensen door slechte bedoelingen of hun eigen stommiteit wel op een goed blaadje zijn gekomen bij een vorst maar uiteindelijk door diezelfde vorst in de ellende werden gestort. Want het is voor een vorst even makkelijk om je groot te maken als om je kapot te maken. Van al die mensen die ooit op een goed blaadje hebben gestaan bij een van de vele slechte koningen, zijn er weinig of geen die nooit zelf te maken hebben gekregen met hun wreedheid; met die wreedheid die ze eerst zelf, tegenover een ander, bij die koning hadden aangewakkerd. Want meestal werden ze wel rijk onder zijn bescherming maar ging hun eigen geld uiteindelijk toch naar hem.

En zelfs een oprecht goed mens, als het hem al lukt om in de gunst van een dictator te komen, houdt het nooit lang vol. Ook al dwingt hij een enorm respect af. Wie goed is krijgt namelijk net als iedereen met het kwaad van een dictatuur te maken. Seneca, Burrus en Thrasea bijvoorbeeld, waren drie van die mannen met het hart op de juiste plaats. De eerste twee kregen te maken met een dictator en waren zelfs zijn naaste medewerkers. Ze waren allebei heel erg gerespecteerd en bijzonder geliefd. Een van de twee had die dictator zelfs opgevoed, een reden te meer dus voor hun goede verstandhouding. Maar ze stierven alledrie een wrede dood, wat nog maar eens bewijst dat je nooit zeker kunt zijn van de gunst van een slechte meester. Maar wat voor vriendschap kun je eigenlijk verwachten van iemand die zo gevoelloos is dat hij zijn rijk, dat hem alleen maar gehoorzaamt, wil vernietigen? En als je denkt dat die drie te goedgelovig waren voor de omstandigheden en daardoor zijn omgebracht, dan moet je Nero’s hofhouding maar eens van dichtbij bekijken. Dan zie je dat mensen met slechtere bedoelingen het niet langer volhielden dan hen. Nero was helemaal gek op zijn vrouw, zag haar enorm graag en toch vergiftigde hij haar. Zijn eigen moeder had haar echtgenoot vermoord om haar zoon op de troon te helpen en niks was haar te veel als ze voor hem iets kon doen. En toch heeft Nero haar vernederd en uiteindelijk vermoord. Iedereen zou toen gezegd hebben dat het haar verdiende loon was, maar van haar eigen zoon voor wie ze alles had gedaan, had ze het nu net niet verdiend. Niemand was ook makkelijker te beïnvloeden, goedgeloviger of naïever dan keizer Claudius. Zijn vrouw Messalina had het voor het zeggen. Maar uiteindelijk is zij wel degene die vermoord werd. Een domme dictator is namelijk te dom om goed te doen. Want hoe dom ze ook zijn, toch komt op de ene of andere manier altijd de gedachte bij hen op om wreed te gaan doen, zelfs tegen de mensen die ze liefhebben. Zo was er eens een tiran die zijn vrouw zo graag zag dat hij niet zonder haar kon leven. Maar toch zei hij ooit liefkozend, toen hij haar blote hals zag: ‘Die mooie hals wordt onmiddellijk afgesneden als ik dat wil.’ Vandaar dat de meeste dictators uit de oudheid gedood werden door mensen die erg dicht bij hen stonden en die ze het liefst hadden. Want die wisten namelijk wat een ware dictatuur was en ook dat ze nooit helemaal zeker konden zijn van wat hij met hen zou aanvangen, behalve dan dat ze zijn macht altijd moesten wantrouwen. En zo zijn er veel verhalen.

Een dictator is nooit geliefd en heeft nooit lief. Vriendschap is een heilig woord en kan alleen bestaan tussen mensen met het hart op de juiste plaats die respect hebben voor elkaar. Vriendschap draait niet om cadeaus maar is een levenswijze. Je kunt pas zeker zijn van de vriendschap van een ander als je weet dat die een goed hart heeft waar een goed karakter, betrouwbaarheid en trouw borg voor staan. Vriendschap gaat nooit samen met wreedheid, trouweloosheid en onrechtvaardigheid. Een groep slechte mensen die bij elkaar komen is een complot en geen groep vrienden, die zien elkaar niet graag maar hebben schrik van elkaar. Dat zijn geen vrienden maar medeplichtigen.

En zelfs als dat allemaal geen probleem zou zijn, dan nog zou het heel moeilijk zijn om echte liefde te vinden in een dictator want hij staat boven alles en iedereen en niemand is gelijk aan hem. Vriendschap is op gelijkheid gebaseerd en voor hem dus per definitie onmogelijk. Er wordt wel eens gezegd dat dieven elkaar altijd vertrouwen bij de verdeling van de buit omdat ze aan elkaar gelijk zijn en vrienden zijn. Hun kracht zit juist in die eenheid en die willen ze niet kapotmaken door te gaan ruziën. Maar een gunsteling van een dictator kan die dictator nooit vertrouwen want hij heeft immers van hem geleerd dat een dictator met zijn gunstelingen kan doen wat hij wil, dat hij zich aan geen enkele regel hoeft te houden en over iedereen heer en meester is.

Het is ronduit onvoorstelbaar dat ondanks al die voorbeelden niemand lessen wil trekken uit het ongeluk dat een ander is overkomen. En dat van al die mensen die hebberig op die tiran afkomen, niemand zo verstandig of moedig is om tegen hem te zeggen wat de vos zei tegen de leeuw, die deed alsof hij ziek was: ‘Ik zou je wel willen komen bezoeken en ik zie heel veel sporen van dieren die dat ook hebben gedaan, maar ik zie geen enkel spoor van een dier dat is teruggekomen.’ Die sukkels zien het gefonkel van het geld van een dictator en staan met open mond te staren naar al dat geglitter. Ze komen dichterbij en merken niet dat ze zich ondertussen branden aan die vlam. Volgens oude fabels gebeurde dat ook met Sater die het vuur zag dat Prometheus had gevonden. Hij vond het zo mooi dat hij het wilde kussen. En net hetzelfde is gebeurd met de vlinder die het fonkelende vuur invloog en toen pas merkte dat vuur ook brandt.

Maar goed, stel nog dat die gunstelingen niet het slachtoffer worden van hun eigen koning. Dan kunnen ze aan de koning die hem opvolgt in elk geval niet ontkomen. Als het een goede koning is, moeten ze op zijn minst de rede erkennen. En als het een slechte koning is, net als hun eigen koning was, dan zal die zelf ook gunstelingen hebben die niet alleen hun plaats willen innemen maar ook hun bezittingen en levens. Hoe kan het toch dat iemand dat enorme risico en die onzekerheid wil aangaan en zich met zoveel moeite en ellende in zo’n vreselijke positie wil werken? Want het moet een ongelooflijke marteling zijn om dag en nacht na te moeten denken over hoe je iemand een plezier kunt doen terwijl je er meer schrik van hebt dan van wie ook ter wereld. Zoveel schrik dat je constant om je heen kijkt en je oren open houdt om op tijd te kunnen zien van waar de klap komt, waar de hinderlaag ligt en wat je kunt aflezen van het gezicht van de mensen om je heen. En dat alles om erachter te komen wie jou gaat verraden terwijl je ondertussen tegen iedereen moet glimlachen en er tegelijkertijd schrik van moet hebben, terwijl je geen enkele openlijke vijand hebt maar ook geen enkele echte vriend, terwijl je altijd moet lachen hoewel je eigenlijk bang bent, terwijl je nooit echt blij bent maar ook niet droevig durft te zijn.

En dan moet je weten wat de beloning is die ze uiteindelijk krijgen voor al die ellende en al die moeite. Een volk zal niet gauw de dictator de schuld geven van hun ellende maar wel de mensen die regeren. Als er iets misgaat, zijn zij het die de wind van voren krijgen, die de volle lading krijgen en alle gesmeek, geroep en getier moeten aanhoren. Dat is wat zij krijgen in ruil voor hun diensten. En zelfs generaties later wordt er nog over hun schandelijke gedrag gesproken, worden ze nog door het slijk gehaald als straf voor hun slechte leven.

We zouden dus beter voor eens en voor altijd leren van juist te doen en te handelen. Want niets is zo in strijd met de verdraagzaamheid en zachtmoedigheid van God dan de tirannie van een dictator.