Prev-IndexNL-Next

Nederlog

Wednesday, Mar 8, 2017

Over Geestelijke Gezondheid En Gestoordheid

Sections                                                                    
Introduction

Deel 1. Over geestelijke gezondheid en gestoordheid

Deel 2. Over het bewustzijn en de persoonlijkheid
Deel 3. Over emoties, gevoelens,  en waarderingen
Deel 4. Over personen
Introduction:

This is a Nederlog of March 8, 2017. It is the complete Dutch version of my "On mental health and disorder" that was originally written in 1986/1987 (in Dutch) and that was published earlier in a bit worse format and in four parts between 2013 and 2017. This is in textual content almost the same as the earlier separately published parts, but the formatting, especially in Part 2 and Part 3, is considerably improved. Also, although what follows was in fact - apart from 95 notes of this year -
written in 1986/1987, it still mostly represents what I think about psychiatry, although I would have used some slightly different terms at several places. The rest is in Dutch:




Over Geestelijke Gezondheid En Gestoordheid

"Zinloos zijn de woorden van een filosoof waardoor geen menselijk lijden wordt genezen. [1] Want precies zoals de geneeskunde zinloos is wanneer ze niet in staat is de ziekten  van het lichaam te genezen, zo is de filosofie zinloos als ze niet in staat is het lijden van de geest te genezen."
-- Epicurus,  341-270 v. Chr.











0. Inleiding:
Ik geloof dat het in sommige gevallen gerechtvaardigd is om iemand voor gek te verklaren, omdat dit in sommige gevallen een waar oordeel is. Maar lang niet iedereen die voor gek verklaard wordt is het, en lang niet iedereen die niet voor gek verklaard wordt is het niet, terwijl de rechtvaardiging van het oordeel dat iemand gek zou zijn - dat vrijwel altijd een persoonlijke en sociale veroordeling inhoudt - heel moeilijk is, en in de meeste gevallen, ook al is het waar, moreel en intellektueel onvoldoende verantwoord wordt.

Ik denk ook dat er, en dat niet alleen in de Sovjet-Unie [1a], op grote schaal misbruik  wordt gemaakt van de psychiatrie; dat de meeste psycho-therapieŽn grotendeels ondoelmatig en inefficiŽnt zijn; en dat het betitelen van een vorm van geloof of gedrag als "waanzinnig", "psychotisch" of "gestoord", in een wereld beheersd door een wijd verspreide sociaal geaccepteerde politieke en religieuze waanideeŽn, een precair oordeel is.

En ik geloof dat het belangrijk is om een enigszins adekwaat inzicht te hebben in hoe de menselijke geest werkt; in wat een persoonlijkheid is; en in de diverse vormen van geestelijke ontsporing; en dat dit inzicht te vinden is, en verspreid ligt in verhandelingen van filosofische, psychologische, psychiatrische, religieuze, logische en literaire aard. [2]

In dit essay breng ik wat van deze inzichten samen en geef mijn eigen visie op geestelijke gezond- heid, waanzin en gestoordheid in een zo beknopt mogelijke vorm, waarin alle discussie, kritiek en verwijzing in de hoofdtekst vermeden is. De tekst bestaat in totaal uit vier delen en een appendix.
In het eerste deel worden geestelijke gezondheid en vervreemding omschreven; in het tweede deel het bewustzijn en de persoonlijkheid; in het derde deel worden emoies, gevoelens en waarderingen behandeld; en  in het vierde de gestoordheid, met bijzondere aandacht voor het begrip schizofrenie. [3]

Omdat ik vooral gestreefd heb naar duidelijkheid en beknoptheid heb ik veel gebruik gemaakt van (partiŽle) definities en opsommingen, en heb ik de materie in paragrafen ingedeeld waarvan de centrale stellingen en definities in de laatste paragraaf, die onafhankelijk leesbaar is, worden samengevat. In de appendix worden achtergrondsinformatie en literatuurverwijzingen vermengd met verschillende kritische opmerkingen en uitweidingen. [4]

----------------

I. Over geestelijke gezondheid
In dit deel worden de fundamenten van het voor gek verklaren besproken; een definitie van geestelijke gezondheid geboden; uitgelegd wat wetenschap is; ingegaan op de begrippen rationeel en redelijk; verklaard waarom de meeste mensen dat vaak niet zijn; en de begripen ideologie en vervreemding behandeld. Dit deel is vooral filosofisch. [5]

1. Een ander voor gek verklaren is vrijwel altijd denigrerend: Het suggereert dat de ander niet goed
    na kan denken; geen of weinig begrip heeft voor de eigen situatie; zichzelf niet goed kan beheersen, sociaal een mislukkeling is, of om andere redenen een minderwaardig mens is; en het suggereert dat de spreker wel goed na kan denken; wel begrip heeft voor de eigen situatie ťn voor die van de ander; zichzelf wel goed kan beheersen; en sociaal geslaagd en een waardevol mens is.

Bedoeld of niet, gewenst of niet, voor gek verklaard worden heeft daarom vrijwel altijd aanzienlijke persoonlijke of interpersoonlijke gevolgen. Het is stigmatiserend en vernederend; het ontneemt iemand's gevoel voor eigenwaarde; het ontzegt iemand het vermogen zinnig over zichzelf en anderen te oordelen en maakt het iemand daarmee tegelijk onmogelijk het stigma redelijkerwijs aan te vallen; en in de handen van een arts of psychiater kan het een middel worden al dan niet gedwongen medicijnen toe te dienen en geheel of gedeeltelijk van de burgerlijke of menselijke rechten te ontdoen. [6]

Te zeggen dat iemand gek, waanzinnig, of geestelijk gestoord is, is daarom een verregaande vorm van persoonlijke vernedering en veronderstelt bij de spreker een minstens even ver gaand inzicht in de fundamentele menselijke vragen - wat en hoe de werkelijkheid is en behoort te zijn; wat goed en kwaad zijn; wat waarheid, waarschijnlijkheid, en rationeel en redelijk verantwoord denken en argumenteren zijn; en waartoe men behoort te handelen en waarvoor men behoort te leven.

2. Het oordeel dat iemand wel, niet of tot een bepaalde hoogte waanzinnigi is, is (in ieder geval)
    tegelijk een filosofisch, psychologisch, ethisch en persoonlijk oordeel.

Het oordeel is filosofisch omdat het ideeŽn, oordelen en kennis over wat waarheid, kennis, werkelijkheid en de menselijke konditie is veronderstelt; het is psychologisch omdat het ideeŽn, oordelen en kennis over de menselijke geestelijke en perceptieve vermogens, gemiddelden en extremen veronderstelt; het is ethisch omdat het ideeŽn, oordelen en kennis over wat maatschappelijk normaal is veronderstelt; en het is tenslotte een persoonlijk oordeel omdat het een oordeel over een menselijk wezen is dat deze groot voor- of na-deel kan berokkenen.

3. Op het eerste gezicht lijkt geestelijke gezondheid een nog veel moeilijker te omschrijven
    eigenschap dan lichamelijke gezondheid, die althans nog enigszins meetbaar is met bijvoorbeeld sportfysiologische middelen en tamelijk objectief gebaseerde kennis wat betreft het menselijk lichamelijk prestatievermogen.

Eťn reden voor deze moeilijkheid is de onaanwijsbaarheid en complexiteit van de menselijke geest; een andere is de pluriformiteit van de menselijke cultuur en persoonlijkheid: zoveel hoofden, zoveel zinnen; zoveel culturen, zoveel idealen, en allemaal gedeeltelijk in tegenspraak wat betreft fundamentele filosofische en menselijke vragen en idealen; en een derde moeilijkheid is het mengsel van waarheid en onwaarheid en verwardheid en helderheid dat gewoonlijk als antwoord op deze fundamentele vragen gehanteerd wordt en waarnaar mensen hun leven en zelfbeeld inrichten.

Hoe het ook zij, geestelijke gezondheid is een vrij helder te omschrijven begrip, althans zolang men zich voor ogen houdt dat het geen ťťn-dimensionele eigenschap is; dat het altijd een kwestie is van meer of minder en niet van ja of nee is; dat het in ieder geval de theoretische, ethische en waarnemings- vermogens van de mens betreft; en dat het dus tegelijk een feitelijk gebaseerd en normatief begrip is: Het is tegelijk een oordeel over wat de mens kan zijn ťn behoort te zijn. [7]

4. Wat mensen verder ook zijn, ze moeten leven en zich oriŽnteren met behulp van ideeŽn over wat
    de werkelijkheid is; idealen waarnaar ze kunnen streven en hun waarderingen op kunnen baseren; en waarnemingen aan de hand waarvan ze zowel hun onmiddellijk handelen kunnen oriŽnteren als ideeŽn en idealen kunnen beoordelen op hun bruikbaarheid.

De mens is het ideologische dier: Een wezen dat zijn leven inricht, interpreteert en begrijpt met behulp van ideeŽn en idealen over wat de werkelijkheid is en zou moeten zijn. De voornaamste criteria voor menselijke geestelijke gezondheid zijn daarom criteria betreffende hoe mensen hun verstandelijke en zintuiglijke vermogens gebruiken om tot begrip, waardering en waarneming van de werkelijkheid, zichzelf en anderen te komen.

5. Dergelijke ideeŽn kunnen het best geformuleerd worden middels een partiŽle definitie, d.w.z. een
    bewering over welke eigenschappen iets in ieder geval moet hebben om met ťťn bepaalde, dan aan die eigenschappen refererende, term of uitdrukking betiteld te worden. [8]

Niet-triviale definities zijn altijd tegelijk aannames over wat kenmerkend is voor wat gedefinieerd wordt ťn veronderstellen om de gedefinieerde term in een bepaalde, eventueel tot dan toe niet normale, betekenis te gebruiken. In wat volgt zullen gedefinieerde termen onderstreept worden.

Zoals ik de term wens te gebruiken, acht ik lichamelijk volwassen personen geestelijk gezond in de mate dat ze

  • rationeel zijn, d.w.z. theorieŽn hanteren en nastreven die logisch,
            testbaar, geinformeerd en gefundeerd zijn;
  • redelijk zijn, d..w.z. idealen aanhangen en nastreven die ethisch,
            praktiseerbaar, leefbaar en tolerant zijn; en
  • niet-hallucinerend zijn, d.w.z. feitelijk correcte waarnemingen doen
            en niet menen waar te nemen wat er niet is. [9]
Dat geestelijke gezondheid gradueel is en kan variŽren met de tijd wordt uitgedrukt door "in de mate dat", terwijl de drie criteria respectievelijk de theoretische, ethische en waarnemings-vermogens van de mens betreffen.

Deze criteria zijn van fundamenteel belang om mensen en huin ideeŽn en idealen naar waarde in te schatten. In de volgende paragrafen wordt hun betekenis toegelicht, gedeeltelijk met hulp van partiŽle definities van de in de criteria voor geestelijke gezondheid genoemde termen.

6. Personen zijn rationeel in de mate dat ze naar theorieŽn handelen en streven die
  • logisch geldig zijn, d.w.z. uit aannames (hypotheseb, veronderstellingen)
              en conclusies bestaan waarbij de cnclusies uit de aannames
              volgen en de aanames mogelijk waar en niet onderling strijdig zijn
  • testbaar zijn, d.w.z. uit aannames waaruit logischerwijs conclusies
              volgen die met behulp van de waarneming bevestigd of weerlegd
              kunnen worden
  • geÔnformeerd zijn, d.w.z. degene die de theorie hanteert is bekend met
              en begrijpt de alternatieve theorieŽn voor de verschijnselen ter
              verklaring waarvan de theorie gebruikt wordt;
  • gefundeerd zijn, d.w.z. logisch, testbaar, niet weerlegd en gesteund door
              waarnemingen ontleend aan niet-partijdige controleerbare
              procedures.
Dit zijn de fundamentele criteria waaraan een willekeurige theorie, d.w.z. een willekeurig in taal uitgedrukt geloof over de werkelijkheid, moet voldoen om geen fantasie of waan-idee te zijn. Ze zijn belangrijk genoeg om in de volgende paragrafen uitgelegd en toegelicht te worden.

7. Dieren oriŽnteren zich grotendeels met behulp van hun instincten; mensen met hulp van theorieŽn: Ieder
    mens handelt, leeft, waardeert, kiest en neemt waar met behulp van theorieŽn. Een theorie moet logisch, testbaar, geÔnformeerd en houdbaar zijn om rationeel te zijn. Wat wil dat zeggen en waarom is dat zo?

Een theorie is een verklaring over een gegeven verondersteld verschijnsel, d.w.z. een verzameling beweringen die als aannames (veronderstellingen, hypothesen) gebruikt worden om een aantal bekend veronderstelde feiten uit af te leiden.

TheorieŽn kunnen op allerlei manieren gepresenteerd worden, maar delen een algemene vorm die zonder logische hulpmiddelen weergegeven kan worden als "Er is iets en dat doet onder zekere omstandigheden iets bepaalds". Iedere theorie poneert op een of andere manier een zogenaamde existentiŽle hypothese, van de vorm "Er is iets A", en een universele generalisatie, van de vorm "en dat iets A doet, is of heeft onder omstandigheden B, C en D, iets bepaalds E".

De omschrijving van het veronderstelde iets en de relevante omstandigheden kunnen zeer uitgebreid of ingewikkeld zijn, of soms ook heel eenvoudig, maar iedere theorie is uiteindelijk formuleerbaar in de gegeven vorm, ook al wordt dat lang niet altijd gedaan, o.a. om stylistische redenen.

Zo'n verklaring is logisch geldig als de beweerde en te verklaren feiten logisch afleidbaar zijn uit de geponeerde aannames, d.w.z. als het onmogelijk is dat de aannames waar zijn en de beweerde feiten niet, en de aannames elkaar onderling niet tegenspreken en mogelijk waar zijn. Dit logische verband wordt i.h.a. gegarandeerd door passende (partiŽle) definities op te stellen voor de in de aannames gebruikte termen. [10]

8. Iedere theorie is een produkt van de fantasie, en het is heel goed mogelijk uitgebreide fantastische
    verklaringen op te zetten die, hoewel logisch geldig, niets met de bekende feiten van doen hebben (zoals sprookjes), of er volstrekt aan voorbij gaan (zoals romans).

Daarom moet een theorie om bruikbaar en geen pure fantasie te zijn testbaar zijn, d.w.z. er moeten uit de aannames logisch geldige beweringen af te leiden zijn die met behulp van de waarnemingen bevestigd of weerlegd kunnen worden. "Alle vrouwen hebben blond haar" (waarbij de existentiŽle hypothese - dat er vrouwen zijn - zoals vaak gebeurd wanneer dit duidelijk is stilzwijgend verondersteld wordt) is bijvoorbeeld testbaar, want het is waarneembaar dat er vrouwen zijn die geen blond haar hebben, zodat de theorie onwaar is, en weerlegd door zogenaamde observatie-feiten.

Observatie-feiten worden gerepresenteerd door observatie-termen, d.w.z. uitdrukkingen die voor zintuiglijk waarneembare feiten staan. De meeste termen zijn geen (zuivere) observatie-termen maar theoretische termen, d.w.z. uitdrukkingen die voor meer of anders dan alleen zintuigelijk waarneembare feiten staan. "Alle mensen hebben een onderbewustzijn, intelligentie en een ziel", bijvoorbeeld, is zonder verdere aannames die aangeven hoe men in de waarneming kan vaststellen of er tekenen van een onderbewustzijn, intelligentie of een ziel zijn ontestbaar, want dit zijn alle drie theoretische termen: Zij veronderstellen mťťr dan alleen in de waarneming vaststelbaar is.

Theoretische termen zijn impliciete theorieŽn en worden geŽxpliciteerd door theorieŽn. De zin van empirische theorieŽn is het aannemelijk maken dat de geponeerde dingen die gerepresenteerd worden door de theoretische termen in de aannames van de theorie ook in werkelijkheid bestaan, en de manier om dat te doen is dusdanige definities of systemen van definities voor theoretische termen te vinden dat deze voor de betekenis van die termen karakteristieke feiten impliceren. Het zoeken en opstellen van dergelijke definities wordt (met een slecht woord) wel operationaliseren genoemd. [11]

9. Omdat alle feiten met enige fantasie op vele verschillende manieren verklaard kunnen worden
    moet een theorie geÔnformeerd zijn, d.w.z. degene die de theorie aanhangt behoort bekend te zijn met de alternatieve rationele theorieŽn voor de verschijnselen ter verklaring waarvan de theorie gebruikt wordt, en behoort deze alternatieve theorieŽn ook te begrijpen: Iemand die wenst te volharden in het geloof dat de aarde plat is en geen natuurkunde begrijpt is niet rationeel.

Logisch geldige, testbare theorieŽn kunnen bevestigd of weerlegd worden in de ervaring. Ze kunnen dus ook onwaar blijken, en zijn daarmee dan ongefundeerd geworden. Een theorie is gefundeerd als ze logisch geldig is, testbaar is, niet weerlegd is, en door feiten gewonnen middels niet-partijdige controleerbare waarnemingsprocedures ondersteund wordt.
Niet-partijdige controleerbare waarnemingsprocedures heten wel experimenten, hoewel dit soms, zoals bijv. bij historisch bronnenonderzoek, een wat misleidende term is.

Alle rationele theorievorming is wetenschappelijk: Wetenschap is geloof geproduceerd door middel van methodische rationele theorievorming, d.w.z. logische, testbare, geÔnformeerde en gefundeerde fantasie en speculatie, kortom, rationeel geloof. [12] Wioe z'n geloof, waarin ook en hoe ook geÔnterpreteerd, tracht te funderen door alle logische, testbare, bekende en gefundeerde verklaringen over de geloofde verschijnselen te kennen of te zoeken is rationeel bezig, en wie dat niet doet maar toch op zń geloof staat gelooft aan onlogische onzin, ontestbare fantasie, ongeÔnformeerde vooroordelen of ongefundeerde speculaties.

10. Personen zijn redelijk in de mate dat ze naar idealen handelen en streven die
  • ethisch zijn, d.w.z. een theorie omvatten over hoe de hele menselijke
              samenleving zou moeten zijn;
  • praktiseerbaar zijn, d.w.z. expliciet gebaseerd zijn op een rationele theorie
              over de werkelijkheid waarin de idealen gepraktiseerd of toegepast
              zouden moeten worden;
  • leefbaar zijn, d.w.z. voor de meeste mensen in hoofdpunten en bij hun   
              leven haalbaar en in gedrag navolgbaar zijn;
  • tolerant zijn, d.w.z. alleen door overtuiging en niet door geweld of
              bedreiging uitgedragen worden.
Dit zijn de fundamentele criteria waarmee een willekeurig ideaal, d.w.z. een willekeurig in taal uitgedrukt wensensyteem over hoe de werkelijkheid en de mensen zouden moeten zijn, moet voldoen om geen fantastische wensdromerij, waanidee of voor anderen ondragelijk fanatisme te zijn. Ze zijn belangrijk genoeg om in de volgende paragrafen uitgelegd en toegelicht te worden.

11. TheorieŽn zijn verklaringen voor hoe de wereld is; idealen zin beweringen over hoe de wereld zou
      moeten zijn. Idealen zijn dus beweringen waarin doelen ("laat ons streven naar ...") en waarden ("het is goed/slecht dat ...") geformuleerd worden, en veronderstellen theorieŽn. Ieder mens richt zijn/haar leven in aan de hand van ideeŽn (over hoe de wereld is) en idealen (over hoe de wereld en de mensen zouden moeten zijn). De idealen geven aan waar men voor leeft en hoe men zou willen leven; de ideeŽn geven aan hoe men denkt de idealen te kunnen realiseren.

Een ideaal is ethisch als het een expliciete theorie omvat over hoe de hele menselijke samenleving is en zou moeten zijn, d.w.z. over hoe alle mensen met elkaar zouden moeten omgaan; waar ze naar zouden moeten streven; en wat ze zouden moeten vermijden.  [13]

Het verschil tussen egoistisch en moreel handelen is dat wie egoÔstisch handelt niet coŲperatief, met opzet van samenwerking in een geest van gedeelde interesses, met de belangen van anderen wenst rekening te houden, en wie moreel handelt dat wel doet; het verschil tussen moreel en ethisch handelen ligt in het bereik.

Een moraal formuleert gedragsregels voor individuen en is vaak beperkt tot een bepaalde groep en tot elementaire gedragsregels; en ethiek fundeert een moraal door een mens- en maatschappij-visie te bieden, d.w.z. door een enigszins systematisch antwoord te geven op de vragen wat de mensen zijn en zouden moeten zijn, en waarvoor ze zouden moeten leven. Idealen die niet ethisch zijn, zijn provinciaal of egoistisch: Ze dienen alleen een bepaalde groep of een individu, met uitsluiting of ten koste van anderen.

12. Iedere religie en iedere politieke leer omvat een (schematische) ethiek, maar de meesten zijn
      gebaseerd op onware of hoogst onwaarschijnlijke theorieŽn over de werkelijkheid en de maatschappij. Wie handelt geleid door onware theorieŽn raakt in de problemen, en daarom moet een ideaal niet alleen ethisch zijn, maar ook praktiseerbaar, d.w.z. expliciet gebaseerd zijn op een rationele theorie over de werkelijkheid en de maatschappij, zodat er althans een zekere waarschijnlijkheid is dat men de idealen in de praktijk kan brengen en gedeeltelijk realiseren.

Er zijn niet veel praktiseerbare ethische idealen geweest in de geschiedenis, en die er waren, en vele anderen, waren vaak behoorlijk onleefbaar zelfs voor fanatieke aanhangers: De idealen lagen te ver in het verschiet, of de eisen gesteld aan het persoonlijk gedrag waren te streng. Een redelijk ideaal moet leefbaar zijn, d.w.z. het moet voor de meeste mensen in de meeste hoofdpunten bij hun leven haalbaar zijn - is het dat niet, zoals bijvoorbeeld de meeste godsdienstige idealen, dan lijdt het aanhangen van het ideaal tot verregeaande schijnheiligheid, grote schuldgevoelens of gevaarlijk fanatisme.

13. De geschiedenis leert dat het grootste kwaad met de beste bedoelingen gedaan wordt: Mensen
     leven, sterven en moorden voor hun idealen, en fanatisme ontstaat bijna overal waar grote gevoelens leven. Een laatste eis aan idealen is daarom dat niet alleen de aanhanger er mee kan leven, maar ook de niet-aanhanger: Een ideaal moet tolerant zijn, d.w.z. een ideaal behoort alleen door overtuiging uitgebreid te worden, en niet door geweld of bedreiging.

Mensen leven gedreven door wensen, en formuleren hun belangrijkste wensen als idealen. Wie z'n idealen, wat ze ook zijn en hoe ook geÔnspireerd, een ethische, praktiseerbare, leefbare en tolerante vorm geeft of tracht te geven handelt redelijk, en wie dat niet doet maar toch z'n idealen tracht te realiseren wenst iets onethisch egoÔstisch of partijdigs; streeft naar iets onpraktiseerbaars irrealistisch; staat op iets onleefbaar fanatieks of schijnheiligs; of tracht z'n doelen te bereiken door iets intolerant gewelddadigs.

Onredelijkheid kan kortdurende of onethische doelen dienen, maar maakt op de lange duur een menselijke samenleving onmogelijk. [14]

14. Personen zijn niet-hallucinerend in de mate dat ze, voorzover menselijk mogelijk, waarnemen
     wat er is en niet waarnemen wat er niet is. Iemand die niet hallucineert is in staat feitelijk correcte waarnemingen te doen, wat essentieel is voor alle denken en streven dat geen pure fantasie wil zijn. Echte hallucinaties, die beeldend omschreven kunnen worden als dromen in ontwaakte toestand en waarin men letterlijk gebeurtenissen waar meent te nemen die er even letterlijk niet zijn, zijn betrekkelijk zeldzaam, en worden gewoonlijk veroorzaakt door drugs, vergiftiging, ziekte of psychose, maar mildere vormen zijn heel gebruikelijk in toestanden van hevige geŽmotioneerdheid, omdat wat waargenomen wordt sterk afhangt van wat men veronderstelt waar te nemen.

Pseudo-hallucinaties zijn waarnemingen waarvan men weet dat ze niet feitelijk correct zijn, maar die men toch heeft, zoals bijvoorbeeld het draaien van de kamer als men duizelig is, of schijnbare gestalten in een donker bos. Illusionaire waarnemingen zijn feitelijk incorrecte waarnemingen veroorzaakt door veronderstellingen: Men neemt waar wat men verwacht waar te nemen - men verwacht een vriend en ziet hem voortdurend in de verte aan komen lopen; men leest over de meeste dlukfouten in een boek heen; men heeft een vlek op de kleren en gelooft door iedereen bekeken te worden, etc. Illusionaire waarnemingen zijn heel gebruikelijk, ook in de wetenschap, en staan aan de basis van veel eigenlijk ongefundeerde theorieŽn.

Methodisch goede waarnemingen zijn herhaalde of herhaalbare waarnemingen van een bepaald soort feit, gedaan door rationele waarnemers in gebruikelijke of reproduceerbare omstandigheden. Waarnemingen die hieraan niet voldoen, dus niet herhaald kunnen worden; niet gedaan zijn door rationele waarnemers; of plaats vonden onder ongebruikelijke of niet-reproduceerbare omstandigheden zijn alleen geloofwaardig als ze ondersteund worden door een van die waarnemingen onafhankelijk staande rationele theorie. TheorieŽn die niet gefundeerd zijn op methodisch goede waarnemingen zijn niet gefundeerd.

15. De gegeven definitie van geestelijke gezondheid omvat negen dimensies die ieder van
      fundamenteel belang zijn voor zinnig en succesvol menselijk geloof, gedrag en waarneming, en is universeel menselijk, filosofisch en ethisch georiŽnteerd. [15] Ze betrekt zich uiteindelijk op de grootste menselijke voorbeelden voor wat maatgevend is voor het ideaal van geestelijke gezondheid omdat de beste menselijke prestaties altijd intercultureel geldig zijn gebleken en als de beste onderkent: Menselijke grootheid, rationaliteit en redelijkheid hebben altijd, overal en voor alle mensen gegolden: de domheid, intolerantie, het bijgeloof en de vooringenomenheid zijn altijd cultureel relatief geweest.

Maar de gegeven definitie is nogal formeel en filosofisch, en kan ook naar de intentie meer literair en met minder precisie uitgedrukt worden:

Gedurende de hele beschavingsgeschiedenis is, in beschaafde kringen, die overigens altijd en overal in de minderheid zijn geweest, iemand geestelijk gezond geacht in de mate dat hij/zij de werkelijkheid rationeel en redelijk tegemoet treedt; goed kan nadenken en formuleren; moed en realiseerbare idealen heeft; geÔnteresseerd is de waarheid te vinden en daar moeite voor doet; een realistisch vertrouwen in de eigen capaciteiten heeft; z'n talenten gebruikt en verbetert; en alle relevante kennis op objectieve wijze (onder-)zoekt; onzekerheid kan tolereren en niet intellectueel dogmatisch is; vooral geÔnteresseerd is in doelen die buiten zichzelf liggen; tolerant is en van sociale conventies kan en durft af te wijken; zichzelf weet te vermaken en vreugde in het leven heeft; nieuwsgierig, geduldig, spontaan, vriendelijk en eerlijk is; en niet bang, boos, kwaadaardig, hebzuchtig of jaloers is.

16. Niemand is perfect, en zelfs de beste mensen zijn middelmatig in de meeste opzichten. En als we
     minder uitnemende en meer gemiddelde mensen, zeker uit deze eeuw [16] en uit de Westerse wereld, afmeten aan wat menselijk mogelijk is gebleken, dan is het resultaat bedroevend: De meeste mensen leiden levens misleid door waandenkbeelden en valse idealen; zijn een groot deel van hun leven ongelukkig en angstig; leven vooral voor egoÔstische doelen en beperkte plaatselijke idealen; en kennen maar een zeer klein deel van de menselijke cultuur of van de voor hun eigen leven relevante feitenkennis. Dit is de alledaagse waanzin, de menselijke vervreemding, het tekortschieten in het gebruik van de eigen menselijke mogelijkheden en het anderen verhinderen dat te doen.

"De roeping van de mens is .... mens te zijn" zei Multatuli, met de bittere implicatie dat dit de meeste mensen daar niet erg in slagen, en in hun leven meer en meer tot karikatuur van de menselijke mogelijkheden verworden.

Wat is de reden? Er zijn vele redenen, maar de drie belangrijkste redenen voor de gebrekkige rationaliteit en redelijkheid van veel mensen zijn de menselijke domheid; de kwaliteit van ideologieŽn; en de vervreemding.

17. Eťn van de minst bestudeerde maar meest belangrijke factoren in de menselijke geschiedenis is
      de menselijke domheid. Personen zijn dom in de mate dat ze niet in staat zijn om
  • logisch te redeneren
  • helder te formuleren
  • informatie te begrijpen en onthouden
  • problemen op te lossen, en
  • nieuwe ideeŽn te bedenken,
en personen zijn intelligent in de mate dat ze niet dom zijn. [17]

Vergeleken met de besten (zoals in deze eeuw Bertrand Russell en Albert Einstein) zijn de meeste mensen dom en dat is, hoe pijnlijk dit ook moge wezen voor de menselijke eigendunk, een zeer relevant gegeven voor de menselijke geschiedenis:

In deze eeuw, in het Westen, waar vrijwel alle volwassenen kunnen lezen, schrijven en rekenen, en de bibliotheken goed en vrijwel gratis zijn, zijn twee wereldoorlogen met ieder ca. 50 miljoen doden uitgevochten; zijn 6 miljoen joden vermoord; is een uitgebreide zogenaamd socialistische en zogenaamd menselijke dictatuur gevestigd [18]; en hebben vele miljoenen dictators als Hitler, Stalin en Mao, elk verantwoordelijk voor de dood van miljoenen mensen, voor grote genieŽn en uitnemende mensen versleten.

Daarvoor zijn meer redenen dan alleen de gemiddelde menselijke domheid en het daarmee samenhangende gemak waarmee de meeste mensen misleid worden door irrationele of onredelijke politieke en religieuze theorieŽn, maar domheid is een belangrijke factor in het ontstaan en verloop van de meeste politieke en religieuze bewegingen: De hele beschavingsgeschiedenis zou een stuk beschaafder zijn geweest als meer mensen wat minder dom waren geweest en zich daardoor minder makkelijk hadden laten verleiden tot steun aan politieke en religieuze waansystemen.

18. De domheid als bron van irrationaliteit en onredelijkheid in de geschiedenis hangt nauw samen
      met de kwaliteit van de door de mensen aangehangen ideologieŽn, d.w.z. de algemene theorieŽn die de mensen hanteren over wat (i) de werkelijkheid is (metafysika) en (ii) wat de werkelijkheid zou moeten zijn (ethica), en die de meeste mensen gebruiken om hun ervaringen te verklaren en om hun keuzes en oordelen te funderen en legitimeren.

De belangrijkste menselijke behoefte, de behoefte die de mens tot mens maakt, is de behoefte aan een ideologie: Een verklaring hoe en wat de werkelijkheid is en hoe en wat ze zou moeten zijn, die de mens tot inspiratie en oriŽntatie dient.

Het grote gevaar van die behoefte is dat mensen over het algemeen wat betreft levensbeschouwelijke vragen niet geloven wat ze redelijkerwijs zouden moeten geloven, noch redelijkerwijs verwerpen wat ze zouden moeten verwerpen, maar voor waar houden wat ze wenselijk achten en voor onwaar wat ze onwenselijk achten. [19]

De rationele en redelijke vermogens van de meeste mensen worden beheerst door hun emoties, en daarmee worden ze zelf beheerst  door de angsten en verlangens die ze aangeleerd of verworven hebben, in plaats van door wat ze zelf als rationeel waarschijnlijk zouden hebben kunnen leren begrijpen over zichzelf en hun situaties.

Gekombineerd met de menselijke domheid en in stand gehouden door slecht onderwijs, een meer in geld en status geÔnteresseerde meerderheid van de mensen, en uitgedragen en in stand gehouden door machtige religieuze en politieke belangengroepen en instituties zijn irrationele en onredelijke ideologieŽn de machtigste rem op de beschaving die er is.

19. Domheid en achterlijke ideologieŽn staan niet op zichzelf: Hoe mensen leven en kunnen leven, en
      wat ze psychologisch beleven, hangt tot op grote hoogte van maatschappelijke factoren af.

Er is daarom een begrip nodig dat als kenmerkende hoedanigheden heeft die tegelijk een sociologische en een psychologische betekenis hebben.

Vervreemding is zo'n begrip, en representeert tegelijk het subjectief beleefde ťn maatschappelijk veroorzaakte onvermogen volgens de eigen wensen en idealen te kunnen leven. [20]

In deze zin zijn zeer veel mensen vervreemd, en omdat vervreemding, gezien de systematische dubbelzinnigheid wat betreft maatschappelijke feiten en persoonlijke beleving daarvan, mits zinnig gebruikt een zeer verhelderend begrip is verdient het enige systematische toelichting en een partiŽle definitie.

20. Mensen verschillen evenzeer in hun idealen en persoonlijkheden als in hun gezichten. Er zijn echter
      voldoende algemeen-menselijke behoeftes aan te wijzen om tot een bruikbaar begrip van vervreemding te komen:

Iedereen wenst macht om z'n eigen leven te kunnen leiden; iedereen heeft behoefte aan een interessante en hoopgevende toekomst; iedereen wenst dat de eigen normen maatschappelijk gewaardeerd worden; iedereen heeft behoefte aan sociaal contact; iedereen wil persoonlijk geacht worden; iedereen wenst oprecht te kunnen zijn; en iedereen wil de eigen behoeften en wensen bevredigen.

Vervreemding wil zeggen dat deze algemeen-menselijke behoeften niet voldoende bevredigd worden of lijken te worden. Het wordt gekenmerkt door gevoelens of situaties van:
  • machteloosheid: Het eigen gedrag is of lijkt nauwelijks relevant voor de
                 de verwerkelijking van de eigen doelen;
  • zinloosheid: De eigen toekomst is of lijkt pover, vreeswekkend of op z'n
                 best onzeker en onvoorspelbaar;
  • normloosheid: De eigen normen zijn of lijken maatschappelijk niet of
                 nauwelijjks te praktiseren en de eigen doelen zijn of lijken
                 alleen haalbaar door onmaatschappelijk gedrag.
  • eenzaamheid: Men is of lijkt alleen en heeft geen macht, invloed of
                 sancties;
  • minderwaardigheid: Men is of lijkt niet belangrijk en niet waardevol, en
                 is of lijkt niet voor iets of iemand van belang te zijn;
  • inauthenticiteit: Men is of lijkt onecht, gemaakt en oneerlijk en rollen te
                 spelen die men niet kan of wil spelen;
  • ontevredenheid: Men is of lijkt onbevredigd te zijn en te blijven in de
                 belangrijke behoeften en
    noden.
Vervreemding is tegenwoordig universeel, en naast domheid en achterlijke ideologieŽn een belangrijke bron van irrationaliteit en onredelijkheid. [21]

Het heeft vooral sociale oorzaken (verstedelijking, discriminatie, armoede) en ideologische achtergronden (teloorgaan van politieke en religieuze tradities, slecht onderwijs, gebrek aan zinnig praktiseerbare idealen, en TV als voornaamste informatie-bron over wat menselijk mogelijk en redelijk zou zijn).

Vervreemding treft niet alleen de maatschappelijk mislukten of buitenstaanders, en heeft over het algemeen, indien het subjectief beleefd wordt,  een reŽele basis:  De meeste mensen hebben nauwelijks macht over hun bestaan en hun mogelijkheden, leven in een wereld met een onzekere toekomst in een moreel desintegrerende maatschappij, staan betrekkelijk alleen en worden minder geacht dan ze zouden willen, terwijl ze rollen spelen die ze niet aankunnen of niet echt willen en er niet in slagen belangrijke behoeften te bevredigen.

Niet-vervreemde rationele en redelijke mensen zijn zeldzaam: Het zijn degenen met praktiseerbare idealen en realistische ideeŽn die zich maatschappelijk althans enigszins weten in te passen, en die voor hun interesses kunnen leven en spontaan en eerlijk kunnen reageren. Zij zijn de dragers, genieters en bouwers van de menselijke beschaving, en het grootste lichtpunt van de over het geheel genomen barbaarse beschavingsgeschiedenis is dat ze er, hoewel als kleine, vaak vervolgde minderheid, altijd en overal geweest zijn. Maar hoe kan dat ook anders: Zonder hen zou er geen beschaving zijn.

----------------

II. Over het bewustzijn en de persoonlijkheid 

In dit deel wordt het bewustzijn omschreven; een inventarisatie van de principes waamee het bewustzijn werkt gegeven; een theorie en definitie van de emoties gepresenteerd; de persoonlijkheid gedefinieerd; ingegaan op de gerelateerde begrippen zelf, ego, rol, karakter en zelfgevoel;
menselijke verhoudingen geclassificeerd; een overzicht van goede en slechte communicatie-manieren gegeven; en afweermechanismes, verdedigings-mechanismes en drogredenen gedefinieerd en behandeld. Dit deel is vooral psychologisch.
[22]

21. Het bewustzijn bestaat uit waarnemingen, die geleverd worden door de zintuigen, waaronder
      ook waarnemingen van het eigen lichaam, en uit voorstellingen, die geleverd worden door het geheugen.

De voorstellingen zijn ontleend aan bewerkingen van de waarnemingen, en de waarnemingen zijn weer gekleurd door de voorstellingen: We nemen altijd gedeeltelijk waar wat we ons voorstellen dat we waarnemen.

Zoals de woorden hier gebruikt worden zijn denken en voelen ook manieren van voorstellen en waarnemen: We denken na door ons voorstellingen en symbolische representaties van voorstellingen bewust te maken, terwijl onze gevoelens gedeeltelijk als lichamelijke waarnemingen gegeven zijn en
gedeeltelijk samenhangen met onze voorstellingen.

22. In iedere waarneming en iedere voorstelling kunnen zes componenten onderscheiden worden die
      er altijd in of bij aanwezig zijn: Object, situatie, doel, gevoel, stemming en emotie. In een schema samengevat kanhet bewustzijn geanalyseerd worden als in fig. 1 [23]:
   zintuigen         geheugen                        zintuigen          geheugen
         |                 |                                    |                 |
   waarnemingen  veronderstellingen               noden              waarden
             \                      |                         |                /
               ------------  geloven              wensen ----------
                                     |                    |  
   bewustzijn =          iets in een situatie + doel
   ervaring van          + gevoel + stemming + emotie
                                   /               |               \
                                  /                |                 \
               lust/onlust        tevreden/ontevreden       vreugde/angst
               gejaagd/kalm    gespannen/ontspannen     blijdschap/woede
               moe/energiek    depressief/eufoor            sympathie/antipathie

Bewustzijn is het maken van waarnemingen en voorstellingen van iets in een bepaalde situatie, voor ťťn of meerdere doelen, begeleid door gevoelens en emoties over dat iets met een bepaalde stemming als achtergrond.

23. Waarnemingen en voorstellingen, ervaringen in ťťn woord, zijn altijd van iets  - we kunnen het altijd, hoe vaag ook, onderscheiden en benoemen. En wat we waarnemen of ons voorstellen vindt altijd plaats in een eveneens waargenomen of voorgestelde omgeving, context of situatie,
die we ook weer, meer of minder precies, kunnen onderscheiden en benoemen.

Alle niet-lichamelijke ervaringen dienen een of ander doel, worden gemaakt om een vage of duidelijke reden, of vinden plaats met een intentie, terwijl bewust gemaakte waarnemingen en voorstellingen altijd een doel hebben: Men neemt iets waar omdat men er naar kijkt, luistert etc., omdat het om een of andere reden interessant, gevaarlijk of aantrekkelijk wordt gevonden, en men denkt en voelt er iets over omdat het de eigen doelen dient, bevredigt of in gevaar brengt of schijnt te brengen.

Afgezien van dromen, hallucinaties en lichamelijke ervaringen kiezen mensen hun waarnemingen en voorstellingen door hun attentie er wel of niet op te richten, en doen dit afhankelijk van hun doelen. Dit doelmatig gebruik van attentie geleid door wensen en geloven, d.w.z. oordelen, is het kenmerk van (helder) bewustzijn, en overigens altijd een kwestie van meer of minder: Hoe beter men zich kan concentreren; hoe minder snel men zich af laat leiden; en hoe vrijer men is van dwangmatige,
onontkoombare voorstellingen hoe helderder het bewustzijn is.

24. Dit alles beantwoordt nog niet hoe het bewustzijn werkt. Denken, waarnemen en voelen gebeurt
      d.m.v. het leggen van verbanden; het zien van overeenkomsten en verschillen; en het onderkennen en herkennen van patronen en (on)regelmatigheden, maar hoe dat precies gebeurt is
grotendeels onbekend: Er is te weinig bekend van hoe het brein werkt, en van hoe de werking van het brein samenhangt met ervaringen. [24]

Maar er zijn wel een aantal principes bekend die op een of andere manier door het brein gebruikt worden en die veel verklaren over hoe we de verbanden leggen die we leggen. Deze principes kunnen in vier soorten verdeeld worden: Principes die in ons gedrag werkzaam zijn; principes  die in onze waarneming werkzaam zijn; principes die in onze redeneringen werkzaam zijn; en principes die in onze voorstellingen werkzaam zijn.

Gedrag en redeneringen worden apart behandeld omdat deze zich resp. betrekken op het gebruik van het lichaam en de taal, en gedrag, waarneming noch voorstelling is, terwijl taalgebruik de voor mensen kenmerkende voorstellingsvorm is. Alle in de komende vier paragrafen gedefinieerde
principes worden alleen schematisch behandeld en allen werken gewoonlijk onbewust, d.w.z. men ervaart niet dat men ze gebruikt wanneer men ze gebruikt: Ze vormen het gewoonlijk onzichtbare skelet dat de ervaringen vorm geeft. De emoties worden daarna behandeld.

25. In ons gedrag, hier opgevat als wat we doen met ons lichaam, zijn een aantal principes werkzaam
     die onder drie hoofdjes samengevat kunnen worden. Het lichamelijk gedrag wordt in de eerste plaats georganiseerd d.m.v. reflexen: Gedragingen die grotendeels niet verkozen kunnen worden
en aangeboren zijn.

Spijsvertering, hartslag, ademhaling etc. worden geregeld door reflexen waar we niet of nauwelijks vat op hebben, en een groot deel van onze motorische vermogens bestaat uit reflexen of geÔntegreerde series reflexen. De laatsten moeten geleerd worden: Fietsen bijvoorbeeld is het leren
van een grote serie spier- en evenwichtsreflexen, net als lopen, staan, zitten, schaatsen, dansen en acrobatiek. Een leertheoretisch interessant aspect van geÔntegreerde series reflexen is dat men ze niet kan leren door verbale verklaringen, maar alleen door te doen. Wat men wel en niet doet hangt samen met conditioneringswetten: Een verzameling principes die behelzen dat men leert te doen wat men prettig vindt; leert te vermijden wat men onprettig vindt; en dat onregelmatige beloning of straf het sterkste leereffect hebben.

In de behavioristische psychologie zijn deze wetten uit en te na experimenteel bestudeerd, en men heeft mensen (vooral studenten) en dieren (vooral ratten) de meest uiteenlopende gedragingen bijgebracht door ze er maar consistent genoeg voor te belonen of straffen. Wat hieraan interessant is is dat gebleken is dat zowel mensen als dieren (i) iets gewoonlijk het snelst leren door een combinatie van beloning en straf, en (ii) het geleerde het langst blijven toepassen als de beloning of straf niet konsekwent maar wel belangrijk voor het welbevinden was: Als je niet redelijkerwijs kunt weten wat je moet verwachten dan blijf je proberen wat je geleerd hebt om je wensen te bereiken. (Dit is waarom mensen langdurig door kunnen gaan met gokken: Veel teleurgestelde hoop maar incidentele en onvoorzienbare winst.)

Imitatie is het nadoen van gedrag van anderen (gewoonlijk gepaard met en veroorzaakt door fantasieŽn over hoe het is om als de geÔmiteerde te zijn en te voelen).

Dit is ťťn van de meest onderschatte manieren waarop mensen leren: Het mentaal copiŽren van het gedrag (en de veronderstelde daarbij horende ideeŽn en emoties) van belangrijke anderen, en dit later in de praktijk brengen. Zo leren kinderen van hun ouders en pubers en volwassenen van films en boeken. Imitatie en de andere gedragsprincipes werken grotendeels onbewust: Al weet men wel wat men doet, men weet vaak niet waarom, of waarom men het doet op die wijze. Het schematisch antwoord is altijd: Door grotendeels onbewuste imitatie en conditionering.

26. Onze waarnemingen en fantasieŽn van waarnemingen worden in de eerste plaats georganiseerd
      door een verzameling associatie-wetten: Principes dat wat overeenkomt in plaats, tijd, of om-
standigheden met elkaar in verband gebracht wordt. Als twee gebeurtenissen vlak bij, na elkaar of in soortgelijke omstandigheden plaatsvinden dan vormt dat een verband in het geheugen, dat overigens vaak onterecht gezien wordt als een oorzakelijk verband. De associatie-wetten zijn het fundament van het geheugen: We herinneren ons dingen door ons af te vragen waar, wanneer en in welk verband ze
plaats vonden.

Waarnemingen, gefantaseerde waarnemingen en herinneringen worden ook georganiseerd door
gelijkenissen: Waargenomen overeenkomsten tussen dingen, situaties of gebeurtenissen.
Gelijkenissen zijn de waarneembare basis voor metaforen (d.w.z. verwoorde zinnebeelden), en metaforen vormen de voorwaarde voor het begrijpen of bereiken van nieuwe inzichten: Abstracties worden het best verduidelijkt door een verwoord zinnebeeld. Een redelijk voorbeeld van een metafoor is "het schipt ploegt door de zee", gezien de waarneembare overeenkomst tussen wat een ploeg doet (door de aarde bewegen en v-vormige voren produceren) en wat een schip doet (door de zee bewegen en v-vormige golven produceren), en dit suggereert verbanden tussen de kennis die bestaat van het ploegen van voren en het varen en dat vaste stoffen en vloeistoffen soortgelijk reageren op sommige voorwaarden.

Een andere verzameling principes waarmee men van de waarneming tot ideeŽn geraakt zijn
Gestalt-wetten: Principes van de vorm dat wanneer men een aantal delen van iets waarneemt men er toe neigt het geheel dat door die delen gevormd zou kunnen worden ook waar te nemen.
NB dat men met Gestalt-wetten iets waar meent te nemen (zoals deze /\ driehoek, dat er niet in die vorm hoeft te zijn (er staan hier nl. drie lijnstukken). Gestalt-wetten staan aan de basis van veel illusionaire waarnemingen, maar vormen ook de voorwaarde voor veel terechte veronderstellingen dat
er iets is of zou kunnen zijn waar men maar een klein deel werkelijk ziet. Gestalt-wetten, gelijkenissen en associatie-wetten werken grotendeels nbewust, maar, net als met alle andere principes die de ervaring coŲrdineren, kennis van het feit dat ze bestaan en welbewuste toepassing
ervan kan van grote hulp bij doelmatig denken en waarnemen zijn.

27. De taal is niet alleen een communicatie-instrument: Ze stelt ons in staat ideeŽn te vormen over het vergane verleden en de nog niet bestaande toekomst; over afwezige en nooit ervaren zaken; over alleen maar mogelijke en logisch onmogelijke zaken; over zuiver wiskundige abstracties en over de meest poŽtische puur persoonlijke emoties. Met de taal kunnen we vragen en bevelen; uitdrukken en oproepen; verduidelijken en verduisteren; informeren, bezweren, argumenteren en redeneren.

Hier zijn drie verzamelingen principes aan de orde die voor al deze activiteiten, en diverse andere, maar vooral voor het voor de mens kenmerkende redeneren van fundamenteel belang zijn. In de eerste plaats zijn er:

deductieve principes
: Regels en aannames waarmee op logisch geldige wijze uit veronderstellingen conclusies afgeleid kunnen worden.

Dit zijn de logische principes en de natuurlijke talen zijn er gedeeltelijk omheen geconstrueerd - namelijk rondom de gebruiksregels voor onschuldig lijkende woordjes als "en", "niet", "of", "als", "dan", "alle" en "dus". De gebruiksregels voor deze logische termen worden op de kleuterleeftijd geleerd ern vormen de schering en inslag waarmee beweringen en theorieŽn geweven kunnen worden.

Deductieve principes zijn fundamenteel voor alle rationele en redelijke redeneringen omdat deductieve redeneringen en allťťn  deductieve redeneringen van waarheid (in de aannames) naar waarheid (in de conclusies) leiden - want dit is het kenmerk van een deductieve redenering: Als de aannames van de redenering of het argument waar zijn, dan is de conclusie ook waar. Naast deductieve principes zijn er ook

inductieve principes: Regels en aannames waarmee uit veronderstellingen conclusies afgeleid kunnen worden die waarschijnlijk zijn.

Inductieve redeneringen zijn niet logisch geldig, maar zowel in de wetenschap als in alledaagse redeneringen meer gebruikelijk dan geldige deductieve redeneringen. Hun aannemelijkheid berust gewoonlijk op verstrekkende goed gefundeerde rationele theorieŽn over de structuur van de werkelijk-
heid. Een voorbeeld van een typische inductieve redenering is: "Alle eieren die we gegeten hebben waren voedzaam. Dit ei, wat we gaan eten, zal dus waarschijnlijk wel voedzaam zijn." Men kan zich vergissen, want het ei kan rot blijken, maar het argument lijkt overtuigend.

Inductieve principes zijn fundamenteel voor alle rationele en redelijke redeneringen omdat ze aan de basis staan van al het leren uit de ervaring, dus van alle empirische kennis: Alle generalisaties van bekende gevallen naar toekomstige "dus" overeenkomstige gevallen zijn inductieve redeneringen. Hoewel inductieve principes niet logisch geldig zijn kunnen ze wel rationeel gefundeerd worden, wat hier echter veel te ver zou voeren.

De laatste groep te behandelen redeneerprincipes dient niet om uit reeds gemaakte veronderstellingen conclusies af te leiden, maar om redeneringen en veronderstellingen te vinden die tot gewenste conclusies leiden:

heuristische principes: Regels en aannames waarmee men bruikbare redeneringen kan vinden.

Heuristische principes zijn niet logisch geldig en hoeven ook niet waarschijnlijk te zijn: Wat telt is dat ze effectief helpen om bruikbare redeneringen en argumenten te vinden. Een typisch voorbeeld van een heuristische regel is: "Ken je een geval wat op dit problematische geval lijkt? Suggereert dat een aanpak?" Iedereen gebruikt heuristische principes ("Zoek je je vulpen? Waar heb je hem voor het laatst gebruikt?"), en ze zijn fundamenteel omdat ze aan de basis staan van het vinden van goede deductieve en inductieve redeneringen.

Zoals eerder geldt dat de redeneerprincipes door de meeste mensen onbewust gebruikt en geleerd worden, en dat het bewust leren van deze principes belangrijk bijdraagt tot hun effectief gebruik en tot betere redeneringen: Een goede cursus logika is leerzamer dan ieder ander intellectueel onderwerp omdat het leert wat goede redeneringen zijn; hoe ze op te stellen; hoe ze te controleren; en hoe ze te vinden.

28. Tenslotte zijn er de principes die in onze voorstellingen werkzaam zijn.Deze zijn gedeeltelijk behandeld in de twee voorgaande paragrafen - waar het hier om gaat zijn de principes die we gebruiken om representaties van onze ervaringen te maken. Dit doen we in de eerste plaats door middel van

symbolisatie: Het gebruik van iets als representant voor iets anders.

Symbolen hoeven niets gemeenschappelijks te hebben met datgene wat ze representeren, maar als dat wel zo is spreken we van tekens waar sprake is van een gemeenschappelijke oorzaak of achtergrond, zoals rook en vuur, en van iconen waar sprake is van een gelijkenis tussen symbool en
het gesymboliseerde, zoals tussen een protret en de geportretteerde.

De taal is grotendeels opgebouwd uit symbolen, want de meeste woorden hebben niets relevants gemeenschappelijk met de begrippen, dingen, gebeurtenissen of situaties die ze representeren. Een belangrijk hulpmiddel voor de organisatie van informatie dat met symbolisaties mogelijk wordt is

samenvoeging (Eng.: chunking): Het combineren van veel informatie onder ťťn in het algemeen symbolische noemer.

Informatie wordt in het brein opgeslagen in samenhangende eenheden of brokken (in het Engels aangeduid met de aan computer-jargon ontleende term "chunk" vanwaar "chunking"), waar we toegang toe hebben als we de symbolische sleutel tot die informatie activeren door hem voor de geest
te halen - wie bijv. "Napoleon" leest slaat daarmee onwillekeurig als het ware een toets in z'n geheugen aan, waarmee een hoeveelheid met die naam verbonden informatie begint te weerklinken en geactiveerd wordt voor eventueel verder gebruik. Dit illustreert wat samenvoeging is, en toont
aan hoe belangrijk het voor het geheugen is. En tenslotte is er een hoeveelheid met symbolisatie samenhangende principes met de naam:

modelleren: Het maken van complexe symbolische representaties.

Dit is wat ons brein doet, en het menselijk brein bij uitstek: Het legt verbanden; ziet overeenkomsten en verschillen; en herkent patronen en onregelmatigheden - omdat en doordat het symbolische modellen bouwt waarin de waarnemingen en voorstellingen een zinvolle plaats innemen,
een logisch deel van uitmaken. Modellen zijn dus samenvoegingen van symbolen, tekens of iconen - verhalen, afbeeldingen, diagrammen, schemaas, vergelijkingen - die gebaseerd zijn op gelijkenissen en overeenkomsten, vaak geÔnspireerd zijn door metaforen, en samenhangen door deductieve en inductieve principes, waarin verschillende stukjes ervaring en kennis gecompleteerd worden tot ťťn geheel waarin alles een overzienbare en vanzelfsprekende plaats heeft.

En opnieuw geldt dat de representatieprincipes grotendeels onbewust gebruikt worden en bewust gebruikt kunnen worden om beter te leren of verklaren.

29. De voorgaande paragrafen geven een overzicht van de principes waarmee we onze gedragingen,
      waarnemingen, redeneringen en voorstellingen organiseren. Maar alle ervaringen worden begeleid en geÔnspireerd door gevoelens van lust of onlust; van kalmte of gejaagdheid; en van energie
of moeheid; gaan gepaard met fundamentele emoties als begeerte of afkeer en verrassing of bevestiging die vreugde of angst; blijdschap of woede; en verheugdheid of verdriet losmaken; en dat alles tegen een stemmingsachtergrond die tevreden of ontevreden; depressief of eufoor; en gespan-
nen of ontspannen kan zijn. Zoals de termen hier gebruikt worden zijn gevoelens gewoonlijk kortdurende lichamelijke ervaringen; emoties kortdurende appreciaties van specifieke ervaringen met behulp van onze wensen en ideeŽn; en stemmingen langduriger appreciaties van onze ervaringen
in het algemeen. Gevoelens, stemmingen en emoties worden hieronder meer uitgebreid behandeld; wat hier telt is dat ze met dezelfde associatie- principes met de andere ervaringen verbonden worden als deze andere ervaringen, en er mee samenhangen als kleur en beeld: Emoties en ideeŽn
horen bij elkaar en zijn met elkaar verweven als trui en wol, of als patroon en kledingstuk.


----------------

III. Over emoties, gevoelens,  en waarderingen

30. Alle associatie-principes en alle emoties werken voortdurend met elkaar om onze waarnemingen
      met onze herinneringen en fantasieŽn en deze weer met onze theorieŽn, ideeŽn en idealen in verband te brengen: We zien en denken in gelijkenissen; associeren daarbij naar plaats, tijd en omstandigheden; integreren onze associaties en waarnemingen in grotere gehelen met Gestalt-wetten; reageren in gedrag middels onze motorische reflexen en verworven schemaas; laten ons in ons doen leiden door naar onze preferenties gemodelleerde conditioneringswetten; form-
eren onze rollen door anderen te imiteren; denken na over onze ervaringen door te proberen logisch geldige konklusies uit onze aannames te deduceren; trachten onze verwachtingen te baseren op waarschijnlijk inducties; komen tot nieuwe gedachtes en ideeŽn door heuristische hulpmiddelen; verwerken wat we menen geleerd te hebben door symbolisatie middels woorden, tekens of iconen; voegen onze informatie en gissingen samen met andere kennis die we menen te hebben; en ontwerpen al doende en denkende voortdurend modellen van onszelf en de ons omringende ver-
schijnselen, die ons gedrag weer dienen en sturen middels de lichamelijke gevoelens die al ons doen en denken begeleiden; door de emoties die we voortdurend met al onze specifieke ervaringen verbinden; en door de stemmingen die de constante achtergrond voor al onze ervaringen vormen.

Gevoelens, stemmingen en emoties zijn daarbij op minstens drie manieren fundamenteel: In de eerste plaats bepalen ze gewoonlijk grotendeels onze eerste indruk van dingen, gebeurtenissen en personen, die vaak maatgevend is voor wat volgt; in de tweede plaats motiveren ze ons door zowel onontkoombare als direct gevoelde puur persoonlijke appreciaties van en reacties op onze ervaringen en omgeving te bieden; en in de derde plaats bieden ze ons daardoor het materiaal om onze doelen en waarden te formuleren en onze toekomst te vormen. Kortom, onze gevoelens, stemmingen en
emoties zijn fundamenteel voor onze onmiddellijke oriŽntatie, onze daadwerkelijke motivatie en onze toekomstbepalende doelen - ze vormen de basis van onze inschattingen, van ons doen en van ons streven.

31.  Als er ťťn absouluut gegeven voor mensen is, dan zijn het, in ťťn woord voor een veelvuldig en
      ingewikkeld gebeuren, de emoties: Zintuigelijke waarneming van de wereld buiten ons kan betwijfeld worden en onwaar blijken; al onze theorieŽn berusten op gissingen en zijn hoogstens
waarschijnlijk waar; maar dat iemand, zeg, kiespijn heeft is voor die persoon zelfs in z'n meest filosofische momenten niet loochenbaar op momenten dat dat zo is.

De volgende paragrafen zijn gewijd aan de uiteenzetting van een theorie over de emoties die, zoals veel fundamentele theorie, in de eerste plaats dient en bedoeld is als heldere en systematische terminologie. De theorie en de fundamentele termen [25], aan de definitie waarvan de volgende paragrafen  gewijd zullen zijn, zijn vervat in het volgende grote schema, dat als leidraad zal dienen:
Gevoelens
Stemmingen
Emoties
    lust/onlust
   tevreden/ontevreden
   begeerte/afkeer
    kalm/gejaagd
    ontspannen/gespannen
   verrassing/bevestiging  
    energiek/moe
   uitgelaten/teneergeslagen
   --------------------- 
   ------------------

   vreugde/verdriet       
van/door/n.a.v.

   blijdschap/woede
    honger    
   verheugenis/angst
    dorst


    warmte


    bescherming


    sex



Waarderingen  
Karakteristieken
goed/slecht
persoon-gericht:       
instemming/afkeuring
    arrogant/nederig
----------------------------
    ambitieus/bescheiden
zelf-gericht:     ijdel/onverzorgd
     eer/schaamte
-----------------------------
     trots/spijt
gedrag-gericht:       
     hoop/wanhoop
    matig/onmatig
----------------------------
    voorzichtig/onvoorzichtig
ander-gericht:     laf/moedig
    lof/blaam
    verlegen/brutaal
    hoogachting/minaching ------------------------------  
    liefde/haat
houding-gericht:
    vertrouwen/wantrouwen
    hebzuchtig/vrijgevig
    afgunst/vrijgevigheid
    kleingeestig/grootmoedig
    leedvermaak/medelijden
    vriendelijk/onvriendelijk

    agressief/zachtmoedig
 
    altruÔstisch/egoÔstisch

Omdat een theorie over zoiets ongrijpbaars als emoties vooral gebaat is bij duidelijkheid zijn alle emoties polair opgevat en voorzien van elementaire partiŽle definitities [26]. Ik pretendeer niet dat alle hieronder te geven definities geslaagd zijn, noch dat er geen andere dan de hier gegeven en hieronder verhelderde vijf-voudige classificatie te verzinnen is, maar ik pretendeer wel dat de gegeven klassificatie en de te geven definities als geheel duidelijker, bruikbaarder en vollediger is dan
wat gebruikelijk is [27].

32. Hoewel emoties universeel menselijk zijn en de basis vormen van alle menselijk gedrag is er
      verrassend weinig systematische kennis of theorie over. Fysiologisch zijn de emoties, in ieder geval gedeeltelijk, gebaseerd op de activiteiten van het limbisch systeem, het deel van de hersens waar de vier V's, voeden, vechten, vluchten en vrijen, die voor het voortbestaan van het leven fundamenteel zijn, geregeld worden. Psychologisch zijn de emoties zelden bestudeerd, vooral door hun ongrijpbaarheid en omdat er geen algemeen aanvaarde of systematische terminologie voor bestaat: Iets voelen, zelfs iets zo duidelijk en eenvoudigs als pijn, is makkelijker dan er een passende beschrijving voor geven, en zelfs als men er een passende beschrijving voor meent gevonden tehebben, dan blijft het onmogelijk deze direct te vergelijken met de gevoelens van een ander.

De in het gegeven schema samengevatte theorie en terminologie (die natuurlijk geen volledigheid pretendeert: Er zijn zeer veel emotionele termen) is gebaseerd op de veronderstelling dat er vijf soorten emotionele activiteiten zijn, die onderscheiden kunnen worden naar duur en bron. In de volgende paragraaf worden deze vijf activiteiten in algemene termen gedefinieerd, en in de daarop volgende vijf paragrafen worden ze toegelicht en gespecificeerd door partiŽle definities [28] van ca. 70 relevante in het schema gegeven termen.

33. De emotionele activiteiten vallen vrij natuurlijk uiteen in vijf, uiteraard samenhangende, meer
     specifieke activiteiten, die naar duur, bron en wilsafhankelijkheid onderscheiden kunnen worden. Er zijn in de eerste plaats drie soorten grotendeels wilsonafhankelijke reacties op personen gebeurtenis- sen en dingen
  • Gevoelens zijn gewaarwordingen van specifieke lichamelijke toestanden,
    die samenhangen met lichamelijke behoeften, waar specifieke receptoren
    en/of interne zintuigen voor bestaan: Honger, dorst, de toestand van
    de huid (waarin zich pijn - en warmte-receptoren bevinden), en de alge-
    mene toestand van het lichaam. In normale omstandigheden, voor mensen
    die in staat zijn hun behoeften zonder veel moeite te bevredigen,
    zijn gevoelens kortdurend, en variŽren in duur van momenten tot enkele
    uren.
  • Emoties zijn gewaarwordingen van appreciaties van specifieke personen,
    gebeurtenissen en dingen in de wereld, en zijn gebaseerd op eerdere waarderingen
    en gevoelens, en op wat geleefd en gewenst wordt. Emoties
    zijn voor gezonde mensen niet veel langer durend dan de ervaring van wat
    de emotie oproept, en daarvoor specifiek. Emoties worden gecommun- iceerd door gezichtsuitdrukkingen.
  • Stemmingen zijn gewaarwordingen van langer durende inschattingen van
    ervaringen, en zijn de neerslag van gevoelens en emoties. I.t.t. zowel
    gevoels als emoties zijn stemmingen niet specifiek: Ze hangen niet
    nauw samen met bepaalde gebeurtenissen, personen of dingen, al kunnen
    ze er wel door losgemaakt worden. En stemmingen zijn lanhduriger dan
    zowel gevoelens als emoties: Ze duren in ieder geval uren, en kunnnen
    dagen, weken of zelfs maanden en jaren aanhouden.
Gevoelens, stemmingen en emoties hebben gemeenschappelijk dat het, net als zintuigelijke waarnemingen, gewaarwordingen zijn, d.w.z. dat ze grotendeels wilsonafhankelijk zijn: Men heeft ze, of men wil of niet. Uiteraard zijn emoties en stemmingen gebaseerd op lering en interpretatie
onttrokken aan eerdere ervaringen, en kan men meer of minder succesvol proberen ze te onderdrukken of kanaliseren, maar het blijven grotendeels wilsonafhankelijke reacties, die ons informeren over onze huidige appreciaties van onze ervaringen.

De overblijvende twee emotionele activiteiten missen dit onmiddellijke en gegeven gewaarwordings- karakter:
  • Waarderingen zijn, i.t.t. gevoelens, stemmingen en emoties, geen
    schijnbaar onmiddellijke reacties, maar oordelen die men maakt, af-
    hankelijk van de geloven en wensen die men er op nahoudt. Waarderingen
    integreren wensen en geloven in oordelen, en vormen het fundament voor
    latere emotionele gewaarwordingen: In emoties en stemmingen worden
    mensen zich bewust van eerder gemaakte waarderingen. Waarderingen zijn
    fundamenteel voor het menselijke emotionele leven, en hebben geen
    specifieke duur: Oordelen kunnen snel veranderen of een leven lang in
    stand gehouden worden.
  • Karakteristieken zijn vormen van waarderingen, nl. waarderingen van
    personen, gebaseerd op ideeŽn over hun persoon, gedrag of houding.
    Ze verschillen van waarderingen verder doordat ze niet primair een
    houding uitdrukken maar een beschrijvende voorspelling doen - en al-
    dus secundair een waarderende houding t.a.v. de gekarakteriseerde per-
    soon uitdrukken.
Waarderingen en karakteristieken zijn oordelen die gemaakt worden gebaseerd op de ideeŽn en idealen die men erop nahoudt. Het feit dat het tamelijk bewuste oordelen zijn impliceert overigens niets over de intensiteit van de uitgedrukte emotie: Vaak is het zo dat karakteristieken zowel veel emoties samenvatten als losmaken.

34. Kenmerkend voor gevoelens is dat het gewaarwordingen zijn, die specifiek en kortdurend zijn,
      en samenhangen met lichamelijke behoeften en de toestand van het lichaam: De gevoelens informeren over de toestand van het lichaam.

Er zijn veel lichamelijke behoeften, die zich o.a. manifesteren als honger, dorst, warmte, slaap en sex, om wat zeer algemeen geformuleerde fundamentele lichamelijke behoeften aan te duiden, en er kan veel fout gaan met het lichaam, wat zich manifesteert als pijn, moeheid etc.

Er zijn dan ook zeer veel verschillende soorten en intensiteiten gevoelens, ook al omdat behoeften zeer specifiek kunnen zijn: Als men bijv. niet al te hongerig is heeft men gewoonlijk niet zomaar honger, maar trek in iets bepaalds. Hoe verschillend ook, alle gevoelens betrekken  zich op lichamelijke behoeften en hun graad van bevrediging, en hebben gemeenschappelijk dat ze, om een termen-paar te kiezen, ergens op de dimensie van lust/onlust gevoelens geplaatst kunnen worden: Er zijn specifieke lust/onlust-gevoelens al naar gelang specifieke lichamelijke behoeften wel of niet bevredigt worden.

Lust- en onlust-gevoelens zijn fundamenteel voor het lichamelijke en verdere welbevinden, en dieren en kleine kinderen laten zich door weinig anders bewegen, terwijl de verwachte lust of onlust voor volwassenen vaak ook een doorslaggevend criterium is voor hun beslissingen.

Er zijn echter nog twee andere belangrijke lichamelijke gevoelens. In de eerste plaats is er de algemene lichamelijke toestand, die sterk afhangt van het energie-niveaum, dat weer samenhangt met adekwate voeding, gezondheid, de mate van behoefte-bevrediging en het algemene wel- bevinden. De gevoelens die hiermee korresponderen zijn moeheid/ener
gie, al naar gelang of men weinig of veel energie tot z'n beschikking heeft, en opwinding/kalmte, al naar gelang men wel of geen voorbereiding treft een behoefte te gaan bevredigen of een inspanning vereisende activiteit
gaat beginnen. Beide dimensies zijn fundamenteel voor het welbevinden, zoals iedereen aan den lijve ondervindt die ziek is of onder pressie staat.

Deze drie dimensies van lichamelijke gewaarwordingen kan iedereen bij zichzelf onderscheiden, en als ze niet specifiek of kortdurend zijn dan komt dat omdat men een fundamentele behoefte niet kan bevredigen, ziek is, of onder langdurige pressie leeft, hoe ook veroorzaakt.

35. Kenmerkend voor emoties is dat het specifieke en kortdurende gewaarwordingen zijn van
      eerdere waarderingen, emoties en gevoelens m.b.t. personen, gebeurtenissen, objecten en ons zelfbeeld, en dat ze zowel ideeŽn als wensen uitdrukken en veronderstellen. Bovendien zijn ze universeel menselijk van het gezicht afleesbaar en aldus communiceerbaar.

De emoties informeren de mensen zelf over de waarderingen die ze hebben van de hen omringende wereld en zichzelf, en communiceren deze waarderingen middels gezichtsuitdrukkingen en poses aan anderen.

Emoties zijn, evenals gevoelens, aangeboren uitings- en belevings-vormen, maar met welke specifieke ervaringen en in welke mate ze verbonden worden is aangeleerd en afhankelijk van de waarderingen die mensen hebben geleerd te hebben.

Omdat emoties betrekking hebben op zowel gevoelens als waarderingen is het dienstig eerst de begrippen leed en genot in te voeren: Mensen ervaren leed zowel door lichamelijke onlust als door in hun zelf-beeld gekwetst te worden, in hun belangen geraakt te worden en in hun wensen gefrustreerd te worden, en ervaren genot zowel door lichamelijke lustbevrediging als door hun zelfbeeld te bevestigen, hun belangen te bestendigen en hun wensen te bevredigen. Leed en genot hebben dus beide een lichamelijke component, vooral gerelateerd aan lust en onlust, en een geestelijke component, vooral gerelateerd aan wensen en het zelf-beeld.

Omdat emoties uitdrukking geven aan de bestaande geloven en wensen zijn de twee fundamentele emoties de dimensies van verrassing/bevestiging en van begeerte/afkeer.

De emotionele dimensie van
verrassing/bevestiging, die de grondslag vormt voor nieuwsgierigheid en verwondering en samenhangt met wat men gelooft, is afhankelijk van of iets wel/niet gebeurt zoals men gelooft en verwacht.

Deze emotionele dimensie is fundamenteel voor zowel veel genot: Plezierige verrassingen, onverwachte humoristische wendingen, het uitkomen van hoop, etc. als van veel leed: Onplezierige verrassingen, onverwachte dramatische wendingen, het uitkomen van vrees e.d. Mensen hebben behoefte aan verrassing en bevestiging, maar verschillen nogal in de mate en vorm van
verrassing/ bevestiging waar ze behoefte aan hebben: Wat de ťťn spannend vindt, vindt een tweede griezelig en een derde saai. Voor iedereen geldt echter dat veel bevestiging zonder verrassing verveling produceert, en veel verrassing zonder bevestiging gespannenheid - ook al is in beide gevallen het gebodene op zichzelf bevredigend.

De emotionele dimensie begeerte/afkeer combineert geloof (in de vorm van verwachting) en wens, en wordt ervaren door verwacht genot/leed. Het zijn vooral begeerte en afkeer die het menselijk handelen motiveren: Wat men begeert streeft men na, en waar men een afkeer van heeft vermijdt men. Beide kunnen zeer variŽren, en mensen motiveren in een gradatie die verloopt tot hele lichte voorkeur of afkeur tot totale monomane passie of walging. Er zijn zowel dingen waar men een natuurlijke begeerte voor voelt, namelijk diegene die lichamelijke lusten bevredigen en fundament-
ele behoeftes bevredigen, als dingen waarvoor men een natuurlijke afkeer van heeft, zoals slangen, spinnen, hoogtes en blauw voedsel.

Begeerte en afkeer, en verrassing en bevestiging, kunnen allerlei oorzaken hebbeb omdat ze samen- hangen met wat men gelooft en wenst. De drie overige emotionele dimensies zijn meer specifiek, en ik zal eerst de negatieve polen behandelen: Woede, angst en verdriet. Dit zijn drie verschillende manieren om met leed om te gaan.

Woede ontstaat indien men gefrustreerd wordt in het bevredigen van z'n wensen, in het bijzonder wanneer het zelfbeeld gekwetst wordt, en bestaat in de neiging leed te berokkenen aan iets of iemand dat verantwoordelijk geacht wordt voor het ondergane leed. Woede gaat gepaard met gevoelens
van opwinding en energie, en vaak van lust, die samenhangen met de fysiologische voorbereiding van een gevecht.

Angst ontstaat indien men leed verwacht en meent niet in staat te zijn het af te wenden, en bestaat in de neiging te vluchten of zich te verbergen. Angst gaat gepaard met gevoelens van opwinding en onlust, en soms van energie, die samenhangen met de fysiologische voorbereiding van een vlucht.

Verdriet ontstaat indien men leed ondergaan heeft, waartegen men zich dus niet meer kan verweren en waarvoor men niet meer kan vluchten, en bestaat in gevoelens van moeheid, onlust en opwinding, eventueel gepaard met huilen en zelf-pijniging.

Deze drie manieren om leed te verwerken hebben als tegenpool manieren om genot te verwerken, die wat minder specifiek zijn:

Blijdschap is de tegenpool van woede, en ontstaat indien men z'n wensen kan bevredigen of zelfbeeld kan bevestigen; verheugenis is de tegenpool van angst en ontstaat indien men iets genotvols verwacht; en vreugde is de tegenpool van verdriet en ontstaat indien men iets genoten heeft en geniet.

Deze zes emoties kunnen zeer in intensiteit variŽren, en mensen variŽren onderling nogal in de capaciteit om deze emoties te verdragen of er mee om te gaan. Evenals gevoelens zijn emoties gewoonlijk kortdurend en specifiek: Ze hangen samen met bepaalde gebeurtenissen, personen of objecten, en duren niet langer en, door bevestigings-effecten, vaak aanzienlijk korter dan de ervaringen van deze gebeurtenissen, personen of objecten.

En tenslotte zijn emoties universeel herkenbaar en communiceerbaar: Alle mensen kunnen van alle mensen minstens ťťn extreme pool van ieder genoemd emotioneel paar waarnemen. Preciezer gezegd: Een zweedse boer kan van een Nieuw-guinese papoea waarnemen, en deze van hem, of deze afkeer, verrassing, vreugde, woede, angst of verdriet voelt, en dit alleen op basis van gezichts- uitdrukkingen, op basis waarvan zich ook allerlei mengvormen van de emoties, zoals verraste vreugde, verdrietige woede, of angstige verrassing af te lezen zijn. Eťn belangrijke reden voor de in-
teresse die mensen voor elkaars gezichten hebben is dat deze een bron van gedeeltelijk onbewuste maar daarom niet minder sterk gevoelde informatie zijn over hoe en wat mensen voor elkaar en hun omgeving voelen.

36. Kenmerkend voor stemmingen is dat het niet-specifieke, langer durende neerslagen zijn van
      eerdere gevoelens, emoties en waarderingen: Stemmingen zijn verwerkingen van voorgaande ervaringen, en vormen een soort relatief constante achtergrond waartegen de korter durende gevoel-
ens en emoties zich kunnen afspelen en gedeeltelijk hun intensiteit aan kunnen ontlenen.

De dimensie tevreden/ontevreden is afhankelijk van of men er wel of niet in meent geslaagd te zijn z'n wensen althans in hoofdpunten te bevredigen. Oudere mensen zijn vaak, ondanks soms gedeeltelijk geslaagde pretenties van het tegendeel, chronisch ontevreden - dus zuur, bits, mopperend
etc.: Hun wensen bleken irrealistisch, en hun psychologische vermogens zich daaraan aan te passen te klein. Ontevredenheid gaat nogal eens met verdriet samen, en met algemene onlust-gevoelens, en tevredenheid met vreugde en lust-gevoelens.

De dimensie ontspannen/gespannen is afhankelijk van of men weinig of veel langdurige of vaak herhaalde woede of angst gevoelens heeft: Wie vaak gespannen is, is veel boos of bang. Gespannen- heid gaat met opwinding samen, en ontspanning met kalmte.

De dimensie eufoor/depressief is afhankelijk van het ervaren hebben van veel vreugde of verdriet, en euforie uit zich in gevoelens van energie, terwijl depressie zich uit in gevoelens van moeheid, matheid en lusteloosheid. Overigens is langdurige, niet op aanwijsbare reŽle oorzaken berustende euforie en depressie een teken van geestelijke gestoordheid. Met wie weken of maanden aan dezelfde stemming lijdt is wat mis, omdat het een teken is dat bepaalde emoties onderdrukt worden: Het is gezonder
vaker tevreden dan ontevreden, vaker ontspannen dan gespannen, en vaker uitgelaten dan teneer- geslagen te zijn, maar incidentele ontevredenheid, gespannenheid en teneergeslagenheid zijn essentiŽle reacties op normaal voorkomende onprettige ervaringen, en dienen om deze te verwerken (teneergeslagenheid) of ontkomen (ontevredenheid en gespannenheid).

Een redelijke definitie van "neurotisch", een begrip dat in het vierde deel uitgebreider behandeld zal worden, is "het tot stemming vervormd zijn van intense emoties", waar dus een bepaalde, gewoonlijk negatieve, emotie z'n specificiteit en kortdurendheid verloren heeft. en langdurig beleefd wordt en verbonden wordt met allerlei personen, situaties of objecten die met deze emotie geen redelijk verband hebben: Wie bijzonder vaak of langdurig, en zonder voor andere mensen in soortgelijke omstandigheden geldende redenen, boos, bang of bedroefd is, vertoond een prominent neurotisch symptoom. En wie, zoals sommige zeer christelijke mensen, om alles blij is, doet dat ook.

37. De in de voorgaande paragrafen behandelde gevoelens, emoties en stemmingen hebben een
      drietal gemeenschappelijke kenmerken gemeenschappelijk. In de eerste plaats zijn het aangeboren capaciteiten, die mensen delen met, in ieder geval, de hogere zoogdieren, en die door opvoeding en onderwijs gevormd maar niet essentieel veranderd kunnen worden.

In de tweede plaats zijn, hoewel mensen individueel verschillen, de overeenkomsten groter, en is van alle mensen door alle mensen van een heel breed scala van gebeurtenissen onmiddellijk aanvoelbaar begrijpelijk dat ze lust, opwinding, of moeheid veroorzaken; verrassing, afkeer of begeerte produceren; mensen bang, boos, bedroefd of blij maken; en tot tevredenheid, gespannenheid of depressiviteit aanleiding geven - dit is naast de taal en het denkvermogen ťťn van de drie wezenlijke
menselijke kenmerken die het mensen mogelijk maken mensen van overal en van alle tijden te begrijpen.

En tenslotte zijn alle gevoelens, stemmingen en emoties gewaarwordingen: Grotendeels wilsonaf- hankelijke informatie die mensen aangeboden krijgen over hun eigen eerdere waarderingen, huidige behoeften en lichamelijk (on)welbevinden. Dit is een fundamentele factor in de menselijke oriŽntatie:
Waar de zintuigen ons grotendeels wilsonafhankelijk informeren over wat er objectief is, informeren onze gevoelens ons grotendeels wilsonafhankelijk over wat het subjectief voor ons betekent, en zijn beide gebaseerd op en uitdrukking van lering onttrokken aan eerdere ervaring.  

38. De in de komende paragrafen te behandelen waarderingen, waarvan de in het schema
      genoemde karakteristieken een specifieke vorm zijn, missen deze drie kenmerken: Het zijn geen aange- boren capaciteiten; mensen verschillen individueel en cultureel enorm in hun waarderingen, die vaak ook niet eenvoudig te begrijpen zijn; en waarderingen en karakteristieken zijn oordelen die men maakt en leert te maken, geen gewaarwordingen die men heeft.

In waarderingen en karakteristieken worden waarde-oordelen over personen, situaties, gebeurtenis- sen en objecten uitgedrukt, d.w.z. er word tegelijk een feitelijke veronderstelling gemaakt en een persoonlijke waardering daarvan gegeven.

Met waardeoordelen kan met het dus op twee manieren oneens zijn: Men kan de waarheid van het veronderstelde feit betwijfelen, of men kan het oneens zijn met de waardering van dat veronderstelde feit.

Hoewel het onderscheid tussen een oordeel, waarin alleen het bestaan van bepaalde feiten geclaimd of ontkend wordt, en een waarde-oordeel, waarin veronderstelde feiten op hun wenselijkheid beoordeeld worden, heel makkelijk te begrijpen is wordt het in de praktijk vaak niet getrokken, en houden mensen voor waar wat ze voor wenselijk houden, en voor onwaar wat ze voor onwenselijk houden.

Eťn oorzaak hiervoor, naast slecht nadenken, is dat waarderingen zowel fundamenteel zijn voor het menselijke emotionele leven, waar ze de grondslag vormen van de gevoelde emotionele gewaar- wordingen, als fundamenteel voor menselijke groepsvorming, die gebaseerd zijn op gedeelde
waarde-oordelen.

Waarderingen zijn het product van opvoeding, onderwijs en communicatie, want een groot deel van de intermenselijke communicatie beoogt mensen te motiveren tot handelen door een beroep te doen op hun bekende of veronderstelde waarde-oordelen, of beoogt de waarde-oordelen van anderen te hervormen of bestrijden.

Waarderingen kunnen gemaakt worden over alles wat men kan ervaren of zich voorstellen, terwijl ze grofweg verdeeld kunnen worden in algemene, zelf-gerichte en ander-gerichte waarderingen.

39. De drie fundamentele algemene dimensies waarop waarderingen zich afspelen zijn aangenaam/ onaangenaam, afhankelijk van de mate van  verwacht of ondervonden leed en genot; interes- sant/oninteressant, afhankelijk van de mate van veronderstelde relevantie voor wat geloofd
of gewenst wordt; en goed/slecht, afhankelijk van de mate waarin men veronderstelt dat iets de waarden die men heeft bevredigt of er tegen in gaat, waarbij waarden algemene oordelen zijn over hoe mensen behoren te zijn en zich te gedragen, en over hoe de wereld ingericht zou moeten worden.

Personen, gebeurtenissen, situaties en objecten kunnen om talloze verschillende redenen voor iemand interessant zijn, en iets wat interessant is hoeft niet iets te zijn wat men als aangenaam of goed beoordeelt: Wat iemand's fundamentele ideeŽn of idealen lijkt te bedreigen is alleen daarom al interessant. Oninteressant zijn voor vrijwel iedereen alle dingen waar hij of zij geen uitgesproken ideeŽn of wensen over heeft.

Het onderscheid tussen de twee dimensies aangenaam/onaangenaam en goed/slecht wordt in alle culturen op een of andere manier getrokken, en in alle culturen bestaat een aanzienlijk deel van de opvoeding uit het leren dat lang niet alles wat aangenaam, prettig of plezierig is ook goed is, en dat sommige op zichzelf genot verschaffende handelingen, zoals wederrechtelijke toeŽigening van de begeerlijke eigendommen van anderen, slecht is  en in de maatschappij met onaangename maatregelen bestraft wordt. En een deel van alle opvoeding bestaat uit het leren dat sommige, op zichzelf minder aangename of onaangename handelingen, zoals het opofferen van de eigen belangen voor die van anderen, goed kan zijn, en maatschappelijk met aangename gevolgen beloond wordt.

De dimensie aangenaam/onaangenaam is even persoonlijk als de persoonlijke preferenties; de dimensie goed/slecht is grotendeels afhankelijk van opvoeding, onderwijs en voorbeelden, en vormt de kern van de morele en ethische oordelen van mensen.

Het is een interessant, en voor het langdurig voortbestaan van families, instituties en maatschappijen fundamenteel feit dat mensen zich in hun handelen vooral door morele waarden laten leiden: Mensen laten zich vooral leiden door de door hun groepsgenoten gehuldigde waarde-oordelen, en dat niet omdat hun groepsgenoten rationeel of redelijk zijn, maar omdat mensen rationele dieren zijn. en hun zelfbeeld en eigendunk, die voor de menselijke motivatie van fundamenteel belang zijn, grotendeels sociaal gevormd en in in stand gehouden worden.

40. Mensen worden van jongs af aan door sociaal belangrijke anderen geprezen en misprezen,
      geloofd en geblameerd, en met instemming en afkeuring bejegend voor hun gedrag, hun uiterlijk, hun ideeŽn en hun afkomst.

Door het overnemen van en zich afzetten tegen deze waarderingen vormen mensen hun eigen waarde-oordelen, die ze weer op zichzelf en anderen toepassen om zichzelf en anderen te motiveren of demotiveren, en om uitdrukking te geven aan hun ervaringen en emoties.

Trots ontstaat doordat men, of iemand waarmee men zich identificeert, iets gedaan heeft dat moeite kost en goed geacht wordt; spijt is de tegenpool en ontstaat doordat men, of iemand waarmee men zich identificeert, iets gedaan heeft dat slecht geacht wordt of iets nagelaten heeft dat zover veel moeite goede of aangename gevolgen gehad zou hebben.

Eer-gevoelens ontstaat doordat men meent iets te moeten doen omdat nalatigheid op dit gebied slecht geacht wordt; schuldgevoelens zijn de tegenpool en ontstaan doordat men meent iets nagelaten te hebben wat men had moeten doen. 

Deze vier waarderingen zijn verwant - het verschil is vooral dat men ook trots kan zijn op handelingen die men zonder eerverlies had kunnen nalaten, en spijt kan hebben van handelingen zonder zich schuldig te (hoeven) voelen: Trots en spijt zijn meer algemeen; eer en schuld betrekken zich alleen op moreel geachte handelingen.

Hoop ontstaat doordat men verwacht dat iets wat men intens wenst ook gaat gebeuren; wanhoop is de tegenpool en bestaat in het opgeven van zo'n verwachting. Hoop motiveert sterk, en wanhoop demotiveeert nog sterker, omdat wie blijft hopen in het algemeen ook blijft proberen,

De tot nu toe in deze paragraaf gegevevn waarderingen zijn vooral zelf-gericht; de resterende vooral ander-gericht.

Sympathie ontstaat doordat men meent dat iemand tot een zelfde groep behoort als men zelf doet en dus soortgelijke waarde-oordelen heeft en belangen nastreeft; antipathie is de tegenpool en ontstaat doordat men meent dat iemand tot een andere groep behoort dan men zelf doet en/of
tegengestelde waarde-oordelen of belangen nastreeft. Dit zijn fundamentele menselijke waarderingen, en ze staan aan de basis van veel goeds, zoals vriendelijkheid en hulp, en veel kwaads, zoals discriminatie en geweld: Het kost de meeste mensen veel moeite om mensen die radikaal van
hen afwijken menselijk te behandelen, omdat ze voor radikaal anderen weinig sympathie kunnen koesteren, en snel antipathie voelen omdat ze in hun zelf-beeld en ideologie bedreigd menen te worden.

Vertrouwen ontstaat door sympathie en bekendheid: Hoe meer sympathie men voor iemand voelt en hoe beter men iemand meent te kennen, hoe meer men iemand vertrouwt. Wantrouwen is de tegenpool en ontstaat door antipathie en onbekendheid: Hoe meer antipathie men voor iemand voelt en hoe slechter men iemand meent te kennen, hoe meer wantrouwen men tegen iemand heeft. Onbekenden worden gewoonlijk gewantrouwd totdat ze aangetoond lijken te hebben vertrouwd te kunnen worden.

Bewondering ontstaat doordat men iemand eigenschappen toekent die velen zich wensen en maar weinigen gegeven zijn; verachting is de tegenpool en ontstaat doordat men iemand eigenschappen toekent die velen wensen niet te hebben en weinig voorkomen. Bewondering en verachting hebben
gewoonlijk weinig met verstand van doen en gelden vooral eigenschappen of prestaties ie cultureel, wetenschappelijk of ethisch van weinig of geen waarde zijn, en waar de bewonderde of verachte persoon niets of weinig voor gedaan heeft, zoals een mooi of lelijk uiterlijk hebben, als koningskind geboren worden, of de plaatselijk verkeerde huidskleur hebben. Veel mensen bewonderen iemand met hoge status als vanzelfsprekend, en verachten mensen met lagere status dan zijzelf even vanzelf- sprekend. En ieder mens wenst bewonderd te worden, en heeft daar een vrijwel onstilbare behoefte aan.

Liefde ontstaat door sympathie en bewondering, en bestaat in de wens iemand te willen beschermen en verzorgen; haat is de tegenpool en ontstaat door antipathie en verachting, en bestaat in de wens iemand te willen schaden. Over liefde en haat kan veel gezegd worden: Hier zijn ze gedefinieerd in persoonlijke termen, gebruik makend bam eerdere definities. Maar liefde kan ook iets onpersoonlijks als een land of muziek gelden, in een duidelijke hoewel wellicht overdrachtelijke zin, terwijl er ook een groot verschil is tussen bijv. vooral sexueel georiŽnteerde liefde en de liefde die ouders voor hun kinderen koesteren, of tussen bijv. de haat van een kind jegens een onderwijzer en de haat van een volwassene tegen de uitdragers van een alternatieve ideologie. Wie liefheeft haat wat het liefdes- onderwerp schaadt, en liefde en haat motiveren de mensheid - vaak niet ten goede, omdat intense emoties het verstand gewoonlijk verduisteren.

Medelijden omtstaat doordat men iets of iemand waar men sympathie voor heeft leed ziet onder- gaan; leedvermaak ontstaat doordat men iets of iemand waar men geen sympathie voor heeft leed ziet ondergaan. Medelijden staat en valt met sympathie: Waar men gewoonlijk, vanwege desinteresse, geen medelijden koestert doet men dat na een gerichte reclame-campagne wel, en waar men vroeger wel medelijden koesterde ziet men dezelfde mensen in een oorlogssituatie met vreugde in vlammen opgaan. Een groot deel van wat mensen humoristisch vinden, getuige de stomme films en veel komedies, is gebaseerd op leedvermaak: Negentig procent van alle vermaak lijkt leed- vermaak, althans op de televisie. Ook dit toont aan dat mensen geneigd zijn mensen die niet tot hun eigen groep behoren als minder menselijk te beschouwen en behandelen dan mensen die wel tot hun eigen groep behoren.

Grootmoedigheid is vreugde doordat anderen hun wensen bevredigen; de tegenpool is afgunst: kwaadheid doordat anderen hun wensen bevredigen. Er is veel meer afgunst dan grootmoedigheid in de wereld: De meeste mensen vinden dat ze minstens even veel rechten hebben op wat iedereen zich
wenst als ieder ander, en benijden dus iedereen die naar hun mening meer dan zij en dus, in hun ogen, teveel krijgt.

41. Alle waarderingen die hierboven omschreven zijn leert men maken, zowel naar de vorm als naar
     de inhoud; allen berusten op oordelen waarin een feit verondersteld en, direkt of indirekt, op wenselijkheid gewogen wordt; en eenmaal gemaakte waarderingen vormen met ondervonden
gevoelens de oorzaken van emoties.

Trots en eer-gevoel worden geleerd door sociale instemming en afkeuring, en door imitatie; hoop wordt geleerd door te leren dat volhouden soms succes heeft; sympathie wordt geleerd door te leren inzien dat anderen soortgenoten zijn, en soortgelijk voelen en denken; vertrouwen wordt ge-
leerd door mensen te leren kennen; bewondering wordt geleerd dor mensen te kennen en te leren zien dat sommigen op sommige terreinen uitblinken; liefde is gebaseerd op geleerde sympathie, bewondering en vertrouwen; en medelijden en grootmoedigheid zijn gebaseerd op geleerde sympathie.

Alle waarderingen kunnen op verschillende manieren ongefundeerd zijn:

Het in de waardering veronderstelde feit kan onwaar zijn; de toegekende  waarde kan overdreven, te gering, of ongerechtvaardigd zijn; of de waardering is in het geheel niet gebaseerd op eigen kennis of ervaring, maar eenvoudig geÔmiteerd - overgenomen van de ouders, van de media, of van
sociaal belangrijke mensen.

Een groot deel van de waarderingen die mensen er op na houden is ongefundeerd in deze laatste zin. en niet gebaseerd op eigen inzichten maar op meedoen met de heersende modes. En er zijn niet alleen modes in kleren, maar ook in politieke, religieuze, wetenschappelijke en religieuze idealen,
en mensen kiezen hun waarde-oordelen gewoonlijk niet door gropndig individueel overleg, maar door zich te conformeren aan wat de groepsgenoten vinden.

Dit betekent dat een aanzienlijk deel van de door mensen gevoelde emoties slecht gefundeerd zijn - wat overigens niets afdoet aan de gevoelde intensiteit, en motiverende werking van die emoties. Het betekent ook dat mensen kunnen leren andere emoties te hebben, namelijk door de waarderingen die de grondslag vormen voor hun emoties te herzien, en door de feiten anders te leren zien, de waarde- oordelen anders te leren rechtvaadigen, of door meer op eigen ervaringen te leren vertrouwen.

42. Karakteristieken zijn een vorm van waarderingen, namelijk waarderingen van personen waarin
      een waarde-oordeel wordt uitgesproken over hun persoonlijkheid, gedrag of houding. Het is kenmerkend voor karakteristieken dat ze, anders dan waarderingen, niet primair een beoordeling
en een houding van de oordelende persoon uitdrukken, maar een beschrijvende en voorspellende waardering van de beoordeelde persoon.

Een enigszins adekwate beschrijving van iemand's gedrag omvat minstens zeven termen, nl. A deed B middels C in situatie D om E te bereiken ten dienste van doel F om redenen G; of wat anders geformuleerd, als vraag: Wie deed wat, waarmee, waar, wanneer, waartoe, waarvoor en waarom?

Karakteristieken zijn minder subtiel, en drukken in ťťn woord uit hoe iemand is, zich gedraagt, of tot anderen verhoudt. Door dit gebrek aan subtiliteit en door hun beschrijvende karakter zijn karakterist- ieken vaak simplistisch of karikaturaal, maar daarom juist weer sterk emotionerende termen, die zowel sterke emoties kunnen uitdrukken als losmaken.

Karakteristieken kunnen grofweg in drie soorten verdeeld worden: Waarmee iemand's persoon beoordeeld wordt; iemand's gedrag beoordeeld wordt; of waarmee iemand's verhouding tegenover anderen gekarakteriseerd wordt.

Er zijn in iedere taal veel termen die vaak of incidenteel als karakteristieken gebruikt worden. Hieronder volgen een aantal belangrijke.

Arrogant heten personen die een abnormaal hoge dunk van hun eigen kwaliteiten hebben; nederig is de tegenpool en slaat op personen die eenn abnormaal lage dunk van hun eigen kwaliteiten hebben.

Zoals vrijwel alle karakteristieken refereren arrogantie en nederigheid vooral aan uiterlijk gedrag: De meeste mensen missen de moed tot hoogmoed, en verbergen hun grote eigendunk achter een gespeelde bescheidenheid, terwijl ze hun arrogantie uitdrukken door het tonen van status-objecten, zoals dure autoos, bontjassen e.d.

Ambitieus heten personen die zichzelf moeilijk te bereiken doelen stellen, vaak meer in het bijzonder aanzien en macht; bescheiden is de tegenpool en slaat op personen die zichzelf makkelijk te bereiken doelen stellen, of tevreden zijn met weinig aanzien of macht.

Omdat geluk evenredig is met bevredigde wensen hebben werkelijk bescheiden mensen een grotere kans op geluk dan ambitieuze mensen. Maar zoals met arrogantie en nederigheid is het gebruikelijk een grotere bescheidenheid te pretenderen dan men werkelijk voelt.

IJdel heten personen die veel moeite doen om zich voor te laten staan op hun uiterlijk; de tegenpool kan men onverzorgd noemen, en slaat op personen die weinig moeite doen voor hun uiterlijke verschijning.

Eťn goede reden voor vrouwen om ijdel te zijn is dat ze maatschappelijk weinig alternatieve mogelijk- heden geboden worden om zich voor te kunnenlaten staan, terwijl ieder mens een grote behoefte heeft aan bewondering. Omdat de meese mensen anderen vooral op uiterlijkheden beoordelen en
veroordelen, is onverzorgdheid een slechte basis voor maatschappelijk succes, en een teken van maatschappelijke onaangepastheid.

Dit wat betreft de persoon-beschrijvende karakteristieken, die ieder een belangrijk motief poneren dat het doen en laten van iemand motiveert.

Meer gedragsbeschrijvende karakteristieken zijn de volgende.

Matig heten personen die weinig behoefte hebben aan luxe, d.w.z. aan goederen die niet noodzakelijk zijn om gezond te leven; onmatig is de tegenpool en slaat op personen die veel behoefte hebben aan luxe.

De consumptiemaatschappij maakt mensen algemeen onmatig door hun behoeftes voortdurend te stimuleren en luxe als een goed iets voor te stellen, terwijl veel mensen bovendien onmatig zijn wat betreft specifieke goederen, zoals bijv. drank.

Voorzichtig heten personen die abnormaal kleine risico's nemen; onvoorzichtig is de tegenpool en slaat op personen die abnormaal grote risico's nemen.

Mensen verschillen nogal wat hun angstbeleving aangaat, en alle mensen hebben behoefte aan enige spanning en risico - een behoefte die waarschijnlijk aangeboren is, omdat het nodig is om te overleven.

Moedig heten personen die zich niet laten beheersen door hun angst in situaties waar men normaal angstig is; en laf heten personen die zich laten beheersen door hun angst waar men dat normaal niet doet.

Er zijn tenminste twee verschillende soorten moed: Fysieke moed,  die bestaat in het trotseren van lichamelijke gevaren, en morele moed, die bestaat in het trotseren van de meningen van anderen. Morele moed is moeilijker en zeldzamer, en fysieke en morele moed gecombineerd in ťťn persoon komt niet vaak voor, zoals de feitelijke schaarste aan verzetsstrijders in de Tweede Wereldoorlog aantoont.

Verlegen heten personen die angst hebben om met anderen om te gaan; en de tegenpool brutaal slaat op personen die geen angst hebben om met anderen om te gaan.

Veel meer mensen zijn verlegen dan het toegeven: Wie met enige aandacht en een onbevooroordeeld brein een sociale samenkomst bekijkt ziet dat vrijwel iedereen voor vrijwel iedereen verlegen is - onafhankelijk van leeftijd, ervaring of status. De meeste mensen hebben veel minder zelfvertrouwen
dan ze proberen uit te stralen, en daarom is het zo moeilijk om anderen te leren kennen: Als de ťťn al niet bang is, is de ander het gewoonlijk wel.

Vriendelijk heten personen die genegen zijn anderen het leven aangenaam te maken; en de tegenpool onvriendelijk slaat op personen die genegen zijn anderen het leven onaangenaam te maken.

Zoals de termen hier bedoeld worden slaan ze vooral op uiterlijk vertoon wat betreft kleine dingen: De ťťn maakt makkelijk een praatje met iedereen, lacht snel, en toont belangstelling voor wat anderen zeggen, en gaat daarom voor vriendelijk door; de ander is geen gemakkelijke prater, wat somber, en in zichzelf gekeerd, en heet dus onvriendelijk. Wie sociaal een succes wil zijn moet zich aanwennen tegen veel mensen vriendelijk te zijn en te blijven.

AltruÔstisch heten personen die meer dan anderen hun eigen belangen opzij schuiven om anderen te helpen; egoÔstisch is de tegenpool en slaat op personen die abnormaal weinig genegen zijn hun eigen belangen op te offeren om anderen te helpen.

Niemand is alleen egoÔstisch of alleen altruÔstisch maar velen weten hun altruÔstische impulsen vrijwel alleen te beperken tot hun familie - wat in zoverre begrijpelijk is dat sympatie en medelijden selectief zijn, en het hemd nader is dan de rok.

Hebzuchtig heten personen die abnormaal weinig van hun bezittingen met anderen delen; vrijgevig is de tegenpool en slaat op personen die abnormaal veel van hun bezittingen aan anderen geven of met hen delen.

Hebzucht is normaler dan vrijgevigheid, en de gebruikte term "bezittingen" moet ruim genomen worden: Mensen kunnen niet alleen hebzuchtig zijn wat betreft hun eigendommen, maar ook wat betreft tijd, aandacht, ideeŽn of relaties,. Eťn vorm van jaloezie is bijvoorbeeld door liefde or sexuele
bezittingsdrift gemotiveerde hebzucht.

Agressief heten personen die snel boos worden en dus makkelijk anderen kwetsen of pijnigen; de tegenpool is zachtmoedig en slaat op personen die moeilijk boos worden en anderen zelden kwetsen of pijnigen.

Een zekere mate van agressiviteit is nodig om zich sociaal te kunnen handhaven en verweren, maar extreme agressiviteit is gewoonlijk aangeleerd doordat woede regelmatig een lustgevende emotie is of als reactie op grote pressie. Overigens tonen sporten als boksen aan dat agressie tot op veel groter hoogte beheersbaar is dan men vaak geneigd lijkt aan te nemen, waarbij opgemerkt moet worden dat mensen hun agressie in het algemeen verbaal uitleven.

Dominant heten personen die graag of makkelijk macht uitoefenen en machtsposities bekleden; onderworpen is de tegenpool en slaat op personen die graag machthebbers dienen.

Een persoon heeft macht over een ander als de ťťn beslissingen kan nemen die van belang zijn voor de ander. Iedereen streeft naar voldoende macht om z'n wensen te vervullen, maar wordt in dat streven geremd door anderen die hetzelfde nastreven, en door sympathie, medelijden, altruÔsme, liefde e.d.

Een sterke preoccupatie met macht is een teken van angst en onzekerheid, en kan zich zowel uiten in overdreven dominant vertoon als in overdreven onderworpen vertoon. Het komt overigens zelden voor dat degenen met de meeste macht ook het meest bekwaam of het meest geschikt zijn om die
macht uit te oefenen, omdat machtsposities niet naar bekwaamheid of geschiktheid verdeeld worden en omdat degenen die het meest naar macht streven vaak het makkelijkst erdoor gecorrumpeerd worden.

43. In de voorgaande twaalf paragrafen is een theorie over de menselijke emotionele aktiviteiten
      ontvouwd die, wat de feitelijke merites ervan ook mogen zijn, in ieder geval een heldere terminologie oplevert om overemotionele toestanden te te spreken en om mensen in emotionele termen te beschrijven.

Om hiervan een algemeen systematisch voorbeeld te geven volgt hieronder het grote schema uit paragraaf 31 in een enigszins andere vorm:

Als we een persoon P in emotionele termen willen beschrijven, dan kunnen we:

Ten eerste z'n lichamelijke gevoelens aan te geven, en te zeggen of en waardoor P overwegend lust of onlust gevoelens heeft; kalm of opgewonden; en energiek of moe is; ten tweede door z'n stemming aan te geven en te zeggen of P teneergeslagen lijkt, en wat daarvoor de verklaringen kunnen zijn; en,
ten dede, door P's emotionele toestand, angst, woede, verdriet of vreugde en hun eventuele oorzaken aan te geven, en te zeggen waar P's wensen naar uitgaan en wat P gelooft en niet gelooft.

Naast de feitelijke emotionele toestand kunnen we proberen P's waarderingen aan te geven:

Wat vindt P goed en slecht; wat zijn P's interesses; en wat vindt P aangenaam en onaangenaam; waarop is P trots en waarvan heeft P spijt; wat prikkelt P's eer- en schuld-gevoelens; en waarop hoopt P in z'n leven. En wat P's meningen over anderen betreft: Wat wekt P's sympathie en antipathie; wat P's vertrouwen, bewondering en verachting; wat en wie heeft P lief en haat P; wat wekt P's medelijden en leedvermaak; en op wie is P afgunstig.

En tenslotte kunnen we P trachten te omschrijven als arrogant of nederig; ambitieus of bescheiden; ijdel of onverzorgd; matig of onmatig, en waarin speciaal; moedig of laf, en in moreel of fysiek opzicht; verlegen of brutaal; vriendelijk of onvriendelijk; altruÔstisch of egoÔstisch; hebzuchtig of vrijgevig; tolerant of intolerant; vriendelijk of onvriendelijk; agressief of zachtmoedig; en dominant of onderworpen.

De gegeven theorie is overwegend helder en in alledaagse termen verwoord, en hoewel ik psychologie en filosofie gestudeerd heb, heb ik het meeste zelf bedacht: Er is naar mijn weten geen geaccepteerde systematische theorie of zelfs maar een samenhangende terminologie voor gevoelens, emoties, stemmingen, waarderingen en karakteristieken, en ook dat algemene onderscheid is niet gebruikelijk, hoewel het behoorlijk verhelderend is.


----------------

IV. Personen

44. De mens is een sociaal, pratend en rationaliserend [31] dier, en de menselijke
      persoonlijkheid kan het beste in die termen begrepen worden: Als een sociaal gekreŽerde en in stand gehouden, op taal gebaseerde intellectuele constructie, voor de meeste mensen voor een groot deel gebaseerd op wensdenken en pretentie, d.w.z. op het voor (on)waar houden wat ze (on)wenselijk achten en doen alsof men is hoe men denkt dat de sociaal belangrijke anderen wensen dat men is.

45. De menselijke persoonlijkheid kan het best benaderd worden vanuit de meest
      menselijke schepping, de taal, en d.m.v. de meest menselijke daarmee uitgedrukte instellingen: Geloven, wensen en beweren.

Ieder mens oriŽnteert zich in de wereld en op anderen door er in taal geformuleerde wensen over te koesteren, en door er tegenover anderen en zichzelf beweringen over te doen, die weer al dan niet geloofd en wenselijk geacht worden.

46. Over de menselijke persoonlijkheid zijn veel, i.h.a. nogal vage en spekulatieve
      theorieŽn verkondigd in psychiatrie, psychologie of filosofie. Een heldere en theoretisch vruchtbare theorie start van de volgende partiŽle definities [32]:
  • het zelf van P = de beweringen die P over P gelooft
  • het ego van P = de beweringen die P over P wenst
  • de rol van P   = de beweringen die P over P beweert
Hier is verondersteld dat iemand's rol tegenover anderen gespeeld wordt en berust op publieke beweringen en gedragingen, terwijl iemand's zelf en ego c.q. geloven en wensen privť zijn.

47. Het is natuurlijk ook zo dat iemand's zelf, ego en rol meer of minder variŽren met
      iemand's leeftijd, sociale context, status en gezondheid: De meeste mensen hebben een flink aantal verschillende rollen, en wat ze over zichzelf geloven en over zichzelf wensen verschilt in ieder geval in accent en prioriteit met de verschillende rollen die ze bekleden en meer of minder succesvol kunnen spelen.

Het is essentieel voor voor goed begrip van de bovenstaande definities om in te zien dat wat men gelooft, wenst of beweert niet waar behoeft te zijn, en dat het snel kŗn veranderen. [33]

48. Dit rechtvaardigt de volgende twee definities:
  • de persoonlijkheid van P = de beweringen die P over P weloverwogen, gedurende langere tijd en in verschillende voor P belangrijke contexten
    gelooft, wenst en beweert.
Aldus is de menselijke persoonlijkheid een welbewuste menselijke schepping: Men is voor zichzelf wat men gelooft en wenst dat men is, en tegenover anderen wat men beweert/pretendeert te zijn. De mens is wat ie gelooft en wenst dat ie [34] is, en doet wat ie durft gebaseerd op wat ie denkt en voelt. En de mensen scheppen zichzelf naar hun moed, hun vermogens, hun mogelijkheden en hun kennis.

Maar wat ie gelooft en wenst over zichzelf is nooit helemaal waar:
  • het karakter van P = wat P werkelijk is = wat gerepresenteerd wordt door de ware beweringen over P's ideeŽn, wensen en eigenschappen.
Dit ligt onder of achter het bewuste zelf en ego, en is niet als zodanig toegankelijk voor wie het heeft, o.a. omdat het groter en ingewikkelder is dan het bewustzijn kan weergeven en omdat het over de jaren opgebouwd is door specifieke wensen en geloven.

49. De menselijke persoonlijkheid is een sociale creatie en grotendeels een sociaal
      in stand gehouden fictie: Mensen spelen (= doen alsof) ze de personen zijn die ze geloven en wensen dat ze zouden zijn in grotendeels daartoe in stand gehouden groepen; ze spelen en adopteren rollen en worden de karakters die ze sociaal aangeboden worden, en functioneren zelf weer als tegenspelers voor anderen die hetzelfde doen. Zoals de dichter [35] zegt:

       My me
       Is someone I never see
       It hides itself in the dream
       I dream
       Of me.

       You are you
       Because of what I do
       To make you you
       As I am me
       Because of what you see
       As me
       We are we
       Because of what each does
       To make each of us

50. De bovenstaande definities van zelf, ego en rol (of persona = het masker dat
      iemand opzet tegenover anderen) kunnen verduidelijkt worden d.m.v. het volgende Venn-diagram (en de drie cirkels staan voor resp. van links naar rechts en van boven naar beneden voor Geloven, Wensen, en Beweren) [36]:

                   

waarin de 8 logische mogelijkheden in staan voor een persoon P, die als volgt bekommentarieerd kunnen worden:

(1) = wat P over zichzelf gelooft maar niet wenst noch uitspreekt.

     Dit is voor de meeste mensen meer niet dan wel bewust: Het is wat ze wel over zichzelf geloven naar liever niet onder ogen zien, en zeker niet aan anderen toegeven. Het is belangrijk op te merken dat P zich dit wel bewust kŠn zijn, maar het zich vaker niet dan wel bewust is omdat het P's eigen onvermogens, sociaal getaboeŽerde wensen, egoÔsmes, oneerlijkheden, zwaktes en falen omvat.

(2) = wat P over zichzelf gelooft en uitspreekt maar niet wenst.

     Dit zijn P's sociaal toegegeven zwaktes - die overigens vaak toegegeven worden omdat P daar beter van wordt of niet anders kan, omdat het bekende, zichtbare zwaktes, tekortkomingen of onvolkomenheden betreft.

(3) = wat P over zichzelf gelooft en wenst maar niet uitspreekt.

     Hier ligt een belangrijk deel van de eigenwaarde van veel mensen, en hier ligt dus hun "ware zelf" (in eigen ogen) en hun doelen in het leven, die hťťl anders kunnen zijn dan ze publiekelijk voorgeven. Omdat de meeste mensen vaak minder goede bedoelingen hebben dan ze strategisch verantwoord achten om toe te geven en omdat de meeste mensen niet belachelijk gemaakt willen worden, hebben ze veel te verzwijgen.

(4) = wat P over zichzelf gelooft, wenst en uitspreekt.

     Hier ligt P's geprefereerde sociale persoonlijkheid, want dit zijn de eigenschappen die P meent overeind te kunnen en willen houden. Dit zijn de rollen die P aankan (volgens P).

51. De deelverzamelingen (1) t/m (4) van het menselijk karakter vormen het zelf in
      de zin: wat iemand over zichzelf gelooft. [37] Het ongewenste deel daarvan - (1) en (2) - wordt gewoonlijk grotendeels over het hoofd gezien, zowel door de persoon zelf als door de anderen, vooral omdat het voor allen nogal pijnlijk is ongewenste onderwerpen aan te snijden of onder ogen te zien. En wat iemand van zichzelf vindt wordt vaker wel dan niet bepaald door wat ie voor zichzelf wenst: Dit omvat het door P omtrent zichzelf gewenste en geloofde, dat ook deel uitmaakt van P's zelf, evenals deelverzamelingen (3) en (4), en het door P gewenste doch niet geloofde:

52. (5) = wat P wenst over zichzelf maar niet gelooft of uitspreekt.

     Hier ligt het grootste deel van wat wel het ego-ideaal [38] genoemd wordt, en dat heel wat kinderlijker en primitiever is dan de meeste mensen zouden willen toegeven: Het is over het algemeen puur en dom wensdenken zonder enige redelijke feitelijke basis, en georiŽnteerd aan heersende maatschappelijke ideaalbeelden.

(6) = wat  P wenst en beweert over zichzelf maar niet gelooft.

     Dit is een belangrijk deel van het sociale spel dat de meeste mensen spelen, dat ze gedeeltelijk willen spelen omdat het overeenkomt met hun ego-ideaal, en dat ze gedeeltelijk gedwongen worden te spelen, omdat het overeenkomt met rol-  verwachtingen en functie-vereisten van de rollen die ze spelen. [39]

53. De deelverzamelingen (3) t/m (6) van het menselijk karakter vormen het ego:
      Wat iemand voor zichzelf wenst. [40] Het ongeloofde deel daarvan wordt gewoonlijk niet als bron van handelingen gebruikt, maar vormt wel een bron van veel dagdromerij en van veel meningen die mensen hebben: Een groot deel van het menselijk denken is wens-denken - men houdt voor waar wat men voor wenselijk houdt en voor onwaar wat men onwenselijk acht. [41] Pas als men gedwongen wordt te handelen naar de meningen die men heeft, of gedwongen wordt ze te verdedigen tegen rationele kritiek, gaan de meeste mensen (enigszins) rationeel redeneren, en oriŽnteren ze zich m.b.v. logica, gezond verstand en algemeen erkende feiten. Tot dat moment aangebroken is (in de meeste gevallen dus nooit) blijven ze geloven wat ze wensen, en hun wereld- en zelf-beeld inrichten aan de hand van emotioneel prettige illusies. [42]

54. De rollen die iemand speelt - voor de meeste mensen zijn dat in ieder geval die tegenover hun huwelijkspartner, hun ouders, hun kinderen, hun vrienden, hun kennissen, de mensen met wie ze werken, hun buren, en belangrijke en onbelangrijke bekenden - vormen een deel van iemand's zelf, gewenst of niet ((2) en (4)), en van iemand's ego ((4) en (6)). Maar ze kunnen ook puur pretentie zijn:

55. (7) = wat P over zichzelf beweert maar noch gelooft noch wenst.

     Hier ligt een aanzienlijk deel van beleefd gedrag, etikette, en zeer eenvoudige sociale pretenties t.a.v. kleding, uiterlijk en gedrag die iedereen ophoudt en wordt verondersteld op te houden. Maar hier kan ook, zoals in een ongewenste relatie (huwelijk, werk, gevangenis - alles is mogelijk waar aanzienlijke dwang mee uitgeoefend kan worden), een uitgebreid leugensysteem overeind gehouden worden, omdat men te bang is het na te laten, of teveel voordeel van het instandhouden verwacht.  

56. In veel leef- en werk-situaties dwingen mensen elkaar tot uitgebreide pure
      pretentie, en dus tot leugens en verloochening. Gedeeltelijk is dit wenselijk (zoals de pretentie een ander niet te willen vermoorden terwijl je 't wel wilt; de pretentie niet te discrimineren terwijl je 't eigenlijk niet zo voelt; de pretentie van beleefdheid terwijl het tegen je egoÔstische impulsen ingaat etc.) maar voor een groot deel is dat onwenselijk, en leidt tot moeilijkheden in

(8) = wat P noch gelooft noch wenst noch pretendeert, terwijl het wťl
           eigenschappen van P zijn.

Hier ligt het onderbewuste, en omdat de meeste mensen gewoontedieren zijn vormt dit ook een aanzienlijk deel van het karakter van iemand.

57. En hier, in (8), ligt het grootste deel van wat iemand feitelijk is: Een grotendeels
       onbekend lichaam, met een grotendeels onbekend brein, met grotendeels ongekende mogelijkheden in een grotendeels onbegrepen wereld. [43]

Mensen creŽren zichzelf, door hun eigen hersens te programmeren m.b.v. wensen en ideeŽn over zichzelf. Jammer genoeg is een groot deel van die wensen onredelijk irreŽel want onrealiseerbaar, en een groot deel van die ideeŽn irrationeel en onwaar, maar dat doet aan het feit dat mensen zichzelf maken (uit gegeven individuele biologische feiten) niets af.

Maar mensen maken zichzelf niet in hun eentje: Ze hebben daar anderen voor nodig:

Uiteindelijk worden menselijke persoonlijkheden geschapen door menselijke individuen in een menselijke cultuur - d.w.z. in groepen, families, instituties, en organisaties van mensen. Daartoe wenden we ons nu. [44]

2. Verhoudingen

58. In iedere bewuste verhouding tussen twee mensen, hoe kort ook, zijn ideeŽn,
      emoties en wensen betrokken, en wordt iets uitgewisseld - informatie, goederen of diensten - als onderdeel of als doel van de verhouding.

En iedere bewuste verhouding tussen twee mensen, hoe eenvoudig ook, omvat voor ieder van de participanten in ieder geval tien onderwerpen: Een idee over (1) het doel, (2) de achtergrond en (3) de feitelijke uitwisseling en (4) het type verhouding waar men bij betrokken is, en vervolgens (5) het beeld dat men van zichzelf, en (6) van de ander heeft, en (7) van het paar, en (8) van de anderen die met het paar of de verhouding of de uitwisseling te maken hebben, en tenslotte het beeld dat ieder zich vormt (9) van het zelfbeeld van de ander, en (10) van wat de ander over zelf denkt (dus voor mij is dat: wat ik denk dat jij over mij denkt.)

Aangezien de meningen van ieder van de beide betrokkenen hierover kunnen verschillen en zelden wederszijds volledig bekend zijn, zijn de mogelijkheden tot misverstanden en misleidingen talloos. [45] Dat veel verhoudingen tussen mensen desalniettemin behoorlijk succesvol zijn ligt in niet onbelangrijke mate in het feit dat de meeste verhoudingen door beide participanten welbewust oppervlakkig worden gehouden en sterk sociaal gecodificeerd zijn: Men speelt ieder voor de ander gewoonlijk een rol die wederszijds tamelijk goed bekend is.

59. Verhoudingen dienen doelen. Wat willen mensen van elkaar? Waarom gaan ze met
      elkaar om en waarom communiceren ze me elkaar?

Wat mensen van elkaar willen komt neer op:

- ze willen hun wensen t.a.v. zichzelf en anderen bevredigen
- ze willen hun zelfbeeld bevestigen en in stand houden
- ze willen hun ideologie bevestigen en in stand houden. [46]

Het bevredigen van de meer eenvoudige wensen in een geordende maatschappij gebeurt door doel-gerichte verhoudingen aan te gaan met mensen die die doelen bevredigen: De tradionele beroepsgroepen (bakker, slager, timmerman etc.), waar rollen gespeeld worden die mensen in alledaagse noden, doelen en behoeften voorzien. (Het onbevre- digende van de niet-traditionele beroepen - programmeur, processor, medewerker, afdelingschef - is dat het rollen biedt die niet in de maatschappij maar in een bedrijf belangrijk zijn en die mensen daar geÔsoleerd houden. [47])

60. Essentieel voor ieder mens en kenmerkend voor de mens als soort is dat mensen
      leven voor, door en met hun idealen en ideeŽn over wat zijzelf en de hen omringende werkelijkheid zijn en zouden moeten zijn.

Mensen leven om hun zelf- en wereld-beeld in stand te houden, bevestigen en uit te bouwen - ieder mens heeft ideeŽn en wensen over wat hij/zij zelf is en wil zijn, en hoe de wereld er uit ziet en zou moeten zijn.

Daar liggen de belangrijkste en sterkste emoties verankert, en daar zijn zij het lichtst geraakt en nhet snelst aangesproken: Ze identificeren zich met hun zelfbeeld en met de groepen waar ze deel van uitmaken die hen de rollen bieden waarop dat zelfbeeld gebaseerd is - familie, kerkgenootschappen, politieke partijen, naties etc.

De mens is de ideologische aap, het rationaliserende dier: Een wezen dat zijn soortgenoten pijnigt geÔnspireerd door illusies over zichzelf, over hen, en over de werkelijkheid. [48]

61. Het type verhouding hangt af van waar de verhouding toe dient, en een bruikbare
     klassificatie is of de verhouding primair

- taak- of doelgericht is: Er moet in de eerste plaats iets gemaakt, verworven of
   tot stand gebracht worden, en het spelen van rollen of het beleven van
  persoonlijkhede is secundair;
- rol-gericht is: Er wordt door participanten inhoud gegeven aan bestaande sociale
   rollen, waarvan algemeen bekend is wat er van beiden verwacht wordt - hoe men het
  spel moet spelen;
- persoon-gericht is: De deelnemers zijn vooral in elkaars totale hoedanigheden en
  belangen geÔnteresseerd en zijn op velerlei manieren voor elkaar interessant.

In het algemeen heeft iedere verhouding alle drie aspecten, maar de meeste verhoudingen zijn, althans op ieder bepaald moment, vrij duidelijk primair van ťťn van deze drie soorten, hoewel er wťl vaak gepretendeerd wordt dat taak- of rol-gerichte
verhoudingen persoons-gericht zijn (wat vaak voorkomt bij romantische c.q. sexuele verhoudingen, waarin mensen pretenderen in elkaar geÔnteresseerd te zijn, waar ze in feite vaak uit zijn op sexuele bevrediging (een doel) of op een sociaal aanvaardbare
huwelijkspartner (een rol)).

Taak- of doel-gerichte verhoudingen zijn altijd kortdurend: Waar langdurig taken verricht moeten worden, komen hiervoor sociale rollen. Een fundamenteel inzicht hier is dat sociale rollen in het algemeen niet vervuld worden vanwege de taken of doelen die er in vervuld worden,  maar vanwege de waardering voor die rollen: De status of geldelijke beloning die met die rollen verbonden zijn. [49]

De meeste verhoudingen tussen mensen zijn kortdurende taak- of doel-verhoudingen, of rol-verhoudingen; de meest intense verhoudingen zijn persoons-gerichte verhoudingen - die overigens ook, vanwege het emotionele gevaar dat de partners denken te lopen, vaak tenderen in de richting van een rollenspel.

62. Het type communicatie dat mensen gebruiken hangt af van de verhouding, het
      onderwerp en de stemming van de deelnemers, maar een bruikbaar overzicht is als volgt:

relatie t.o.v. de ander
negatief
onpersoonlijk
onecht
inconsistent
attributerend
aanvallend
gebiedend/verbiedend
oneerlijk
autoritair
positief
persoonlijk
spontaan
consistent
informerend
ondersteunend
hulpgevend
eerlijk
gelijkwaardig, coŲperatief
relatie t.a.v. het onderwerp/gesprek
ongeÔnteresseerd
meerduidig
vaag
verduisterend
onsamenhangend
irrelevant
van de hak op de tak
interrumperend
geÔnteresseerd
ťťnduidig
helder
verhelderend
samenhangend
terzake
onderwerp definiŽrend
herhalend/beantwoordend

63. Orientaties en gedrag in de linkerkolom bemoeilijken de communicatie;
     oriŽntaties en gedrag in de rechterkolom vergemakkelijken de communicatie. Algemeen geformuleerd: Communicatie en verhoudingen zijn beter al naar mate men elkaar meer met waardering, interesse en instemming tegemoet treedt, de persoonlijke betrokkenheid uitspreekt en elkaar eerlijk en spontaan helpt, steunt en adviseert en er als gelijkwaardige mee samenwerkt; men in gesprekken en in elkaars standpunten en ideeŽn geÔnteresseerd is; samenhangend, terzake, ťťnduidig en helder praat, en nauwkeurig informeert naar de meningen van de ander en onduidelijkheden tracht te vermijden.

Ideale konversaties vinden zelden plaats, was het alleen omdat de meeste konversaties tussen mensen er op gericht zijn minimale informatie te geven en maximale vaagheid omtrent essentiŽle gegevens in stand te houden of te kreŽren, om de ander inzicht in de motieven en belangen van de spreker te onthouden of ontnemen, omdat de spreker dit niet in het eigen belang acht. [50]

Twee centrale vragen bij iedere communicatie zijn (i) wie het initiatief heeft (wie voorstellen kan doen; wie plannen op kan zetten; wie ideeŽn formuleert; wie bepaalt wat de gespreksonderwerpen en/of handelswijzen zijn) en (ii) wie beslist (wie bepaalt wat er gedaan of besproken wordt, en hoe lang en op welke wijze). In vergaderingen wordt dit i.h.a. op een of andere manier formeel geregeld, bijv. middels een voorzitter, maar in informele communicatie spelen deze vragen voortdurend.
     
3. Verdedigingsmechanismes

64. Veel ervaringen en verhoudingen leiden tot onprettige emoties: Angst, woede,
     afschuw en de daarmee samenhangende spanningen. Men moet daar op een of andere manier mee leven, en ťťn manier is om de oorzaken ervan weg te nemen.
Dit lukt vaak niet, of niet voldoende, en dan treedt een tweede manier op, de zogenaamde verdedigingsmechanismes: Niet-bewuste technieken om emoties te manipuleren.

In de psychiatrie worden, afhankelijk van de theorie, tien tot vijftig verdedigings- mechanismes onderscheiden, maar de behandeling daarvan is in het algemeen verward en vol ontestbare hypothesen. [51]

Hier volgt een overzicht van de belangrijkste verdedigingsmechanismes:

A. Repressie: Persoon P onderdrukt de emotie (zoveel mogelijk).
    Zeker voor emoties waarover men een sterke waarde heeft ("dat mŠg niet!") lukt dat tot aanzienlijke hoogte, zij het met een aanmerkelijk risico dat de emoties zich in  andere vorm - vooral gevoelens van gejaagdheid, zenuwachtigheid - uiten, maar als men die waarden niet heeft over de emotie c.q. de situatie waardoor de emotie veroorzaakt wordt, dan kan men een stapje verder gaan door

B. Ontkenning: Persoon P ontkent dat P de emotie heeft.
    Dit is intellectueel heel eenvoudig ("ik bťn helemaal niet bang/homofiel/zenuw-
achtig" etc.) en werkt vaak omdat de wens om deze onprettige emoties te vermijden zo sterk is, en men daarvoor best een deel van het zelfbeeld wil wijzigen. Ook dit gaat gepaard met een prijs (totdat de ontkenning inderdaad effectief deel uitmaakt van het zelfbeeld moet men blijven ontkennen en blijft daardoor onprettige gevoelens hebben), maar ook hier is weer een oplossing:

C. Overdracht: Persoon P verbindt de emoties over de ťťn tegen ander.
    P wordt bijvoorbeeld niet boos op z'n baas, maar op z'n vriendin die er ook niets aan kan doen, of zoekt een vrouw zoals z'n moeder omdat je met je moeder niet kunt vrijen. Dit leidt vaak tot onprettige resultaten, maar het is wel effektief (en werkt overigens ook voor zoogdieren: Apen en honden reageren de hen toegebrachte ellende door sterkere dieren ůůk af op zwakkere dieren). Het kan echter zijn dat P zich bewust wordt van overdracht-mechanismes en zich inhoudt. Dan kan P zich laten verleiden tot

D. Omkering: Persoon P wijt de emoties van zichzelf aan een ander. 
    Het is niet P meer die de pest heeft aan z'n vrouw, nee: z'n vrouw heeft de pest aan hem (volgens P), en daarom gaat het zo slecht met hun huwelijk - kortom, P is onschuldig, en de anderen hebben gedaan wat P voelt: Zij zijn boos, onrechtvaardig, beangstigend of beschuldigend (volgens P). En P kan dit combineren met een soortgelijk mechanism:

E. Projectie: P kent de ongewenste eigenschappen van zichzelf zonder goede gronden
    toe aan anderen.
Tot op zekere hoogte is dit natuurlijk onvermijdelijk, maar het betreft een verdedigings-
mechanisme als het duidelijk om de toekenning gaat van ongewenste eigenschappen die men zelf heeft aan anderen die ze niet of een heel stuk minder hebben. [52] Iedereen leest zichzelf tot op zekere hoogte in anderen, en dit is de bron van veel reŽel gefundeerde sympathie, maar iedereen ziet ook het snelst de onprettige eigenschappen van anderen die die in zichzelf vermoedt. Wie, zoals veel extreme Christenen, overal tekenen van losbandig sexueel gedrag ziet, en dat sterk afkeurt, projecteert waarschijnlijk z'n wensen.

Overdracht, omkering en projectie (de emotie een ander in de schoenen schuiven) zijn effektief waar repressie en ontkenning (de emotie zelf te lijf gaan) falen, en ze vormen de bron voor veel religieus en politiek denken en voelen. Mocht ook dit onvoldoende zijn dan is er nog

F. Mystificatie: Persoon P verwart de emoties die P heeft met elkaar of met andere
   zaken.
De beste manier om dit te doen is de zaken veel ingewikkelder voor te stellen dan ze zijn: In feite wil P neuken en is bereid voor dat doel te liegen; in de praktijk hangt P een lang verhaal op over christen zijn, morele verantwoordelijkheid, de schoonheid van
het leven, de deugd en wat al niet dat enigszins  aanleiding geeft om zowel te reageren op P's gevoel als er een dik kluwen onduidelijkheid en remmingen omheen op te bouwen. Een andere naam hiervoor, of een soortgelijk mechanisme, is intellect- ualisatie. Mocht ook dit niet voldoende baten dan is er altijd nog de mogelijkheid tot

G. Regressie: Persoon P neemt de emotionele uitingsvorm uit de kinderjaren aan.
    Dit heeft het grote voordeel dat het de zaken zeer vereenvoudigt, en dat het bovendien in niet al te oude mensen charmant kan lijken. Jonge vrouwen gebruiken het veel, vaak noodgedwongen: Waar mannen niet toegankelijk zijn voor hun rationele argumenten zijn ze dat vaak wel voor hun guitigheid of gepruil. Overigens is verregaande en langdurige regressie een begeleidingsverschijnsel van veel psychoses.
Mocht ook regressie niet meer baten dan heeft men altijd nog de mogelijkheid toe te geven aan de emotie en zich al doende of achteraf te verdedigen middels

H. Rationalisatie: Persoon P geeft onware gronden voor P's emotionele gedrag.
    De wereld hangt aan elkaar door het rollenspel, en de rollen hangen vaak af van rationalisaties: Iedereen is graag beter, sterker en slimmer in eigen en andermans ogen en is vaak bereid de waarheid daarvoor te verdraaien of verfraaien, door weglating, toevoeging of regelrecht uit wensen geboren fantasie. Overigens werkt dit uitstekend, en danken veel mensen aan geslaagde rationalisaties hun welbevinden: Ondernemers die werken tot het heil van hun werknemers, professoren die alles over hebben voor de wetenschap, doktoren die altijd zeggen klaar te staan voor hun patiŽnten - iedereen kent ze. [53]

4. Redeneringen

65. Het zijn niet alleen emoties die gemanipuleerd wordebn, maar ook mensen en
        argumenten
. De manipulatie-mechanismes wat betreft menselijke emoties omvatten:

- attributeren = het expliciet toeschrijven van houdingen en emoties aan
   anderen
.

Attributies (in deze zin) gebeuren vaak door iemand woorden in de mond te leggen en is een techniek die veel door moeders, politici, adverteerders en journalisten gebruikt wordt, en waartegen het vaak moeilijk is een een adekwaat en tegelijk beleefd verweer te vinden. Het wordt zeer vaak gebezigd en is een manier om vat op een persoon te krijgen door hem of haar een rol, een positie, houding of gevoel in de schoenen te schuiven, en is vaak een vorm van projectie.

Merk op dat het gewoonlijk heel direct gebeurt, in de vorm "jij wilt/denkt/voelt/doet dat zeker omdat..." - en wie dat ontkent kan vervolgens van onwetendheid of onvriende-
lijkheid beschuldigd worden, of gezegd worden "ja, dat denk je - maar onbewust is het toch zo".

66. Een gerelateerd mechanisme is:

- situationeren = het expliciet benoemen en klassificeren van de situatie waarin
   men zich met anderen bevindt.

Als er gesituationeerd wordt us dat in het algemeen om greep te krijgen op een onduidelijke situatie. Thomas' Theorema uit de sociologie luidt "To define a situation is to create it" (wat overigens niet waar maar wel vaak de bedoeling is) [54]. Een voorbeeld van een simultane dubbele attributie en situationering is "Gedraag je wat minder egoÔstisch - je wilt ons gezellig samenzijn toch niet verpesten?"

- complimenteren = het toeschrijven van goede eigenschappen aan een ander.

Dit is ook een techniek waar maar zeer weinigen niet althans gedeeltelijk voor door de knieŽn gaan, en is een invulling van wat met verwijzing naar de Gulden Regel ("wat gij niet wilt dat u geschiedt, doet dat ook een ander niet) well de Bronzen Regel genoemd kan worden: "If you want to be pleased, please" (Hazlitt). [55] Maar het lukt niet bij iedereen, of neemt soms veel tijd.

Een alternatief is:

- intimideren = het pretenderen of gebruik maken van hogere status, meer
   kennis, of grotere kracht.

Er is een uitgebreid en zeer subtiel spel van wederszijdse intimidatie bij veel sociaal verkeer: Men pocht met titels, schoonheid, kleding, bekenden, kennis, lichaamskracht,
bereisdheid en prestaties op allerlei terreinen, en alles waarop men pocht kan waar of onwaar zijn, en (gedeeltelijk) gelogen of ongelogen.

Mocht iemand zich niet laten beÔndrukken of bedreigen, niet erg gevoelig zijn voor vleierij, en de definities van de situatie en klassifikaties van zichzelf naast zich neerleggen, dan is het nog altijd mogelijk iemand te

- emotioneren = het uitlokken van welbepaalde sterke emoties waarbij vooral
  sexuele gevoelens (verleiding) en persoonlijke geraaktheid (beledigen) heel effectief kunnen zijn: Iemand opzettelijk boos maken zodat hij/zij niet in staat is zijn/haar eigen gelijk duidelijk en rationeel te beargumenteren wordt vaak gebruikt in debatten.

67. Mensen worden gek door dwang en inadekwate informatie. [56] Informatie
     is inadekwaat als ze onwaar, onvoldoende, misleidend of inconsistent is, en onware informatie geeft vooral aanleiding tot illusies, terwijl misleidende of inconsistente informatie vooral leiden tot angst en onzekerheid.

Inadekwate informatie wordt overgebracht door inadekwate communicatie, en de informele logica geeft een uitgebreid overzicht van redeneerfouten, d.w.z. van argumentatie-patronen waarmee men zichzelf en anderen misleiden kan.

Hieronder volgt zo'n overzicht, bestaande uit definities van sleutelbegrippen, van redeneerfouten en van voorbeelden.

Laten we beginnen met de definitie van een redenering of argument: Een redenering bestaat uit ťťn of meerdere beweringen (volzinnen) die als aanname functioneren en althans voor de duur van het argument als waar verondersteld worden; een bewering die gekonkludeerd wordt uit de aannames; en ťťn of meerdere woorden die aanduiden dat hier sprake is van een redenering, en die het verband tussen aannames en konklusie aangeven, zoals "dus", "dan", "ergo", "waaruit volgt", "want", "omdat" en meer. [57]

Een redenering is logisch geldig precies dan wanneer in alle mogelijke gevallen waarin de aannames waar zouden zijn, de konklusie ook waar is (en er dus geen mogelijkheid is waarin de aannames wel waar zouden kunnen zijn en de konklusie niet), en een bewering is waar precies dan als ze beweert wat het geval is.

Een redeneerfout of drogreden, tenslotte, is een redeneerpatroon dat niet logisch geldig is, maar het wel lijkt te zijn, althans voor veel taalgebruikers onder sommige omstandigheden, zoals wanneer ze geŽmotioneerd zijn, of wensen koesteren omtrent de (on)waarheid van de konklusie. [58]

68. Redeneerfouten worden vaak in drie soorten verdeeld:

A. Fouten door meerduidigheid: Deze ontstaan wanneer een woord of uitdrukking
    in verschillende betekenissen in de aannames of konklusies worden gebruikt;
B. Fouten door irrelevantie: Deze ontstaan wanneer de aannames onvoldoende
    relevante gronden voor de konklusie vormen.
C. Fouten door vooronderstellingen: Deze ontstaan waneer er naast de expliciete
    aannames een geheel of gedeeltelijk onuitgesproken vooronderstelling wordt
    gebruikt die onwaar is.

Ik zal nu een twintigtal redeneerfouten bespreken, geklassificeerd als boven, en dus beginnen met

69. Fouten door meerduidigheid: Zoals gezegd ontstaan deze door een woord of uitdrukking in verschillende betekenissen te gebruiken. Dit kan op verschillende manieren fout gaan:

1. Een fout door equivocatie ontstaat door dubbelzinnig woordgebruik.

Bijv. in "Je doet gek. Een gek moet opgesloten worden. Dus moet je opgesloten worden." wordt "gek" in twee betekenissen gebruikt: Als verwijzen naar vreemd gedrag, en als verwijzen naar serieuze geestelijke gestoordheid. En bijv. in "Je bent niet normaal, en wie niet normaal is is gek, dus ben je gek." wordt "normaal" gebruikt als resp. "gewoon" en "geestelijk gezond".

2. Een fout door amphibolie ontstaat door onduidelijke grammatica in de aannames of conclusie, waardoor verschillende betekenissen ontstaan.

Bijv. in "Als de Grieken de Perzen aanvallen, zal een groot rijk tenonder gaan" is het onduidelijk of de Grieken, de Perzen of allebei (of misschien een ander land) geacht worden tenonder te gaan, en in "Hij gelooft niet dat hij niet onzeker is, dus gelooft hij dat hij onzeker is" wordt voorbijgegaan aan de mogelijkheid dat hij ook niet zou kunnen geloven dat hij wťl onzeker is, omdat hij onzeker is of hij onzeker is, of omdat hij helemaal niets gelooft omtrent zijn (on)zekerheid omdat hij - bijv. - slaapt.

3. Een fout door accent ontstaat doordat een deel van de aannames of de konklusie
verschillende betekenissen hebben, al naar gelang de nadruk gelegd wordt.

Bijv. in "Als je veel van me zou houden, dan zou je me helpen" is de betekenis nogal verschillend al naar gelang "vťťl" de nadruk krijgt, zodat gesuggereerd wordt dat je van me houdt, maar misschien niet genoeg om me te helpen, of naar gelang "hůuden" de nadruk krijgt, waarmee gesuggereerd wordt dat je niet van me houdt en me dus kennelijk ook niet zult helpen. Een andere manier om een fout door accent te maken is maar een deel van de bewering gebruiken voor de conclusie, zoals in  "Je zei  dat je  niet van me houdt als ik het doe, dus zei je dat je niet van me houdt" - een vorm van veelgebruikt buiten context citeren.

4. Een fout door compositie ontstaat door de eigenschappen van de delen van iets dat in de aanname genoemd wordt, toe te kennen aan het geheel van iets dat door die delen gevormd wordt als konklusie.

Bijv. in "Ieder van de familieleden is volstrekt normaal, dus we zijn een volstrekt normale familie" wordt een eigenschap van de individuele leden aan de gehele familie toegekend, terwijl in "Al mijn eigenschappen zijn gemiddeld, dus ik ben een gemiddeld mens" vergeten wordt dat iemand met allťťn maar gemiddelde eigenschappen behoorlijk buitenissig is. Als laatste fout van meerduidigheid hebben we:

5. Een fout door verdeling ontstaat door de eigenschappen van een geheel dat in de aannames genoemd wordt, als konklusie toe te kennen aan de delen van het geheel.

Dit is in zekere zin het omgekeerde van een fout door compositie. Bijv. in "Ik ben een volstrekt normaal mens, dus ik heb alleen volstrekt normale verlangens en eigenschappen" wordt het samenvattend oordeel over ŗl mijn eigenschappen toegekend aan ieder van mijn eigenschappen, en in "Wij zijn een bijzondere familie, dus ieder van de familie-leden is bijzonder" wordt een eigenschap van de groep aan de leden afzonderlijk toegekend.

De fouten door meerduidigheid zijn vaak niet zo spektakulair en lijken op het oog makkelijk herkenbaar. Toch komen ze zeer regelmatig voor, en wordt iedereen er wel eens door misleid.

70. Fouten door irrelevantie zijn fouten die ontstaan doordat de aannames onvoldoende relevante gronden voor de konklusie bieden, en ontlenen hun plausibiliteit niet aan een logisch verband maar aan een psychologisch verband: Er wordt ergens aan geappeleerd.

6. Een appŤl aan geweld is een redenering die z'n konklusie ondersteunt door met geweld te dreigen.

Bijv. in "Als je zo blijft zeuren, dan weet je wel wat er gebeurt. Ik zou me dus maar gedragen." wordt gedrag afgedwongen door - impliciet, wat vaak veel bedreigender is - met geweld te dreigen. En in "Als je niet doet wat ik wil, dan doe ik iets dat jij niet wil" zien we het algemene patroon van een appŤl aan geweld: Dreigen met ongewenste handelingen, kennelijk bij gebrek aan betere argumenten.

7. Een appŤl aan medelijden is een redenering die een beroep doet op medelijden, sympathie of goede gevoelens.

Dit mag heel ethisch lijken (of zijn): Als argumentatie is 't oneigenlijk want ongeldig. Bijv. "Ik heb vreselijk mijn best gedaan en hard gewerkt, en als ik geen beloning krijg ben ik vreselijk teleurgesteld, dus verdien ik een beloning" wordt alleen aan de inzet en de gevoelens van de spreker gerefereerd, en niet aan eventuele afspraken waaraan ie zou (hebben) moeten voldoen om beloond te worden. En in "Zijn oudste dochter is uit de vierde verdieping gevallen; zijn jongste zoon is verdronken; zijn middelste kind ligt in het ziekenhuis; en zijn vrouw is dood, dus hij verdient onze warmste sympathie." wordt voorbijgegaan aan de vraag of hij niet een maniak is die 't allemaal zelf op z'n geweten heeft.

8. Een appŤl aan het volk is een redenering die een beroep doet op wijd verbreide waardes en/of gevoelens om de konklusie te beargumenteren.

Redevoeringen van politieke of humanitaire aard staan hier vaak vol mee, maar dit is ook in andere contexten een veel gemaakte fout. Bijv. in "Je wťťt immers dat dit niet hoort, dus laat je het maar uit je hoofd" wordt een beroep gedaan op geldende vooroordelen (zonder ze te expliciteren, wat wťl zo makkelijk argumenteert, ook onder kannibalen), en in "Iederťťn weet toch immers dat dit gewoon zo is, dus moet jij wel achterlijk wezen dat je het niet weet" wordt een veel gebruikte diskussietruuk gebezigd, en wordt voorbijgegaan aan het feit dat zťlfs als dat zo is (wat iederťťn zou weten is moeilijk te zeggen) dat ook dan nog iedereen zich kan vergissen en iedereen vergeet- achtig kan zijn.

9. Een appŤl aan de mens is een argument dat een beroep doet op de eigenschappen van degeen die het argument onderschrijft. Hier kunnen drie sub-vormen onderscheiden worden:

9.1. diskwalificatie, waarin een beroep wordt gedaan op de (veronderstelde of reŽle) negatieve eigenschappen van degenen die het argument onderschrijven.

Bijv. in "Ik weet dat je me eerder belogen hebt, dus ik geloof je niet, wat je ook mag zeggen" wordt voorbijgegaan aan het feit dat iedereen wel eens liegt, en dat, hoe dan ook, de bron van het argument geen garantie is voor de waarheid of onwaarheid van de konklusie. "Kijk wie het zegt" is (meestal) een diskwalificatie of een beroep op autoriteit, en kŠn relevan zijn maar is zelden beslissend, en altijd een oneigenlijk argument als waarheid of geldigheid in het geding zijn.

9.2. ondergraving, waarin een beroep gedaan wordt op het (veronderstelde of reŽle) belang van degenen die het argument onderschrijven.

Bijv. in "Ach ja, we allemaal dat jij en je medestanders nu eenmaal tot die groep behoren die belang hebben bij die mening, dus dŗt hoeven we niet serieus te nemen" wordt volledig voorbijgegaan aan de eventuele waarheid of geldigheid van het argument.

9.3. terugkaatsen is een argument waarin een konklusie van een argument tegengesproken wordt door te zeggen dat de spreker immers zťlf in tegenspraak met zijn konklusie handelt.

Bijv. in "Al die argumenten over mijn onvolkomenheden leg ik zů naast me neer. Jij bent ook niet perfekt." wordt, zoals altijd bij appŤls aan de mens, voorbijgegaan aan alle argumentatie van inhoudelijke aard. Diskwalificaties, ondergravingen, en terugkaatsen worden zeer vaak gebruikt in diskussies en gesprekken, en zijn vaak effektief omdat ze zo emotionerend werken.

10. Een appŤl aan de konsekwenties is een argument dat een beroep doet op de konsekwenties die verondersteld worden voort te vloeien uit het accepteren van een konklusie i.p.v. de (on)waarheid van de de konklusie ter diskussie te stellen.

Bijv. in "Als je het voortdurend met me oneens blijft, komen we er nooit uit, dus zou ik m'n standpunten maar eens wijzigen als ik jou was" wordt voorbijgegaan aan de redenen waarom jet het met me oneens bent (en stilzwijgend verondersteld dat ik gelijk heb), en in "Als je gaat vrijen kun je zwanger worden, en dat is het laatste wat mag gebeuren, dus verbied ik het je" wordt, zoals altijd bij deze redeneerfout, een veronderstelling gemaakt die niet waar hoeft te zijn (de pil), en, zoals vaak bij deze redeneerfout, een morele konklusie getrokken.

Alle appŤls zijn zeer vaak voorkomende redeneerfouten, die vaak effektief zijn in de zin dat ze ůfwel de toehoorder overtuigen ůfwel de toehoorder het zwijgen opleggen of zodanig verwarren dat ie aan de eigen argumentatie niet meer toekomt.

Het gemeenschappelijke aan alle fouten door irrelevantie is dat een beroep wordt gedaan op overwegingen die logisch niet ter zake zijn maar feitelijk wel emotionerend zijn, zodat tegelijk een argument gegeven wordt, de toehoorder verward wordt door het onderwerp te veranderen, en de toehoorder geŽmotioneerd wordt door een beroep op z'n gevoelens te doen.

11. Een appŤl op onwetendheid is een argument waarin gekonkludeerd wordt dat iets zo is, omdat niet vaststaat dat het niet zo is, of een argument waarin wordt gekonkludeerd dat iets niet zo is omdat niet vaststaat dat het wŤl zo is.

Bijv. in "Ze moeten mij hebben en achtervolgen me, want als dat niet zo was had ik het allang geweten - en ze hebben niets goeds met me voor, want iets anders is niet gebleken." worden beide vormen gebruikt ten dienste van paranoÔde konklusies. Zeer veel wensdenken wordt verricht m.b.v. deze redeneerfout, volgens het schema "Wat ik wens of vrees dat waar is moet of zal wel zo zijn, want ik ken geen bewijs van het tegendeel (en wens dat ook niet te vinden)."

Een kenmerk is dat dergelijke argumenten die gemotiveerd worden door wensdenken vaak verdedigd worden met "Ja, maar 't kŗn toch zo zijn?" alsof wat kan zijn ook is.

12. Een appŤl op autoriteiten is een argument waarin iets gekonkludeerd wordt omdat een gerespekteerd persoon die konklusie onderschrijft.

Bijv. in "Mijn ouders zeggen dat masturbatie geestesziekten veroorzaakt, dus is dat zo" wordt het schema getoond waarmee kinderen opgevoed worden: "Je ouders/leraren/de autoriteiten zeggen het, dus is het zo".

Overigens is een dergelijke redenatie zinnig precies dan als het een autoriteit betreft op het terrein van de konklusie: De meningen van de paus over sexuele onthoudingsverschijnselen zijn beter gefundeerd dan die over sex, mogen we aannemen, want de eerste kent hij uit eigen ervaring, de tweede alleen van horen zeggen. En een beroep op autoriteiten is een drogreden als de autoriteit z'n respect leent aan een mening op een gebied waar hij geen expert in is.

71. Fouten door vooronderstellingen ontstaan wanneer er naast de expliciete aannames een geheel of gedeeltelijk onuitgesproken vooronderstelling gebruikt wordt die onwaar is.

13. circulaire argumenten ontstaan doordat aangenomen wordt wat bewezen moet worden, en de konklusie dus als waar vůůrondersteld wordt.

Hierbij moet opgemerkt worden dat dit geen logische fout is: Als ik zeg "Stel dat A waar is, nou dan is A waar", dan zondig ik niet tegen de logika. De fout van circulaire argumenten is echter dat ze rhetorisch gebruikt worden, en onafhankelijke feitelijke redenen suggereren, waar alleen sprake is van het in enigszins andere woorden konkluderen wat al voorondersteld was. Bijv. in "Durf maar niet te ontkennen dat je me belogen hebt, want je hebt me met opzet onwaarheden verteld" wordt als reden alleen een geherformuleerde konklusie geboden, zoals ook in "Natuurlijk is ze mooi om te zien - dat volgt toch overduidelijk uit het feit dat dat ze visueel aantrekkelijk is".

Circulaire argumenten kunnen dus herkend worden aan aan het feit dat er (i) niet alleen de konklusie uit de aanname(s) volgt, maar ook de aanname(s) uit de konklusie, en (ii) dat het verband tussen de aanname(s) en konklusie niet causaal of statistisch is, maar verbaal is, en vaak een kwestie van definitie.

14. suggestief taalgebruik is het gebruik van argumenten waarin de konklusie beargumenteerd wordt op grond van termen met sterke gevoelswaarden in de aanname(s).

Bijv. in "Alleen kwaadwillige stommelingen, gevaarlijke radikalen, doodordinaire waanzinnigen, en logische fanaten zullen mijn konklusies willen betwijfelen, en aangezien niemand van de aanwezigen kwaadwillig, stom, gevaarlijk, waanzinnig of fanaat is, heb ik gelijk." wordt een groffe debaterstruuk geÔllustreerd, terwijl in "Verstandige mensen weten wel wat ik bedoel" een ietwat minder sterke, maar nog steeds zeer suggestieve aanname voor een, overigens willekeurige, konklusie wordt geformuleerd.

Vrijwel alle normale argumenten gebruiken suggestief taalgebruik, en het advertentie- wezen leeft ervan.

15. complexe vragen zijn argumenten die konklusies beargumenteren door ze te vooronderstellen in een ingewikkelde vraag.

Bijv. het klassieke "Wanneer bent u opgehouden uw vrouw te slaan?" veronderstelt als feit dat u uw vrouw sloeg of slaat, en de aannames in "Hoe komt het dat vrouwen dommer zijn dan mannen?", "Bent u dom of wilt u me niet begrijpen?" en "Waarvoor bent u nu eigenlijk veroordeeld?" zijn ook duidelijk te zien als je er op let.

16. kwalificatie-fouten zijn argumenten waarin relevante kwalificaties over het hoofd gezien worden: Een regel wordt toegepast  op bekende uitzonderingen, of bekende uitzonderingen worden tot regel verheven.

Bijv. in "We leven in een vrij land waarin iedereen vrijuit z'n mening moet kunnen zeggen, dus mag ik dat nu ook" wordt voorbijgegaan aan het feit dat dat niet overal, altijd en voor iedereen geldt, en in "Volgens doktoren is een drankje op z'n tijd best gezond, en dus is het gezond iedere dag een tijd te drinken" wordt de uitzondering regel (en "tijd" dubbelzinnig gebruikt).

17. irrelevante aannames zijn argumenten waarin de aannames niet relevant zijn voor de waarheid van de konklusie (maar dat wel lijken).

Bijv. in "Natuurlijk moeten pubers kunnen beslissen naar welke school ze gaan, want ze zijn even intelligent als volwassenen" wordt voorondersteld dat intelligentie een voldoende reden is (en van ervaring en kennis wordt niet gesproken), terwijl in "Ik bŤn niet gek, want ik kan lezen, schrijven en rekenen" irrelevant voorondersteld wordt dat lagere school vaardigheden voldoende zijn om iemand tegen waanzin te beschermen.

18. onsamenhangende konklusies zijn argumenten waarin de aannames geen enkele grond voor de konklusie geven. De geloofwaardigheid van van dit soort redeneringen ligt, zoals in de voorbeelden, in onuitgesproken veronderstellingen.

Bijv. in "Hij is rijk. Hij is knap. Hij is sterk. Hij verdient dus wat hij heeft." wordt een veel voorkomend vooroordeel voorondersteld, namelijk dat ieder krijgt wat 'm toekomt.
Hetzelfde vooroordeel komt voor in "Ik word gepest en getreiterd. Dus deug ik niet."

19. onechte oorzaken zijn argumenten waarin een oorzakelijk verband gekonkludeerd wordt terwijl er alleen een verband van opeenvolging is.

Bijv. in "Ik wilde dat hij doodging en hij stierf. Dus is het mijn schuld dat hij stierf." wordt magisch geredeneerd, terwijl hetzelfde gebeurt in "Nadat hij me aankeek werd ik ziek. Hij heeft dus bijzondere vermogens."

Drogredeneringen door vooronderstelling zijn zeer gebruikelijk: Bijna alle normale alledaagse argumenten gebruiken ergens suggestief taalgebruik; veel konklusies worden als feit gepresenteerd maar circulair, als woordgebruik, verdedigd; complexe vragen zijn geliefde diskussie-truuks; kwalificatie-fouten maakt iedereen wel eens; en irrelevante en onsamenhangende konklusies zijn legio, evenals 't magisch wensdenken dat achter onechte oorzaken schuil gaat.

5. Groepen

72. Mensen leven in groepen, en kunnen alleen mens worden in de mate dat ze
       door mensen opgevoed worden en door mensen als mensen behandeld worden.
Ik zal nu een aantal definities met wat commentaren geven die als conceptueel skelet kunnen dienen voor begrip en diskussie van menselijke groepen. [59]

Aangezien dit geen sociologische verhandeling is zal ik niet erg diep op deze materie ingaan, maar omdat ook op dit terrein de verwarring groot is, is het ook hier nodig enige fundamentele helderheid te scheppen.

73. Groepen zijn verzameling van in tijd en ruimte samen zijnde mensen die een of andere vorm van leiding en/of van coŲrdinatie van gedrag of doelen hebben.

Indien er een leiding is spreek ik van een institutie; als die leiding afwezig is spreek ik van een verband indien de groep wel een gemeenschappelijk doel heeft waar ze gecoŲrdineerd naar streven, en van een menigte als ieder voor zich een soortgelijk doel heeft waar ongecoŲrdineerd naar gestreefd wordt. Een massa is een menigte die niet eens gebonden wordt door een doel dat allen kenmerkt, maar alleen door wederszijds min of meer aangepast gedrag.

Dit zijn definities, en definities worden helderder indien ze met voorbeelden geÔllustreerd worden en van kommentaar voorzien. Ik zal bij de gegeven en volgende definities enkele voorbeelden en kommentaren geven, maar het belangijkste kommentaar is dat al deze definities simplifikaties zijn van preciezere, maar meer formele en daarom moeilijker leesbare en hier dus minder relevante definities.

Hoe groot een groep is hangt af van de leden en de limieten die men stelt in de ruimte en de tijd: Sommigen beschouwen zich als deel van "de mensheid"; anderen hebben een meer beperkte visie op wat ze zijn. [60]

Het essentiŽle punt is i.h.a. "Zij": De mensen die absoluut niet tot "Wij" behoren - niet-familie -leden, niet-medestanders, niet-groepsleden.

Vaak houden "Wij" en "Zij" elkaar in stand, door elkaar wederszijds te definiŽren en discrimineren, en zich tegen elkaar af te zetten: Iedereen begrijpt en definieert zichzelf als lid van een aantal voor de persoon zelf belangrijke groepen (familie, religieuze, politieke, beroeps- en geslachts-groepen in ieder geval), en als niet-lid van andere groepen (op dezelfde terreinen)., en wordt door de leden van ŗl deze groepen geholpen en beperkt, onderwezen of geÔndoctrineerd, in leven gehouden of vervolgd, gemaakt of mismaakt.

Instituties zijn de belangrijkste groepen, omdat de meeste mensen de tendens hebben zowel naar macht te streven als leiders te volgen.

Het beste voorbeeld van een verband is een samenwerkende vrienden-groep. Een goed voorbeeld van een menigte zijn bezoekers van een of andere sociale gebeurtenis: Allen komen met ťťn of enkele soortgelijke doelen, en gedragen zich daarna, maar er is geen onderling gecoŲrdineerd gedrag, behoudens dat van sub-groepen, zoals families of vrienden-groepen van bezoekers.

Een goed voorbeeld van een massa is verkeer c.q. de mensen op straat: Ieder streeft de eigen doelen na, maar past zich aan aan algemene bekende gedragsregels. NB dat er bij massa's nauwelijks sprake is van een groepsgevoel of van een "Wij"-gevoel, omdat er geen (relevant) gemeenschappelijk kenmerk is - men weet alleen hoe men zich moet gedragen om erbij te horen, en meer is niet nodig.

74. Groepen zijn vrijwillig of onvrijwillig, afhankelijk van het feit of de leden verkozen hebben er lid van te worden of niet. Iedere institutie heeft een al dan niet geschreven constitutie, d.w.z. een specificatie van wat de groep is, doet en beoogt, en wat haar leden worden geacht te zijn, doen en na te laten. Een constitutie  heeft als twee belangrijkste onderdelen de ideologie van de groep, d.w.z. een specificatie van wat de wereld (van en voor de groep) is en behoort te zijn, en de rollen, d.w.z. de taken voor de leden. Een rol bestaat i.h.a. een moraal, d.w.z. wat men behoort te doen en te laten, en een etikette, hoe men behoort te doen en te laten wat men behoort te doen en te laten.  Rollen hebben een sociale waarde in termen van beleving en beloning. Die waarde is gewoonlijk ook weer een tweeledige kwestie, nl. van status, d.w.z. de rangorde die men inneemt in de sociale hiŽrarchie en de hiermee samenhangende macht of invloed, en waardering, d.w.z. de hoeveelheid voor de rol ontvangen goederen of diensten.

Dat de meeste groepen onvrijwillig zijn - niemand kiest z'n ouders of natie, z'n geslacht of ras - is een belangrijk feit, dat de meeste mensen zich niet vaak genoeg realiseren. Precies hetzelfde geldt voor het feit dat zelfs de zogenaamd vrijwillige groepen, zoals beroepsgroepen, kerkgenootschappen, politieke partijen, huwelijken en gezelligheids- verenigingen, zelden geheel vrijwillig zijn, en meestal nauw samenhangen met lidmaatschap in onvrijwillige groepen. [61]

In het algemeen worden massa's, menigten en verbanden ůůk gecoŲrdineerd door constituties (zoals verkeersregels, expliciete afspraken en contracten), maar instituties kunnen niet zonder: Staten, kerkgenootschappen, families, firma's, stichtingen, verenigingen - allen zijn gebaseerd op, tegenwoordig vrijwel altijd geschreven, expliciete regels en afspraken, die een of ander doel (zeggen te) dienen. Dit is de constitutie en deze kan zeer ingewikkeld zijn, zoals in het geval van het burgerlijk en het canoniek recht, of tamelijk eenvoudig.

In alle gevallen is er echter een ideologie, want er worden feiten verondersteld en doelen geformuleerd: De idealen van de parlementaire democratie; de rechten van de mens; het handvest van de Verenigde Naties; het Communistisch Manifest en Das Kapital; de thomistische theologie; het kapitalistisch ideaal van de homo economicus die z'n menselijkheid beleeft in geldelijk gewin; het krijgen en opvoeden van kinderen etc. etc. [62]

Er zijn ingewikkelde en eenvoudige ideologieŽn, maar de laatsten zijn altijd, hoe onbewust ook, gebaseerd op een, vaak vele eeuwen oude, ingewikkelde ideologie:
De mens is het rationaliserende dier, en beleeft zichzelf door middel van gedeeltelijke zinloze ideeŽn voor gedeeltelijk (of geheel) onrealiseerbare idealen. [63]

75. De rolverdeling, en in ieder geval de rollen zelf, vloeien i.h.a. voort uit de ideologie: Iedere groep streeft een doel na, ook al is dat doel vaak niet meer dan een aanleiding voor de leden om zichzelf te beleven in rollen die hun privť doelen dienen, en er moet dus iets gedaan worden.

Datgene wat gedaan moet worden is weer aanleiding voor een moraal: Goed is wat de doelen van de groep dient, slecht wat er tegen in gaat; en van een etikette: wellevend is wie de voorbeelden van prominente groepsleden volgt,  onwellevend is wie dat niet doet.

De meeste wel-onderscheiden menselijke gedragingen, kenmerken en behoeften hebben allen aanleiding gegeven voor allerlei rollen: Man, vrouw, kind, moeder, vader, puber; boer, arbeider, bestuurder, dokter, priester, advocaat, politicus: Iedereen wordt geboren, groeit op, eet, slaapt, doet, denkt en sterft, en doet dat als iets, in een of andere rol, en iedereen bekleedt gedurende z'n leven opeenvolgend en tegelijk vele rollen, zolang ie zich in menselijk kontakt bevindt. De waarde van een rol kan zeer verschillen, maar alle rollen geven aanleiding tot enige macht en enige rijkdom, hoe weinig ook. [64]

De belangrijkste onderscheiding binnen een institutie is die tussen de leiding en de leden. De leiding zijn de groepsleden die de macht hebben, d.w.z. die groepsleden die beslissen wat de andere groepsleden al dan niet (behoren te) doen. De leden zijn de mensen in de groep die de macht niet hebben, en zijn in iedere menselijke groep in de meerderheid. Eenvoudige instituties kennen maar twee niveaus: Leiding en leden; complexe instituties hebben een ingewikkelder hiŽrarchie; samengestelde instituties hebben verschillende leidingen. In een complexe groep moet men onderscheiden tussen de directe macht van een niveau over het onmiddellijk eronder liggende niveau, en de indirecte macht over de verder liggende niveaus. De structuur van de groep is een specificatie van alle niveaus, rollen en machts-relaties binnen een groep; de inhoud is een specificatie van alle leden van een groep.

Het is een belangrijk en vaak niet genoeg onderkend feit dat de instituties in de eerste plaats de belangen van de leiding bevorderen, alhoewel deze worden uitgevoerd en gedragen door de leden. [65]

Eenvoudige instituties zijn over het algemeen niet groot in ledental, en zijn betrekkelijk zeldzaam: Zelfs families neigen samengesteld te zijn, met de vader als leider voor ťťn soort taken, en de moeder als leidster voor een ander soort taken. De meeste instituties zijn complex, en omdat alle macht corrumpeert is de scheiding der machten essentieel voor het levensgeluk en de levensmogelijkheden van de leden van de meeste sociale groepen: Moderne Westerse democratieŽn zijnn samengesteld, en de macht is verdeeld tussen de uitvoerende, de wetgevende en de rechterlijke macht.

Het onderscheid tussen directe en indirecte macht(suitoefening) is vooral psychologisch relevant: Indirecte macht is gewoonlijk onpersoonlijk; directe macht niet. Overigens verschilt de de manier van machtsuitoefening zeer van institutie tot institutie (vergelijk bijv. een kerk, een leger en een firma) en van niveau tot niveau (vergelijk de relaties tussen een soldaat en een sergeant, en tussen een maarschalk en een generaal).

Tenslotte is het een belangrijk en niet vaak genoeg onderkend feit dat de inhoud van de groep, d.w.z. de feitelijke, levende, werkelijke leden van een groep er voor numeriek grote instituties weinig toe doet: Iedereen is immers vervangbaar en allen zijn raderen in de machine. Wat essentieel is voor het gedrag van een grote institutie zijn niet zozeer de leden, en zelfs niet de leiding, maar de structuur en de ideologie: Grote instituties gedragen zich als sociale organismes en de leden verhouden zich er toe als cellen. [66]

En dit laatste hangt weer samen met en is uitdrukking van wat het belangrijkste regulerende beginsel van iedere groep is:
- Voor ieder lid is de groep belangrijker dan ieder ander lid. [67]

De redenen voor dit beginsel, dat vergaande en op het oog soms nogal paradoxale gevolgen heeft (het verklaart o.a. waarom de groepsleden zich a-sociaal gedragen tegen andere groepsleden zodra de groepsdoelen en/of de leiding dat eisen, en waarom groepen inderdaad in allerlei relevante betekenissen als rechtspersonen kunnen opereren) zijn o.a.
- de moraal, die aanpassing aan "Wij" vereist
- de ideologie, die gewoonlijk het supra-individuele doel van de groep benadrukt
- het feit dat de meeste groepen veel leden hebben die ieder weinig macht of invloed
  op het groepsgebeuren hebben
- sociale instincten, die mensen laten wensen zich aan te passen aan de heersende
  machten en gebruiken
- machtsuitoefening door hogere niveaus van de groep
- egoÔsme: Ieder lid dient de eigen doelen d.m.v. het dienen van de groepsdoelen,
  en wie zich opoffert voor de groep wordt zowel geroemd als gebruikt.

Het laatste punt verklaart hoe egoÔstische oogmerken altruÔstische gevolgen kunnen hebben: Ieder dient z'n eigen doelen, maar vrijwel alle doelen zijn alleen bereikbaar door als lid van een groep, mede in het belang van anderen en in samenwerking met anderen te handelen.  [68]

6. Geestelijke gezondheid

76. Het spectrum van geestelijke gezondheid [69] wordt in het algemeen gedriedeeld in "normaal", "neurotisch" en "psychotisch". Omdat deze termen zelden adekwaat gedefinieerd worden terwijl ze toch fundamenteel zijn voor de begripsvorming, zal ik hier proberen duidelijke definities te geven in term van gedrag en in termen van persoonlijke beleving, en georiŽnteerd aan de hand van de gebieden waarop mensen problemen kunnen hebben. [70]

In het leven van iemand kunnen drie belangrijke alledaagse levensgebieden onderscheiden worden: Werk, persoonlijke verhoudingen, en vrije tijdsbesteding ("work, love, play"), terwijl in de alledaagse beleving zeven relevante dimensies onderscheiden kunnen worden: [71]

spanning - ontspanning wat betreft gevoel;
ontstemd - tevreden wat betreft stemming;
onzinnig - zinnig wat betreft ideeŽn;
dwangmatig - flexibel wat betreft handelen;
ondoelmatig - doelmatig wat betreft planning;
oppervlakking - diepgaand wat persoonlijke verhoudingen; en
ongezond - gezond wat betreft lichaam.

Al naar mate iemand meer problemen heeft met z'n werk, persoonlijke verhoudingen, en vrije tijdsbesteding, en al maar mate iemand meer gespannen gevoelens, slechte stemmingen, oppervlakkige verhoudingen en lichamelijke problemen heeft gaat het slechter met de geestelijke gezondheid van die persoon, terwijl serieuze problemen in ťťn van de drie levensgebieden of op ťťn van de zeven belevings-dimensies in het algemeen ook hun weerslag vinden in de andere gebieden en dimensies.

En indien de problemen aanhouden, vaak grotendeels of geheel buiten de schuld van het slachtoffer (neurotische ouders, slechte school, te klein huis, langdurige ziekte, vervelend werk, verkeerde vrienden), dan breiden ze zich uit naar de andere gebieden en dimensies en krijgt iemand serieuze psychische problemen, die zich uiten als frekwente problemen met anderen, zenuwachtigheid, boosheid, angst, depressies, waan-ideeŽn, dwangmatig en onredelijk impulsief gedrag, apathie en terugtrekken uit persoonlijke verhoudingen, vreemdsoortige plannen om de problemen tůch op te lossen of er aan te ontsnappen, en lichamelijke klachten zoals hoofdpijn, maag- en darm- klachten en slaapproblemen.

77. Een persoon is "normaal" ("ongestoord") als hij/zij dergelijke problemen niet of in lichte mate heeft, d.w.z. als hij/zij geen grote en langdurighe problemen heeft op het werk, in de persoonlijke verhoudingen en met de vrije tijdsbesteding, en geen langdurig verstoorde gevoels-, gedrags-, denk- en ervarings-wereld heeft. Iemand hoeft daarmee nog niet gelukkig of tevreden te zijn, maar heeft wel het gerechtvaardigde idee de bestaande persoonlijke problemen aan te kunnen, en op minstens twee van de drie levensgebieden een tamelijk interessant en bevredigend leven te leiden.

Een "normaal" persoon is niet langdurig gespannen; is vaker goed dan slecht gestemd, en niet chronisch (dagen of weken) zonder goede reden ontstemd; reageert flexibel en spontaan op de meeste dingen; heeft een aantal goede vrienden en vriendinnen en minstens ťťn diepgaande verhouding; maakt plannen die een redelijke kans van slagen hebben; heeft weinig of geen ideeŽn die in zijn/haar omgeving voor waan-ideeŽn aangezien worden; en lijdt niet langdurig of vaak aan psychosomatische ziekten. [72]

78. Een persoon is "neurotisch" als hij/zij grote en langdurige problemen in twee van de drie levensgebieden heeft, en een daarmee samenhangende verstoorde gevoels- en gedrags- wereld. Zo iemand vertoont dwangmatig of emotioneel veroorzaakt niet redelijk gemotiveerd gedrag, dat hem/haar verhindert aan belangrijke alledaagse eisen te voldoen omdat dat gedrag niet overeenkomstig de geldende culturele normen is, door anderen niet begrepen wordt, en anderen vaak sterk hindert of bedreigt.

Een neurotisch persoon heeft een verstoorde gevoels- en gedrags-wereld: Zijn/haar emoties op een aantal terreinen zijn sterk dat ze niet meer alleen verbonden zijn aan specifieke gebeurtenissen of personen, maar tot langdurige stemmingen worden die het hele gedrag bepalen en gedeeltelijk ontregelen.

Maar een neurotisch persoon heeft geen serieus verstoorde denk- en ervarings- wereld: Hij/zij weet dat het in de problemen zit, begrijpt ongeveer van welke aard ze zijn, en kan zich maatschappelijk, zij het met moeite, staande houden. Zo iemand is echter vaak langdurig gespannen; chronisch ontstemd; langdurig boos, angstig of depressief; niet goed in staat tot flexibel en spontaan reageren; en behept met relatie-problemen of psychosomatische klachten, terwijl er ook een aanzienlijke kans is dat de persoon zich oriŽnteert met een aantal aan de problemen gerelateerde milde waan-ideeŽn. Een dergelijk persoon is wel in staat plannen te maken die een redelijke kans van slagen hebben, en deze, zij het met moeite en tegenzin, en zonder vreel vreugde, uit te voeren.

79. Een persoon is "psychotisch" als hij/zij grote problemen in alle drie de levensgebieden heeft, en een verstoorde gevoels-, gedrags-, denk- en ervarings-wereld heeft. Iemand die psychotisch is, is niet in staat te voldoen aan de alledaagse eisen omdat hij/zij belangrijke delen van de alledaagse werkelijkheid heel anders voelt, begrijpt en ervaart dan normaal, en zich overeenkomstig anders gedraagt.

Een psychotisch persoon heeft uitgebreide waanideeŽn en daarmee samenhangend ondoelmatig gedrag, maar hoeft niet, zoals neurotici dit wel zijn, ongelukkig of ontevreden te zijn: De psychose is vaak een waansysteem waarmee een neurose (waanzinnig) "opgelost" wordt. [73]

Overigens is vrijwel iedereen bekend met psychoses: Dronkenschap is een uitstekend voorbeeld van een door gif veroorzaakte psychose. In een psychose degenereert de persoonlijkheid, vaak veroorzaakt door intense emoties bij een reeds neurotisch persoon (of door vergiftiging - alkohol, tripmiddelen, amfetamines - of ziekte): Er zijn bijzonder sterke emoties, vreemd gedrag veroorzaakt door uitgebreide waanideeŽn, en vaak, maar niet noodzakelijk, vergezeld van hallucinaties.  Indien een psychose niet tot lichamelijk letsel leidt en niet adekwaat behandeld wordt dan integreert de persoon zichzelf in het algemeen wel weer, maar in het licht van de waangedachtes van de psychose.

7. Geestelijke ongezondheid

80. Hoewel de meeste mensen in de menselijke historie zich grotendeels met waan-systemen georiŽnteerd hebben op zichzelf en de werkelijkheid waren ze niet waanzinnig: Hun ideeŽn en zij zelf waren voldoende sociaal geaccepteerd, en ze hallucineerden niet, waren in staat zichzelf persoonlijk en sociaal te verzorgen, en ze vormden geen bedreiging voor hun nabije omgeving. [74]

Dit maakte hen ook weer tot goed geschikt kannonnenvlees en gewillige slachtoffers van politieke, religieuze en advertentie-campagnes, terwijl hun activiteiten in de afgelopen tientallen jaren een wereld in stand houden waarin de natuur in hoog tempo kapot wordt gemaakt voor economisch gewin, en waar overal mensen vermoord, gemarteld en vervolgd worden om politieke en religieuze redenen, maar dit is een onderdeel van de alledaagse waanzin die vervlochten is met onze beschavings- geschiedenis, en niet met de geestelijke ontsporing van sommige personen, waar we ons nu toe wenden. [75]

Iemand die opgenomen wordt in een psychiatrische inrichting in Europa of Amerika wordt i.h.a. gediagnosticeerd als lijdende aan schizofrenie. [76] Zoals zoveel abstracte termen met een emotionele connotatie (zoals "democratie", "intelligentie", "schoon- heid") is de term "schizofrenie" vaag, en wordt vaak zo slecht gebruikt dat er nauwelijks iets anders mee bedoeld wordt dan "gek", "afwijkend" of "abnormaal".

Eťn reden voor dat slechte term-gebruik is de abstractie van de menselijke geest; een andere het intellectuele of morele onvermogen van degenen die de term misbruiken; en een derde is het feit dat wat met de term bedoeld wordt vaak niet aan ťťn symptoom te herkennen is.

Het is mijn mening dat er een geheel van gedragingen en ervaringen is dat ontstaat door welbepaalde condities en gedragen wordt door feitelijk aanwijsbare eigenaardig- heden in het brein die terecht beschreven wordt en onderzocht is onder het hoofdje "schizofrenie". En ik denk ook dat er in de psychiatrie en psychologie veel onzin als wetenschap opgediend wordt, en het is mijn bedoeling in de rest van dit essay de sociale achtergronden; de psychologische ervaringen; het persoonlijk gedrag; en de materiŽle basis verbonden aan het begrip schizofrenie te schetsen.

81. Laten we beginnen met de achtergronden, ervaringingen, gedragingen en ontstaansgeschiedenis van schizofrenie zoals geschetst door Arieti [77] in "The Intrapsychic Self". Arieti onderscheidt vier of vijf opeenvolgende stadia, waarvan de eerste drie niet psychotisch en tamelijk normaal zijn: [78]

A. Het begint met een jong kind in een familie die niet voldoende zekerheden of
    vertrouwen biedt, en waarin het de interpersoonlijke omgang vaak ervaart als
beangstigend, kwaadaardig, onecht of afstandelijk, met als gevolg een onprettig
fantasie-leven, frekwente gevoelens bedreigd te worden, en het vaak ervaren van
de ouders en de anderen als beangstigend. Het kan hiertoe beperkt blijven, maar als dit niet gebeurt en het kind ouder wordt dan komt het stadium:

B. Het onderdrukken van vrijwel alle spontaan gedrag en het vermijden van diepe
    emotionele banden en/of het aangaan van snel veranderende, instabiele, onvoor-
spelbare en stormachtige relaties, gecombineerd met een onzeker zelf-begrip en aanzienlijke minderwaardigheidsgevoelens. In de meeste gevallen blijft het hiertoe beperkt: Het kind heeft een ongelukkige jeugd, maar is daar uit gegroeid. Gebeurt dat niet, dan ontstaat stadium:

C. Vanaf de puberteit ontstaat dan een algemeen abnormaal sterk onwelbevinden,
    t.a.v. allerlei op zichzelf onbelangrijke gebeurtenissen en situaties. Er vormen zich
sterke en vaak voorkomende maar vage gevoelens van desorganisatie, eenzaamheid,
bedreiging en gevaar, die niet onderdrukt kunnen worden als irrationeel, overmatig sterk of ongerechtvaardigd. De gevoelens van minderwaardigheid, niet geaccepteerd worden en doelloosheid nemen toe, met als resultaat dat de hoop op de toekomst wordt opgegeven. Ook hier kan men uitgroeien, maar gebeurt dat niet dan ontstaat stadium

D. het psychotische stadium, als de onbestemde angsten bestemde paranoÔde
    illusies worden, en de manieren van denken, voelen en ervaring zich veranderen:

. het denken wordt paleologisch, d.w.z. men identificeert verschillende dingen omdat
  ze ťťn of enkele eigenschappen gemeenschappelijk hebben, met als gevolg dat
. het denken wordt magisch, d.w.z. alles wordt met alles in verband gebracht; alles
  krijgt een persoonlijke betekenis en bedoeling, en men heeft het idee anderen op
  magische wijze te kunnen beÔnvloeden of door hen beÔnvloed te worden. Hiermee
  hang samen
. het redeneren wordt verbaler, d.w.z. men trekt konklusies niet meer o.g.v. de
  betekenis maar o.g.v. de klank of schrijfwijze van woorden, terwijl ook
. het redeneren wordt onsamenhangender: vaak zijn conclusies geheel onlogisch,
  of tegengesteld aan alle redelijke verwachtingen, vaak vergezeld van extreem
  sterke beweringen/gevoelens van zekerheid. Hiermee hangt weer samen dat
. de ervaring intensiveert en verandert: Geluiden worden als veel luider ervaren;
  kleuren als veel intenser; men kan aura's zien; en gezichten en gewaarwordingen
  veranderen met de emotionele staat waar men in is: Men neemt waar zoals men
  zich voelt - men ziet mensen door wie men zich bedreigd voelt letterlijk als eng en
  lelijk en ruikt de geur van hun interne verrotting etc. Dit zijn milde vormen van
  hallucinaties, en hangen samen met het volgende stadium daarin:
. de ervaring wordt gehallucineerd, d.w.z. men neemt letterlijk waar wat er even
   letterlijk niet is:
Stemmen zonder sprekers; knipogende schilderijen, armen uit
  muren etc.
. het denken wordt concretiserend, d.w.z. men is niet langer in staat in abstracties
  te denken, en vervangt abstracties door konkrete zinnebeelden;
. het redeneren wordt rationaliseren, d.w.z. men gaat meer en meer angst- en wens-
  denken: De wereld is zoals men wenst of vreest dat hij is; de dingen zijn zoals men
  veronderstelt dat ze zijn, en alle bewijzen van het tegendeel kķnnen niet waar zijn
  en worden onmiddellijk zonder overweging verworpen;
. de ervaring wordt partiŽler, d.w.z. men ervaart zichzelf steeds minder als een
  continu persoon, maar bij stukjes en beetjes: Men is er eenvoudig vaak niet, of
  maar gedeeltelijk.
. Het voelen wordt meer en meer autistisch [79] d.w.z. men leeft meer en meer in
  een eigen onbenaderbare en onbegrijpelijke wereld en sluit zich af van kontakten met
  anderen, wat samenhangt met
. gevoelens van depersonalisatie, d.w.z. men heeft het idee dat men zichzelf niet
  is, of er eenvoudig niet is, dat men "leeg" is van binnen, of "dood", of dat men zich
  door anderen gehypnotiseerd of van anderen totaal afhankelijk voelt, geen eigen wil
  meer heeft, wat weer samenhangt en gedeeltelijk opgelost wordt door
. gevoelens van inauthenticiteit of dubbelheid, d.w.z. men heeft het idee een spel
  te moeten spelen naar de buitenwereld toe (om de waan in stand te houden of niet
  te laten zien hoe bang en vreemd men zich voelt).

In dit stadium is men in diverse sociale contexten, zoals religieuze, politieke en alternatieve, om drugs geconcentreerde, bewegingen nog tamelijk goed in staat zich
sociaal staande te houden, indien de hallucinaties niet te ver gaan en de mate van tolerantie voor vreemd gedrag hoog is.

E. Het manifest psychotische stadium, met prominente hallucinaties en een
   daarmee samenhangend sociaal ongetolereerd gedrag.

De bovenstaande omschrijving is ťťn redelijke omschrijving van schizofrene symptomen, georganiseerd rondom de het ontstaan en een aantal van de belangrijkste veranderingen in het denken, redeneren, waarnemen en voelen. [80]

Het is belangriijk zich hier voor ogen te houden dat schizofrenen geen gestoord bewustzijn, oriŽnteringsvermogen, geheugen of intellect hebben, en dat ze, afgezien van hun wanen en eventueel vreemde gedrag, een geheel normale indruk kunnen maken of - sterker nog - een bijzondere indruk, omdat het vaak om begaafde en gevoelige mensen gaat.

82. Er zijn drie soorten oorzaken om gestoord te raken: Lichamelijke, sociale en opvoedkundige achtergronden, al dan niet in combinatie. [81] Onder de lichamelijke vallen ziekten, uitputting, verwonding, en vergiftiging (zoals door alkohol of drugs); onder de sociale oorzaken vallen problemen in de drie levensgebieden, zoals onprettig werk of onaangename werkverhoudingen, relatie-problemen, en spanningen door politieke of religieuze gebeurtenissen; en onder opvoedkundige oorzaken vallen de vormende invloeden die men de eerste twintig levensjaren, vooral in de familie en op school, heeft ondergaan, en waar men de manieren van omgaan met anderen en zichzelf en de fundamentele waarden, het zelf-beeld en de ideologie heeft verworven.

In algemene termen gesteld: Iedereen krijgt geestelijke problemen die langdurig aan angst en onzekerheid is blootgesteld - en hoe lang "langdurig" is hangt af van het soort angst en onzekerheid, en de mate waarin men er chronisch aan is blootgesteld, en van iemand's draagkracht.

Schizofrenie en karakterneurosen gaan per definitie terug op de opvoeding die iemand gehad heeft. [82] Dat hoeft niet de enige oorzaak te zijn (er is bij beide sprake van een eventuele genetische component, maar deze is nooit gelokaliseerd) maar het speelt wel een belangrijke rol.

83. Een schematisch verloop van de familie-achtergronden voor schizofrenie en karakterneurosen is als volgt: [83]

A. Het individu wordt opgevoed in een klimaat waar de individualiteit van het kind
    genegeerd of onderdrukt wordt, en de noden en mogelijkheden ervan ontkend:
    Vaak is er:
- een gebrek aan lichamelijke en emotionele (echte) intimiteit
- een verward gevoelsleven door inconsistent ouderlijk gedrag t.a.v. straf, beloning
  en emotionele behandeling
- een sterke symbiotische band met een angstige of dominante moeder
- het opgeeist worden door ťťn of beide ouders, die
- de eigen noden en behoeften behandelen als ware het de behoeften van het kind
- een overdaad aan vergaande eisen die waar het kind niet of alleen met grote moeite
  kan voldoen
- verregaande irrationaliteit in de behandeling van het kind, dat blootgesteld wordt
  aan eigenaardige or sectarische waanideeŽn, en
- een uitgebreide manipulatie d.m.v. attributie: Het kind wordt vaak voorgehouden dat
  het ("eigenlijk", "onbewust", "in feite") iets is, wil, voelt, gelooft dat het naar eigen
  mening niet, of niet zoals het gezegd wordt, wil, voelt of gelooft;
- omdat het kind vaak blootgesteld is aan ruzie tussen de ouders, terwijl die
- de relaties met ŗnderen (vriendjes, vriendinnetjes) ondermijnen.

B. Het gevolg is in het algemeen een kind dat het gevoel heeft alleen te staan in een
    fundamenteel vijandige wereld. In reactie hierop ontwikkelt het kind vaak een staat
van fundamentele onzekerheid en angstige verwachting (Horney's "basic anxiety"), en

C. wordt steeds minder spontaan en steeds meer gespannen en rigide in de reacties
    en het gedrag: Het onderneemt, ziet, denkt en fantaseert minder, en gedraagt zich
meer en meer als een stereotype: Al het gedrag en de gehele leefwereld wordt meer en
meer ondergeschikt gemaakt aan het vermijden van angst en onzekerheid, door het maar zo veel mogelijk in de smaak vallen bij de ouders (zodat er vaak sprake is van voor het oog van de buitenwereld "bijzonder welopgevoede kinderen").

D. Het karakter van het kind past zich aan: Wens- en angst-denken worden steeds
    sterker, en het kind gaat in een fantasie-wereld leven; het raakt sterk afhankelijk
van het oordeel van anderen, en wordt snel geraakt; het verwerft een rigide moraal
en wordt meer en meer gespannen, ontstemd, dromerig/autistisch, dwangmatig of
vreemd impulsief.

Het bovenstaande is grotendeels gebaseerd op een interpretatie van Horney's neurosenmodel, waarin het verwerven van wat met veel recht een fundamentele levensangst (bang voor anderen; bang om te falen; bang voor het oordeel van anderen; bang voor spontaan gedrag; onzeker over de eigen kwaliteiten; onzeker over de eigen mogelijkheden; onzeker van zichzelf) centraal staat. Dit is iets anders dan normale angst: Het is een grondstemming en grondhouding geworden, en men heeft dit geleerd. [84]

Wat er in de adolescentie en de volwassenheid gebeurt hangt af van veel faktoren:
Hoe gestoord de opvoeding was; hoe intelligent men is; wat iemand's maatschappelijke mogelijkheden zijn; met wie men in aanraking komt, etc. Het is niet zo dat een dergelijke opvoeding noodzakelijkerwijs een handicap is - tegenstand brengt ons verder omdat we dan meer van onze mogelijkheden moeten aanspreken - maar het is ook zo dat het overwinnen van een dergelijke opvoeding veel moeite kost.

8. Double Binds

84. Laing c.s. en Bateson c.s. oriŽnteren hun schizofrenie-begrip rondom de zogenaamde "double bind", waaronder ze een communicatie-patroon verstaan dat aan de volgende voorwaarden voldoet [85]:

1. Er zijn twee personen, waarvan ťťn het slachtoffer is - over het algemeen moeder
    en kind, met het kind als slachtoffer;
2. er is een initieel negatief gebod waarin iets verboden wordt onder bedreiging met
    straf, bijv. "je mag niet zeuren, anders krijg je slaag";
3. er is een secundair gebod dat op een of andere manier tegen het eerste gebod
    ingaat, en meer abstract is, en ook met straf dreigt - bijv. "je moet alles wat je
    dwars zit aan mama vertellen - anders ben je oneerlijk en houden we niet meer
    van je";
4. er is een tertiair gebod dat het het slachtoffer onmogelijk maakt te ontsnappen -
    wat tussen moeder en kind vaak onnodig is, omdat het kind toch niet ontsnappen
    kŠn (behalve door weg te lopen of zelfmoord);
5. er zijn zoveel van dit soort verboden + geboden dat het slachtoffer ze begint te
    verwachten, en te zien waar ze niet zijn.

Het resultaat is een "paradoxale" situatie [86]: Het kind moet aan de ene kant zeggen wat het irriteert of het krijgt straf, en als het zegt wat het irriteert, dan is er een aanzienlijke kans dat het zeurt, en krijgt het dus straf: "You are damned if you do, and damned if you don't" - straf krijg je toch, en je weet niet eens wanneer (want je ouders bepalen wanneer je zeurt) of waarom (want het is toch nooit goed). Een dergelijke situatie is voldoende om iedereen paranoÔde te maken, en dit gebeurt ook als aan het vijfde punt voldaan is.

Zowel Bateson als Laing, maar vooral de eerste, leggen zwaar de nadruk op het (on-)logische karakter van double binds, en beweren of suggereren dat het hier om logische paradoxen gaat. Dit is echter zelden of nooit zo - de omgangstaal is veel te ambigu en vaag om er met gemak en spontaan ťťnduidige paradoxen in te formuleren - en dit is ook niet het meest essentiŽle in een double bind situatie. Wat er essentieel aan is zijn - opnieuw - machtsmisbruik en slechte kommunikatie.

Het essentiŽle in een double bind situatie is mijns inziens [87]:

(a) kommunikatie over veel voor de sprekers relevante onderwerpen is erg vaag,
     meerduidig, inkonsistent en indirect: Wat werkelijk bedoeld wordt, wordt zelden
     uitgesproken, en over het algemeen indirect en imprecies aangeduid, terwijl een
     heleboel letterlijke mededelingen nog een tweede betekenis hebben;
(b) er zijn konfliktuerende eisen waaraan het slachtoffer moet voldoen - die vaak
     niet expliciet uitgesproken worden, maar als gelden als verwachtingen, suggesties,
     goede raad e.d.;
(c) indien het slachtoffer niet voldoet aan de eisen dan kan het gestraft worden en
    weet dit.

Kortom, het slachtoffer bevindt zich in een situatie waarin  het afhankelijk is van anderen voor straf en beloning, maar waarin het niet duidelijk is waarvoor het gestraft of beloond wordt, terwijl het vaak genoeg gestraft wordt om (vrijwel) voordurend straf te verwachten.

Het resultaat is een situatie van chronische angst en gevoelens achtervolgd te worden.

9. Waarom mensen gek worden

85. Mensen worden niet gek geboren maar gek gemaakt, en ze worden gek gemaakt door [88]:

- dwang: Het moeten verrichten van ongewenste handelingen uit angst voor
   bedreigingen
met ongewenste konsekwenties bij het nalaten van de handelingen.
  NB dat de meeste dwang en sancties tussen mensen niet lichamelijk zijn, en
  bedreiging i.h.a veel effectiever want beangstigender is dan lichamelijk geweld.
- disformatie: Het krijgen van onware, onvolledige of misleidende informatie
  over wat men zelf of de werkelijkheid is. Vooral op gebieden die emotioneel en
  intellectueel zeer belangrijk zijn voor een persoon, nl. op sexueel, maatschappelijk
  en wereldbeschouwelijk terrein, is er bijzonder veel vooral politieke en religieuze
  disinformatie uit allerlei bronnen.
- depersonalisatie: Het blootgesteld worden aan diskwalificerende, onder-
   gravende
, vernederende en denigrerende opmerkingen over wat men is of
  denkt te zijn, kortom, het gekwetst worden in de eigenwaarde.
- dubbelzinnigheid: Het blootgesteld worden aan onduidelijke emotionele
   situaties
, waarin tegelijkertijd of snel opvolgend sterke tegenstrijdige emoties
  losgemaakt worden.

Het resultaat van dwang, disformatie, depersonalisatie en dubbelzinnigheid is angst en onzekerheid, en mijn hypothese is dat niet-organisch veroorzaakte waanzin het gevolg is van langdurig blootgesteld zijn aan angst en onzekerheid, waardoor de emotionele stuurcentra in het brein ontregeld worden. [89]

Er zijn veel vormen van dwang en het is moeilijk er een overzicht van te geven. In een eerdere sectie heb ik een overzicht van manipulatie-technieken gegeven, die vormen van zachte dwang zijn en inspelen op reeds bestaande angsten bij de meeste mensen, zoals gezichtsverlies, angst om af te wijken van wat normaal is, etc.

Iedere vorm van dwang gaat met een of andere impliciete of expliciete bedreiging samen, en die bedreiging hoeft niet per se een bestraffing of pijniging zijn: Het kan ook het onthouden of ongedaan maken van iets prettigs zijn. Dwang kan overal en tussen iedereen plaatsvinden, maar de meest verregaande vormen van dwang en machts- misbruik vinden plaats tussen volwassenen en kinderen.

Disformatie is even universeel als dwang, en bijna altijd gebaseerd op oneerlijkheid: Degene die de disformatie biedt weet tekort te schieten, en is zich in ieder geval bewust ťťn van meerdere bestaande versies van de werkelijkheid op te dienen. Aangezien er op oneindig veel wijzen gelogen, misleid en overdreven kan worden is het ondoenlijk er een overzicht van te geven.

In een eerdere sectie heb ik een overzicht van drogredenen gegeven: Manieren om mensen op een logisch ongeldige manier te overreden. Ook hier geldt weer dat de meest verregaande vormen van disformatie mogelijk is tussen volwassenen en kinderen.

Depersonalisatie, het aantasten van iemand's eigenwaarde en zelfbegrip kan op velerlei manieren gebeuren:

. diskwalificatie is het iemand goede kwaliteiten ontzeggen, bijv. door
  - te betwijfelen of ontkennen dat iemand (goede) capaciteiten heeft
  - te
betwijfelen of ontkennen dat iemand begripsvermogens heeft
  - iemand's goede wil of bedoelingen in twijfel te trekken
  - niet serieus te willen nemen wat iemand zelf wil, voelt of zegt.
. ondergraven is het iemand's zelfvertrouwen verminderen, bijv. door
  - schuldgevoelens aan te praten
  - schaamtegevoelens bij te brengen, bijv. door iemand belachelijk te maken in
    eigen ogen of die van een ander
  - zů veel te eisen dat iemand vaak faalt
  - iemand's plannen en ideeŽn te kritiseren en steun te ontzeggen
  - iemand inconsistent te behandelen door zonder systeem te belonen en te straffen.
. vernederen is iemand als minderwaardig behandelen, bijv. door
  - minderwaardigheidsgevoelens aan te praten
  - tegenover anderen of zichzelf te kleineren
  -
tegenover anderen of zichzelf belachelijk te maken
. denigreren is iemand's ideeŽn, gevoelens of bestaan te ontkennen, bijv. door
  - een eigen identiteit, handelingsvrijheid of meningsvorming te ontnemen
  - normale rechten op zelfontplooiing te ontzeggen of ontnemen
  - te zeggen dat iemand niets is, kan of zal zijn c.q. onecht, onwerkelijk of gemaakt is
  - te zeggen dat iemand niet deugt (noch heeft gedeugd, noch zal deugen)
  - te attributeren d.w.z. voortdurend te zeggen of suggereren dat iemand ("eigenlijk",
    "in feite", "onderbewust") iets anders gelooft, wil, meent of voorheeft dan hij/zij
    zelf zegt, gelooft of klaarblijkelijk doet.

Dit zijn stuk voor stuk technieken om iemand's zelfvertrouwen, zelfbeeld en eigen initiatieven af te breken en ze werken of ze nu op waarheid berusten of niet. Systematisch toegepast is het karaktermoord.

Dubbelzinnigheid is een mechanisme dat zowel gebruikt kan worden om grappig mee te zijn of lijken als om iemand fundamenteel onzeker te maken wat betreft de eigen emotionele reacties en waarnemingen.

Dubbelzinnige technieken om iemand onzeker te maken zijn:

. iemand sexueel stimuleren waar de persoon daar niet op in kan gaan, en meer in het
  algemeen
. iemand tegelijk of snel achter elkaar te stimuleren en frustreren;
. iemand op verschillende ongerelateerde niveaus te behandelen, bijv. sexueel en
  intellectueel, of persoonlijk en als ding, zoals door
. snel van ťťn emotionele golflengte op een andere over te springen zonder zichtbare
  reden (van serieus naar humoristisch, of van vriendelijk naar boos), en door onder-
  huidse persoonlijke dubbelzinnigheid
. het onduidelijk houden of maken van insinuaties en toespelingen van allerlei soort,
  vooral verpakt als attributies ("Dat doe je zeker om je moeder te pesten? Nee, ik
  maak maar een grapje - we zijn niet allemaal zo onzeker als jij.")

Als iemand hier langdurig aan wordt blootgesteld daan weet hij/zij uiteindelijk niet meer hoe te voelen: Elke emotionele reactie kan immers fout zijn, en belachelijk gemaakt of bestraft worden.

10. Over Psychotherapie

86. Iemand die neurotisch of psychotisch wordt heeft gewoonlijk hulp nodig. Hiervoor zijn in ieder geval vijf gebruikelijke wegen beschikbaar: Men praat met familie, vrienden of kennissen; men verandert de situatie waarin men problemen heeft; men neemt rust; men gaat op vakantie; of men oefent geduld en vertrouwt dag de tijd alle wonden heelt. Een kombinatie van deze wegen is vaak effektief, maar niet altijd en is ook niet altijd toepasbaar.

Er zijn op het ogenblik [90] ca. 250 verschillende praat- en doe-therapieŽn, te verdelen in psychodynamische, die zich primair op het geestesleven richten, en gdrags-therapieŽn, die primair beogen het gedrag te veranderen.

Hoewel er bijzonder grote verschillen bestaan tussen al deze therapieŽn zijn er ook een flink aantal overeenkomsten aan te wijzen [91]:

-  Allen zijn pretentieus: De beoefenaars van alle therapieŽn pretenderen een veel
   grotere kennis en effectiviteit dan ze waar kunnen maken, want
-  alle theoretische verhandelingen waarop ze zich beroepen gaan vrijwel zonder
   uitzondering mank aan groot filosofisch onbenul; een zeer geringe pertinente
   wetenschappelijke kennis (zoals van o.a. neurologie, sociologie en psychologie);
   en een afgrijselijk slechte stijl, terwijl
-  hoewel iedere therapeut graag suggereert dat zijn/haar therapie en persoonlijkheid
   hťt ultieme heilmiddel is voor alle psychologische kwalen [92] blijkt bij onbevoor-
   oordeeld empirisch onderzoek dat (i) er over de effectiviteit van langdurige
   psychotherapieŽn weinig te zeggen valt, omdat er teveel relevante factoren van
   mogelijke invloed zijn; omdat de natuur heelt terwijl de therapist verdient en de eer
   opstrijkt; en omdat iedereen opfleurt bij welke vorm van positieve aandacht voor
   zijn/haar problemen, terwijl (ii) alle langdurige therapieŽn, hoe verschillend ook,
   hetzelfde succes-percentage hebben - wat sterk aannemelijk maakt dat ze allen
   gelijkelijk (in)effectief zijn, en (iii) van kortdurende therapieŽn in feite alleen met
   zekerheid gekonkludeerd kan worden dat medicijnen werken - maar zonder dat er
   een verklaring voor is, en in de meeste gevallen met bijwerkingen, terwijl bovendien
-  alle therapeuten naar ťťn of meer van de volgende misbruiken neigen:
   - onwaarachtige pretenties wat betreft hun inzicht, kennis of effektiviteit
   - het aanraden van ťťn therapie (de eigen) als vaststaat dat een andere (van een
     ander) voor dit geval mogelijk effectiever is;
   - het toepassen van psychotherapie als alternatieve behandelingen goedkoper of
     effektiever zijn;
   - het langdurig doorgaan met een behandeling.

87. Dit zijn niet de enige overeenkomsten tussen alle therapieŽn, maar dit zijn wel recentelijk onderzochte of genoemde overeenkomsten. [93] Een aantal andere zijn:

- de therapeut/hulpverlener heeft een groot (financieel) eigenbelang bij de uitvoering
  van zijn/haar therapie: Niet alleen is het een interessante en althans lichamelijk
  weinig inspannende vorm van werk, maar psychotherapie wordt ook duur betaald, in
  welk verband
- de wet van de hulp- en dienst-verlener geldt: De hulp- of dienstverlener helpt
   en dient zichzelf als eerste (en vaak als enige)
. [94]

Verder moet in dit verband genoemd worden dat

- psychotherapeuten, psychiaters etc. worden niet, of in ieder geval niet effektief,
  gekontroleerd: Behandelingsmethoden, beoordelingen van effektiviteit, en morele
  vraagstukken worden beslist door de therapeut, ook al heeft deze daar een sterk
  eigenbelang bij:
- de cliŽnt/patiŽnt krijgt zelden inzicht in de theoretische en morele motivaties van
  de therapeut. [95]

Dit alles wil niet zeggen dat er geen effektieve praat-therapieŽn zijn, maar wel dat deze effektiviteit, voorzover ze bestaat, vooral ontstaat door de vriendschapsband die ontstaat tussen cliŽnt en therapeut, en de daaruit voortvloeiende ondersteuning, begrip en goede raad. En een feit blijft dat, tenzij deze vriendschap werkelijk en wederszijds is, het een bijzonder eigenaardige relatie betreft, die alle elementen van (geestelijke) prostitutie in zich draagt: De ťťn ondersteunt, begrijpt en adviseert de ander - maar niet uit werkelijke medemenselijkheid, maar gemotiveerd door geldelijk gewin.

----------------
Noten

[1] NB dat de geestelijke gezondheid volgens Epicurus tot het terrein van de filosofie behoorde, en niet tot dat van de geneeskunst. Dit lijkt mij tot de dag van vandaag (21 mei 2013) een zinnige beslissing.

[1a] Dit is geschreven vůůr de ondergang van de Sovjet-Unie.

[2] NB mijn verwijzing naar "verhandelingen van filosofische, psychologische, psychiatrische, religieuze, logische en literaire aard": Het is niet makkelijk.

[3] In 2013 had ik alleen deel ťťn; in 2014 vond ik de overige delen en publiceerde deel twee en deel drie; en in 2017 het laatste en vierde deel (dat langer duurde omdat ik ziek ben, het stuk zelf ongeveer de helft van alle 4 delen bestrijkt, en wat minder goed uitgewerkt was). En in 2017 publiceerde ik tenslotte alle vier delen inťťn, met enige kleine herzieningen, kleine - vnl. typografische - verbeteringen.

Ik heb heel weinig aan de inhoud veranderd omdat het stuk feitelijk 30 jaar geleden geschreven is; ik een heel stuk minder goed in de materie zit; en omdat mijn vriendin mij in 1991 - ook alweer 26 jaar geleden, in 2017 - verliet omdat ik haar niet verder van dienst kon zijn.

De hele verhouding is achteraf gezien (maar feitelijk vanaf 1992/1993) een grote persoonlijke fout van mij geweest, die alleen "geŽxcuseerd" kan worden door het feit dat ik verliefd op haar was. Zij was dat feitelijk nooit op mij (al zei ze dat wel sinds 1987).

[4] Als gezegd: De appendix is onvindbaar, en ik heb ook geen idee meer wat de inhoud zou zijn.

[5] Dat u hiermee krijgt, ca. 30 jaar nadat het geschreven is.

[6] NB dat dit nu - nog - veel relevanter is.

[7] Het is ook ťťn van de vele moeilijkheden in de DSM: Het onvermogen van de makers toe te geven dat er gebieden zijn die alleen door vage en partiŽle definities verhelderd kunnen worden, bij de huidige stand van kennis.

[8] Wat een definitie partieel maakt is vooral dat het noodzakelijke voorwaarden geeft die niet noodzakelijk ook voldoende voorwaarden zijn.

[9] Merk op dat dit een partiŽle definitie is, en dat de termen erin ook weer gedefinieerd zijn door mij.

[10] De logische geldigheid is gewoonlijk het gevolg van gebruikte (partiŽle) definities.

[11] NB dat de DSM niet geoperationaliseerd is, want er worden geen theorieŽn in gegeven. Het is daarom volstrekt onwetenschappelijk.

[12] NB dat wetenschap zowel een geloof is als uit rationele theorieŽn bestaat.

[13] Anders gesteld: Ethiek gaat over hoe mensen met elkaar zouden moeten omgaan; moraal gaat over hoe een bepaalde groep zich zou moeten gedragen.

[14] Wat overigens niet noodzakelijkerwijs wil zeggen dat er dan geen samenlevingen zijn.

[15] NB de negen dimensies.

[16] Dit werd ca. 1986 geschreven.

[17] Dit is een - terecht - wijde definitie. Ook moet ik opmerken dat sinds ik dit schreef een andere Nederlander bezig is geweest met de studie der morosofie - maar daar heb ik niets mee te maken en weet ik weinig van.

[18] Deze noot is van 2017: Ik schreef dit essay vůůr het inelkaar storten van "het socialisme" (feitelijk: een staatskapitalistische dictatuur) tussen 1989 en 1991.

[19] Hier is sindsdien een fallacy uit geworden.

[20] Dit is een gecombineerd sociologisch en psychologisch begrip.

[21] Het is echter niet makkelijk te zeggen hoeveel vervreemding nodig is om iemand gek te maken - maar "gek" is gradueel begrip, dat vaak niet terecht toegekend wordt.

[22] Dit komt allemaal ter sprake, maar in de laatste delen in III and IV.

[23] Ik heb dit zo goed mogelijk gecopieerd, maar het origineel is getekend en oogt wat beter. In ieder geval: de begrippen en relaties in deze figuur zijn het onderwerp van de tekst die volgt in dit deel II, en ook in deel III.

[24] Dit is een belangrijke opmerking: Er is feitelijk nog steeds heel weinig over het brein bekend, afgezien van de anatomie. (En dit was zo toen ik dit schreef, en dertig jaar later is de situatie redelijk beter vooral dankzij de MRI-scanner, maar wat de ervaring is, hoe deze gemaakt wordt door het brein etc. is nog steeds overwegend een raadsel.)


[25] Toen ik dit schreef had ik nog geen doctoraal diploma, maar ik wist behoorlijk wat van psychologie en veel van filosofie.

[26] Zie noot 28.

[27] Jawel, en ik bedacht dit hele schema zelf.

[28]
Ik noem de definities "partieel" omdat ze in de natuurlijke taal geformuleerd zijn en er geen axioma-systeem voorondersteld is. Afgezien daarvan - en dit zijn redelijk zeldzaam bevredigde eisen - zijn het gewone definities, en ben ik hier alleen enigszins formeel, omdat ik van wiskundige logica weet.

[31] NB "rationaliserend": Ik zeg niet rationeel, eenvoudig omdat de meeste mensen dat niet vaak zijn, en ik zeg rationaliserend omdat er een flink deel redelijkheid in de meeste mensen schuilt, dat ook probeert redelijker te lijken dan men is.

[32] Ik weet dat de definities simplificaties zijn, maar ik las ook veel psychologie en psychiatrie, en daarvoor geldt hetzelfde, al zijn de simplificaties vaak anders dan de mijne.

[33] D.w.z.: Een groot deel van wat de meeste mensen geloven en wensen is niet erg realistisch of (rationeel) geÔnformeerd, maar het is ook zo dat een karakter opgebouwd is uit zeer veel specifieke geloven en wensen - die allemaal kunnen veranderen, maar meestal ook nogal onafhankelijk zijn van een groot deel van de andere geloven en wensen die men heeft.

[34] Dat dus allebei behoorlijk tot zeer irrationeel of onredelijk kan zijn, en dat vaak ook is op jonge leeftijd (en heel wel mogelijk niet veel beter in volwassenheid, al is het dan wel gewoonlijk veel beter verborgen achter conformistische pretenties). En "ie" is een poging van mij (uit de tachtiger jaren) "hij" en "zij" te vermijden, en gaat terug op Multatuli (die vaak "i" schreef).

[35] Ikzelf. (Allebei de gedichten dateren uit 1971.)

[36] NB: (1) Ik was me geheel bewust te simplificeren, maar mijn theorie is uiteindelijk een stuk helderder en vollediger dan veel andere die ik las. (2) ik gebruik tegenwoordig enigszins andere definities van sommige centrale begrippen (maar dit is niet erg relevant).

[37] Ik heb al gezegd dat ik nu enigszins andere definities gebruik.

[38] Nogmaals: Ik heb al gezegd dat ik nu enigszins andere definities gebruik.

[39] Ja, en alle volwassen mensen spelen voornamelijk rollen, in de zin dat het overgrote deel van hun bewuste gedrag gebaseerd is op de pretenties die een rol gewoonlijk definiŽren.

[40] Ik heb al gezegd dat ik nu enigszins andere definities gebruik (of andere woorden voor ongeveer dezelfde definities).

[41] NB dat een groot deel van het menselijk denken is wens-denken, dus per definitie niet rationeel.

[42] En dit geldt voor de grote meerderheid, en ongeacht wat deze denkt, of denkt over wat ze denken: De grote meerderheid is niet rationeel, en is zich dat bovendien gewoonlijk bewust, en motiveert dat door welbewuste partijdigheid.

[43] NB dat "Een grotendeels onbekend lichaam, met een grotendeels onbekend brein, met grotendeels ongekende mogelijkheden in een grotendeels onbegrepen wereld" geldt voor iedereen en overal.

[44] Dit is ťťn van de scheidslijnen tussen biologisch psychiatrie en - zeg - sociale psychiatrie:

Volgens mij, en volgens degenen die een vorm van sociale psychiatrie onderschrijven wordt de menselijke persoonlijkheid vooral gecreŽerd binnen en door
groepen, families, instituties, en organisaties van mensen, en daar weer vooral door de rolverwachtingen die mensen daarin hebben over andere mensen.

[45] Inderdaad, en ik leg de nadruk op het feit dat er minstens 10 dimensies meespelen in vrijwel ieder persoonlijk oordeel.

[46] Jawel, en dit is een belangrijke generalisatie.

[47] Dit is een tamelijk fundamentele opmerking over de onbevredigdheid van de meeste moderne beroepen. Dit is geen belangrijk thema in de rest van dit essay, en ik weet niet hoe duidelijk dit is voor de meeste moderne stadsbewoners. Mij werd het verschil pas echt duidelijk toen ik in een klein dorp woonde (in de zeventiger jaren van de vorige eeuw, in Noorwegen) eenvoudig omdat vrijwel iedereen daar een redelijk begrip had van de meeste banen die de meeste mensen hadden, dat geheel verschillend was van hoe het in de stad was.

[48] Juist - en dat de mens een ideologische aap is die in grote meerderheid gedreven wordt door z'n eigen illusies en wensdenkerij is opnieuw een fundamentele aanname. De meeste mensen zijn niet rationeel, en iedereen wordt gedreven door z'n eigen wensen.

[49] Inderdaad: Er zijn maar weinig beroepen die gewenst worden door degenen die ze uitvoeren. Vrijwel iedereen werkt in de eerste plaats voor geld, en niet voor de voldoening die de baan biedt, zo die er al is.

[50] Dit is een ander wezenlijk inzicht: Veel konversaties tussen mensen beogen niet de helderheid of de volledigheid, misschien afgezien van het onderwerp, maar beogen een flink deel van de rollen en de belangen van de sprekers onduidelijk te houden, vaak in beider belang.

[51] Ik las mijn eerste psychiatrische verhandeling op mijn 16e, en deze verhandeling is van mijn 36ste, terwijl ik nu 66 ben. En ik weet niet meer waarop mijn meningen over de psychotherapieŽn van de zeventiger en tachtiger jaren van de vorige eeuw op gebaseerd waren. Het enige waar ik redelijk zeker van ben is dat er toen een stuk meer waren dan tegenwoordig (in de 2010s en later).

[52] Projectie is dus meer dan alleen het toekennen van ongewenste eigenschappen van zichzelf aan anderen: Het moet ook zonder goede redenen geschieden om met projectie aangeduid te worden.

[53] NB dat rationalisaties een vorm van zelfbedrog zijn die vaak bestaan uit overdrijvingen: De "ondernemers die werken tot het heil van hun werknemers, de  professoren die alles over hebben voor de wetenschap, de doktoren die altijd zeggen klaar te staan voor hun patiŽnten" bestaan en danken een deel van hun eigen motivaties aan dergelijke beweringen, maar ze overdrijven vrijwel zeker vrijwel allemaal.

[54] Dit - "To define a situation is to create it" - is feitelijk behoorlijk belangrijk, en is iets wat zeer vaak geprobeerd wordt in de media. Merk ook op dat het vaak niet zozeer de situatie is die gecreŽerd wordt (die vaak ook feitelijk onbekend is aan de meeste deelnemers in een diskussie) als de vorm en inhoud van het debat erover.

[55] Feitelijk dankte Hazlitt de Bronzen Regel (mijn naam ervoor) aan Lord Chesterfiield (the 4th).

[56] Dit is mijn idee en formulering, maar er zijn veel psychiaters, psychologen en filosofen met verwante meningen. Zie bijv. hier Biopsychiatry controversy en hier Causes of schizophrenia en Trauma model of mental disorders. Mijn theorie valt onder de laatste van de drie (en alle drie zijn links naar - de Engelstalige - Wikipedia).

[57] Dit is een logische definitie. Er is een flink deel meer over logica hier (in 't Engels, en verspreid over behoorlijk wat lemmas): logic. Voor logical terms zie de laatste link.

[58] Redeneerfouten zijn dus echte fouten. En ik behoor ook op te merken dat dit allemaal deductieve fouten zijn (in mijn behandeling). Er is ook iets als inductieve logica, maar ik laat deze onbehandeld, o.a. omdat deze een stuk vager is dan de deductieve logica (die gebaseerd is op deductieve geldigheid, die erin bestaat dat in alle mogelijke gevallen waarin de premissen A1, ..., An waar zijn, de konklusie C ook waar is).

[59] Groepen zijn nog steeds zeer onderbelicht in zowel de sociologie als de psychologie en de psychiatrie. De theorie die volgt is van mij, en wie er een klein beetje meer over wil weten wordt geadviseerd Groups en Groupthinking te bekijken.

In feite is mijn theorie over groepen ontstaan in de vroege zeventiger jaren, en vooral gebaseerd op mijn verwerpen van Marx' klassen-analyse (die m.i. veel te algemeen is, in ieder geval).

[60] Hier moet ik opmerken dat wie "de mensheid" als groep beschouwt geen - m.i. - juiste definitie van "groep" hanteert, die veronderstelt (maar niet in de tekst) dat een waarachtige groep bestaat uit leden die in dezelfde tijd leven en dicht genoeg op elkaar en in een gemeenschappelijk territorium leven om elkaar persoonlijk te kennen. (Ook dit is enigszins vaag, maar dit is geen sociologische verhandeling.)

[61] Dit zijn twee andere fundamentele inzichten over groepen: Een deel van de groepen waarvan ieder mens lid is - als familie, ras, nationaliteit, geslacht - zijn geheel onvrijwillig, en veel van de min of meer vrijwillige groepen - als beroepsgroepen, kerkgenootschappen, politieke partijen, huwelijken en gezelligheids- verenigingen - zijn zelden geheel vrijwillig.

[62] Er is altijd een vorm van ideologie in iedere constitutie, en iedere zelfstandig bestaande groep heeft iets als een constitutie. De redenen dat deze altijd ideologisch zijn zijn dat de veronderstelde feiten vaak geen werkelijke feiten zijn, en de aangenomen doelen altijd op wensen gefundeerd zijn.

[63] En dit is een algemene aanname van me: De mens is het rationaliserende dier, en beleeft zichzelf door middel van gedeeltelijke zinloze ideeŽn voor gedeeltelijk (of geheel) onrealiseerbare idealen. En dit geldt voor iedereen, zelfs voor de meest rationele wetenschapper.

[64] Jawel, en alle rollen moeten geleerd worden (ook die van man, vrouw, vader, moeder), en alle rollen veronderstellen zekere idealiseringen die (vanuit andere groepen gezien) voor behoorlijk onwerkelijk kunnen worden gezien.

[65] Inderdaad, en dit gaat terug op wat de leiding definieert: De leiding in een groep is die kleine minderheid ervan die de meeste macht heeft over de andere leden van de groep en die meeste belangrijke beslissingen nemen.

[66] Eťn belangrijke reden dat iedereen in beginsel vervangbaar is, is uiteindelijk dat iedereen sterft, maar er zijn andere belangrijke redenen en twee ervan zijn dat zowel de structuur van een groep als de ideologie van een groep bestaan onafhankelijk van wie de leden zijn, terwijl ze zeer veel van wat de groep is en doet bepalen.

[67] Er zijn uitzonderingen op deze regel, maar het zijn uitzonderingen.

[68] Juist en deze gedeeltelijke conversie van (overwegend) egoÔstische impulsen in (min of meer) altruÔstische gevolgen geldt algemeen.

[69] Merk op dat "gezondheid" in de psychiatrie een nogal andere betekenis heeft dan "gezondheid" in medische zin, omdat medische ongezondheid in beginsel veroorzaakt wordt door een diagnosticeerbare pathologie, terwijl veel van de psychiatrische "ongezondheid" gebaseerd is op oordelen van de psychiater, die zelden gebaseerd zijn op een diagnosticeerbare pathologie.

[70] Ik denk dat mijn streven "duidelijke definities te geven in term van gedrag en in termen van persoonlijke beleving" zinnig is, maar zelfs de definities van "normaal", "neurotisch" en "psychotisch" zijn sindsdien verlaten door "de" psychiatrie.

[71] In ieder geval de zeven relevante dimensies zijn van mij, en hangen samen met de eerdere drie afleveringen van Over Geestelijke Gezondheid en Gestoordheid.

[72] Inderdaad, maar mijn mening over "psychosomatische ziektes" is veranderd sinds ik OGGG in 1986 en 1987 schreef, omdat ik toen nog niet wist dat ik M.E. heb (dat leerde in pas in 1989), en ook geen idee had dat dit volgens veel psychiaters geen ziekte maar “psychosomatose" is. Ik heb - net als de meeste anderen met langjarige M.E. en zeker indien ze, als ik, een goed B.A. of M.A. hebben, een waarachtige maar tot nu toe niet ontsluierde echte ziekte, en hoewel ik denk dat er iets min of meer geldt in sommige kortdurende psychomsomatische symptomen, denk ik dat het eenvoudig waanzin is om mensen als ik, met ťťn van de beste doctoralen ooit, bovendien allemaal gedaan terwijl ik ziek was en geen colleges kon volgen, voor "waanzinig", "gestoord" of als "lijder aan psychosomatose" te omschrijven.

[73] Inderdaad.

[74] En dit is een belangrijke kwalificatie die ook als volgt geherformuleerd kan worden: Hoewel grote delen van wat vrijwel iedereen 200 of 300 jaar geleden dacht en meende indien ze tegenwoordig gedacht en gemeend zouden worden heel wel mogelijk tot oordelen van waanzin of neurose zouden kunnen leiden, waren ze indertijd geheel normaal. Weer anders geformuleerd: Waanzin is gedeeltelijk afhankelijk van de maatschappij en de cultuur waarin men leeft.

[75] En - in vervolg op de voorgaande noot: Alledaagse waanzin zijn geaccepteerde vormen van gedrag en denken die in andere maatschappijen of culturen voor abnormaal of gestoord doorgaan.

[76] Inderdaad, en hier zou zeer veel over gezegd kunnen worden dat ik hier en nu allemaal oversla. Ik verwijs alleen met ťťn link: Schizophrenia (<-Wikipedia, Engels) (en ben het met lang niet alles eens wat daar staat).

[77] Silvano Arieti (<-Wikipedia) is ťťn van de weinige psychiaters die ik hoog aansla. Ik vond hem geheel zelfstandig, en in de eerste plaats zijn "The Intrapsychic Self", en later ook zijn "Interpretation of Schizophrenia" en "Creativity". Zijn "Interpretation of Schizophrenia" kocht ik i.v.m. Jolanda - de vrouw met de schizofrene psychose - en was behulpzaam. Hoeveel ik van Arieti overgenomen heb ik mijn OGGG is mij nu niet meer duidelijk, maar ik vermoed dat het iets is, maar niet bijzonder veel.

[78] Dit is wel van Arieti, en is tevens het begin van een trauma model van de psychiatrie (<-Wikipedia, in het Engels), dat mij - in beginsel - een heel stuk zinniger voorkomt dan het zogeheten medische model (<-Wikipedia, in het Engels), dat overigens terechter (als in de Wikipedia) aangeduid wordt met "biologische psychiatrie".

[79] Ik bedoel hier niet "autistisch" in de zin die het nu heeft, maar in de zin van
 een moeilijke benaderbare en en moeilijk begrijpelijke wereld.


[80] En ik wijs er op dat ik in mijn toenmalige vriendin alle 5 stadia aan kon wijzen, en de laatste twee stadia uit eigen ervaring met haar. (En overigens ben ikzelf nooit in enige zin waanzinnig geweest, d.w.z. afgezien van de mening van psychiaters dat ik dit zou zijn omdat ik beweer ziek te zijn met M.E.)

[81] Deze - volgens mij geheel evidente - bewering wordt niet geloofd door de meeste biologische psychiaters: Wat er mis is met gestoorden is mis met hun hersens, en kan gecorrigeerd worden - nog steeds: volgens veel biologische psychiaters - met psychiatrische drugs en sommige andere methodes (als electro-schokken).

[82] Dit is weer mijn mening (die ook weer tamelijk normaal is voor aanhangers van het trauma model (zie [78])) waarbij ťťn uitzondering op is: Men kan ook schizo- freen worden, in termen van symptomen, door hallucinogene drugs, maar deze vorm van gestoordheid gaat over het algemeen ook weer snel over, na enkele dagen of weken, anders dan schizofrenie door opvoeding.

[83] De volgende omschrijving heeft feitelijk drie bronnen (voorzover ik mij dertig jaar later herinner): Horney's neurosenmodel; Arieti's ideeŽn over de ontwikkeling van schizofrenie; en mijn bevindingen met Jolanda.

[84] Inderdaad, en "stemming" verwijst weer naar eerdere delen van OGGG.

[85] Ik heb diverse beschrijvingen van zowel Laing als Bateson gelezen, maar - mede omdat ik het met hen nooit volledig eens was - is mijn beschrijving in ieder geval specifieker dan wat ik mij herinner van Laing of Bateson.

[86] Eťn van de zeer weinige verbeteringen in mijn tekst is de vervanging van "paradoxale" zonder aanhalingstekens door
""paradoxale"" met aanhalingstekens, en de reden is dat een waarachtige paradox met niets correspondeert.

[87] Dit is weer mijn omschrijving, die vooral in het eerste punt verschilt van Laing en van Bateson.

[88] Dat "Mensen worden niet gek geboren maar gek gemaakt" is weer mijn formulering en staat weer overwegend haaks op de "biologische psychiatrie". Als het al waar is dat er een genetische of erfelijke component in waanzin steekt, dan is deze zelden geÔdentificeerd of gelokaliseerd.

[89] Dit is - als gezegd - opnieuw mijn hypothese, en ik weet ook niet welk percentage aanhangers van een trauma model in de psychiatrie het hier overwegend mee eens zullen zijn (en dat vooral omdat ik het over "de emotionele stuurcentra in het brein" heb, dat - inderdaad - een hypothese is).

[90] Dit "ogenblik" was 1986/1987 en is zeker niet langer waar: Er zijn nu aanmerkelijk minder praat- en doe-therapieŽn dan dat er in de zeventiger en tachtiger jaren van de vorige eeuw waren, en ze zijn ook minder divers, maar overigens weet ik niet veel van de nu bestaande psychotherapieŽn.

[91] De lezer zal zien dat ik het niet bijzonder op psychotherapieŽn begrepen heb.

[92] En ťťn reden is dat het hele begrip van wat een "psychologische kwaal" zou zijn bijzonder varieert.

[93] Ik weet niet meer waarop dit gebaseerd is (en deed in de 80er jaren van de vorige eeuw meer aan psychologie dan sindsdien).

[94] Ik kende de wet van de hulpverlener - de hulpverlener verleent hulp aan zichzelf (financieel, in ieder geval) - toen al omdat er in de eerste 10 jaar van de ziektes van zowel mijn ex als mij geen enkele vorm van enige medische hulp werd geboden door minstens 30 artsen.

Sindsdien - 28 jaar verder - is daar nog steeds vrijwel niets in veranderd: Wie een onbekende ziekte heeft - in deze tijd waarin alle medici alles van alles weten dat medisch relevant zou kunnen zijn - kan doodvallen of wordt met psychiatrie belaagd. (En nee, natuurlijk geloof ikzelf in het geheel niet dat enig medicus meer dan een zeer klein deel van wat medische relevant zou kunnen zijn werkelijk begrijpt: Medicijnen zijn pas een echte wetenschap sinds het einde van de 19e eeuw, en derhalve zeer onvolmaakt. Behalve dan volgens vrijwel alle medici die ik gezien heb.)

[95] De meeste mensen zullen meer geÔnteresseerd zijn in praktische hulp dan in theoretisch begrip, maar degenen die begrip willen worden ook zelden bevredigd, en dit weer vooral door het feit dat de menselijke hersenen nog steeds overwegend onbekend zijn, en dat in feite niemand weet wat het menselijk bewustzijn is, of waarom het bestaat. (Zomin in de psychiatrie als in de psychologie en de filosofie.)
 
       home - index - summaries - mail