Prev-IndexNL-Next

Nederlog


  June
15, 2014
Autobio: 1979 - ziek
Sections

Introduction
1. Inleiding bij dit deel
2.
1979 - ziek
About ME/CFS

Introduction

This file is not about the crisis. It is in Dutch and is part of my autobiography, which you find here (all in Dutch) AutobioTOC
.

This is the second part of the second volume, and the second volume covers the years from 1978 (second half) till 1993, in which I was ill all the time from 1.1.1979, but not to the same extent.

There probably will be a crisis report later in the day.

1. Inleiding bij dit deel

Ik kan geen bestaand journaal voor 1979 vinden. Dat wil niet zeggen dat het er nooit was, maar de kans is minder dan 50% omdat ik minder of geen journaal schreef als ik samenwoonde: Er is iets maar niet veel over Stephanie, en idem over Lynne, maar heel weinig over Agnethe, en niet veel over Anna, waarmee ik in 1978 begon samen te wonen. [1] En we werden allebei ziek in Januari 1979, ik op mijn 28ste en Anna op haar 24ste. Ik zal het voornamelijk daarover hebben en beginnen met een korte terugblik.


2. 1979 - ziek

Anna en ik waren officieel gaan samenwonen rond oktober 1978 vooral omdat Anna een woning nodig had maar er geen kon vinden; omdat ik in m'n eentje een studenten-flat voor twee bewoonde in Diemen, overigens bestaande uit twee kleine kamertjes in plaats van één, met een halletje, een douche en een héél klein keukentje, met alleen ruimte voor een gaspit; omdat Anna heel graag wilde samenwonen; omdat we dat feitelijk voornamelijk al deden sinds Juli, en dat heel goed ging; omdat onze sexuele relatie vanaf het begin bijzonder goed was, en we dagelijks herhaaldelijk uren in bed doorbrachten; en omdat ik vond dat er gronden genoeg waren om met elkaar samen te wonen, variërend van de vele sex die we hadden, tot haar intelligentie, haar uiterlijke fraaiheid en het feit dat we allebei begonnen waren psychologie te studeren in Augustus 1978.

Ik kon dat trouwens alleen omdat ik wéér studiefinanciering had ontvangen, wat ik deed omdat ik in de eerste vier maanden voor meer dan een jaar studiepunten verzameld had voor filosofie, wat tamelijk ongebruikelijk was omdat 70% van  de studenten, die het hele jaar studeerden, onvoldoende studiepunten haalden om studiefinanciering te kunnen krijgen, en waarmee ik ook gewoon doorging als hoofdvak.

Maar één van de dingen die ik ergens in de zomer van 1978 leerde was dat ik een IQ boven de 150 heb (of in ieder geval toen had) wat mij niet bijzonder verbaasde omdat ik altijd geweten had dat ik intelligent was; wist dat mijn vader een IQ boven de 135 had; en wist dat ik voor "witte raaf" was uitgemaakt op mijn militaire dienstkeuring in begin 1968, waar ik trouwens uitzonderlijk goed behandeld ben, want ik ben afgekeurd op medische onzin-gronden (en ook, vermoed ik, omdat ik een lange verhandeling geschreven had dat het verreweg het verstandigst was mij af te keuren, gezien mijn communistische achtergrond en overtuiging - en zo gebeurde ook, en bovendien heel beleefd).

Ik leerde dit heel eenvoudig door de vier IQ testen die in Eysenck's "Test uw eigen IQ" stonden, die allemaal begroot waren op 45 minuten, en indien eerlijk gemaakt dan een IQ opleverden op basis van de score, allemaal te doen binnen 30 minuten, met de volgende uitkomsten: 147, 148, 149, 150, al was dat, geloof ik, niet de volgorde (en er zaten enkele foute vragen bij).

En ik was daaraan begonnen niet omdat ik bijzonder in IQ geloofde (ik denk nog steeds dat het geen goede maat voor echte intelligentie is) maar omdat Anna werkte als psychologisch assistente in de Jellinek-kliniek, en daar voornamelijk IQ-testen afnam, en ze mij behoorlijk wat testen had gegeven die ik allemaal stukken sneller en beter maakte dan enig ander die ze ooit getest had. En dat was de voornaamste reden om te kijken wat voor mij gold, hoogstens half serieus, want ik dacht toen niet en denk nu niet dat een IQ een redelijke maat voor echte intelligentie is, al denk ik natuurlijk wel dat ik dit werkelijk ben. (Maar intelligentie is, zoas het meeste dat met het menselijk bewustzijn samenhangt, nog steeds overwegend een raadsel: Je kunt redelijk zeker zeggen wie het heeft, en wie het niet heeft, maar dat is het wel ongeveer, wat zekerheden betreft.)

Bovendien had ik in de paar maanden die ik wel studeerde eind 1977 voldoende geleerd over hoe filosofie gegeven werd aan de Universiteit van Amsterdam, en ook voldoende had geleerd over de intellectuele vermogens en de types die het studeerden, om te konkluderen dat de studie filosofie voor mij doodeenvoudig was, en dat ik er minstens één en mogelijk twee hoofdvakstudies bij moest doen, omdat ik dat makkelijk aankon, en het mijn maatschappelijke kansen aanmerkelijk zou verhogen.

En vervolgens ontmoette ik Anna, die heel graag wilde weten waarop die IQs die ze zo vaak getest had nu feitelijk gebaseerd waren, want dát was haar in haar preparatie tot psychologisch assistente nooit behoorlijk uitgelegd, en die daarom wel psychologie wilde studeren, ook omdat ze makkelijk een beurs kreeg. [2]

Ik besloot dat ook te doen, ergens in Juli 1978, omdat dit met z'n tweeën een stuk makkelijker was, en het een feit was dat ik vooral in menselijk redeneren geïnteresseerd was, al sinds mijn 15e, en ik William James een groot auteur vond, tenminste als psycholoog, hoewel véél minder als filosoof, en ik schreef me daarnaast in voor de studie Noors, waarvan ik aannam dat het me héél weinig moeite zou kosten, omdat ik jarenlang in Noorwegen had gewoond en goed Noors sprak en las, zodat ik in 1979 inderdaad feitelijk drie hoofdvak- studies deed.

Het was wel zo dat zowel de studie psychologie als de studie Noors voor mij vooral probeersels waren: ik had in al in 1972, geheel zelfstandig, een universitaire tekst voor psychologen doorgewerkt, "Elements of Psychology" geheten, van Krech, Crutchfield en Livson, en bevonden dat ik er niet veel aanvond en er ook het een en ander op af te dingen had. Maar ik had daaraan geen konklusies verbonden over "de" psychologie, en wilde best een kandidaats-examen psychologie doen, en nam aan dat makkelijk te kunnen.

Achteraf denk ik dat psychologie geen echte wetenschap is [3], en dat zowel Anna als ik véél beter een andere studie hadden kunnen kiezen, varierend van natuurkunde of wiskunde tot biologie of desnoods rechten, maar zover was ik toen nog niet, en ik was ook nog niet goed in staat om "de" psychologie, of althans: de psychologie zoals deze in Nederland werd gegeven, goed te kunnen beoordelen, eenvoudig omdat ik het nooit gestudeerd had, afgezien van het zelfstandig lezen van universitaire teksten, gewoonlijk in het Engels of Amerikaans, die mij inderdaad, altijd weer met uitzondering van William James, i.h.b. zijn zeer briljante "Principles of Psychology", gewoonlijk zwaar tegenvielen.

Maar ik verbond daar nog geen konklusies aan, en verbond ook nog geen konklusies aan een bijzonder vreemde gebeurtenis - vonden Anna en ik, maar kennelijk héél weinig anderen - die we meemaakten toen we naar de publieke opening van het academisch jaar 1978-1979 gingen, die gehouden werd, voor iedereen die daar bij wilde zijn, in de hal van het Maagdenhuis, d.w.z. ernaast, in de voormalige kerk, waar ook gepromoveerd werd.

Ik weet niet meer waarom we daarbij aanwezig waren, maar we waren er wel eind Augustus 1978, en we hoorden professor dr. M.A. Brandt, die de opening mocht houden van het College van Bestuur, letterlijk zeggen:

"Iedereen weet dat waarheid niet bestaat".

Ikzelf meende, onmiddellijk ook, dat iedereen behoort te kunnen weten dat dit een grove contradictie [3a] is, was het alleen omdat weten impliceert dan men een waar geloof bezit, en ik was ook meteen verontwaardigd, niet eens zozeer vanwege de contradictie zelf, al was het de eerste van zéér vele keren dat ik deze hoorde, maar omdat het uit de mond van een universitaire professor kwam, die de opening van een academisch jaar verrichte.

In feite was Brandt de postmoderne filosofie toegedaan, die contradicties als geciteerd tot de basis van hun gedachtes maakten (een andere postmoderne mening is dat er alleen teksten bestaan: "alles is interpretatie van een tekst" - en "alles" betekent werkelijk alles), maar dat zei hij allemaal niet - hij sprak alleen de grove leugen uit dat "Iedereen weet dat waarheid niet bestaat", en werd van harte geapplaudiseerd, en niet uitgefloten noch ondervraagd.

Ik vond dit heel vreemd en was verontwaardigd, maar had in die tijd nog niet van postmodernisme gehoord, en meende dat de man voor zichzelf sprak, al vond ik het bijzonder vreemd dit soort evidente onzin uit de mond van een wetenschapper [4] te horen, of althans uit de mond van de verkozen publieke inleider bij de opening van een universitair academisch jaar: er is geen wetenschap zonder waarheid.

Maar als gezegd: ik verbond hier geen verdergaande konklusies over de studie psychologie, of over waarheid en wetenschap, of over de Universiteit van Amsterdam aan, en ik had in feite in Augustus 1978 hooguit 4 maanden gestudeerd aan de universiteit.

Het bleek ook vanaf het begin dat de studie psychologie door aanzienlijk veel meer studenten gekozen werd dan filosofie; dat de studie een heel stuk behoorlijker ingericht was, met een echte en goede dekaan (geheel anders dan de pias die deze baan bij de filosofen had, hoewel ze allebei homofiel waren [5]); en dat we behoorlijk méér moesten doen voor het eerste jaar psychologie dan ik voor het eerste jaar filosofie had moeten doen, maar Anna en ik hadden geen enkel probleem met hard werken, en wilden het allebei snel doen, omdat we allebei van een beurs (Anna) of een lening (ik, vanwege de valse voorlichting door de pias die als dekaan functioneerde bij filosofie) studeerden, en we de schade zoveel mogelijk wilden beperken.

Het bleek ook makkelijker te zijn de boeken tijdig te verkrijgen (als je snel was), wat kennelijk vooral kwam door het grote aantal studenten, en ik geloof dat we begonnen met "Introduction to Psychology", dat een Amerikaanse tekst was van de hand van Hilgard, Atkinson en Atkinson, dat ongeveer hetzelfde terrein behandelde als het boven genoemde "Elements of Psychology", maar in iets recenter vorm (het was zes jaar later), en iets uitgebreider, en ik denk ook wat  beter.

We deden allebei behoorlijk veel de laatste maanden van 1978, en waren bovendien heel gelukkig met elkaar, dat onderstreept werd door de zeer vele sex die we met elkaar hadden. Anna noch ik konden of wilden daarmee ophouden, en we deden er niet alleen aan: we lazen er ook veel over, en ik schreef er ook wat later een stuk over.

Op 1 januari 1979 vroor het hard, en kon je vanuit waar we woonden zien dat het overal zwaar besneeuwd was, zodat we besloten in de polder te gaan fietsen, om van het winterweer te genieten, en fietsten o.a. langs de Vecht, waar ik me ziek begon te voelen, ergens in de middag, dat ook snel erger werd.

Ik was het liefste gaan liggen, maar dat kon eenvoudig niet: het vroor minstens een graad of 10, er lag overal veel sneeuw, en er was ook verder niemand te zien. Anna had op dat moment nergens last van, maar ik zei haar dat ik zou proberen zo snel mogelijk naar huis te fietsen omdat ik me steeds beroerder voelde, en onmogelijk kon gaan liggen, dus dat was ook wat ik deed, me ondertussen héél beroerd voelend, zonder enig idee te hebben waarom.

Terwijl ik naar huis fietste zag ik een lucht die er ongeveer zo uitzag, al moet dat aan mijn toestand gelegen hebben:


Eenmaal thuis stortte ik in bed, en was een week behoorlijk ziek, vooral de eerste vier dagen. Ik had geen huisarts, want ik was geen dag echt ziek geweest sinds ik terug was gekomen uit Noorwegen, had op verschillende plaatsen gewoond, en viel feitelijk ook officieel, als student, onder de studentenartsen.

En het leek allemaal op een behoorlijk ernstige griep, die gepaard ging met alles wat daarbij hoorde: Moeheid, koorts, zwakte, geen eetlust, beroerdheid, spierpijn, zweten - vooral bijzonder veel zweten - en overige pijnen, maar overigens werd het niet erger dan het de eerste dag geweest was, en verbeterde het langzaam iets.

Op 10 januari werd Anna ziek, en had dezelfde soort klachten als ik, behalve misschien iets ernstiger. Ook zij was na een paar dagen iets beter, maar zij had wél een huisars genomen, en ging daarheen, en kreeg snel de uitslag: ze had de kus-ziekte, ook bekend als Epstein-Barr of mononucleose, en er werd haar meteen verteld dat dit wel 2 of 3 maanden kon duren.

We werden allebei een klein beetje minder ziek, maar niet veel, en ik bleef bijzonder veel zweten, terwijl Anna zeer veel diarrhée had, maar niet zweette, maar overigens hadden we hetzelfde, en het was inderdaad zeer aannemelijk dat zij het van mij had, of ik misschien van haar, en overigens was Epstein-Barr, zeker onder studenten, geen zeldzame ziekte, en ook één die gewoonlijk overging, zonder veel problemen, na enige maanden rust.

Dit bemoeilijkte ons bestaan plotseling zeer, want we moesten redelijk vaak voor psychologie verplicht in Amsterdam zijn, voor het volgen van verplichte colleges of werkgroepen, wat ik ca. Februari/Maart nog wel kon, met aanzienlijke moeite, maar waar Anna zelden de nodige energie voor had, en vooral het vele staan viel haar bijzonder moeilijk (en je realiseert jezelf eenvoudig niet, zolang je gezond bent, hoeveel je wordt geacht te staan wachten, maar met voortdurende spierpijn en een vrijwel volledig gebrek aan energie is dat wat vanzelfsprekend moeiteloos gaat voor gezonden een plaag voor zieken).

En dat was inderdaad het hoofdprobleem: We hadden geen energie; we konden niet lang staan; we konden niet lang lopen of fietsen; we werden moe wakker en gingen moeier naar bed; we konden ons wel forceren maar waren dan vrijwel zeker dat onze gezondheid slechter werd; en we bleven ziek, ook heel herkenbaar voor elkaar, want we hadden vrijwel hetzelfde, behalve dat Anna meer last van haar klieren en van diarrhee had, en ik bijzonder veel bleef zweten, iedere nacht weer, maar geen last had van diarrhee (maar we hadden dus wel allebei problemen met onze waterhuishouding).

Ons voornaamste probleem was gebrek aan energie gepaard met spierpijn in armen en benen, die er voortdurend was, en ook niet verdween met slapen. Het enige wat we wel met behoorlijk grote waarschijnlijkheid konden voorspellen was dat als we ons forceerden, we dat bijna altijd moesten bekopen met méér pijn en méér moeheid, die dan ook weer lang kon duren - dagen, weken - om weer wat bij te trekken.

We worstelden echter door, zo goed en kwaad als dat ging, en moesten ook het een en ander verplaatsen en afzeggen. Ergens in April 1979, toen we het allebei 3 maanden hadden, en er niet veel verbetering opgetreden was na de eerste tien dagen ziekte, ging Anna weer naar haar huisarts, een jonge man die pas begonnen was.

Hij "wist" het onmiddellijk en "vanzelfsprekend" (na Anna één keer eerder gezien te hebben, en niets van haar te weten): het was psychosomatisch, en ze zou wel sexuele problemen hebben. Anna was behoorlijk kwaad hierover, want hij wist vrijwel niets van haar; "psychosomatisch" wás helemaal geen verklaring, en zeker niet in ons geval: we hadden geen enkel belang bij ziek zijn, en alle belang bij beter zijn; en we gingen nog steeds, ondanks de ziekte, twee of driemaal met elkaar naar bed iedere dag, tot ons beider grote bevrediging ook [6], en studeerden ook nog steeds verbeten door, zij het met grote lichamelijke moeite.

Ik herinner me niet dat we het eerste halve jaar van 1979 veel deden behalve al het mogelijke om de noodzakelijke studiepunten voor de beurs en de lening te halen, waar we allebei in slaagden.

Maar ik had onze problemen wel voorgelegd aan de studenten-dekaan, in dit geval niet die van filosofie, die bijzonder slecht was, en ook niet die van psychologie, die goed was (en waaraan ik de verwijzing kan danken, al weet ik dat niet meer), maar naar de algemene dekaan voor studenten, die weliswaar nogal formalistisch was maar die ons, geheel terecht, geloofde - en inderdaad: waarom zouden we liegen? we hadden niet het minste belang bij ziek-zijn, in het feitelijk eerste jaar van onze studie, en we konden de studies die we volgden allebei heel makkelijk aan: de problemen zaten in de fysieke activiteiten die we moesten ondernemen voor het volgen van de studie - zodat we voorgedragen werden voor een studenten-woning voor twee personen in Amsterdam.

Die kregen we ook, ergens in het vroege voorjaar van 1980, op de Nieuwe Keizersgracht, in een fraai oud pand. Wij kregen de kelderwoning oftwel het sousterrain, die bijna een meter onder de straat lag, maar wel ramen had, en ook 2 kamers, waarvan één ca. 5 bij 5.5 meter was, een hal, en een wasruimte. We vonden dat we er behoorlijk op vooruit gingen: Wat meer ruimte, een fraai pand, uitkijkend (van achter af) op dezelfde straat als waarin de faculteit psychologie toen gevestigd was, 300 tot 500 meter verder, en ook zonder trappen, die we allebei moeilijk liepen. Maar hierover meer in het volgende deel.

In dit deel wil ik het vrijwel alleen nog hebben over de studies die ik deed aan de Universiteit van Amsterdam, want ik deed toen drie hoofdvak-studies, en deed dat intellectueel zonder enig probleem (maar wel met aanzienlijke problemen om de faculteiten te bereiken, vanuit Diemen).

Over psychologie heb ik al kort gesproken: Het was een redelijk stuk beter georganiseerd dan de studie filosofie, en afgezien van problemen waar ik in het volgende deel zal komen te spreken (die belangrijk waren en steeds belangrijker werden, maar niet erg relevant voor doorsnee eerstejaars), en ook afgezien van onze fysieke problemen om de verplichte colleges te volgen, was het voor ons allebei een hele makkelijke studie, waarin we altijd tentamens scoorden bij de hoogste 5 of 10%, ook zonder daar veel voor te doen, althans in mijn geval.

Over Noors kan ik heel kort zijn, al is ook dit volkomen belachelijk:

Ik sprak en las ten naaste bij vloeiend Noors, na bijna drie jaar Noorwegen, waarin ik ook behoorlijk veel Noors gelezen en gesproken had, maar ik vond in de Faculteit voor Skandinavistiek helemaal niemand die dat ook deed, en degeen die het vak onderwees sprak helemaal geen Noors: die kende alleen Deens.

Het is een feit dat Deens en een flink deel van het Noors (Riksmalet) nogal veel op elkaar lijken, maar de uitspraak is echt geheel anders (en persoonlijk vind ik Deens lelijk klinken, maar dat kan aan mij liggen, al heb ik hier volgens mij geen vooroordelen, en ik lees makkelijk Deens, maar vind het heel moeilijk te volgen in gesproken vorm), evenals de literatuur.

Daarbij is er nóg een vorm van het Noors, in feite de vorm die ikzelf het meest gesproken had, die aanmerkelijk minder op het Deens lijkt, en meer op het Zweeds, en een stuk ingewikkelder is dan het andere Noors, dat dus ook door helemaal niemand in de Faculteit voor Skandinavistiek beheersd werd.

En opnieuw trof ik vooral een uitvretersgeest:

Niemand interesseerde het werkelijk dat er geen Noors onderwezen werd, want de paar studenten ervan wilden vooral wat opsteken voor hun vakanties, en dit maakte de studie vast nog makkelijker, terwijl de stafleden die ik trof vooral verontwaardigd waren over mijn verontwaardiging: Hoe haalde ik het in m'n hoofd van hun bijzonder goed betaalde collega's te eisen dat ze Noors spraken als ze Noors gaven?! Waar had ik dat soort brutale onzin vandaan?!

Mijn reaktie was typisch voor mij (en strategisch dom): ik was ziek en gaf de studie Noors op, want het minste wat ik wilde was een docent die Noors kende als deze Noors gaf, en die wás er eenvoudig niet. [7]

Over filosofie was ik al boos geworden in 1977, en ik werd snel bozer in 1978/ 1979/1980: Het was een vrijwel volledig waardeloze "studie" waarin ik helemaal niets leerde dat ik niet al wist en dat van belang was [8], maar wel geacht werd tentamens te doen over de hobbies van de nitwits en de uitvreters die een academische aanstelling hadden verworven, en helemaal niemand kon werkelijk doceren, onderwijs geven of een helder verhaal afsteken, met ongeveer anderhalve uitzondering, waaruit volgde, ook vanwege de zeer geringe verplichtingen van de docenten, dat filosofie gegeven werd door vrijwel uitsluitend incompetenten, die bovendien schandalig parasiteerden, want vrijwel niets deden en geheel niets publiceerden.

Dat vond ik toen al, in 1979/1980, en is 35 jaar later boven alle redelijke twijfel:

Vrijwel niemand van mijn docenten, die daar vrijwel allemaal ofwel 35 jaar uitgevreten hebben tegen hoge salarissen ofwel er gestorven zijn met een hoog salaris, heeft ook maar iets gepubliceerd, en zeker niets van enige intellectuele waarde, wat rijmt met hun totale gebrek aan ieder intellectueel talent; ze konden niets, en ze wisten niets, behalve uitvreten, liegen en bedriegen; en voorzover de mannen - en de grote meerderheid was man - allemaal iets deden "van waarde" moet dat het neuken van Connie Palmen geweest zijn, want die werd bekend door een boek waarin ze dat vermeldde: als studente had ze alle mannelijke docenten filosofie geneukt. (Ik weet niet of dit waar is, alleen dat het zó gezegd werd, en niemand - bij mijn weten - dat ooit tegensprak.)

Ik wil best toegeven dat het intellectueel talent van La Palmen vooral tussen haar benen zit, dat vaker voorkomt, en vooral bij "intellectueel succesvolle vrouwen", maar ze is ook - vind ik in ieder geval - verre van mooi, dat deze carriere dan nogal bemoeilijkt, maar aan de andere kant waren de meeste docenten niet alleen dom maar behoorlijk tot zeer lelijk, zodat ik wel wil aannemen dat er iets "van waarde" werd verricht: De vriendin van Ischa Meijer en de vrouw van Hans van Mierlo heeft alle mannelijke docenten filosofie aan de UvA geneukt. En dát - zeg: Connie Palmen - was Amsterdamse filosofie van de allerhoogste plank, want verder werd er niets van enige waarde gezegd of geschreven.

Maar ik wist hier niets van tot ca. 1995 en kan me ook niet heugen Palmen ooit ontmoet te hebben gedurende mijn studie, terwijl ik toch heel wat studenten filosofie gesproken heb.

Het was trouwens ook niet alleen op sexuele gronden dat men af kon studeren, al neem ik aan dat je daar vrouw voor moest zijn: Voor mannen was afstuderen ook bijzonder makkelijk, namelijk door deel te nemen aan demonstraties of kraak-
akties: Als je maar deed alsof je marxistisch angehaucht was dan telde dat voor jouw als studiepunten.

Ook dit wist ik echter toen niet, en hoorde ik pas op de radio rond 2000, van twee voormalige studenten filosofie, ondertussen doctorandus, die lachend en vrolijk vertelden dat ze op deze manier doctorandus waren geworden.

Ikzelf wist niets van deze corrupties tot na mijn studies, maar ik had het wel moeilijk, of althans: ik werd al - ook al in 1977 - zwaar gediscrimineerd omdat ik géén marxist was, en mij herhaaldelijk verzet had tegen het opdringen van marxisme. 

Van 1977 t/m 1980 waren de hoogtijdagen van de CPN (na de korte opleving direct na de 2e Wereldoorlog) en ik neem aan dat de overgrote meerderheid van de filosofische studentenbeweging "Cogito" feitelijk, in die tijd, CPN-leden waren.

Ik had daar op zichzelf geen bezwaar tegen: waar ik groot bezwaar tegen had was dat ik nadat ik gezegd had geen marxist te zijn, of gezegd had Peirce een groter filosoof dan Marx te vinden, met grote vanzelfsprekendheid als volgt weggezet werd (letterlijk citaat): "O, dan ben je zoiets als een fascist". (Achterliggende twee "redenen": Bijna iedereen was een verse communist, en Peirce was een Amerikaan, en de Amerikanen waren verantwoordelijk voor de oorlog in Vietnam. En nee, zo subtiel waren ze werkelijk, want dit is me heel wat keren overkomen.)

Het telde voor mij ook redelijk zwaar dat (1) ik vrijwel niemand vond die filosofie studeerde die ik ook maar enigermate intelligent vond, met twee uitzonderingen, waarvan de één, een bioloog, snel stopte met de studie, en de ander vooral een wiskundige was; dat (2) allebei mijn ouders vrijwel hun hele volwassen leven lid van de CPN waren; allebei in het communistisch verzet hun leven geriskeerd hadden; en dat zowel mijn vader als zijn vader, dus één van mijn twee grootvaders, in 1941 veroordeeld waren tot concentratiekampstraffen als "politieke terroristen", wat mijn grootvader niet overleefde; en dat (3) ik een communistische opvoeding had genoten, de CPN heel goed kende, zeer veel meer van Marx gelezen had dan degenen die mij tot "zoiets als een fascist" bestempelden, en lid van de CPN was geweest van 1968 tot 1970, toen ik eruit ging omdat ik mijn geloof in de politiek opgegeven had, en Russell een stuk zinniger dan Marx had bevonden.

Maar ik was ook niet van plan dat ook maar te pógen uit te leggen aan de grote meerderheid die mij voor "zoiets als een fascist" uitmaakten alleen op basis van de overweging dat ik - gewoonlijk vriendelijk ook - gezegd had Marx minder op prijs te stellen dan Peirce of Russell, overigens vrijwel altijd tegen studenten die véél minder van Marx wisten dan ik, en niets van Peirce of Russell gelezen hadden.

Ik had daar twee hoofdredenen voor. In de eerste plaats leefden allebei mijn ouders nog en waren allebei lid van de CPN (sinds 1935 en 1944), en ik had geen enkele behoefte problemen voor mijn ouders te maken: ik mocht ze allebei graag, al spraken mijn vader en ik zelden over politiek sinds ik uit de CPN was. En in de tweede plaats had ik geen enkele achting voor bijna iedereen die ik vanwege mijn studie filosofie ontmoette: Niet de docenten, en ook niet de studenten, want ik vond ze vrijwel allemaal dom en ook bijzonder oneerlijk - en ik had daar, weer 35 jaren later geoordeeld, volstrekt gelijk in.

Deze twee redenen hingen ook samen, en weerhielden mijn achtergrond - feitelijk de beste waarachtige verzetsachtergrond waar ik weet van heb, ook met een geridderde vader - bekend te maken aan de UvA.

Daar kwam eind 1979 nog een derde reden bij.

Ik ben - of was in ieder geval - een heel goede spreker, en wist dat toen al sinds mijn 17e/18e, toen ik vele veel oudere volwassenen gefascineerd had door mijn scherpzinnigheid, zeer grote taalvaardigheid, en kennis, in de filosofie-club die de D's toen wekelijks hadden. 

Voor mij was dat ook vanzelfsprekend zo, en ook vanzelfsprekend nooit te hummen, "eh" te zeggen, te aarzelen, of te pauzeren wanneer ik met iemand diskussieerde of iets uitlegde, maar in Nederland was dat toen en is dat nu, ook nog steeds onder zogenaamde "intellectuelen" [9], geheel vanzelfsprekend het tegendeel: vrijwel niemand drukt zich mondeling ook maar enigermate behoorlijk uit, en vrijwel niemand kan dat ook werkelijk, iets wat overigens typisch Nederlands is: De Engelsen en Noren zijn stukken beter in althans redelijk spreken.

Ik vermoed achteraf ook dat mijn spreekvaardigheid, die wel behoorlijk veel studenten aantrok, een flinke component was in de discriminatie ik ondervond: ik sprak te goed, te makkelijk, te vloeiend, en moest dus neergehaald worden, volgens aloud Hollands recept: "Iedereen is gelijkwaardig, en wie dat niet is wordt gelijkwaardig gemaakt."

Hoe het zij: ik was in 1979/1980 een heel stuk uitgesprokener geworden over, vooral, het bijzonder onwetenschappelijke en immorele klimaat dat ik bij de filosofen getroffen had, en had daar met redelijk wat mensen over gesproken, zowel studenten als docenten, en had daarbij zowel tegen- als voorstanders getroffen, want niet iedereen is gek en dom, en er waren vooral onder intelligente studenten en trouwens ook redelijk wat docenten, hoewel niet bij filosofie, die vonden dat de meeste studies te weinig inhielden en te gepolitiseerd waren, waar ze allebei groot gelijk in hadden.

Ik werd daarom, ik weet niet meer door wie, eind 1979 uitgenodigd "eens te komen praten" met enkele docenten Latijn, die mij eenmaal gehoord hebbend besloten dat ik moest proberen een studentenbeweging op te zetten, om althans enige tegenstand tegen het absolute monopolie van de ASVA te creëren (want de alternatieve studentenbeweging OBAS was alleen geinteresseerd in feesten en drank, en was een soort corps).

En hoewel ik ziek was had ik daar wel oren naar, zodat ik verwezen werd naar enkele andere studenten, bij Archeologie en Arabistiek, die ook dergelijke plannen had.

Op deze manier rolde ik de studentenpolitiek in, vooral gedreven door  grote verontwaardiging over het zeer lage niveau en de zeer gepolitiseerde inhoud van zeer vele studies, vooral in de sociale wetenschappen, de talen, en de filosofie, maar niet alleen daar, want de ASVA + het College van Bestuur van de PvdA waren almachtig, en deden wat de studies betreft vooral wat de ASVA wilde, dat allemaal op zwaar gepolitiseerd en genivelleerd onderwijs neerkwam.

Ik denk echter achteraf dat dit een serieuze en grote fout van mij was: ik was ziek; de toestand was behoorlijk hopeloos; en ik had er véél verstandiger aan gedaan zo snel mogelijk af te studeren en mij afzijdig te houden. Maar ik was gevraagd, en ik was het met het doel - beter, wetenschappelijker, minder gepolitiseerd onderwijs - zeer eens, en ik kon ook werkelijk formuleren en spreken.

Tenslotte, wat de persoonlijke verhouding en leefomstandigheden betreft:

Anna en ik leefden feitelijk heel gelukkig in Diemen, en vooral Anna studeerde hard en had het behoorlijk moeilijk vanwege de ziekte, die niet wegging, maar ook niet erger werd, tenzij we ons inspanden: dan werd het vrijwel altijd erger, voor ieder van ons.

Maar onze sexuele relatie bleef zowel bijzonder goed als heel intens, en we leerden elkaar ook beter kennen, dat vooral een genoegen was, al bleef het ook een feit dat Anna lang niet zo goed sprak als ik, al had ze een IQ van 142, en al was ze inderdaad bijzonder intelligent.

Het voornaamste probleem dat we hadden was dat we in Diemen woonden, en het problematische daarvan was vooral de afstand van Diemen naar Amsterdam:
Anna was meestal en ik regelmatig niet in staat die af te leggen zonder behoorlijk grote moeilijkheden, die we dan gewoonlijk achteraf terugbetaalden, in een soms weken slechtere conditie.

Maar daar was een oplossing voor in de maak, en in 1980 kregen we een woning op de Nieuwe Keizersgracht aangeboden, niet ver vanaf waar toen de faculteit voor psychologie en de faculteit voor filosofie waren.

1979 was een ziek en overwegend heel teleurstellend jaar, en de teleurstellingen waren vooral te danken aan het lage niveau van het onderwijs, ook volgens Anna, maar er was reële hoop en we kregen ook reële hulp en kansen, en de ziekte werd weliswaar niet beter, maar - indien enigszins verstandig beheerd - ook niet slechter.

En we hadden in 1979 geen enkele notie dat we dekaden lang ziek zouden blijven, terwijl - blijkt nu, in 2014 - voor de ziekte van Pfeiffer, die we hadden, het soms wel twee jaar kan duren voordat men hersteld is, wat ons toen nooit verteld is, en dat we ons trouwens eenvoudig niet konden veroorloven: we moesten door met de studie, en forceerden onszelf vele keren de eerste paar jaar, eenvoudig omdat we niet anders konden, want vele dingen waren verplicht.

----------------------------------------------------------------------------------

This was the first version of this part of my autobiography. It will remain as is, apart from corrections of typos and insertion of some links, but it will also be copied to the autobiography section, and may there be somewhat rewritten.
------------------------------

Noten
[1] Wat is de reden voor de betrekkelijke afwezigheid van journaals terwijl ik samenwoonde? Ik had het drukker door de verhoudingen, maar dat is niet een voorname reden, zomin als het niet gelezen willen worden: Voor de vrouwen waar mee ik samenwoonde had ik geen geheimen. Ik vermoed dat de voornaamste reden was dat ik me veel makkelijker uit kon spreken tegen iemand waarvan ik hield. Er zijn er mogelijk meer, maar dit is vrijwel zeker de belangrijkste grond: ik kon mij uitspreken, en kon problemen doorspreken, zodat ik er niet over hoefde te schrijven.

[2] Hier was één van de niet vele redenen waarmee we het wel getroffen hadden: We kregen, ook i.v.m. onze leeftijd, allebei de hoogste beurs en hoogste studie-lening, ik meen van ruim 700 gulden ieder, en werden niet als getrouwd of samenwonend beschouwd. Hoewel dit minder was dan de toenmalige bijstand (het was vele jaren lang mogelijk voor jaren vakantie te houden in de bijstand en niets te hoeven doen, en meer te ontvangen dan enige student deed, die daarvoor moest studeren, en in sommige studies hard werken). Dit is ondertussen zeer verslechterd, maar dat is noch mijn schuld noch mijn wens: ik vind en vond dat iedere student recht heeft op een volledige bijstandsuitkering, als iedereen die volwassen is. En ik vind ook dat er aanmerkelijk minder studenten behoren te zijn, en dat iedereen die studeert minstens een IQ van 125 behoort te hebben. (Het gemiddelde IQ in 1984 aan de UvA was ... 115. Nu is het ongetwijfeld lager.)
Hoe het zij: We hadden het financieel behoorlijk, ook omdat we allebei geen dure zonden hadden, als alcohol of drugs.

[3] Ik ben geheel niet de enige die beweert dat psychologie geen echte wetenschap is. Zie Paul Lutus: "Is psychology a science?". Ik had overigens mijn konklusies over psychologie af in 1980 of 1981, lang voordat ik van het bestaan van Lutus wist, maar voor een flink deel op zijn (aanzienlijk latere) gronden, die voor wetenschapsfilosofisch waren.

[3a] Ik wéét dat de huidige "moderne spelling" "kontradiktie" is. Maar ik ben een grote tegenstander van spellingshervormingen, en vind dat Latijnse en overige buitenlandse woorden niet vernederlandst moeten worden, en vandaar. (Vandaar ook dat ik "Xerxes had sex met z'n ex" schrijf i.p.v. iets als "Kserkses had seks met z'n eks" - en ik weet niet welke vorm van deze volstrekte waanzin nu precies geldt, maar weet wél dat ik op m'n twaalfde bijzonder goed en grammatikaal Nederlands kon schrijven, en ik gebruik nog steeds de spelling die ik toen geleerd had en beheerste, was het alleen omdat deze een stuk zinniger was dan de meeste spellingshervormingen die volgden.)

[4] Maar dat was overwegend een vergissing van me: Brandt was een historicus, en ook dat is geen echte wetenschap. Dit betekent niet dat er geen goede geschiedenissen geschreven worden; wel dat een geschiedkundige bijna altijd heel weinig van echte wetenschap, echte wetenschapsfilosofie, of van wiskunde weet.

[5] Ik vermeld dit vooral omdat dit toen nog als vreemd werd ervaren, en ook pas in 1974 volgens de Amerikaanse psychiaters géén vorm van waanzin meer was. De filosofie-dekaan was vreemd, en bijzonder slecht, en hoogst oneerlijk, maar dat zal weinig met homofilie of filosofie te maken hebben.

[6] Dit is ook altijd zo gebleven gedurende onze hele verhouding, en ondanks onze ziekte. Waarom? We hielden veel van elkaar; het was bijzonder lekker; en - vooral - het kan allemaal liggend, en in het tempo dat je wilde. Vooral de laatste twee feiten zijn significant.

[7] Agnethe heeft ook nog enige tijd een zeer goed betaald baantje gehad bij Skandinavistiek, maar ook zij is daar, geheel tot haar eer, snel mee opgehouden vanwege het armzalige niveau.

[8] Dit lag vooral aan het feit dat ik de voorgaande tien jaar, sinds 1967, in de orde van een boek per dag gelezen had, en dat was vooral wetenschap of filosofie: ik was zéér geïnteresseerd, en stelde al het andere op de tweede of lagere plaats, en ik had op deze manier o.a. alle - werkelijk - grote filosofen gelezen, en heel veel logica en wiskunde. Bij de filosofen kon je al doctorandus worden door het doen van een stelletje flauwe tentamens en het lezen van een paar boeken per jaar, of delen daarvan...

[9] Ik weet niet hoeveel de universiteit achteruit gegaan is sinds ca. 2002, maar ik weel dat "de intellectueel" vrijwel niet meer bestaat, althans met een leeftijd onder ca. 65. De voornaamste reden is dat alle onderwijs sinds 1965 systematisch, opzettelijk, en keer op keer op keer, verschraald, versimpeld, en aangepast is. In 1984 was het gemiddelde niveau van de student aan de UvA een IQ van 115, minstens 10 punten lager dan 20 jaar eerder (want het gemiddelde IQ van een HBS-abituriënt was 125), en ondertussen moet het nog weer lager zijn, en kunnen vele beginnende studenten nauwelijks meer spellen (dat doet de spechecker voor u) en niet meer rekenen (dat doet de computer voor u). Maar ja, wie interesseert dit: We zijn toch allemaal gelijkwaardig (mits in het bezit van vier grootouders met Nederlandse namen).

About ME/CFS (that I prefer to call M.E.: The "/CFS" is added to facilitate search machines) which is a disease I have since 1.1.1979:
1. Anthony Komaroff

Ten discoveries about the biology of CFS(pdf)

2. Malcolm Hooper THE MENTAL HEALTH MOVEMENT:  
PERSECUTION OF PATIENTS?
3. Hillary Johnson

The Why  (currently not available)

4. Consensus (many M.D.s) Canadian Consensus Government Report on ME (pdf - version 2003)
5. Consensus (many M.D.s) Canadian Consensus Government Report on ME (pdf - version 2011)
6. Eleanor Stein

Clinical Guidelines for Psychiatrists (pdf)

7. William Clifford The Ethics of Belief
8. Malcolm Hooper Magical Medicine (pdf)
9.
Maarten Maartensz
Resources about ME/CFS
(more resources, by many)



       home - index - summaries - mail