Prev-IndexNL-Next

Nederlog


  January
17, 2014
Autobio: 1975 - Met Agnethe in Dovre 
Sections
Introduction
1. Autobio: 1975 - Met Agnethe in Dovre
About ME/CFS

Introduction

This file is not about the crisis, but is part of my autobiography, and what follows is in Dutch. Also, this will soon be added to my autobio-files, and then may be rewritten some.

1. Autobio: 1975 - Met Agnethe in Dovre

Dit vervolgt de vorige aflevering:

De winter en het voorjaar:

Ik heb het een en ander aan informatie gegeven en gelinkt over Dovre, waar Agnethe en ik arriveerden in het begin van Januari 1975, in het vorige hoofdstuk. En hier is ook een Engelstalige Wikipedia [1] link over Noorwegen, die weliswaar redelijk goed is, maar meer over nu dan over de zeventiger jaren gaat.

Hoe het zij: Agnethe en ik arriveerden in Dovre, en installeerden ons snel in Ingelsheim, dat tussen de 200 en 400 meter boven de dorpskern lag, halverwege de eerste bergen van Rondane, en waar onze enige buren, 300 meter van ons verwijderd, en aan de rand van de weg die 's winters opengehouden werd, de Bjornsgaards waren (gespeld zonder skandinavische tekens), die daar al geboerd hadden sinds 1200.

Ingelsheim was een grote blokhut, van zo'n 5 bij 7 meter, met twee verdiepingen, maar we gebruikten er maar 2 kamers, een grote van zo'n 5 bij 5, met twee ramen die op Dovre uitkeken, en een kleine en smallere, ook gelijkvloers, die we alleen als slaapkamer gebruikten.

In eerste instantie waren we er voor 2 of 3 maanden, en zouden dan weer terug naar Nederland, en ik zou veel lezen en studeren, en had ook al een inschrijving voor het staatsexamen VWO in Mei sinds het najaar van 1974.

Maar Noorwegen is een bijzonder mooi land, ook in de winter, en ergens in Maart besloten we dat we er langer wilden blijven, maar dat ons geld ook bijna op was, dat we vooral uitgegeven hadden aan hout voor de verwarming en aan eten.

Daarbij kwam dat ik, ook in Maart, een bezoek van de lokale sheriff had gehad, die net als wij halverwege de bergen woonden, maar zo'n 500 meter zuidelijker, en wel omdat ik als buitenlander de Noorse wet overtreden had, namelijk door te lang zonder toestemming in Noorwegen te verblijven.

Ik legde hem uit dat ik daar niets van wist en geheel geen kwaad had gedaan, en in feite wel iets gewerkt had in de  stal van de gemeenschappelijke boerderij van 4 boeren, waaronder Hans Bjornsgaard, onze buurman, en ook in de eigen stal van Hans, en op de akkers van Kare Talleros, van wie we Ingelsheim huurden, en dat ik graag nog een tijdje in Noorwegen zou blijven.

Wat ik had gekregen was een ontslag van rechtsvervolging en een "oppholds- tilladelse", d.w.z. een verblijfsvergunning, maar zonder recht op werk. Ik was daar akkoord mee gegaan, enerszijds omdat het allemaal heel vriendelijk geregeld werd, en omdat de sheriff, net als ik, heel goed wist dat ik wel enig werk deed, en anderszijds omdat ik nog steeds van zin was in Mei terug te gaan naar Nederland, daar het staatsexamen te halen, en in Augustus te beginnen met studeren, ook in Amsterdam.

Ondertussen was Agnethe gevraagd, die immers vrijwel afgestudeerd was, of ze niet in wilde vallen als lerares op de lagere school in Dovre, en deed dat omdat ze het leuk vond en omdat het geld opleverde waarvan we allebei konden leven, en werden wij gevraagd, ergens in April, of we niet 20 a 30 koeien wilden melken op een saeter (een zomerboerderij in de bergen) bij Hjerkinn, boven Dombas, voor 4 of 5 boeren, en gedurende 3 maanden.

De reden daarvoor was dat het melken toch moest gebeuren; dat Agnethe het voorgaande jaar goed werk had gedaan met geiten, ook op een zomerboerderij; en dat ik een heel goede indruk had gemaakt in diverse stallen, dat ik bovendien, geheel onverwacht ook, prettig en interessant werk vond.

Dit vergt enige uitweiding. Ik had tot dan toe op heel wat kantoren gewerkt, meestal als typist talen, via uitzendbureaus; en overigens voor De Waarheid, als raper en bundelaar voor de posteditie; in de Sleep-In, als leider en als balie-medewerker; en verder nog wat losse korte baantjes, zoals bij de PTT, met zakken werpen rond de Kerst, in de nacht, vanwege de kerstdrukte; maar het meeste werk dat ik gedaan had voor geld was op kantoren, en was welbeschouwd bijzonder vervelend, oninspirerend en dom.

Het werken als veeboer, want dat was het uiteindelijk, deed ik voor het eerst in Noorwegen, en vond ik feitelijk veel leuker dan alle kantoorwerk. Dit was vooral omdat ik iedereen persoonlijk kende, de sfeer altijd goed en vriendschappelijk was, en, hoewel het werk weliswaar tamelijk zwaar was, was het ook echt zinnig, en met levende dieren, die voor hun welzijn op jou aangewezen waren.

Vooral het echt zinnige van het werk, en de vriendelijkheid van alle betrokkenen, ook zonder pretentie of valsheid, trokken mij aan, hoewel ik tot dan toe werken gewoonlijk als een soort straf had ervaren, en ook altijd dom en saai had gevonden, en dat vooral omdat het vrijwel altijd oninteressante, vreemde, meestal puur zakelijke - financile - doelen trof, waar ik weinig of niets mee had (afgezien van de Sleep-In), of een tegenstander van was. [2]

Maar dat gold allemaal niet voor het werken in de Noorse stallen: het vergde meestal niet veel hersens, maar het ging altijd om iets dat werkelijk van praktisch belang was, en dat zich laat omschrijven als het goed verzorgen van dieren met het hoofddoel daardoor melk en kaas te kunnen maken - want daar ging het vooral om, al was er veel meer, van vlees vanwege de slacht, tot hout uit de bossen, want de meeste boeren hadden ook dat, en brandden hun eigen hout, dat ze ook zelf kapten.

Daarbij was een goede boer in die tijd, zeker in Noorwegen, iemand die veel kon en veel moest doen en kunnen om van z'n bedrijf een redelijk succes te maken, en lagen de meeste boeren mij, vooral vanwege hun eerlijkheid en pretentieloze direktheid, en ook omdat ik kon zien dat een goede boer een harde werker moest zijn, en een redelijk hoofd moest hebben: In deze tijd kon je net een bestaan als veeboer met een familie hebben, als je 16 tot 25 koeien had, die je zelf melkte, al ging dat vrijwel altijd met een melkmachine. Daarbij kwam dat ik de overgrote meerderheid van de boeren die ik ontmoette zinnige en verstandige mensen vond. [2a]

En tenslotte hadden Agnethe en ik een belangrijke voorspreker: Leif-Gunnar A. die de agronoom van het dorp was, en een behoorlijke reputatie had, die vond dat Agnethe en ik heel goed voor de koeien zouden zorgen, wat hij wat Agnethe betrof ook kon ondersteunen door haar werk met geiten in 1974.

Wij besloten, behoorlijk blij en dankbaar ook, de geboden kans te aanvaarden. Maar er zaten nog minstens drie kanten aan dit aanbod:

In de eerste plaats moest ik mijn staats-examen verplaatsen van de lente naar de herfst, dat in beginsel kon, en waarbij het mij leek dat ik daar bijzonder voor in aanmerking kwam, als in Noorwegen wonende kandidaat; in de tweede plaats kon ik mijn ouders een groot plezier doen door ze in de zomer naar Dovre te laten komen en in Ingelsheim te laten wonen en vakantie te laten houden, want wij waren er toch niet; en in de derde plaats betekende het voor ons zelf een nog langere vakantie, want het werk dat we zouden doen op de zomerboerderij zou zeker niet alle tijd nemen, en zou overwegend prettig zijn, en daarna hadden we weer geld voor enige tijd.

Ik kom zometeen tot deze drie punten, maar wil eerst nog iets over de winter in Dovre zeggen.

Het was, zeker in het begin, redelijk zwaar voor me, vooral omdat ik nog niet kon skien, en ook geen ervaring had met bergen op en neer lopen, dat nogal anders is dan het lopen op vlak land, zeker als er ook nog zo'n 50 cm. of meer sneeuw ligt, dat de hele winter zo was.

Daarbij moesten we alle hout zelf zagen of hakken tot het formaat in de kachel paste; moesten we al ons water zelf halen, in twee emmers, met 30 meter heen en 30 meter terug, vaak bij minus 15 en door een meter of meer sneeuw; en moesten we redelijk vaak, meestal lopend en later skiend, naar Dombas, dat zo'n tien kilometer hoger lag, om daar zaken te kopen als kool en aardappelen, die wat goedkoper waren dan in het enige warenhuis(je) in Dovre.

Maar we woonden bijzonder prachtig: Onder ons lag Dovre; zo'n twee kilometer tegenover ons was de andere bergwand van Gurdbrandsalen; links en rechts konden we vele kilometers van de vallei zien; en in de winter was alles wit, helder, en bijzonder mooi, en meestal ook heel rustig.

En we hadden niets te doen dan ons vermaken, wat we deden door te skien, dat in mijn geval, mede vanwege de niet al te beste kwaliteit van het materiaal, dat ik moest lenen vanwege mijn lengte en armoede, wel een maand of drie duurde voordat ik het redelijk geleerd had, maar vanaf dat moment maakten we lange tochten Rondane in, een nationaal park dat achter ons huis begon; door te lezen (in allebei de gevallen, maar vooral door mij) en te fotograferen (door Agnethe); en door te studeren (door mij).

Het was, kortom, een heerlijk leven, dat vooral heerlijk was omdat we bijna geen verplichtingen hadden, en geheel en al vrij waren; omdat we deden wat we wilden, en niet wat we moesten; omdat we de paar dingen die we moesten doen allemaal uitstekend konden doen, want we waren allebei 25, hoogbegaafd en geheel gezond; en uiteindelijk en vooral vanwege de voortdurende schitterende pracht van de natuur om ons heen: groots, wild, prachtig, en ook totaal anders dan Nederland.

We hadden ook diverse avontuurtjes vanwege de afgelegenheid van Ingelsheim. Zo was er een avond waarop we niet neerkeken op Dovre, maar op een meer dan een kilometer grote ronde witte nevelvlek die ontstond door de verlichting in het dorp en de mist erboven, waar wij weer boven woonden, dat een behoorlijk uniek en bijzonder uitzicht gaf; zo waren er diverse dagen dat het zo vreselijk hard woei dat je bijna weggeblazen werd en je daarom bijna niet naar buiten kon; zo hebben we vele kubieke meters hout gezaagd, met een trekzaag, dat daarna gewoonlijk door mij met de bijl tot kachelhout gehakt werd, waarin ik heel handig werd; en zo was er meer.

We leefden bijzonder eenvoudig, voornamelijk van aardappelen, kool, en meestal fiskeboller, zijnde een mengsel van meel en vis, dat de goedkoopste proteine was, maar dat was voldoende, en er waren meestal wel extraatjes die we van de boeren kregen, als een geitje; en er was ook altijd geld voor koffie. [3]

Ik denk ook niet dat ons bestaan iemand tot last was of ergernis wekte, al was ik lang (1 meter 95), langharig en een buitenlander, en al waren Agnethe en ik niet getrouwd, en al was iedereen om ons heen uiteindelijk Luthers, en lid van "de staat's kerk" (Noors: "Statens Kyrkje" - Noorwegen heeft nog steeds een staatskerk): We werden aanvaard zoals we waren, en over de dingen waar we het niet over eens waren viel altijd rustig te praten.

Hier leerde ik ook dat het hebben van een geloof, althans toen en daar, behoorlijk praktisch en alledaags was: de boeren die ik gekend heb waren allemaal gelovig en Luthers, wat het nationale geloof in Noorwegen was en is, maar ze waren dat vooral omdat ze, zoals ze zelf zeiden, "toch iets moesten geloven en omdat iedereen geloofde, en je zo in ieder geval behoorlijk kon trouwen en begraven worden". En hoewel er ongetwijfeld geloofsfanaten waren, heb ik ze nooit persoonlijk ontmoet in Noorwegen.

We waren, kortom, heel gelukkig, maar vonden ook dat we daar recht op hadden, en daarvoor gewerkt hadden, en we gingen er ook weer voor werken, namelijk op de zomerboerderij.

Het voorjaar begint laat in Noorwegen, maar toen het eenmaal begon te dooien, in Mei, veranderde de gehele natuur weer, van wit, en ijzig en helder, tot groen, en warm, en zonnig, want Dovre had heel weinig neerslag, en in de zomer gaat de zon ook vrijwel niet onder, en is het, rond de 21ste juni in ieder geval, bijna 24 uur licht of hooguit schemerig.

Dat laatste, het voortdurende licht in de zomer, was n van de zeer weinige dingen die me niet bevielen aan Noorwegen, en de reden was een persoonlijke: ik heb het altijd bijzonder moeilijk gevonden in te slapen als het licht is, ook in Nederland. Nu was het in de zomer een paar maanden lang voortdurend licht, en dat was weliswaar prettig, maar maakte slapen behoorlijk moeilijk voor me.

Ik had, ruim voor tijd, een beleefde brief aan het hoofd van de staatsexamen-
commissie geschreven, dat ik in Noorwegen woonde en door omstandigheden niet kon komen in Mei, en verzocht om uitstel naar de herfst.

In feite was ik er z zeker van dat ik dit zou kunnen en dat ik het zou halen dat ik mij ook al ingeschreven had bij de Universiteit van Amsterdam, dat op dat moment niet veel kostte - ik meen 100 gulden in 1976 - en waardoor mijn studentennummer 764803 was.

Maar ik had niet gerekend met de Nederlandse manieren: Begin Juni, enkele weken na het staatsexamen, kreeg ik een briefje van het
hoofd van de staatsexamen-
commissie, waarin mij, met kennelijk behoorlijk genoegen, alleen verteld werd dat als ik er niet was in Mei ik gezakt was.

Zo had ik weer een jaar verloren. Ik vond het onbeschoft, want het hoofd had ruim de tijd gehad mij vr het staatsexamen te schrijven, maar het was overigens Nederland zoals ik dat kende: wie niet meedoet met iedereen, krijgt straf, direct of indirect. Ik vermoed dat de onderliggende reden was dat ik in Nederland moest blijven om een Nederlands staatsexamen te doen, volgens het hoofd. [4]

De zomer:

We gingen begin Juni 1975 met - ik meen - twee wagens met 21 of 22 koeien naar de saeter (zomerboerderij) in de buurt van Hjerkinn, boven Dombas. De koeien waren van 4 of 5 boeren, en moesten allemaal gemolken worden.

De zomerboerderij was, meen ik, van de boeren, die deze weer gerfd hadden, en wel omdat hun families door de eeuwen heen langzaam omlaag waren gegaan: Ze begonnen hoog in de bergen, waar later de zomerboerderijen waren; gingen ergens in de 18e en 19e eeuw halverwege het dal wonen, waar Ingelsheim stond, en gingen vandaar in de 20e eeuw in het dal wonen, waar het een stuk kouder en ook wat donkerder was, maar ook dichter bij de weg en de spoorlijn.

De zomerboerderij waar wij werkten bestond uit drie bebouwingen: Een kleine blokhut, waarin we woonden en sliepen, die ook dateerde van rond 1800; een flinke grote schuur voor 25 of 30 koeien, met een melkinstallatie die op een benzine-motor aangesloten was; en een tweede flinke schuur, die we gebruikten als opslag voor de zakken krachtvoer voor de koeien, die daar dol op waren.

Het geheel was omsloten door een houten hek, zodat de koeien er ook in opgesloten konden worden.

Bij het uitladen van de koeien zag ik voor het eerst iets waar ik daarna herhaaldelijk fotoos van gezien heb: Veel koeien waren kennelijk dusdanig blij uit de stal en in de buitenlucht te komen, dat ze een paar minuten lang bijzonder spastisch en vreemd dansten en sprongen, duidelijk heel tevreden, waarna ze weer veranderden in trage grazers.

Er waren, als ik me goed herinner, drie of vier grote grasvelden waar we de koeien na het melken naar toe begeleiden, en voor het melken vandaan haalden, en die stuk voor stuk door ze afgegraasd werden.

Het melken bestond uit het ophalen van de koeien, na krachtvoer voor ze klaargelegd te hebben in de schuur; het installeren en vastbinden van de koeien, dat gewoonlijk behoorlijk makkelijk ging vanwege hun liefde voor krachtvoer; het melken, dat overwegend met twee melkmachines ging, n voor mij en n voor Agnethe, die op perslucht werkte, die weer door een benzine-motor gegenereerd werd; en tenslotte het terugbrengen van de koeien naar de juiste weide.

Dit deden we 's ochtends en 's avonds, en nam gewoonlijk drie tot vier uur, terwijl we de melk in melktonnen deden, die weer in een beek werden gezet om ze koel te houden, en die twee maal in de week opgehaald werden met een vrachtwagen, die ze weer afleverde bij het melkverwerkingsbedrijf. Als we het goed deden, wat bijna altijd zo was, dan was de melk ook geheel goed.

We deden dit drie maanden lang, van Juni t/m Augustus, en deden dat goed, en hadden het aan het eind ook wat makkelijker dan aan het begin, omdat we het werk beter beheersten, en omdat we een paar koeien misten, die ziek waren of weinig melk gaven.

Er waren wel diverse bijna-ongelukken. En was toen ik zestig zakken krachtvoer van 50 kilo ieder had doen uitladen binnen de omheining, en deze razendsnel moest inladen in de schuur, omdat Agnethe eraan kwam met de koeien, die zonder enige twijfel alles of zoveel mogelijk hadden opgegeten; een ander was dat, door een of andere fout die we genaakt hadden, de koeien 's nachts in de schuur bleken te zijn, en krachtvoer zochten; een ander was met een koe die intelligent genoeg was om, vanwege een pijnlijke uier, zeer gericht te trappen, wat zelden voorkwam: de meeste koeien die trapten trapten ongericht.

Mijn ouders waren in dezelfde tijd zo'n 5 weken in Ingelsheim, en reden daarna nog een week door Noorwegen met de auto en sliepen in vakantiehutten, en hadden daarmee de langste vakantie van hun leven. Ze kwamen ook herhaaldelijk naar Hjerkinn, maar we waren meestal aan het werk of moe.

De herfst:

In September waren we weer in Dovre in Ingelsheim, en in het begin hadden we geld genoeg, en besloten er nog langer te blijven, omdat het ons er zo bijzonder goed beviel, en omdat ik toch geen staatsexamen meer kon doen.

Maar eind oktober besloot Agnethe, die eerder voor de dagelijks krant de Gudbrandsdolen og Liilehammer Tilskuer bij gelegenheid stukjes geschreven had tegen betaling, te solliciteren naar een betrekking als journaliste gelokaliseerd in Lom, dat op het volgende kaartje (van de Wikipedia) staat, ook met betrekking tot Dovre en Gudbrandsdalen:



Zoals de lezer kan zien is er een splitsing bij Otta, dat in Gudbrandsdalen ligt, waar men links af een ander dal in kan, dat naar Vagamo en
Lom leidt, en uiteindelijk, in de zomer, zelfs naar Geiranger, dat een dorp aan het bekendste Noorse fjord is. (In de winter is het dichtgesneeuwd, of was dat althans toen ik er woonde.) Van Otta naar Vagamo was tegen de dertig kilometer, en van Vagamo naar Lom was ruim twintig kilometer, en de bedoeling was dat Agnethe het hele gebied, waarin de lezer ook de twee hoogste bergen van Noorwegen vindt, als journalistiek werkterrein had, en daar dagelijks over zou schrijven voor de Gudbrandsdolen og Liilehammer Tilskuer (die sinds 1990 niet meer bestaat c.q. voortgezet is als Gudbrandsdolen Dagningen).

Agnethe werd uitgenodigd naar Lillehammer, en kreeg daar een paar weken opleiding, en werd toen aangenomen, dat haar behoorlijk verheugde, met twee aanzienlijke maren: Ze had nog geen huis in Lom, en ze kon niet autorijden, dat absoluut noodzakelijk was.

Ik kon ook niet autorijden, maar we namen allebei rijlessen, en ik slaagde na een maand, op ijs, in Lillehammer, eind December 1975. Agnethe haalde het ook, maar pas in Januari of Februari, en was geheel niet van plan en ook niet echt in staat auto te rijden, vooral niet op sneeuw en ijs, en deed dat ook vrijwel nooit: Dit werd mijn werk, waar ik dan ook snel heel goed in was, met een auto, een Ford Escort, die we tweedehands van haar vader konden kopen of lenen, en waarmee ik veel gereden heb in 1976 en 1977.

Meer volgt.

------------------------------
P.S. Jan 18, 2014: Changed the title to Dutch.
Noten
[1] Ik link bij voorkeur naar de Engelstalige Wikipedia: Dit zijn meestal de volledigste artikelen.

[2] Dit hangt vooral samen met mijn communistische jeugd. Mijn vader was een trotse vakarbeider, die goed en graag werkte, maar die er ook geen twijfel over liet bestaan dat bijna iedereen in het Westen uitgebuit werd, en dat de maatschappij veel beter ingericht kon worden dan ze was. En hoewel ik het communisme opgegeven had op mijn 20ste was dit n van de dingen die was blijven hangen, terecht ook, maar anders dan bij de grote meerderheid.

[2a] Ik vermoed dat dit - dat je net een bestaan als veeboer met een familie kon hebben, als je 16 tot 25 koeien had, die je zelf melkte - ondertussen overwegend verleden tijd is, en dat de meeste boeren nu samenwerken, zoals toen ook begon te ontstaan in Dovre, in de fellesfjos (gemeenschappelijke stal), die door vier boeren, waaronder Hans Bjornsgaard, samen gedraaid werd in 1975. Maar dit is een gissing.

[3] Noorwegen was vooral duur vanwege de voedselprijzen: Alles was stukken duurder dan in Nederland, omdat bijna alles van elders ingevoerd moest worden, en vooral vleeswaren van alle soorten waren bijzonder duur.

[4] Ik heb hier zeer veel ervaring mee, overigens vooral na mijn terugkeer naar Nederland, en het is n van de meer gruwelijke kanten van "de Nederlandse moraal", die erin bestaat iedereen "gelijkwaardig" te maken, en dat overwegend interpreteert dat wie niet is als "wij" (dat enigszins kan verschillen, maar neerkomt op het zijn van een gemiddelde blanke Nederlander met een gemiddeld inkomen en zeer gemiddelde meningen) niet deugt, en dat tegen wie niet deugt heel veel toegestaan is om hem of haar weer gewoon, gemiddeld en "gelijkwaardig aan iedereen" te maken. (De meeste Nederlanders ontkennen alles wat hier staat, maar zijn veel gemiddelder dan ik. Dit verklaart trouwens ook het succes van Wilders.)


About ME/CFS (that I prefer to call M.E.: The "/CFS" is added to facilitate search machines) which is a disease I have since 1.1.1979:
1. Anthony Komaroff

Ten discoveries about the biology of CFS(pdf)

2. Malcolm Hooper THE MENTAL HEALTH MOVEMENT:  
PERSECUTION OF PATIENTS?
3. Hillary Johnson

The Why  (currently not available)

4. Consensus (many M.D.s) Canadian Consensus Government Report on ME (pdf - version 2003)
5. Consensus (many M.D.s) Canadian Consensus Government Report on ME (pdf - version 2011)
6. Eleanor Stein

Clinical Guidelines for Psychiatrists (pdf)

7. William Clifford The Ethics of Belief
8. Malcolm Hooper Magical Medicine (pdf)
9.
Maarten Maartensz
Resources about ME/CFS
(more resources, by many)



       home - index - summaries - mail