D

Prev-IndexNL-Next

Nederlog


 
July 25, 2013
Autobio: 1966-1967

Sections
Introduction
1. Autobio : 1966-1967
2. For readers of English

About ME/CFS

Introduction:

It still is the case that sleeping remains quite difficult for me. This also makes my life rather difficult, at the moment.

Anyway - and no, sleeping did not much improve, so far. (It's mostly pains of various kinds that keep me awake or wake me up: eyes, arms, legs.)

And presently it is 26.5 degrees Celsius where I am, in my house in Amsterdam, which is too hot, for me. Even so, I wrote again a part of my autobiography, in Dutch, with a small part in English added.


1. Autobio : 1966-1967

Dit zijn mijn laatste twee schooljaren. Het grote verschil met de
voorgaande jaren was vooral de zolderkamer, waar ik vanaf ca. 1965 woonde: Op de vierde verdieping, overwegend op mijzelf, en grotendeels vrij te doen en te laten wat ik wilde.

Die vrijheid had ik overwegend verdiend, en was overigens vooral te danken aan mijn ouders, die moeilijke jaren hadden, want mijn vader had nog steeds last van zijn concentratiekamp-syndroom, en hoewel mijn moeder daar zeer verstandig mee omging, kreeg ze veel te verstouwen dat ze niet verdiende, al sloeg mijn vader haar nooit, zoals hij mij wel gedaan had tot mijn 14e, incidenteel, en al maakte hij ook excuses, zowel aan haar als aan mij.

Van het laatste jaar HBS, dat in 1965-1966 viel, herinner ik me niet veel, dat er o.a. aan ligt dat ik overwegend mijn eigen gang ging, al was ik meestal wel op school.

Maar ik herinner me meneer V. heel goed, dat de enige keer was - een paar maanden lang - dat ik meneer G. niet had voor wiskunde, dat een bijzonder groot genot was, in de eerste plaats omdat meneer G. de enige was de mij consistent onvoldoendes bezorgde, en ik hem een behoorlijk moeilijk te dragen idioot vond, en in de tweede plaats omdat meneer V., die toch ook een stuurman was, die een tijd aan de wal was, in alles het tegendeel van meneer G. was: Meneer V. was een geboren leraar.

Dit was vrijwel direct duidelijk, en was dat uit vele dingen, waarvan ik er een paar noem.

In de eerste plaats, het gemiddelde van de gehele klas ging vrijwel direct met 2 punten of meer omhoog, en ik haalde alleen 8-en, 9-ns of 10-en bij meneer V., die ook bijzonder helder kon uitleggen. In de tweede plaats was hij een bijzonder populaire leraar, waar iedereen met plezier naar toe ging. En in de derde plaats was hij zó goed dat hij tijd over had om de klas bij te spijkeren in andere vakken.
Daarbij oogde hij als Steve McQueen, en was hij bijzonder makkelijk in de omgang.

Het was voor mij behoorlijk verbazend, omdat ik nooit een dergelijke leraar had meegemaakt.

Enkele leraren waren goed, en dat kon in mijn geval ook leraren gelden waaraan de meeste leerlingen een hekel hadden; de meeste leraren waren middelmatig, inclusief de zogenaamd beteren, die zich wel inspanden; en sommigen, zoals meneer G. en meneer van der P., die ik voor wiskunde en voor natuurkunde had, waren heel slecht, en ook veel slechter dan de andere leraren die deze vakken gaven, al kan dit in Van der P.'s geval gelegen hebben in het feit dat hij pas begon.

Maar alle leraren waren overwegend afstandelijk, "volwassen", niet werkelijk toegankelijk, en speelden feitelijk een rol, die bovendien bij de meesten nogal krampachtig was, als je goed keek, wat ik in deze tijd leerde doen. Zo niet meneer V.: hij wás er gewoon, voor iedereen, en was daar zelf waarschijnlijk het minst verbaasd over, want hij was een geboren leraar.

Helaas duurde dit maar een maand of 4, maar het was een grote voldoening.

Overigens was het onderwijs niet erg goed en soms behoorlijk beroerd, en ik kreeg daardoor ook moeilijkheden, want ik was nu ook aan het puberen, en had begrepen, vanaf mijn 15e in ieder geval, dat ik een heel stuk slimmer dan de meesten was, en iedereen in discussie aankon, wat inderdaad zo was, al maakte dit me niet populair.

Ik begon dus ook te discussieren met leraren, dat er vaak op uitdraaide dat ik de klas uitgezet werd, wat weer naar de rector van de school leidde, die de naam Chris O. had, waar feitelijk waarschijnlijk het een en ander mee mis was.

In ieder geval had hij een bijzonder genot in het rector spelen, waar hij zich met grote lust en een sigaar aan overgaf, gewoonlijk door in alle speelkwartieren pontificaal voor de deur van zijn kantoor op de tweede verdieping te staan, met een sigaar, in het pak, de buik vooruit, het hoofd achterover, en daar oordelen als de volgende rond te strooien: "Jij daar! Ja! Je weet wel wat ik bedoel!", gevolgd door een zelfvoldane blik, en een trek aan z'n sigaar, met zijn buik vooruit, maar z'n hoofd rechtop.

Gewoonlijk betekende dit: Je haar is te lang, en je moet naar de kapper. Het was namelijk midden zestiger jaren, en vooral jongens kregen steeds langer haar - behalve dat dit op school aanvankelijk niet werd toegestaan.

Volgens meisjes, als Linda B., die bij mij in de klas zat en daar één van de stukken van de klas was, en altijd bijzonder en in zeer korte mini gekleed ging, was het voor meisjes die uit de klas gestuurd werden, heel makkelijk hem naar hun hand te zetten: Met je benen wijd, en enigszins wiebelen, volgens haar, en je kon doen en laten met hem wat je wilde.

Maar ik had niet het geluk een meisje te zijn, en werd regelmatig de klas uitgestuurd, lang niet altijd redelijk, al kwam ook dat voor, en moest me verdedigen met mijn tong, waartegen de tong van de rector ook niet opgewassen was.

Maar dat leek hem niet te deren, en in ieder geval kon hij me drie kwartier eerder op school laten komen, dat hij diverse keren deed, trouwens altijd in dat versluierende en versluierde taalgebruik, waarin hij dingen aanduidde maar nooit helder verwoordde.

Ik irriteerde hem echter duidelijk, dat volstrekt helder werd toen mijn moeder hem ging vragen, na mijn examen, dat ik héél goed gedaan had, of ik naar de vijfjarige HBS mocht: Zijn oordeel was "Maarten is wel intelligent genoeg, maar ... hij is te lui, en dus hij krijgt van mij geen toestemming".

Dit was de tweede keer, na de lagere school, en deze keer lag het voornamelijk aan mij en aan de rector, en niet aan het communisme van mijn ouders (maar voornamelijk aan de rector, die zich uitermate kleinzielig en achterbaks gedroeg).

Met een man als O. was volstrekt niet redelijk te praten, en er werd uiteindelijk besloten, ook omdat ik zestien was, dat ik verder kon gaan op school, en wel in de 4e klas van een nieuw schooltype, dat HAVO heette, en toen pas vier jaar bestond.

Ondertussen was ik een actief lid van de OPSJ geworden, dat ik voor mijn 15e niet werkelijk was, maar vanaf mijn 15e wel, en dat mij om te beginnen behoorlijk beviel:

Vrijwel iedereen was er 2 of meer jaar ouder dan ik; de meesten waren redelijk intelligent; er werd over veel dingen gediscussieerd; en ze hadden een pand, dat "het pand" genoemd werd, en op de 2e Oosterparkstraat 68 hs was, als ik me goed herinner, dat grotendeels opslagruimte voor de partij - uiteraard: de CPN - was, met een kale kamer en keuken gelijkvloers, die nauwelijks te gebruiken was vanwege de vervallen en gebrekkkige staat, een nieuw getimmerde afgesloten opslagruimte, en een huiskamer op de eerste verdieping, die wel gebruikt werd.

Verder was er een tuin, die niet of nauwelijks onderhouden werd, en een geluidsinstallatie, waar je platen op kon draaien, terwijl overigens alles aan jezelf werd overgelaten, dat een flinke vooruitgang was vergeleken met de school, en dat er op uitdraaide dat er veel gedronken en veel gerookt werd, het laatste overigens alleen shag en tabak, en dat er veel platen werden gedraaid, en veel gekletst.

Ik kwam daar als één van de jongsten, en bleef dat ook een tijd, die enigszins leerzaam was, vooral omdat ik enig onderwijs kreeg in het luisteren naar jazz, waar ik in die tijd heel weinig van kende, en zeker niet Dizzy Gillespie, Johnny Coltrane en Miles Davis, waarvan diverse oudere jongens mij verhaalden als grote genieën, die muziek maakten die je alleen met moeite kon leren begrijpen, maar dan bijzonder fraai was.

Maar ikzelf vond deze muziek behoorlijk vreselijk, en was dus zowel geamuseerd als verbaasd toen een half jaar later, met het intreden van Beatles, Stones en Bob Dylan, de mode plotseling volstrekt veranderd was, voorgoed, want geen van de jazz-genieën kwam ooit nog aan bod.

Ik leerde er meer dingen, sommigen bruikbaar, en leerde ook drinken, al ging dat niet van harte in mijn geval.

Er werd feitelijk behoorlijk veel gedronken in de OPSJ, vooral omdat de gelegenheid er voor was: We hadden - meen ik - in beginsel de dinsdag, de vrijdag en de zaterdag, in ieder geval, om naar "het pand" (of "Het Pand") te gaan, en daar te doen wat we wilden, zonder toezicht of sancties, en het meeste dat gedaan werd was platen draaien, kletsen, en roken en drinken.

Het roken was meestal shag, en het drinken was bier, goedkope wijn, koetsiers- cognac, of jenever, al waren de laatste twee gewoonlijk beperkt tot feesten, die er redelijk vaak waren.

Wie het pand binnenkwam op een avond dat er redelijk wat mensen waren - van 4 tot 14 - zag een redelijke gezellige, zwaar bewalmde, behoorlijk aangeschoten of (licht) dronken bevolking van kletsende mensen, omlijst door muziek, zoals trouwens toen heel gewoon was, al was onze leeftijd wat lager dan gewoonlijk, nl. tussen de 17 en de 22.

Overigens zal er niet zo héél veel verschil geweest zijn, in wat uiteindelijk vooral een praat- en gezelligheidsvereniging was, tussen deze communistische en vele andere verenigingen, al was de communistische variant zowel armer als radikaler, terwijl er ook enige doelmatige werkzaamheid
was: 't maken van "Spektakel", het klubblad, dat ook verkocht werd in boekhandels, in verschillende afleveringen in 1967.

Dit blad was, binnende omringende context van plotseling uitdijende creativiteit, clubs, en bladen, enigszins geslaagd, in ieder geval in het vinden van enige lezers buiten de groep, en in het geregistreerd worden in enkele bestaande bladen.

Feitelijk was het werk hieraan het voornaamste werk dat de OPSJ deed, naast feesten en drinken, en dat laatste werd veel gedaan, met mij als vrijwel enige uitzondering, en dat niet omdat ik per se niet moest, maar omdat ik alle geboden alcoholische dranken, inclusief bier, smerig vond smaken, en daarnaast omdat ik een hekel aan dronken mensen had, al was dit secundair.

Het hoofdprobleem met alcoholische drank voor mij - althans drank die ik kon krijgen en betalen - was dat ze allemaal véél smeriger smaakten dan alternatieven als cola of jus. Dit was voor mij de voornaamste reden er voornamelijk van af te blijven, al maakte dit me speciaal, wat niet mijn bedoeling was.

Ik dronk wel enigszins mee, maar feitelijk zo weinig dat ik nooit van m'n leven dronken geweest ben, en raakte er rond mijn 19e echt van af toen ik aan het eind van een partijtje drie van mijn vrienden totaal lazarus in hun eigen pis op de vloer van een WC vond, dat me de overweging gaf dat rationele mensen dit willen vermijden.

Sindsdien heb ik nauwelijks gedronken, en doe en deed dat omdat ik het eenvoudig niet lekker vind, al is er wijn, port en champagne die wel drinkbaar is, die voor mij echter te duur was en is. Een gemis heb ik het nooit gevonden, ook al omdat dronkenschap mij altijd tegen stond.

Ik leerde hier ook diverse later lichtelijk bekend geworden mensen kennen, die hier ook hun eerste stappen deden, op wat hun politieke pad was: Gijs S., al rond zijn 19e door de partijleiding leider van de OPSJ gemaakt; Paul V., die ik volgens mij nooit niet dronken of aangeschoten heb gezien in de OPSJ, maar waar ik weinig mee te maken had; Marisca B. die ergens eind 1967 of begin 1968 de huiskamer in het pand over bleek genomen te hebben; de broers B., die van anarchistische ouders afstamden; en nog enkelen.

Met de meesten had ik enig maar geen diep kontakt, want de meesten waren anders dan ik was, die met z'n  15e besloten had dat hij erg intelligent was, zeker wilde studeren, al wist hij nog niet wat, zeer veel wilde lezen en las, en - nogal vreemd - in de eerste plaats geinteresseerd was in alles dat met menselijk redeneren te maken had, van welke soort ook, omdat ik besloten had dat het menselijk redeneervermogen het meest kenmerkend is voor mensen, en daarnaast een onafhankelijke belangstelling had in formele methoden, al was dat laatste me op mijn 15e en 16e nog niet duidelijk.

Er was helemaal niemand die ik kende die op dezelfde manier dacht als ik, en er was op school en in de bibliotheek - nog steeds Oranjehof - weinig of niets te vinden: Het enige dat ik me herinner dat ik uiteindelijk wist te vinden was een "inleiding logica" van een E.R. Emmett, die alles wat sinds 1900 gebeurd was volledig oversloeg alsof het niet gebeurd was, en overigens uit domme oefeningen bestond, en een enthousiast verhaal van een Belgische professor Flam over logica, waaruit ik afleidde dat hij er zelf weinig van wist, dat hem niet weerhouden had er een boek over te schrijven, waar ik niets van leerde.

De leraren waar ik me toe wendde konden en wisten helemaal niets, zoals ik trouwens verwacht had, en ik kwam héél weinig verder totdat ik op mijn 17e van de dagschool afging en daarmee veel en snel veranderde.

Maar dat is voor een latere aflevering.

In deze resteert mij Edith B. te behandelen, die op 21 maart 1967, toen zij zelf net twee weken 16 was, en ik nog 17 was, haar intree in mijn leven deed, dat  behoorlijk kenmerkend en opvallend was, althans voor mij.

Dit was een dinsdag, en ik ging die dag naar het pand om iets te doen te hebben, en niet omdat ik veel of enige mensen verwachtte, zodat ik verbaasd was dat er net een meisje gearriveerd was met een helm van lang sluik platinablond haar, waarvan ik het gezicht niet meteen kon zien, maar direct "wist" dat zij voor mij was.

Het "weten" was direct en vanaf het allereerste begin, en geheel zeker nadat ik ook haar gezicht bewonderd had, en was een bijzonder sterk gevoel, dat eigenlijk alleen door mijn toen ontloken hormonen gedreven werd, maar dat was me daar en toen geheel niet duidelijk.

Wat me wel duidelijk was, direct en volstrekt onafwendbaar, is dat ik vanaf het allereerste begin straalverliefd was op Edith - en wat me snel duidelijk werd gemaakt is dat men dat wel enigszins interessant vond, omdat ik het veel meer dan enig ander te pakken had, maar niet bijzonder interessant, terwijl Edith mij vooral en overwegend af hield: Ik was niet de hare, en niet geschikt voor haar, en niet degeen met wie ze verwachtte samen te kunnen leven.

In April, Mei en Juni 1967 had ik het daar eerst erg moeilijk mee, maar nadat ik herhaaldelijk afgewezen was, al ging dat vriendelijk, en nadat ik de meeste andere OPSJers verbaasd had door mijn volhouden en mijn geheel niet bleu zijn, hield ik op de OPSJ te frekwenteren, vooral om Edith te ontlopen, omdat ik ofwel haar wilde, ofwel haar wilde vermijden, en dus tot dat laatste gedwongen was, bij gebrek aan het eerste.

Ze was mijn eerste echte grote liefde, en het lukte geheel niet mij meer dan matig interessant voor haar te maken. Er is later - want dit bleef duren, en is nog steeds niet voorgoed over - nog wel het een en ander gebeurd, waar ik van zal verhalen, als ik zover kom, maar het is en bleef zoals ik zei: Meer dan matig interessant was ik nooit voor haar.

Het was ook niet dat ze onsympathiek was, of anti-mij: Ik was eenvoudig iemand die er geheel niet in slaagde in haar los te maken over mij wat zij onmiddellijk losgemaakt had in mij over haar.

En dat was het - dat geheel niet ongewoon is, maar mij in 1967 zwaar trof, waar ik me van los probeerde te maken door de OPSJ te vermijden en lid te worden van Kreatie 3, dat ook een linkse club van en voor jonge mensen was, maar iets minder CPN-georienteerd, en iets minder intellectueel dan de OPSJ, waarvan de meeste leden feitelijk studeerden rond 1969-70, toen ik er niet of nauwelijks meer mee omging, toen het ook ten onder ging, bij gebrek aan nieuwe leden.

Wat mij hier alleen resteert is te melden dat de HAVO, toen in het vierde jaar van z'n bestaan, een totale mislukking was voor mij: Zowel het onderwijs als de boeken waren zeer veel dommer dan ik op de HBS gehad had, die al ruim onder mijn peil was, en ik leerde er geheel niets, en bleef ook een flink deel van de tijd weg in het laatste jaar, dat weinig problemen opleverde, omdat de meeste leraren waarschijnlijk iets soortgelijks vonden, maar dat niet openlijk zeiden.

Voor mij was het volledig duidelijk dat dit - zoals ik dat toen zei, en vaak - "volstrekt debielenonderwijs" was, en dat ik er geheel niets aan had, om welke reden ik besloot in 1967 van school te gaan, werk te zoeken, en naar een echt avond-gymnasum beta te gaan, om mij voor te bereiden op een staatsexamen, dat mij toegang tot de universiteit zou verschaffen.

2. For readers of English

I mentioned Hazlitt in a previous file, and that I had lost a copy of a part from his "On disagreeable people".

Here it is:
No one regards a turnpike-keeper, or a custom-house officer, with a friendly eye: he who stops you in an excursion of fancy, or ransacks the articles of your belief obstinately and churlishly, to distinguish the spurious from the genuine, is still more your foe. These inquisitors and cross-examiners upon system make ten enemies for every controversy in which they engage. The world dread nothing so much as being convinced of their errors. In doing them this piece of service, you make war equally upon their prejudices, their interests, their pride and indolence. You not only set up for a superiority of understanding over them, which they hate, but you deprive them of their ordinary grounds of action, their topics of discourse, of their confidence in themselves, and those to whom they have been accustomed to look up for instruction and advice. It is making children of them. You unhinge all their established opinions and trains of thought; and after having them in this listless, vacant, unsettled state - dissatisfied with their own notions and shocked at yours - you expect them to court and be delighted with your company, because, forsooth, you have only expressed your sincere and conscientious convictions. Mankind are not deceived by professions, unless they choose. They think that this pill of true doctrine, however it may be gilded over, is full of gall and bitterness to them; and, again, it is a maxim of which the vulgar are firmly persuaded, that plain-speaking (as it is called) is, nine parts in ten, spleen and self-opinion; and the other part, perhaps, honesty. 
In brief, by setting yourself up as somebody who knows things better than most, you get trouble with most or at least with many, indeed also if they are willing to grant that you are more intelligent. Hazlitt - who just had published a book of essays called "The Plain Speaker" - no doubt spoke from his own experience.

I almost entirely concur, but had not read him at all until I was 32 or 33, and I often did get discriminated for setting up myself as more intelligent than others, which also was widely agreed to be true - but even so should not serve to distinguish myself, and that - I came to understand - essentially because this  unsettled the feelings of the majority. [1]

In fact, I discussed a lot until I was 20, and did so in part simply because I was more intelligent, and quite naive, and in part because I had not yet learned my place, and then I  mostly gave up nearly all discussions when I was 20, which was a wise move, simply because the differences are too great - and as to these differences, and while I do not really much believe in them, also not as a psychologist, I only discovered when I was 27 that my IQ was over 150, which then was something of a help to explain various difficulties I had had with others, and also to partially explain the differences there always had been between me and others, from age four onwards.

But I also should say that until I was 27/28, in fact until well after I fell ill, I was not much bothered nor much moved by the differences between myself and others, in part because they always had been there, and in part because I had been living mostly in Amsterdam, where there are many persons, and where at that time it was quite easy and rather acceptable to be somewhat unlike others - which also means that in fact I was very probably less bothered by the differences than was Hazlitt, who lived in more formal and less free circumstances than I did. And there is another reason: I usually picked my friends so as to be around 3 or more years older than I was, which I could easily do because I was always quite tall, which till I was 20 did make a positive difference to me, although I got aware of this only considerably later.
---------------------------------
Note
[1] This is a problem, and not only with intelligence: That the average forces almost everyone to be like the average, or to risk problems with the average. The main reasons are envy and power: Setting yourself up as better, unless it is in something everybody can see, like a truly exceptional exterior, is something few like, and the average does have the power to thwart any individual, simply because they are with many, against one. Then again, it is mostly fair, because few are really that different, and if they are, they will distinguish themselves by themselves, as I also had realized by the time I was 20.


About ME/CFS (that I prefer to call M.E.: The "/CFS" is added to facilitate search machines) which is a disease I have since 1.1.1979:
1. Anthony Komaroff

Ten discoveries about the biology of CFS(pdf)

2. Malcolm Hooper THE MENTAL HEALTH MOVEMENT:  
PERSECUTION OF PATIENTS?
3. Hillary Johnson

The Why  (currently not available)

4. Consensus (many M.D.s) Canadian Consensus Government Report on ME (pdf - version 2003)
5. Consensus (many M.D.s) Canadian Consensus Government Report on ME (pdf - version 2011)
6. Eleanor Stein

Clinical Guidelines for Psychiatrists (pdf)

7. William Clifford The Ethics of Belief
8. Malcolm Hooper Magical Medicine (pdf)
9.
Maarten Maartensz
Resources about ME/CFS
(more resources, by many)



       home - index - summaries - mail