Prev-IndexNL-Next

Nederlog


 
July 23, 2013
Autobio: 1962-1965

Sections
Introduction
1. Autobio : 1962-1965
2. For readers of English

About ME/CFS

Introduction:

It still is the case that sleeping remains quite difficult for me. This also makes my life rather difficult, at the moment.

Anyway - and no, sleeping did not much improve, so far. (It's mostly pains of various kinds that keep me awake or wake me up: eyes, arms, legs.)

And presently it is 26.5 degrees Celsius where I am, in my house in Amsterdam, which is too hot, for me. Even so, I wrote again a part of my autobiography, in Dutch, with a small part in English added.


1. Autobio : 1962-1965

Van 1962-1965 waren voor mij geen gelukkige jaren, al viel het uiteindelijk wel mee. De voornaamste oorzaken waren de school, de 2e 3-jarige HBS in de Zocherstraat; mijn vader's concentratiekamp-syndroom; en mijn leeftijd.

In 1962 zat ik in de laatste klas van de lagere school, die geheel niet goed was, en was mij een plaats naar de vijfjarige HBS of het gymnasium, waarmee je kon studeren, als je deze afliep met succes, door de directrice van de school ontzegd, feitelijk vanwege haar anti-communisme, en het communisme van mijn ouders.

Dit was geheel onterecht, was het alleen omdat mijn jongere broer, die niet mijn theoretische interesses en aanleg heeft, op een andere en véél betere lagere school, herhaaldelijk voorgedragen werd voor het gymnasium, als "typisch gymnasium-materiaal", waar ik het mee eens ben, in zijn en in mijn geval. En mijn broer deed het gymnasium met gemak, zoals ik dat ook gekund had,

Maar volgens de directrice van mijn lagere school lag het volkomen voor de hand wat ik moest worden en naar welke school ik moest, al had ik daar geen enkele aanleg of interesse voor: De Ambachtschool, namelijk om huisschilder te worden, net als mijn vader.

Mijn moeder was het hier geheel niet mee eens, maar kon weinig anders doen dan mij voordragen voor een toelatingsexamen van de 2e 3-jarige HBS in de Zocherstraat, die zij zelf in de dertiger jaren met goed gevolg afgelopen had.

Ik had dat examen gedaan, in de vroege zomer van 1962, en had dat als één van de besten afgelegd, en werd ingedeeld in klas 1E, voor de beste jongste leerlingen.

Het probleem waar ik onmiddellijk op stootte was mijn taalgebruik: Ik had feitelijk vooral Nederlands geleerd van de kinderen waar ik
mee omging, en die spraken bijna allemaal plat Amsterdams, en ik dus ook, al had ik dat tot dat moment niet of nauwelijks door.

Althans: Totdat ik op de HBS mijn mond open deed, en de algemene reactie één van gespeeld onbegrip was. De meeste leraren deden namelijk eenvoudig alsof ze me niet begrepen, of begonnen zelfs in een vreemde taal tegen me.

Ik kan me niet voorstellen dat ik niet begrepen werd (eventueel met wat moeite), maar ik had héél weinig keus, en sprak binnen een half jaar vrijwel accentloos ABN, zoals iedereen in de klas trouwens deed.

Maar het maakte me weinig welkom, ook alweer omdat ik de meeste leraren niet werkelijk serieus kon nemen, al waren er ook een paar aardige. Maar zeker het eerste halve of driekwart jaar was moeilijk voor me, minder vanwege de school zelf, als vanwege de behandeling die ik kreeg, die er toch overwegend in bestond mij duidelijk te maken dat ik niet op mijn plaats was.

Verder was mijn vader sinds 1960/1961 snel achteruit gegaan, en werd vaak onredelijk boos, het meeste op mij, die van allerlei dingen niet goed deed volgens hem, en trouwens ook al niet op de HBS hoorde, wat hij vond vanwege zijn communisme: Alleen échte arbeiders waren geen klasseverraders, was zijn theorie, in essentie. (Dit was één van de dingen waarin mijn moeder en hij verschilden, en waar mijn moeder's wensen prevaleerden.)

Aan de andere kant: Hij was boos, als hij dat was, bij het avondeten, en ging daarna gewoonlijk weer uit om voor de partij te werken, of anders voor het Sachsenhausen-komité, en was met dat laatste, dat snel zijn hoofdwerk zou worden, rond 1960
begonnen.

De derde moeilijkheid die ik noemde was de leeftijd: Ik was 12, niet gelukkig, met een slecht passende bril, en beschouwde me als niet aantrekkelijk, en dat alles had ook weer gevolgen, o.a. dat ik me gedeeltelijk in mijzelf terug trok.

Het viel allemaal wel mee, maar ik had het eerste jaar geen echte vriend op school, was het alleen vanwege mijn platte Amsterdams, al was ik ook niet echt onpopulair: Ik was te anders, was het gemiddelde oordeel over me, dat trouwens overwegend waar was, zij het niet op basis van de theorieën waarmee men tot dat oordeel kwam.

Het resultaat van de moeilijkheden is dat ik uiteindelijk bleef zitten, en wel met een 4 voor handenarbeid en een 4 voor Engels, allebei volkomen onverdiend, en gegeven door leraren die me niet mochten.

Ik vond het niet heel vreselijk, al was de manier waarop tamelijk stuitend, en werd het volgende jaar lid van 1H, waar ik ook mijn eerste echte schoolvriend opdeed, Bart O., ook een zittenblijver, die enigszins een achtergrond had als ik, al was deze, net als van alle andere kinderen, een stuk keuriger: Hij woonde bij mij in de buurt, en z'n vader was onderwijzer, en later hoofdonderwijzer.

Ook dit niveau - toch aanmerkelijk hoger dan het mijne - was lager dan dat van de ouders van de overige kinderen in de klas, maar hij was een aardige jongen, al was hij geen echt licht, en ik ben met hem de resterende tijd op school meer of minder bevriend geweest, al hadden we niet erg veel gemeenschappelijk, want Bart was vooral in modelvliegtuigjes en basketball geinteresseerd, terwijl mijn interesses vooral boeken en lezen waren.

De andere kinderen waren (vrijwel) allemaal zoons en dochters van rijke welgestelden, met huizen in Oud-Zuid of in de grachtengordel. Ze waren gewoonlijk niet onaardig, maar het eerste jaar behoorlijk afstandelijk, en de latere jaren ook niet bijzonder geïnteresseerd in me. Ook was het voor diverse klasseleden een overgangstijd, namelijk tussen de 5-jarige HBS en de 3-jarige HBS: Minstens twee meisjes uit de klas gingen uiteindelijk in de 2e of 3e klas naar de 5-jarige.

Het onderwijs was daarop ook ingericht: We kregen inderdaad gewoon de eerste drie jaren van de HBS, grotendeels ook met leerkrachten die ook op die scholen functioneerden.

Hoe het zij: In 1963 bleef ik zitten, en moest het jaar overdoen, en had voor de laatste keer vakantie met mijn ouders, in een kampeerhuisje op Bakkum, als ik mij goed herinner, dat toen het eerste jaar was dat we daar naar toe gingen.

Het tweede jaar haalde ik heel makkelijk, en ik kan me er niet veel van herinneren, behalve de zomervakantie: In 1964 mocht ik vijf weken met de OPSJ, waar ik voor deze gelegenheid lid van was geworden, vermomd als "Junge Pioniere", met een man of 12 van rond mijn leeftijd, en met een 19-jarige leidster, naar het Wilhelm Pieck Ferienlager, aan de Poolse grens.

Dit was, met recht, een Grote Vakantie, en dit was ook de plaats dat ik mij voor het eerst uitdrukkelijk persoonlijk onderscheidde van alle anderen, trouwens in een mate en met een gevaar dat mij toen volkomen onbekend was.

Het geval wilde namelijk dat ik de vertegenwoordiger van de Nederlands groep was geworden of gemaakt, vanwege mijn goede Duitse spraakvaardigheid, en daarmee onderdeel werd van vergaderingen, en dat het mij niet erg beviel - om het zacht uit te drukken - in de DDR.

Wat me vooral niet beviel waren het militaristisch karakter van het meeste onderwijs dat wij - net als alle andere "Junge Pioniere" - kregen; het feit dat voor alles een model en een tijd was, waarin het volgens het boekje gedaan moest worden, inclusief bed opmaken, haren wassen, en bij het appel zijn; en vooral dat bij dergelijke appels kinderen van tussen de 7 en de 14 vereist werden redevoeringen te houden die de lof bezongen van - vooral - Leonid Brezhnev, de pas benoemde nieuwe  leider van de Sovjet-Unie, en dat we alles wat hij en de zijnen deden geacht
werden zeer te bewonderen en te roemen.

Ik was tegen álles hiervan, en was dat in eerste, tweede en derde instantie heel beleefd: Ik was 14, ik was te gast, bijna alles werd betaald door de regering van de DDR, en in beginsel kon ik, afgezien van de genoemde gebreken en ongemakken, vijf weken lang plezier maken.

Maar het plezier ontging me voor een groot deel, en dat was vooral omdat er zoveel militarisme bij zat, en ik bleef het volkomen ondoenlijk, ongepast en onbehoorlijk vinden dat kinderen, inclusief Hollandse, geacht werden - opgesteld in militaire orde en houding, rondom de vlag, 's ochtends - de leiders van de CPSU te prijzen, in zelfgeschreven redevoeringen.

In beginsel moest ik me echter aanpassen, wat ik ook probeerde te doen - totdat ik, na een week of 2 a 3, mijn houding veranderde, en ik begon te spreken, in die vergaderingen waar ik bij moest zijn, in de termen zoals die mij adekwaat waren voorgekomen: "Es ist eine faschistische Schweinerei hier!" (Dit hing o.a. samen met het militarisme, en met de nog van de Nazis resterende "Kraft durch Freude" propaganda, die mij bijzonder tegenstond, maar exact gecopieerd was, inclusief afbeeldingen.)

NB dat ik 14 was en dat dit 1964 was, en dat ik geheel niet wist hoe bijzonder gevaarlijk het zeggen van dergelijke dingen in de toenmalige DDR waren: ik had daar niet het minste idee van.

Aan de andere kant: Ik had, wellicht afgezien van de terminologie, waartoe ik min of meer geprest was door de voortdurende weigeringen ook maar iets behoorlijk te bediscussieren, minstens een beargumenteerbaar gelijk, namelijk dat de DDR geheel niet was waar het voor uitgegeven werd. Maar dit gelijk kreeg ik niet, van helemaal niemand.

Na 3 weken werd mijn vader gebeld, in zijn vakantie, met de mededeling dat hij - lid van de Duitse KPD sinds 1945, persoonlijk bekende van diverse toenmalige DDR-ministers - zijn zoon op moest komen halen, omdat deze geheel niet paste in de DDR, en daar ook niet in wilde passen.

Maar kort daarop trapte ik in een roestige spijker, kreeg een bloedvergiftiging, en moest opgenomen worden in het kampziekenhuis, dat de spanning enigszins van de ketel haalde, want ik hoefde niet meer naar de vergaderingen van de "Teillagerrat", en ook weerhield dit dat mijn vader mij op moest komen halen.

In feite lag ik ca. een week in dat ziekenhuis, inderdaad met een bloed- vergiftiging, en Skat spelend met een stel Hongaren, die het eigenlijk wel met me eens waren, of althans meer wel dan niet, maar wisten dat je dit onmogelijk kon zeggen, in de DDR of in Hongarije, en ik ben uiteindelijk gewoon geretourneerd met de andere Hollandse kinderen.

Die andere Hollandse kinderen, trouwens, waren het geheel niet met me eens:

Hun standpunt, vertolkt door de leidster Hetty L. en Basje van der H., was dat je er "te gast" was, en je "dus" naar de gebruiken van je gastheren moest richten, ook als je die volstrekt onzinnig vond, wat zij zelf trouwens niet deden.

Mijn standpunt was, vanaf vrijwel het begin, dat de DDR onmogelijk "het socialisme" of "het communisme" kon vertegenwoordigen, en dat ik en alle anderen gewoon belogen werden - waar ik groot gelijk in had, maar dat in 1964, in de kringen waarin ik leefde, een zeer ketterse mening was.

Ik kwam dus zelfstandig terug, en ik had ook geen enkele problemen met mijn ouders toen ik het eenmaal uitgelegd had - dat behoorlijk wat zegt over hun eigen communisme: De Oostduitse communisten moesten van hun oudste zoon afblijven, ook als deze wat moeilijk was, en dat vooral omdat hij daar toch wel enigszins gelijk in had. (Al wil dit geheel niet zeggen dat ze het met me eens waren. Ze vonden echter dat ik 14 was, en dat ik mocht zeggen wat ik dacht, en dat ze me in ieder geval hadden moeten beantwoorden, wat niemand deed.)

Na dit avontuur kwam ik in klas 2AQ terecht, waar ik me ook alweer niet veel van herinner, al kan dit de tijd geweest zijn dat het Vondelpark "verfraaid" werd met kunst van Appel en Picasso, waar ik allebei geheel niets in zag, net zo min als in moderne kunst. (Het beeld van Picasso staat er nog steeds, zij het niet op de originele plaats.)

Ik tekende vrij goed, realistisch - de één na beste van de klas, met de beste de zoon van een kunstschilder die zelf ook weer kunstschilder is geworden, en inderdaad iets, maar niet veel, beter dan ik tekende - en de school was ondertussen een heel makkelijk karwei voor me geworden, waar ik ook geen huiswerk meer voor maakte vanaf de 2e klas: Ik haalde 7s met het leren van woordenlijstjes e.d. in het vrije kwartier, en was één van de besten van de klas in de meeste vakken.

Dit ging heel redelijk, behalve met wiskunde, waar ik vanaf het begin tot het eind één en dezelfde leraar voor had, meneer G., met één korte uitzondering, waar ik het later over zal hebben, die feitelijk heel weinig van echte wiskunde wist, maar het toch onderwees omdat hij aan wal was gebleven als stuurman zijnde, en op basis van zijn Zeevaartschool-diploma op dit niveau de eerste drie klassen van de HBS mocht onderwijzen.

Voor mij was dit behoorlijk vreselijk, want ik had hem 5 keer per week, en hij begon iedere les met mij in de klas, met de vraag aan mij: "Heb je je huiswerk gemaakt?" "Nee meneeer." "Een NUL", die hij dan 5 keer per week met groot plezier in z'n agenda schreef.

Ik haalde wel 7s of 8en voor zijn proefwerken, die ik overigens dom vond - hier is de "wiskunde" mij geleerd door meneer G.: Een parm =def een parallelogram, onderstreept in 4 kleuren krijt - maar had meestal wel een 4 of 5 voor wiskunde, dat gewoonlijk mijn enige onvoldoende was, want ik was een goede tot zeer goede leerling bij de meeste andere leraren, ook zonder huiswerk te doen, waar de andere leraren trouwens ook veel minder op letten.

Ca. 1965 gebeurden er twee dingen die allebei een radikale verbetering impliceerden:

Mijn vader vertimmerde de voorkamer op zolder
voor mij, die tot dan overwegend ongebruikt was, behalve als opslagruimte, zodat ik naar de zolder kon verhuizen, dat een héél grote verbetering was, en ik mocht weer op zomerreis, deze keer met een groep met één volwassen leider naar Oostenrijk, naar een dorp in Steiermark.

Dit was allemaal veel leuker - niet militaristisch, geen gedwongen toespraken, geen groeten van de vlag, geen appéls - dan in de DDR, al was ook dit communistisch, en georganiseerd door de Oostenrijkse CP.

En ik deed er een vakantieliefde op, voor Bibi S., die deze ook voor mij had, maar daar behoorlijk bleu over was tot de laatste dag, toen ze wel een cadeautje en een fotootje voor me had, dat meer was dan ik voor haar had.

Het was voor allebei wat aarzelend, en hoewel Bibi puberde deed ik dat nog niet, en het was iets tussen half serieus en half Spielerei, ik vermoed ook voor allebei, maar we mochten elkaar in ieder geval graag, en - wat voor mij altijd heel belangrijk is geweest - we konden ook redelijk met elkaar praten (in het Duits).

En we vonden allebei ook dat Wenen een bijzonder fraaie stad was (Bibi woonde in Linz) want ook daar ben ik nog 2 of 3 dagen geweest.

Van de vakantieliefde kwam verder niet veel terecht, al hebben we elkaar een half jaar lang geschreven, terwijl de zolderkamer mijn levensvreugde, mijn vrijheden, en mijn mogelijkheden zeer uitbreidde.

En ik was ca. 1965 ook redelijk serieus bij de OPSJ begonnen, feitelijk een communistische mantelvereniging met enkele tientallen leden, die onderscheiden werden omdat ze op HBS of gymnasium zaten, wat weliswaar niet erg communistisch was, maar wel realistisch.

Hierover later meer: De duistere tijden waren overwegend voorbij.

2. For readers of English

As I have said several times in Nederlog: I am a fan of William Hazlitt, who was an English author who lived from 1778-1830, and indeed I am the only Dutchman that I know of with that affliction.

There are a few Englishmen - the late Michael Foot is an example - who have or had the same affliction, but in general Hazlitt is not loved nor read, and that, I think, for two reasons:

Firstly, he wrote extremely well and he was an extremely bright man, but he was an essayist, which is an art and a kind of writing that is not popular and that also never has been really popular, simply because it is, at least as Hazlitt did it, too demanding for the vast majority.

Secondly, not only that: Hazlitt was a true radical and a true seeker of the truth,
as there have been very few, and the sort of conclusions he arrived at were and are generally impopular with the vast majority.

I like him very much, since I first discovered him in 1982-83, and indeed do so precisely for the reasons that keep him from being far better liked than he is: His great intelligence, his radicalism, and his brilliant style.

However, all of this is not meant as an introduction to Hazlitt, who only will get popular when the average intelligence gets a lot higher, but only as a sort of excuse for quoting a few of his aphorisms, namely from his "Common Places", that I did not know till yesterday.

From Hazlitt's "Common Places", September-December 1823:

LXXVI. Mankind are an incorrigible race. Give them but bugbears and idols - it is all that they ask;  the distinctions of right and wrong, of truth and falsehood, of good and evil, are worse than indifferent to them.

From LXXIII:

So it should be on other occasions ; it was only so on this. An individual may be oppressed, a nation may be trampled upon, mankind may be threatened with annihilation of their rights, and the threat enforced,and not a finger is raised, not a heart sinks, not a pulse beats quicker in the public or private quarrel, a momentary burst of vain indignation is heard, dies away, and is forgotten. Truth has no enforced echo, but folly and imposture have a thousand reverberations in the hollowness of the human heart.

L XXXIII. The people (properly speaking) are not a herd of slaves just let loose, or else goaded on, like blind drudges, to execute the behests of their besotted taskmasters ; but the band of free citizens, taught to know their rights, and prepared to exercise them.

LXXXIV. The people are the slaves of ignorance and custom; the friends of the people are the dupes of reason and humanity. Power stops at nothing but its own purposes.

And yes, I know it's not popular: He had the double handicap of being very bright and very honest.
---------------------------------
P.S. Jul 23, 2013: Actually this has been typed twice, in part at least, because the electricity fell out. In the version that got lost there was another quotation, from "On disagreeable people", that I may insert again later.

About ME/CFS (that I prefer to call M.E.: The "/CFS" is added to facilitate search machines) which is a disease I have since 1.1.1979:
1. Anthony Komaroff

Ten discoveries about the biology of CFS(pdf)

2. Malcolm Hooper THE MENTAL HEALTH MOVEMENT:  
PERSECUTION OF PATIENTS?
3. Hillary Johnson

The Why  (currently not available)

4. Consensus (many M.D.s) Canadian Consensus Government Report on ME (pdf - version 2003)
5. Consensus (many M.D.s) Canadian Consensus Government Report on ME (pdf - version 2011)
6. Eleanor Stein

Clinical Guidelines for Psychiatrists (pdf)

7. William Clifford The Ethics of Belief
8. Malcolm Hooper Magical Medicine (pdf)
9.
Maarten Maartensz
Resources about ME/CFS
(more resources, by many)



       home - index - summaries - mail