Prev-IndexNL-Next

Nederlog


 
July 13, 2013
Autobio: De Hugo de Grootschool 1959-1962

Sections
Introduction
1. Autobio - De Hugo de Grootschool 1959-1962
About ME/CFS

Introduction:

It still is the case that sleeping remains quite difficult for me. This also makes my life rather difficult, at the moment.

Anyway. Today there is in the present file only another Dutch part of my autobio (and I also added to the fi
le I've created for that purpose) that this time treats the years of 1959-1962.

There may be another file today, but I make no promises, except that if there will be no other English file today, it will be there tomorrow.

1. Autobio - De Hugo de Grootschool 1959-1962

Dit was duidelijk een minder prettige tijd, en de redenen zijn divers, hoewel het ook geen vreselijke tijd was - maar vooral grauwer, en met veel minder redenen tot vrolijkheid of echte vreugde.

De voornaamste redenen zijn dat ik de school niet erg op prijs stelde, omdat deze duidelijk dommer en armer was dan de Cabotschool, die voor één van de beste scholen van Amsterdam gehouden werd, in de vijftiger jaren; dat mijn vader moeilijker werd, dat duidelijk samen hing met meer dan 3 jaar en 9 maanden verblijf in diverse concentratiekampen, waar hij op een gegeven moment maar 37,5 kilo woog, en dat je hem niet kwalijk kon nemen, maar desalniettemin wel het leven van hemzelf en z'n familie bemoeilijkte, omdat hij makkelijk en langdurig en onredelijk boos was; en dat ik de buurt minder interessant vond, dat enigszins moeilijk uit te leggen is, maar vooral slaat op een combinatie van nog steeds ongeveer dezelfde armoede bij het grootste deel van de mensen, maar in deze buurt gecombineerd met een oneerlijke pretentie middenstanders te zijn, en je daarnaar te moeten gedragen, terwijl de Borgerstraat typisch proletarisch was: Je werd uitgebuit, maar je wist dat, en je had niet de ambitie een uitbuiter te willen worden - of althans zoiets, en ik omschrijf het hier grof en ga voorbij aan de verschillen die er tussen mensen waren.

De vierde klas van de Hugo de Grootschool, waar ik vrij snel na het begin van de vierde klas terecht kwam, werd geleid door meester Wagenaar, die ondanks zijn echt-Nederlandse naam een Javaan was.

Dit was een aardige en verstandige man, en mijn zijn klas binnentreden was o.a. daarom onproblematisch, en ook omdat ik dat samen met een Engelse jongen deed, Raymond, die het een heel stuk moeilijker had, want hij sprak in het begin alleen Engels.

Ik had ook snel een vriendje, Bennie van G., die de bijzonderheden had behoorlijk klein te zijn, als zijn hele familie, en enigszins slim was, en althans slimmer dan de grote meerderheid van de andere kinderen.

Overigens was ik ook daar weer snel één van de besten van de klas, al deed ik daar geheel geen moeite meer voor (wat ik op de Cabotschool leerde), dat zich trouwens vooral uitdrukte in dat ik van geheel achterin geheel voorin gezet werd als er een schoolinspecteur kwam, om vragen te beantwoorden als waarom de vlag die op de maan geplaatst was niet omwoei, waar mijn klassegenootjes geen idee van hadden.

Maar de klas was gedeeltelijk donker, ook overdag, vooral vanwege de bouw met hoge smalle ramen in een tamelijk smalle straat met hoge bomen, en één van de gevolgen daarvan was dat met een jaar of twee de meerderheid van de kinderen, die allemaal begonnen waren met goede ogen, een bril moesten, en ik als één van de eersten.

Dit was in de vijfde klas, waar we meester Pim Gras hadden, die ook wel aardig was, en die klarinet spelen als hobby had, dat hij soms deed, en waarmee hij zelfs, heel af en toe, op de radio was.

Het viel hem op dat ik, die achterin de klas zat, alleen kon lezen wat hij op het bord schreef, door door een klein gaatje te kijken dat ik maakte met mijn handen voor mijn ogen, en hij stuurde me naar een oogarts.

De oogarts was dokter Swelheim, die op de Hoofdweg een inloop-spreekuur had dat altijd overvol was, en waar ik in eerste instantie met mijn moeder naar toe ging, en waar bleek dat ik inderdaad een bril nodig had, op mijn tiende, die er vanaf dat moment gebleven is, en alleen maar sterker is geworden.

Dokter Swelheim vond ik wel aardig, en hij nam altijd tijd voor me, omdat ik aardig was in het terugpraten. De opticiën - ze noemen zich tegenwoordig anders - waar de bril vandaan moest komen leed echter aan zelfoverschatting, en liep voortdurend in een witte jas, alsof hij een dokter was, dat hij kennelijk graag wilde, en de eerste brillen die ik droeg waren nogal problematisch: ze pasten niet goed, en je verloor ze makkelijk van je neus, en de opticiën deed daar weinig aan.

Pas na enige tijd vond ik uit dat je door buigen, met enig geluk, het montuur kon vervormen zodat het beter zat, en ook dat het voor een deel aan de poten lag. Maar het vinden van een goede en prettig zittende bril was aanvankelijk niet makkelijk.

Hoe het zij, deze tweede lagere school was weinig interessant, donker, armoedig, en grauwig - dat gold trouwens ook voor nogal wat kinderen, die voor een flink deel zowel armer als dommer als de doorsnee van de Cabotschool waren - en ik had er niet veel plezier in, vooral weer omdat al het onderwijs klassikaal was, en ik alles al wist dat de doorsnee verteld werd.

Gelukkig kreeg ik vanaf de vijfde klas toestemming om "voor mijzelf te werken", dat in feite overwegend bestond uit het zelfstandig lezen van de bibliotheek boeken van De Oranje Hof, waar ik nog steeds wekelijks heen ging, nu op de fiets, en waar ik ook toestemming had gekregen te lenen uit de afdeling "volwassenen", dit bij wijze van grote uitzondering, en op voorwaarde dat ik alleen nette en veilige boeken leende, maar ik wist niet eens dat er andere waren, en het was ook mijn interesse niet. Maar dit maakte de schooltijd voor mij wat makkelijker.

Mijn vader werd vanaf 1960 - toen hij 48 werd - redelijk snel een stuk problematischer dan hij voorheen was, en was de eerste 10 jaar een bijzonder geschikte vader, met wie je soms veel plezier kon hebben, en die er overigens heel vaak niet was, omdat hij overdag werkte, en er 's avonds vaak weer op uitging "voor de partij" of "De Partij", al naar believen.

Het problematische zat er vooral in dat hij veel sneller boos werd, en dat dit vaak langdurig was, en dat gedeeltelijk op mijn moeder en redelijk vaak op mij was, over het algemeen niet proportioneel, hoewel hij wel het een en ander te klagen had, althans in mijn gedrag, ook al omdat ik geleerd had niet bang te zijn en terug te argumenteren, dat ik ook heel goed kon.

De moeilijkheid was ook dat hij gedeeltelijk doorhad, althans na een paar jaar, dat wat hem dwars zat eigenlijk niet ikzelf of mijn moeder was, maar terug ging op zijn meer dan 3 jaar en 9 maanden lange verblijf in Duitse concentratiekampen, waarover de leze hier kan lezen (in Engelse vertaling, met een link naar het origineel, dat ik pas in 1996 leerde kennen).

Dat mijn vader dit redelijk snel doorhield was doordat hij iedere nacht droomde in het kamp te zitten, en doordat hij lid was geworden van het Nederlands Sachsenhausen Komité, waarin hij mensen leerden kennen, of weer opnieuw leerde kennen, die net als hij in Sachsenhausen hadden gezeten, inzonder Herman M. en Joop T.

Ook zij hadden soortgelijke - of in 't geval van Joop T.: aanzienlijk serieuzer - problemen, die het best aangeduid kunnen worden als "posttraumatische stress stoornis", en waar rond 1960 enige belangstelling voor begon te ontstaan, ook in Nederland.

Mijn vader had ook het idee gehad, dat toen minstens enigermate origineel was, en geheel nieuw voor Nederland, om een rijdende tentoonstelling te maken over wat concentratiekampen waren, hoe gevaarlijk die waren (gemiddeld waren politieke gevangenen na 3 maanden dood, en leverden daarin 1664 Reichsmark op, zo bleek uit een uitgestald SS-stuk), en wat de samenhang met het Nederlandse verzet was, en met het heden.

Want één van de dingen waar mijn vader zeer ongerust over was, was dat het wéér zou kunnen gebeuren, iets waar hij althans enige reden voor had, omdat de Duitse regering vele voormalige oorlogsmisdadigers beschermde, en/of ze vaak na belachelijk korte straffen weer vrij liet, en sommigen in hoge militaire en andere posities handhaafden of weer snel benoemden.

Hoe het zij, vanaf ca. 1965 was er een rijdende tentoonstelling, die voor een flink deel gemaakt was door mijn vader, die toen al vaak thuis was, en vanaf 1966 ook "een verzetspensioen" kreeg, dat overigens, als één van de weinigen, niet veel groter dan een bijstandsinkomen was, en dat weer vooral omdat hij een communist was en bleef, anders dan vele Christenen en PvdA'ers voor wie gewoonlijk een heel stuk beter gezorgd werd, en die ook werk hadden gehad direkt voor en na de oorlog, anders dan mijn vader ervoor, dat de basis van zijn pensioen gemaakt werd, dat daarom zo gering was.

Maar ik loop hier vooruit en buiten het tijdsbestek dat ik hier wilde beschrijven, dat van 1959-1962 loopt, waarin ik op de Hugo de Grootschool geheel niet aan mijn trekken kom, en waarin mijn vader het moeilijk heeft, en snel boos werd als je iets deed of zei wat hem niet beviel, maar nog wel werkte overdag.

Ik was ondertussen op school weer verliefd geworden, op Marijke de L., dat was verraden door een Christelijk jongetje dat naast mij zat en gevraagd had of ik ooit verliefd geweest was, waarop ik gezegd had dat ik Marijke de L. heel mooi vond, waarna hij onmiddellijk opstond en het doorbriefde aan Marijke en haar vriendinnetje Ansje, vrijwel zeker in geheel andere termen dan waarnaar hij het  gevraagd en ik het beantwoord was, want Ansje voegde mij vanaf dat moment en de twee jaar die volgde voortdurend "Viezerik!" toe, dat ik geheel niet begreep.

Dat was dus ook weinig vreugdevol.

Afgezien van de bibliotheek Oranjehof draaiden mijn buitenschoolse activiteiten allemaal op misukkingen uit: Ik mocht op voetballen, maar bakte daar niets van, vrijwel zeker omdat ik toen geen bril had maar er wel één nodig had, en overigens omdat het me niet erg interesseerde; ik mocht bij "de matrozen", met een belofte van schepen en varen, maar hield daar snel mee op omdat het feitelijk een christelijke padvinderij was en ik volkomen ongelovig was; en ik mocht op mijn achtste trouwens ook alleen naar een jeugdkamp georganiseerd door De Uilenspiegel, dat weer tot De Waarheid behoorde, maar vond het allemaal vreselijk bekrompen en militairistisch, dat  mij tegenstond.

Rond mijn 11e werd ik verliefd op de dochter van één van mijn vader's beste vrienden, Gerrit B., die net als Herman M. als "politieke terrorist" Dachau (Herman M. Sachenhausen) overleefd had, omdat ze allebei geweigerd hadden toe te geven dat ze Joods waren, in de racistische zin van Goebbels, en wel omdat ze dat geloof helemaal niet hadden, en links of communist waren.

De dochter was een inderdaad bijzonder mooi meisje, dat een jaar of twee of drie ouder was dan ik, en dus alleen al daarom niets in mij zag, wat ik op mijn beurt ook niet vreemd vond. Er kwam in ieder geval heel weinig uit.

Op mijn 12e kreeg ik weer een andere leraar, deze keer zowel lerares als hoofd van de school, juffrouw B., die paars haar van de kapper had; in de oorlog fanatiek NSBster was geweest; na de oorlog zwaar anti-communistisch was, en daar vaak van sprak voor de klas; en die het verreweg het beste vond dat kindertjes als ik, die weliswaar erg slim waren, het niet ver brachten: Ze weigerde mij een bewijs te schrijven dat ik volgens haar goed genoeg voor het gymnasium of VWO was, dat je toen nodig had - en iets was dat mijn zes jaar jongere broer, die nooit mijn theoretische interesses had, uitdrukkelijk nagedragen werd met veel vlijt door zijn lerares en door het hoofd van de school: "hij is typisch een gymnasium-kind".

Ik was dat ongetwijfeld ook, maar mijn ouders waren communisten, en mijn lerares en hoofd der school, juffrouw B., vond en zei dat ik maar moest worden wat mijn vader ook was, huisschilder, overigens een beroep en een bezigheid waar ik nooit enige aanleg of interesse in had, zoals ze waarschijnlijk goed wist, maar ze mocht mij en mijn ouders écht niet.

Mijn moeder vond nog steeds dat ik mijn ongetwijfeld goede hersens ook moest gebruiken, en schreef me in voor een toelatingsexamen van de 3-jarige H.B.S., die ze zelf met heel goed gevolg afgelopen had, en deed me in het laatste jaar ook op Franse bijles, die ikzelf vervelend want weer bijzonder schools vond, maar waar ik wel iets leerde, hoewel dat niet veel was, en ik er niets aan had.

In het voorjaar van 1962 deed ik dus toelatingsexamen, en slaagde als één van de besten, en ging dus in het najaar naar de 2e 3-jarige H.B.S. in de Zocherstraat, waarover ik het later zal hebben.

De tweede helft van de lagere school was, wat mij betreft, voornamelijk op een mislukking uitgelopen, vooral vanwege het schoolse karakter ervan, en omdat de tweede helft ver onder mijn niveau was, en arm, bekrompen, en ook nogal duister was geweest, vanwege de vreemde beglazing, die zoveel kinderen aan een bril gebracht had.

Ik had er volgens mij vooral tijd verdaan, en mijn hele bestaan was een stuk minder interessant en vrolijk makend dan ervoor, al had ik dat maar gedeeltelijk door.

Ik zat ook niet prettig in mijn vel, zoals de eerste negen jaren wel, afgezien van de neusproblemen, die rond 1960 verdwenen, ruim voor mijn puberteit, en zou dat de komende 8 jaren die op school zou zitten ook niet echt doen: ik was te groot, met grote voeten, ik was onhandig, en was tot mijn 14e/15e ook niet biijzonder geinteresseerd of interessant, behalve dat ik heel goed kon discussieren, en heel goed schreef, maar daar was niemand in geïnteresseerd, en dat ik verder wel aardig tekende, maar net niet goed genoeg om er een professie van te maken.

Later wat meer over de eerste 4 jaren HBS, die overwegend somber en arm  waren, vooral door redenen die hier al aangestipt zijn: weinig inspirerend onderwijs; een moeilijke vader; en weinig interessant wonen, althans tot mijn 14e/15e, toen dat voor mij radikaal veranderde en verbeterde.

Hier merk ik alleen nog iets op over mijn leren van maatschappelijke omstandigheden en over de verschillen tussen mij en anderen.

Ik was begonnen De Waarheid te lezen, die de enige krant was die mijn ouders lazen, rond mijn zevende, al begon dat vooral met de strip, Cisco Kid.

Maar dat breidde zich redelijk snel uit, en tegen mijn tiende had ik behoorlijk goed door dat mijn ouders anders waren dan de meeste ouders, en feitelijke revolutionaire communisten, die daar ook - in de vijftiger jaren! - naar leefden, en dat altijd ook gedaan hadden.

Ik vermoed ook dat mij dit een nogal andere opvoeding opleverde dan andere kinderen kregen, die zich vooral uitdrukte in twee dingen:

Wat mij meegedeeld werd over de maatschappij was heel anders dan vrijwel iedereen te horen kreeg, en ik kreeg feitelijk ook een veel minder autoritaire opvoeding.

Wat mij meegedeeld werd over de maatschappij was, geheel vanaf het begin, en eigenlijk altijd, met vele variaties, dat we in een onrechtvaardige maatschappij leefden, waarin een kleine minderheid van rijke mensen het voor het zeggen hadden, en de grote meerderheid alleen hun arbeid hadden om te verkopen, voor een salaris dat altijd gering was, en waarin overigens bijzonder veel gelogen werd, over van alles, en stand op gehouden werd.

Ik denk nog steeds dat mijn ouders hierin veel meer gelijk dan ongelijk hadden, al waren hun verwachtingen niet realistisch, en hun diepere analyses ook niet. En ik moet hier trouwens bij opmerken dat dit alles niet in een klagelijke stijl ging: Het was zoals het was, en je moest er het beste van proberen te maken, en vanaf de tweede helft van de jaren zestig was er ook wel voldoende hoewel nooit veel geld.

De opvoeding die ik kreeg is voor mij heel erg moeilijk te beoordelen, omdat ik, zoals de meeste mensen, maar één soort opvoeding kreeg, door één stel ouders, en geheel geen andere, dat vergelijken erg moeilijk maakt.

Maar ik veronderstel dat het nogal verschillend was van wat de meeste mensen van mijn leeftijd kregen:

Mijn ouders waren allebei hoogbegaafd (IQs boven de 130) maar arm; ze waren allebei zeer rechtvaardig en eerlijk; ze waren ook, hoewel allebei communisten, een stuk minder dogmatisch dan de meesten; en je kon in beginsel alles met ze doorpraten, hoewel het ook zo was dat zij, uiteindelijk, beslisten wat er gebeurde, in hun familie.

En er werd thuis veel gepraat en gediscussieerd, over van alles, maar verreweg het meest over dingen die met politiek samen hingen. Ik heb hier uiteindelijk veel van geleerd, en vooral discussieren.

Tenslotte had ik altijd een grote mate van vrijheid, zeker vanaf mijn 14e/15e toen ik op zolder kwam te wonen:

Vanaf mijn 15e kon ik overwegend doen wat ik zelf wilde, als ik de wet niet brak en de eventuele rotzooi opruimde, maar hoewel ik een nogal andere man ben dan mijn vader was (minder artistiek, veel meer theoretisch, bijvoorbeeld) was hij er al snel van overtuigd dat ik, althans in het algemeen, "verstandig genoeg" was, en dat hij me de vrije hand kon laten, waarin ik hem ook nooit beschaamd heb, al was hij het geheel met me oneens dat ik de CPN opgaf op mijn 20ste, en er mij geheel vanaf keerde.

Maar deze verschillen over De CPN werden uiteindelijk overwegend verzwegen, en ik kon mijn ouders het grote plezier doen dat ze in 1975 - toen mijn vader even oud was als ik nu ben: 63 - vijf weken vakantie in Noorwegen konden hebben, wonend in het huis waarin Agnethe en ik woonden, maar niet in de zomer, omdat we daarin op de saeter (zomerboerderij) woonden.

Hoe het zij, ook omdat de feitelijke verschillen werkelijk heel moeilijk te beantwoorden zijn, zowel voor mij als voor andere mensen:

Eén van de drie hoofdredenen dat ik nogal verschil van anderen is dat ik een radikaal andere, over het algemeen prettige en vrije opvoeding heb gehad, ook vol van andere informatie dan de anderen kregen, die ook in ieder geval iets waarachtiger was, terwijl de tweede hoofdreden is dat ik daarnaast met een bijzonder goed verstand geboren ben, en dat altijd, althans vanaf mijn 17e, zo goed mogelijk ontwikkeld als gebruikt heb. De derde hoofdreden is dat ik nu van mijn 28ste af feitelijk voor het 35ste jaar ziek ben, zonder ooit enige hulp daarbij ontvangen te hebben, afgezien van geminimaliseerde bijstand, iets dat mijn perspectieven op en interesses in de samenleving en de mensen behoorlijk beïnvloed heeft.

Maar meer hierover later.

---------------------------------

About ME/CFS (that I prefer to call M.E.: The "/CFS" is added to facilitate search machines) which is a disease I have since 1.1.1979:
1. Anthony Komaroff

Ten discoveries about the biology of CFS(pdf)

2. Malcolm Hooper THE MENTAL HEALTH MOVEMENT:  
PERSECUTION OF PATIENTS?
3. Hillary Johnson

The Why  (currently not available)

4. Consensus (many M.D.s) Canadian Consensus Government Report on ME (pdf - version 2003)
5. Consensus (many M.D.s) Canadian Consensus Government Report on ME (pdf - version 2011)
6. Eleanor Stein

Clinical Guidelines for Psychiatrists (pdf)

7. William Clifford The Ethics of Belief
8. Malcolm Hooper Magical Medicine (pdf)
9.
Maarten Maartensz
Resources about ME/CFS
(more resources, by many)



       home - index - summaries - mail