Prev-IndexNL-Next

Nederlog


 
July 12, 2013
Autobio: De Cabotschool 1956-1959 

Sections
Introduction
1. Autobio - De Cabotschool 1956-1959
2. Wat er verder nog resteert

About ME/CFS

Introduction:

It still is the case that sleeping remains quite difficult for me. This also makes my life rather difficult, at the moment.

Anyway. Today there is in the present file only another Dutch part of my autobio (and I also added to the file I've created for that purpose) that this time treats the years of 1956-1959, and especially the school.

There is some more in the second section, but I recall much more than I write down, also as mental films, though mostly without sounds, but in full color and 3D. These I have for every year since 1957, but hardly for 1956, though I have some for 1954 and 1955.

As before, I am sorry if you are not interested. There may be another file later today, in English, about other subjects, like yesterday.

1. Autobio - De Cabotschool 1956-1959

Ik herinner me heel weinig van 1956, en minder van alle andere jaren, althans vanaf 1954, dat enigszins vreemd is, omdat ik in dat jaar naar de grote school ging, zoals het lager onderwijs genoemd werd, om het te onderscheiden van de kleuterschool, en omdat mijn jongste broer erin geboren werd.

Maar ik herinner me wel iets:

De eerste dag van de Cabotschool, die begon met het opgesteld worden in een lange rij, waarin we - schijnbaar - een hele tijd geduld moesten hebben, dat ik allemaal onzin vond, en het feit dat de Cabotschool een flink stuk uit de buurt was, in een wat moderner en duurder deel van de stad, en dat ik dáár naar toe gestuurd werd, en niet dichter bij, omdat de school een heel goede reputatie had, en mijn moeder begrepen had dat ik behoorlijk tot zeer intelligent was.

Overigens herinner ik me vrijwel niets van 1956 - niet de naam van de klasselerares; niet dat deze mank was; geen kinderen uit de klas: Van alles niets, dat behoorlijk anders is en was wat betreft de kleuterschool en de latere klassen van de lagere school.

Wel herinner me dat ik in April ca. een week in Rotterdam was, bij Oom Hans en Tante Merike (geen echte oom en tante, maar vrienden van mijn vader). vanwege de geboorte van mijn jongste broer.

Ik vond Oom Hans en Tante Merike wel aardig, maar Rotterdam vond ik lelijk, vervelend en voor een flink deel nog niet opgebouwd, en bovendien spraken de mensen er anders: "kroten" voor bieten, "kakies" voor koekjes, en meer vreemde woorden, die ze ook anders uitspraken, vooral met een andere intonatie.

Het duurde niet lang, en toen ik terug kwam was er een broertje bij, Freek geheten, die in de slaapkamer in een ledikantje met een geel zijden overhang lag, en waar ik niets op tegen had, zomin als tegen mijn middelste broer, behalve dat ik met allebei op mijn zesde niet of nauwelijks kon praten, en dat de verschillen tamelijk groot waren: ze waren drie en zes jaar jonger.

Overigens herinner ik me niets van 1956, dat werkelijk vreemd is, en waar ik geen verklaring voor heb, omdat ik wel beelden heb van 1955 en 1957.

Van 1957 herinner ik me daarentegen behoorlijk veel.

Dit was de tweede klas, met meester Bouwer, en behoorlijk veel kinderen die ik me nog steeds kan herinneren, waaronder mijn vriendje Robbie L., met wie ik toen al discussies had over wie het beste waren: de Russen, zoals ik dacht, of de Amerikanen, zoals hij meende, allebei vanwege wat onze ouders dachten, en die overigens heel erg in autoos geïnteresseerd was, dat ik toen al niet was, en een speeltrein had, een echte Märcklin, dat me ook minder interesseerde.

Ik moest bijna iedere dag 4 keer heen en weer lopen - Borgerstraat, Lootstraat, Kinkerstraat, langs de Witte de Withstraat, Admiralengracht half af - maar kon het laatste deel, van de Admiralengracht, vaak met Robbie L. of soms met een vriendinnetje, Freke H., lopen. Freke deed dat speciaal voor mij, want ze woonde
vlak bij de school, wellicht omdat ze verliefd op me was, wat ik niet weet, en dat ik niet op haar was, al vond ik haar wel bijzonder aardig.

Dit was ook het laatste jaar van mijn echte kindertijd: Ik had gewisseld en kon nog bijzonder stralen, zoals ook op de schoolfoto uit 1957 te zien was, maar dit was het laatste jaar.

En ik was niet geschikt voor discipline en schools leren, al was ik wel de beste van de klas. Ik had regelmatig konflikten met meester Bouwer, die me bij één ervan sloeg en me in een hoek zette, en het slaan daarbij vond ik bijzonder onrechtvaardig, al vermoed ik dat hij gelijk had dat ik straf nodig had; en schools leren vond ik bijzonder vervelend en traag, omdat de leraar ("meester") alles aan het klassegemiddelde moest aanpassen, en het helaas geen Montessori-onderwijs was, waar ik veel meer gefloreerd zou hebben.

Maar ik had één groot geluk, want ik werd in dat jaar lid van de Bibliotheek Oranjehof, waarvoor ik de hele Kostverlorenkade af moest lopen, dat ik meestal op Woensdagmiddag met André en Frits van M. deed, de buurjongens, die een paar jaar ouder waren en naar een andere school gingen, maar met wie ik nog steeds behoorlijk bevriend was.

Hier kon ik eindelijk mijn gigantische leesbehoefte bevredigen, die werkelijk heel groot was, want ik kon al snel 5 boeken per keer lenen, net als André en Frits, en las ze regelmatig alle 15, nogal tot irritatie van mijn moeder, die vond dat ik veel beter buiten kon spelen, "als iedereen".

Maar lezen was meestal veel interessanter dan spelen, en vooral biologie, en daar weer vooral de boeken van Jacques-Yves Cousteau, over duiken, en Duitse encyclopedische werken over dieren, met veel fotoos, vooral uit Afrika, interesseerden me zeer - al had ik in die tijd geheel niet door dat, afgezien van Cousteau, het meeste dat de bibliotheek Oranjehof had, ook niet werkelijk eersteklas was. (Er was bijvoorbeeld vrijwel geen natuurkunde, wiskunde of scheikunde, en wat er was was eenvoudig en meestal ouder, en bovendien voor mij de eerste jaren eenvoudig niet te leen "want daar ben je te jong voor".)

Van mijn zevende tot mijn twaalfde was dit overwegend een groot genot voor me, en ik las ongeveer alles dat ze aanboden, en sommige boeken - Enid Blyton, bijvoorbeeld - wel twee of drie keer, al was het toen al zo dat ik gewoonlijk liever studieboeken dan leesboeken had, maar dat je ze alleen in een bepaalde proportie kon lenen, dat ik weer als onzin beschouwde, maar me de eerste jaren liet aanleunen, en waar ik ook weinig keus in had.

Ook las ik andere dingen, waaronder de Donald Duck waar André en Frits een abonnement op hadden, waar mijn ouders op tegen waren, waarschijnlijk mede uit geldgebrek, en niet alleen uit principe, en waar ik me vooral enkele afleveringen herinner die door een bijzondere tekenaar gemaakt waren, en ook een geschreven verhaal met tekeningen van Marten Toonder, al kan dit ook uit 1958 zijn geweest.

Verder leerde ik op mijn zevende, tot mijn bevreemding, dat sommige kinderen sadistjes waren, al kende ik het woord er niet voor: Er was een groep, van ongeveer 1 op de 10, die er genot in schiep spinnen te vangen en daar de poten van uit te trekken - en er waren veel spinnen rond de Cabotschool, want veel struiken.

Ik hield niet van spinnen, maar ik vond het erg vreemd om ze de poten uit te trekken, eenvoudig omdat je zoveel groter was dan zij, en ze zich niet konden verweren, en ze je niets deden, al waren ze wel tamelijk griezelig, maar voor sommige kinderen, zowel jongens als meisjes, was dit een interessant tijdsverdrijf waar ze zich met flinke vlijt op toelegden in de speelkwartieren. Voor mij was dit vooral vreemd, en de meerderheid van de andere kinderen was er trouwens ook niet in geinteresseerd.

In 1958 ging ik naar de derde klas, en kreeg een andere klasselerares, juffrouw V.  met wie ik het al snel niet kon vinden omdat ik vond dat ze andere kinderen, die minder slim waren dan ik, op oneerlijke manier voortrok, waar ik waarschijnlijk gelijk in had, want in feite was juffrouw V. begin twintig, al zag ik dat niet of nauwelijks, en was ze meer geinteresseerd in keurige maar behoorlijk middelmatige middenstandskinderen dan in een arm maar slim kind als ik.

Dit draaide echter snel uit op problemen: Omdat ik me onrechtvaardig behandeld voelde liep ik de klas en de school uit - waar ik, bleek toen, helemaal het recht niet toe had: er was immers leerplicht.

Maar juffrouw V. had geen enkele autoriteit voor me, en ik voelde me door haar werkelijk onrechtvaardig behandeld, en wilde dat eenvoudig niet tolereren, en werd daarom herhaaldelijk van straat gehaald door de bovenmeester van de school, meneer Dermouoit, vanwege wiens reputatie mijn moeder me naar de Cabotschool gestuurd had.

Aangezien dit herhaaldelijk gebeurde, en ik me niet verzette tegen meester Dermouoit, en hem - volgens mij - herhaaldelijk heel helder uiteenzette wat er volgens mij schortte aan mijn behandeling door juffrouw V., en ik ook nooit gestraft werd, vermoed ik dat ik het gelijk aan mijn zijde had, en inderdaad werd juffrouw V. na een paar maanden rechtvaardiger, al was het nooit met liefde of toewijding.

Ik kreeg toen een ander probleem, rond mijn achtste, dat tamelijk serieus was: ik kreeg een snotneus die geheel niet overging, en mij behoorlijk snel tot voorwerp van discriminatie maakte, al was dit vooral door jongens en meisjes die me niet goed kenden, en niet door mijn bijzondere vriendjes.

De moeilijkheid was vooral dat het niet overging en ik het vaak niet voelde, zodat mijn moeder mij na enige maanden naar de dokter meenam, die "een chronische neusholte-ontsteking" diagnosticeerde, dat vrijwel zeker een foute diagnose was, die in feite waarschijnlijk een of andere vorm van allergie betrof, al is dit nooit opgehelderd.

Omdat het geen prettig gezicht was, belandde ik vrij snel op de stoel van een neus-, keel- en oor-arts, dr. Fie Velleman, in een duur pand in de Beethoven- straat, afgeladen met kinderen, die allemaal - zo verscheen het aan mij, op mijn achtste - dezelfde behandeling kregen: Eerst een verdovende prik, en kort daarna een spoeling met lauw water, dat door je neus gepompt werd in je keel, waar je het weer, vermengd met bloed en snot, uit kon spuwen in een bak, die je zelf vast moest houden.

Het was bijzonder onprettig, en hoewel het doel goed was hielp het geheel niets. Toen ik daar dus - "doorspoelingen" heette dit - een keer of 10 a 15 keer op onthaald was, en mijn neusamandelen twee keer gepeld waren, allemaal zonder het minste resultaat, kwam ik in het voorjaar van 1958 in het ziekenhuis terecht.

Dit was de kinderafdeling van het Weesperplein-ziekenhuis. Hoewel ik feitelijk alleen "een chronische neusholte-ontsteking" had, en overigens gezond en pas 8 was, werd ik daar twee weken in bed gehouden, waarin ik op de tiende  dag  geopereerd werd, op basis van de theorie dat mijn neusgaten uitgeboord moesten worden, om de snot ruimer doorgang te bieden, wat dus ook gebeurde.

Dit was op autoriteit van professor Jongkees - al herinner ik me niet hem ooit gezien te hebben, al kan ik me daarin vergissen. Hoe het zij, ik werd met ether verdoofd, dat een smerig goedje is, en mijn neusgaten werden uitgeboord, waarna ik weer bijkwam met een enige tijd bijzonder pijnlijke neus, die nog steeds even snotterig was zodra ik weer thuis was.

Volgens professor Jongkees gold vervolgens "dat het wel zou overgaan met de puberteit". In feite ging het daarvóór over, rond de verhuizing, en ook had hij mijn neus verminkt: Mijn vader en mijn broer hebben allebei heel grote neuzen, terwijl ik een kleine heb. Er is verder ook weinig of niets mis mee sinds mijn ca. negende, maar de verschillen zijn opvallend, ook omdat mijn broer en ik overigens nogal op elkaar lijken.

Het was allemaal behoorlijk pijnlijk geweest, en totaal zinloos, en het had mij het een en ander geleerd over hoe goede bedoelingen kwalijke resultaten kunnen hebben, want het gebeurde allemaal "om mij te helpen", dat ongetwijfeld voor een flink deel waar was.

Maar ik had geen keus en de feitelijke diagnose was volgens mij doodgewoon grote onzin: Het hielp eenvoudig niet; ik kreeg ook helemaal geen andere middelen; en de hele mogelijkheid van een allergie schijnt bij niemand opgekomen te zijn.

Ook vond ik het verblijf in het ziekenhuis vervelend, want er was weinig te beleven, en ik lag er overwegend gezond op een zaal met overwegend ernstig zieke kinderen, alleen afgeleid door boeken en kaarten van school en bezoek van mijn ouders.

Het was indertijd ook niet zo dat ik er op tégen was, want ik wilde heel graag een schone neus, maar het was allemaal behoorlijk pijnlijk, en achteraf allemaal totaal zinloos, en ook verminkend, al was dat laatste pas jaren later duidelijk, en niet echt ernstig, want mijn neus is alleen maar tamelijk klein i.p.v. behoorlijk groot.

En het is ook pas achteraf, nadat gebleken was dat het allemaal niets uitmaakte, dat ik me er vragen over ging stellen, toen het feitelijk te laat was, al had ik op mijn achtste toch geen mogelijkheden gehad mij serieus te verzetten, en deed dat ook niet, al was vooral het "doorspoelen" een pijnlijke en zinloze bezigheid, die alleen dr. Fie Velleman financieel hielp.

Ondertussen was ik in de derde klas terecht gekomen, en was mijn middelste broer verdronken, op z'n zesde jaar, in Juni 1959, omdat hij door onbekende jongens het diepe ingeduwd was, terwijl hij niet kon zwemmen.

Dit was de enige keer dat ik mijn vader zag huilen, en het was allemaal behoorlijk schokkend, ook omdat er vooral gedaan werd alsof ik er niet was:

Niet in het Jan van Galenbad, waar iedereen voor me stond, toen mijn broer uit het water was gehaald; niet thuis, waar ik op straat werd gelaten en dus maar aanbelde bij buurvrouw van M., omdat mijn vader mijn moeder alleen wilde spreken; en ook daarna niet, want mijn moeder stortte de eerste maanden behoorlijk in, en mijn broertje was drie, en mijn vader werkte.

Ca. oktober 1959 verhuisden we van de Borgerstraat 203' naar de 2e Hugo de Grootstraat 27' en dat was vooral om mijn moeder de gelegenheid te geven niet voortdurend aan mijn broertje herinnerd te worden, al was er wel een fotobord gemaakt van hem, dat ik nog steeds of weer heb, als erfstuk van mijn in 1996 overleden moeder.

De verhuizing was van de Kinkerbuurt naar de Staatsliedenbuurt, en van een weinig drukke naar een drukke straat, maar wel naar een groter huis: Van twee naar drie kamers, met een keuken en een hal, en ook met een zolder met een zolderkamertje waar ik vanaf mijn 14e/15e woonde.

Ook kwam ik op een andere school terecht, die feitelijk veel slechter was dan de Cabotschool, dat me niet erg duidelijk was, behalve dat het gebouw veel ouder en slechter onderhouden was, en veel armoediger oogde.

Dit was de Hugo de Grootschool, en ik kwam in de klas bij meester Wagenaar, een wel aardige Javaan. Daarover later, in een andere afdeling.

Hier wil ik alleen nog iets over de Cabotschool opmerken:

Ik werd daar voor de eerste keer verliefd, op mijn zevende of achtste, op Manja T., die in een parallel-klas zat, en tamelijk kort, witblond haar had, en die ik om een volkomen onduidelijke reden buitengewoon interessant vond, zonder dat zij enige interesse toonde in mij, en ook zonder haar veel te zien, want ze zat in een andere klas.

Maar ik wist waar ze woonde, nl. in de Orteliusstraat, en ging daar regelmatig langs, alweer zonder enig succes, eenvoudig omdat ze mij fascineerde, zonder dat ik daar veel van begreep, en ook zonder sexuele gevoelens te koesteren, waar ik zowel te jong als te onwetend voor was.

Ik vermoed dat dit behoorlijk veel voorkomt, rond deze tijd, tusen de 7 en de 10, al is dit de volgens Freud, die veel onzin verkocht, "de latente leeftijd", was het alleen omdat het vrij normaal gevonden werd door mijn schoolkameraadjes, al werd er niet erg veel over gepraat, en al moest je niet al te gek doen, want dan werd je wel gediscrimineerd.

Ook was het een op zichzelf staand gevoel van bijzondere gefascineerdheid en van heel mooi vinden, dat ik heel duidelijk herkende, als geheel zelfstandig gevoel, maar waar ik het inderdaad weinig over had met andere mensen of kinderen, ook omdat ik wist er weinig mee te kunnen.

En ik wist en begreep heel weinig van sex, en daar ging het helemaal niet om, al was het wel duidelijk dat ik dit soort gevoel alleen voor meisjes had, zeker toen ik op de Hugo de Grootschool verliefd werd op een meisje uit de klas, Marijke de L., eenvoudig omdát ik dergelijke gevoelens alleen voor meisjes had, zonder zelf goed te weten waardoor dat kwam of waar het toe diende, maar vooral vanwege hun uiterlijk, dat jongens eenvoudig niet hadden.

Maar zowel Manja als Marijke waren niet in mij geïnteresseerd, dat mij ook niet bijzonder interesseerde: Ik wist alleen dat ik ze bijzonder fraai en interessant vond - maar wist niet goed wat ik er verder mee moest, behalve in aanzienlijke verbazing naar ze staren en over ze denken.

Hoe het zij... dit was een korte beschrijving van de eerste drie jaar lagere school, waarvan ik van de laatste twee jaren nog hele films in m'n hoofd heb, die vooral om schoolse gebeurtenissen gaat, waar ik wel goed was, maar niet erg gelukkig, omdat ik redelijk snel doorhad dat ik aldoor de slimste van de klas was, maar weinig gelukkig was met de schoolse aanpak, die ik saai en beperkend vond, en weinig tot niets aan kon doen, vanwege de leerplichtwet. (En het was ook helaas geen Montessori-school, een onderwijsvorm die mijn schooltijd waarschijnlijk véél aangenamer zou hebben gemaakt.)

En overigens, hoewel ik duidelijk de slimste was, was ik ook geen wonderkind: Ik was eenvoudig beter dan de andere kinderen, maar niet echt vijf of tien jaar verder dan zij, niet in aanleg en niet in prestaties, en had overigens ook vrij snel door dat ik geen grote persoonlijke interesse had in het eeuwig de beste zijn, omdat dit eerder op discriminatie dan op hulp uitdraaide.

Later meer over 1960-1962, de resterende tijd van de lagere school.

2. Wat er verder nog resteert

Dit verhaal is weer uitgeschreven in een paar uur op 11 Juli 2013. De reden voor deze tweede sectie is dat er aanzienlijk meer te vertellen is over deze jaren dan hierboven staat, al zijn de - volgens mij - belangrijkste dingen er genoemd.

Maar de eerste negen jaar van mijn leven waren - blijkt lang nadien - heel bepalend, en waren ook tamelijk gelukkig, met de uitzonderingen die ik noemde, en behoorlijk tot zeer arm, al had ik daar weinig begrip van, want er was altijd eten, al was dit bijna altijd hetzelfde - bruine bonen op woensdag, bijvoorbeeld, en spinazie op vrijdag - en er waren altijd kleren, en mijn ouders hadden nooit belangrijke schulden, maar er was werkelijk heel weinig geld.

Er zijn redelijk veel dingen die ik me van mijn zevende, achtste en negende, wonende in de Borgerstraat, herinner.

Eén daarvan zijn de vakanties, naar Schoorl in 1958 en de Hollandsche Rading in 1959, allebei in vakantiehuisjes, die mijn ouders voor twee tot vijf weken huurden, die ik allebei spannend en prettig vond, en nogal verschillend van thuis, omdat de vakantiehuisjes "in de natuur" stonden, of althans:

Tussen de bomen, in een bosachtige omgeving, met veel zon, en veel speelgelegenheid die er in Amsterdam of niet was, of die in ieder geval veel stadser en veel minder "natuurlijk" was.

Een andere is de autoped, die ik jaren had, en het zeepkistkarretje dat ik niet lang had omdat ik niet handig met mijn handen ben, maar waar ik wel een flink deel van Amsterdam afgereden ben tot het voor mij onherstelbaar kapot ging.

Of de rupsen die in het voorjaar uitkwamen en waar je hele jampotten vol van kon verzamelen, waar je vervolgens niets mee kon.

Of de amaryllis die mijn moeder een paar jaar in het voorjaar van zolder haalde en die een, twee of drie zeer mooie bloemen opleverde.

Of de steek door de hommel op mijn vijfde, die bijzonder pijnlijk was, maar wel mijn eigen schuld, net als de keer dat ik mijzelf elektrokuteerde door draden in een wandstekkerdoos te duwen.

Of de vele vlinders die er in de vijftiger jaren waren in de lente, maar sindsdien vrijwel verdwenen zijn.

Of het ijs van Jamin waar mijn vader bij zeldzame gelegenheden mee thuis kwam, dat ik leuker vond dan het ijs zelf, net als ik het idee van roomboter interessanter vond dan de roomboter zelf: Allebei zeldzame genietingen waarvan ik de smaak niet bijzonder op prijs stelde maar de bedoeling wel.

Of de paardenbiefstuk die mijn moeder op zeldzame dagen haalde, die wel bijzonder lekker was, en een stuk goedkoper was dan runderbiefstuk, die we niet konden betalen.

Of het kerstbrood dat mijn vader enkele keren maakte met de kerst, dat hij beter kon dan mijn moeder, en heel lekker was.

Of de dikke man die mijn moeder en ik ooit zagen, in de Kinkerstraat, bij de Jan Pieter Heijestraat, die bijna zo dik was als hij lang was, en die ons zeer verbaasde en vrolijk maakte.

Of Kuki Kuke's Cycle Shop in de Kinkerstraat, waar we naar toe moesten voor fietsreparatie-spullen, die vooral zo'n vreemde naam had, en ook bijzonder veel spullen.

Of de markt op de Ten Katestraat, die mij vooral opviel vanwege het ongelovelijke gebral en geschreeuw van de venters, dat ik veel te luid vond.

Of de dierenwinkel op de hoek van de Ten Katestraat, die vooral opviel door armoede, en de hele kleine kooitjes waarin - vond ik - heel zielige dieren opgesloten zaten.

Of het laatste stuk van de Ten Katemarkt, met stallen voor vis, waarin palingen  lagen te kronkelen voordat ze levend gevild werden, alsof dat vanzelf sprak.

Of de meisjes met hoelahoepels, die zichzelf aan het amuseren waren in 1959, terwijl ze er ook zo mooi mogelijk uitzagen, in lakschoentjes en roze jurken.

Of het ijs van de Echte Italiaanse IJsman uit de Jan-Pieter Heijestraat, die er alleen in de zomer was, en in de winter in Italië, dat duur en zeldzaam was, maar wel veel lekkerder was dan van Jamin.

Of de uitstalling van W. van der Laan's speelgoed-winkel, ook in de Jan Pieter Heijestraat, vol met verleidelijke dingen waar nooit geld voor was.

Of het leren fietsen op mijn negende, nog in de Borgerstraat, dat ik vrij snel doorhad, maar dat je eenvoudig geheel niet uit kon leggen, maar alleen kon leren door het te doen.

Of de strenge winter uit 1958, toen de Kostverlorenvaart dicht lag en ik erop wilde schaatsen, maar mijn vader dat verbood, omdat ik niet eens kon zwemmen, en omdat, na mijn - geheel onware - verweer dat "iedereen dat mocht": "als iedereen door het ijs zakt, dan doe jij dat toch ook niet, of wel?"

Of de dag dat mijn vader thuiskwam met een CPN-bord dat hij tegen een agent verdedigd had, die de wapenstok tegen hem getrokken had, terwijl mijn vader van de ene naar de andere kant van zijn fiets sprong, en thuis vrolijk vertelde dat dit helemaal niets was "vergeleken met de SS".

Of geheel in het begin, circa 1954, dat er nog rails in de straat lag waar heel zelden een tram door ging, bij een ongeluk in de Kinkerstraat.

Of het voorjaar van 1959, dat er keihard "Volare, o, o, cantare, ho, ho, ho, ho" gespeeld werd, terwijl het bijzonder fraai weer was, en de klimop bijzonder vol en lichtgroen was.

Kortom... er was véél te beleven, en het is jammer dat het volledig verleden tijd is, maar ik heb er ook veel van geleerd, geheel spelenderwijs ook, voor het grootste deel.
---------------------------------

About ME/CFS (that I prefer to call M.E.: The "/CFS" is added to facilitate search machines) which is a disease I have since 1.1.1979:
1. Anthony Komaroff

Ten discoveries about the biology of CFS(pdf)

2. Malcolm Hooper THE MENTAL HEALTH MOVEMENT:  
PERSECUTION OF PATIENTS?
3. Hillary Johnson

The Why  (currently not available)

4. Consensus (many M.D.s) Canadian Consensus Government Report on ME (pdf - version 2003)
5. Consensus (many M.D.s) Canadian Consensus Government Report on ME (pdf - version 2011)
6. Eleanor Stein

Clinical Guidelines for Psychiatrists (pdf)

7. William Clifford The Ethics of Belief
8. Malcolm Hooper Magical Medicine (pdf)
9.
Maarten Maartensz
Resources about ME/CFS
(more resources, by many)



       home - index - summaries - mail