Prev-IndexNL-Next

Nederlog


February 18, 2013

Autobio:  1951-a: Eerste jaren  + Amsterdam 1970

Sections
Introduction   
1. 1951a: Eerste jaren
2. Amsterdam in 1970
About ME/CFS

Introduction:

This continues
in Dutch, and adds in section 2 a link to a well-made short film about Amsterdam in 1970, English spoken, in colour, made for tourists, but well made, interesting, and a fair if optimistic presentation of Amsterdam as it was when I was 20, and certainly is no more.

1.
1951a: Eerste jaren

Voorlaatste aflevering - volgende aflevering
----------------------------------------------------
1951a: Eerste jaren (versie 0)
----------------------------------------------------

De Borgerstraat was een gezellige straat in de Amsterdamse Kinkerbuurt - en "gezellig" betekende vooral dat er veel mensen dicht op elkaar woonden met veel kinderen, die meestal op straat speelden omdat de huizen zo klein waren, terwijl op straat spelen in de vijftiger jaren in Amsterdam heel normaal was en onproblematisch kon in straten als de Borgerstraat, waar weinig verkeer was, en het verkeer dat er was grotendeels uit fietsers bestond.

De Amsterdamse Kinkerbuurt was een volksbuurt, zoals dat heettte, die onderdeel was van wat Oud West heette, met meer dergelijke buurten, allemaal oorspronkelijk gebouwd in het laatste kwartaal van de 19e eeuw, als behuizing voor wat toen "de werkende stand" heettte, en minstens 85% van de Amsterdamse bevolking vormde, die verder uit zo'n 10% "middenstand" bestond, gevormd door eigenaars van winkels, waarvan er behoorlijk veel waren, het zogeheten "hoger kantoorpersoneel", wat kunstenaars zoals toneelspelers en musici, en verder de hoogste stand van de middenstand, die overging of al bestond uit leden van "de hogere stand", zoals artsen, advocaten, apothekers, bedrijfsleiders, bankiers e.d.

De bevolking van Amsterdam woonde gesegregeerd door inkomen en stand:

De werkende stand in de arbeiders-buurten, in West, Oost en Noord; de betere stand in Zuid; en wie werkelijk rijk was woonde in een grachtenpand, en was bankdirecteur, rechter, of iets onbestemds, omdat de meeste rijkdom geërfd was.

De rijkste buurten - rond de Apollolaan, en rond de Beethovenstraat - bestond uit duidelijk grotere en mooiere huizen, regelmatig vrijstaand met voor- en achtertuinen, en brede straten met veel groen, en de grachtenpanden waren een klasse apart, vrijwel allemaal eeuwen oud, en opnieuw gewoonlijk zelfstandig gebouwd, of in kleine groepjes, maar alles individueel hoewel in stijl met de omgeving,

De 19e-eeuwse volksbuurten waren dichter op elkaar gebouwd, als blokken en wijken, alles eenvormig, hoewel uit baksteen, niet uit beton, maar met weinig versiering of individualiteit, en ook met weinig groen, met smallere straten, en over het geheel, althans in de vijftiger jaren, een indruk makend van overwegend fatsoenlijk gedragen armoede.

Maar dit alles werd me pas langzaam duidelijk in de eerste 15 jaar van mijn leven. In de eerste jaren daarvan, van 1950 tot 1954, kende ik van Amsterdam bijna alleen de Borgerstraat en aanpalende straten, zoals de Jan Pieter Heyestraat en de Kinkerstraat, allebei opgezet en geslaagd als winkelstraten voor de Kinkerbuurt, en overigens de Jacob van Lennepstraat, die parallel liep aan de Borgerstraat, de Jacob van Lennepkade, idem, en het Vondelpark.

Want de familie had het geluk een paar honderd meter van het grootste Amsterdamse park te wonen, dat 85 jaar bestond in het jaar van mijn geboorte, en dat in mijn eerste jaren vrijwel het enige was dat naar natuur zweemde dat ik te zien kreeg - dus dat uit meer dan een of enkele bomen bestond, en het enige dat een groene en bladerige indruk maakte over je hele blikveld.

Ik was daar veel naar toe gebracht door mijn moeder, vooral in mijn eerste drie jaar, toen ik haar enigste kind was, en ik de eendjes mocht voeren, dat ik me ook herinner, want ik vond vogels en bomen mooier dan huizen, straten en lantaarnpalen.

Voor mij was het Vondelpark natuur, omdat ik niet echt beter wist, uit eigen ervaring, en dit het enige deel van mijn wereld was waar bomen, groen, grasvelden, vijvers en weiden, met in de zomer ook koeien en schapen, het uitzicht domineerden.

Mijn moeder en ik kwamen er vanuit de Borgerstraat door het Kattenlaantje, dat van de Overtoom naar een ingang van het Vondelpark leidde, en dat in de vijftiger jaren bestond uit een nauw pad tussen twee houten schuttingen, met vanaf de ene kant het plof-geluid van het slaan van tennisballen, want er was een tennisclub achter een houten schutting, en vanaf de andere kant een sterke geur van paardenmest, want er was een manege, allebei voorzieningen alleen gebruikt door de Amsterdamse hogere stand, die aan de andere zijde van het Vondelpark woonde, in veel ruimer gebouwde, fraaier ogende, beter opgezette, en van meer groen voorziene buurten.

In mijn eerste drie jaren wist ik niets daarvan, behalve het geluid van tennis en de geur van paarden, en het bestaan van het Vondelpark als de enige voor mij bereikbare plaats waar het naar natuur oogde, met bomen, struiken, gras en open water, en waar veel vogels te zien en te horen waren.

Maar ook daar kon ik de eerste vier jaar alleen met mijn moeder of andere volwassenen heen, en overigens was mijn actieradius beperkt tot thuis en de Borgerstraat, of preciezer gezegd, in eerste instantie alleen het deel op het trottoir tussen de regenpijp naast de deur en de volgende regenpijp, en wat later de straat tussen de aanliggende straten, Jan Pieter Heyestraat en de Lootsstraat.

Ik kan me nog herinnerde dat mijn moeder dat uitlegde toen ik drie was: Of ik wist wat dat was? "De regenpijp." "Juist. En je mag spelen tussen deze regenpijp en die volgende, daar" - die een meter of 7 verder was, niet ver van de melkwinkel - "en de rand van de stoep".

Voor een 3-jarige was dat al een flinke wereld, ook omdat je de rest van de straat kon zien, allemaal woonhuizen, met enkele winkeltjes aan de hoek van de straat bij de Jan Pieter Heyestraat: Een kapper, een fietsenstalling, de petroleum winkel, en ook aan de andere hoek van de straat bij de Lootstraat, met nog een fietstenstalling, en een groenteboer op de hoek.

Op een paar plaatsen groeide klimop tegen de huizen, maar dat was het enige groen in de straat, die overigens, net als de rest van de Kinkerbuurt, vooral 's winters een wat sombere indruk maakte, omdat de gevels van alle huizen door dekadenlange benzinedampen en rook erg donkerbruin waren geworden.

Het deel van de Borgerstraat waar de familie woonde - tussen de Lootsstraat en de Jan Pieter Heije straat - was iets "deftiger" dan het deel van de Borgerstraat dat dichter bij het Centrum lag, omdat dit wat somberder en armoediger oogde, net als de hele Jacob van Lennepstraat, die parallel aan de Borgerstraat liep, en ook vol arme families met veel kinderen was.

De Jan Pieter Heyestraat oogde - zeiden we - "deftiger" vooral omdat het een winkelstraat was, met banketbakkers, kledingzaken, de speelgoedzaak van W. van der Laan, en een ijssalon, gedreven door echte Italianen, en met De Gruyter - een grote kruidenier, met veel filialen - op de hoek van de Jan Pieter Heyestraat en de Kinkerstraat, waar mijn moeder zelden winkelde omdat het er te duur was, en ze naar de Ten Katemarkt kon, dat een grote markt was, met veel stalletjes, waar van alles aangeboden werd, maar vooral groenten, fruit, en vis.

De Kinkerstraat was ook vol winkels, maar oogde wat minder "deftig" dan de Jan Pieter Heyestraat, hoewel de deftigheid geheel relatief was: "voor de Kinkerbuurt", omdat er meer kleine winkeltjes waren.

Het meeste dat ik zag in de eerste vier jaren van mijn leven was het huis en de straat waar ik woonde, wat vermoedelijk ook gold voor iedereen van mijn leeftijd en achtergrond, en ik had geen duidelijk beeld of begrip van klassen-verschillen, rijkdom en armoede, maatschappelijke standen, en meer dergelijke zaken.

We hadden het thuis ongetwijfeld arm, maar er was altijd te eten, en ik had zelf als kind niet de indruk dat mijn ouders arm waren, al waren ze dat feitelijk ongetwijfeld, net als de buren en bijna iedereen die in de Kinkerbuurt woonde.

Ik kan me niet herinneren of ik in de eerste vier jaren van mijn leven begreep dat mijn ouders andere en radikalere meningen hadden dan de grote meerderheid, al herinner ik me wel het Waarheidszomerfestival, zoals dat heette, uit 1952, toen ik twee was.

Het Waarheidszomerfestival was een jaarlijks evenement van de Communistische Partij van Nederland (CPN), dat erom draaide het volksdagblad en partijblad De Waarheid grotere bekendheid en extra inkomsten te verschaffen, en dat bestond uit een kombinatie van een soort kermis, politieke toespraken van partijleiders, stalletjes van promotie-materiaal van allerlei met de CPN geassocieerde groepen en groepjes, muziek en zang, en gezelligheid en vertier voor iedereen, hoewel feitelijk vooral van partijleden en sympathisanten.

In 1952 was de CPN nog steeds een grote partij in Amsterdam, dat ze dankte aan haar verzet in de Tweede Wereldoorlog, en het Waarheidszomerfestival was een tamelijk grote gebeurtenis, die dat jaar plaatsvond op een groot grasveld bij de Westelijke havens niet ver van een electriciteits-centrale.

Wat ik me ervan herinner zijn het grasveld, de centrale, de vele mensen en kramen met veel lawaai, en zittend op mijn vaders schouders, een clown, waar ik bang voor was, omdat ik zijn gezicht niet kon zien achter zijn opmaak, niet begreep waarom hij grappig zou zijn, en hij veel lawaai maakte, en vanaf een afstand boksende mannen, in een boksring, dat ik ook niet begreep, en de zin niet van inzag.

Hoewel ik hier, zoals van veel van mijn leven, behoorlijk heldere beelden van heb, die terwijl ik dit schrijf meer dan zestig jaar oud zijn, is het zeer weinig waarschijnlijk dat ik begreep waar het om ging. Ik was immers veel te jong, en sprak nog niet eens, wat ik pas met mijn 3e deed, iets dat mijn moeder een tijd beangstigde, omdat ze vreesde dat ik dom of debiel zou kunnen zijn.

Ik kommuniceerde volgens haar door naar dingen te wijzen en "Guh, guh" te zeggen, in de kennelijke aanname dat volwassenen zouden begrijpen wat ik bedoelde, wat meestal maar niet altijd zo was. Volgens de kinderarts, waar mijn moeder mij heenbracht omdat ik lang niet sprak, was er "niets aan de hand" behalve dat ik "koppig" was, dat een zeer juiste diagnose was.

Ik kan me geheel niet herinneren wat de oorzaak was, maar een goede verklaring is dat ik meende dat ik pas kon spreken als ik in zinnen sprak, zoals de grote mensen, wat ik dan ook deed zodra ik dat kon, niet lang na mijn 3e verjaardag, toen ik 's ochtends vroeg, zitten op mijn moeder's arm, volgens haar vroeg "Is pappa al weg?", dat haar zeer verbaasde en verblijdde.

Vanaf dat moment sprak ik veel, vaak en makkelijk, en was ook uitzonderlijk goed in taal: Eén van de genoegens van vrienden van mijn ouders, beter geschoold dan zij, was mij lange chemische termen te laten nazeggen, dat ik altijd makkelijk en correct deed, maar ook hier kan ik mij niets van herinneren dan het verhaal dat mij er later over gedaan werd, dat ik hier herhaal.

Vanaf dat ik sprak op mijn derde ging ik voor een heel slim kind door, dat ik ongetwijfeld was, al was ik geen wonderkind. Maar ik leerde makkelijk, begreep dingen snel, onthield heel goed, en praatte ook veel beter en makkelijker dan kinderen van mijn leeftijd, dat er weer toe leidde dat ik snel goede vriendjes werd met de buurjongetjes die gelijkvloers onder ons woonden, André en Frits geheten, resp. 3 1/2 en 2 1/2 jaar ouder dan ik, die aan het eind van de vijftiger jaren, als twee van zeer weinige kinderen in de straat en de buurt, naar de HBS mochten omdat ze zo goed konden leren.

Ik ging op voet van gelijkheid met ze om, waarbij het vrijwel zeker sterk hielp dat ik ongeveer even groot was als zij, zoals ook blijkt uit fotoos.

Hun ouders waren van de leeftijd van mijn ouders, maar geheel niet van dezelfde politieke overtuiging, en ook niet van dezelfde afkomst of ambities, want meneer Van M. (je zei altijd "meneer" of "mevrouw" tegen volwassenen, of anders "juffrouw") werkte "op kantoor", als één van de weinige volwassenen in de straat, en had ambities hogerop te kunnen komen.

Mijn moeder en mevrouw Van M. konden het goed vinden, en ik speelde vaak bij André en Frits, omdat het huis groter was door een aangebouwde serre, en er een tuin met een schommel was, en een duister schuurtje vol oud tuingereedschap, en André en Frits speelden soms bij mij, maar minder vaak, omdat er minder ruimte en minder te doen was, en we speelden meestal op straat, omdat alle kinderen dat deden.

Iets anders dat ik mij herinner was dat ik knopen leerde leggen, ook op mijn derde, 's ochtends in bed met mijn moeder, wat soms mocht en dat ik heel gezellig vond. Het praktisch probleem was dat ik kinderschoenen met veters had, en die moest leren strikken, dat iets was dat er tamelijk ingewikkeld uitzag, en dat ik niet onmiddellijk voor elkaar kreeg. Die ochtend probeerde ik het ook weer, ongetwijfeld omdat mijn moeder daarop aangedrongen had, met een losse schoen, en lukte het plotseling, wat ik alweer niet begreep, wat waarschijnlijk weer de reden is dat ik het me nog steeds herinner: Waarom bleef de strik zitten? (Antwoord: Vanwege wrijving, iets wat me pas minstens 10 jaar later duidelijk werd.)

Maar vanaf dat moment kon ik moeiteloos mijn veters strikken, dat veel kinderen een stuk later leerden. Klok kijken leerde ik ook heel snel, na het één keer uitgelegd te hebben gekregen, en omdat ik al wist hoe cijfers geschreven werden. Ook legde mijn moeder mij dingen altijd heel helder uit.

Wat ik me ook herinner is dat ik met mijn derde naar Haarlem "mocht", vanwege de geboorte van mijn broertje Geert, die thuis plaats zou vinden, omdat mijn geboorte volgens mijn moeder heel makkelijk was verlopen. In Haarlem woonden vrienden van mijn ouders, Piet en Ans V., ook doorgewinterde communisten, die zelfs een tijd in de Sovjet-Unie hadden geleefd in de dertiger jaren, maar daar weer uit teruggekeerd waren.

Zij woonden een stuk fraaier dan mijn ouders, in een huisje in een straat met huizen bestaande uit een gelijkvloerse verdieping met een tuin, een eerste verdieping, en een zolder, alles fraai en een stuk ruimer dan bij mijn ouders. Ik kan me daar de tuin van herinneren, die ik mooi en geheimzinnig vond; de pomp, want het water kwam niet uit een kraan maar moest omhoog gepompt worden uit een bron, met behulp van een pomp met een grote groene handzwengel, dat ik allemaal fascinerend vond; en de voordeur, die ik heel slim vond, want er was een bovendeel, en een benedendeel, die onafhankelijk geopend konden worden, zodat volwassenen over de onderdeur hangend konden praten met de buren. Ook hadden ze een dochter, die een jaar of 12 ouder was dan ik, waarvan ik me herinner dat ze vrolijk was, op de bovenverdieping een kamer had, en dat ik overigens weinig contact met haar had.

En toen ik daarvan teruggekomen was, ik geloof na een dag of vijf, had ik een broertje, dat ik mij herinner van toen als liggend in zijn wiegje in de slaapkamer, wat iets was dat me niet bevreemdde of verontrustte of jaloers maakte, omdat er voortdurend kinderen kwamen, en papas en mamas bestonden om kinderen groot te brengen, of althans zo verscheen het aan mij, want zo leek het in de buurt waar ik opgroeide: Overal ouders met jonge kinderen.

Het is overigens niet zo dat ik enig idee had "waar de kinderen vandaan kwamen" of me iets herinner van mijn moeder's zwangerschap: Voor kleine kinderen is heel veel onproblematisch en gegeven zoals het verschijnt. Ik kan me ook niet herinneren gevraagd te hebben waar mijn broertje vandaan kwam of waarom hij er was, en in ieder geval was het iets dat me verscheen als volstrekt normaal: Er verschenen voortdurend nieuwe babies en nieuwe kinderen in de straat, en dat was allemaal kennelijk zoals het hoorde.

--------------------------------------------------------

2. Amsterdam in 1970

Trying to write out my autobiography and having internet gives me reasons to look into the past through that prism, which is and isn't disappointing.

It isn't disappoining, because there is quite a lot to be found that was never available before internet, or only if one could find it in a library, and went there to do so, and indeed I have tried to research specific events and people - "What happened to X?", "Is there any footage or are there pictures of Y?" - and found some of the things
of 30 or more years ago that I looked up, present on the internet in remarkable detail, as if these persons or events also mattered to others. [1]

It is disappointing because what I found tends to be written, flmed or photographed from a different perspective than mine, with a different set of values and assumptions. Thus, there is some visually interesting footage of Amsterdam in the 1950ies and 1960ies that is mostly wasted for me because the soundtrack has "typical Dutch organs" or "typical Amsterdam singing" that I detest ever since I can recall.

But here is a link to a short film about Amsterdam in 1970, that is  English spoken, in color, nearly 27 minutes long, originally made for tourists, but well made, interesting, and a fair if also optimistic and - inevitably - superficial presentation of Amsterdam as it was when I was 20, and as it certainly is no more, and has not been for decades.

I like it because I remember nearly everything that is in it from my own experience, and rather like it appears in the film:
These days - 43 years later - considerable parts of "the typical Amsterdam architecture" are still standing, but much also got lost, indeed especially parts that are less important to the tourist industry, and all feels rather different, and very much less pleasant, less free, less tolerant and less open than it appeared then, when I was 20.

I do not think this is only due to my perspective, though that certainly enters and colors my own experience of things. Looking back on it now, I'd say, long after the scenery documented in the film, that the year 1970 was - fairly objectively -  one of the best years for Amsterdam in the 20th Century:

The first half of the century in Amsterdam was blighted by two world wars and  by much poverty and hardship for many; until the mid 1960ies life was poor, cramped and greyish for most Dutchmen, who mostly tried to resurrect the country after WW II by hard work and considerable abstinence, indeed like England and Germany also did during those years; but in 1970 several years of welfare had passed, and society in Holland and especially in Amsterdam looked free, open, tolerant, and friendly, with great promise for the future, when the generation born since WW II would take over. [2]

The opportunities got wasted by egoism, careerism, posturing, stupidity, fanaticism, laziness, and indifference, but the film linked above gives a fair if optimistic and tourism-directed view of Amsterdam as it was then.
----------------------------------
Notes
[1] There is a stupid notion alive among stupid people that "what is on the internet never disappears", but that is just a fairy tale summed up in a false slogan:

Whatever does not get copied by the CIA and other secret services - to be eventually used against you (or your children, friends of family), in ways you can't anticipate because these depend on the political situation of the future that no one can anticipate, though it is a fair guess it will be far more authoritarian than it is and was the last 40 years, at least in Western Europe and the US - will disappear from public view whenever those who put the material up cease doing so.

If you check out the links in older websites, from 5 or 10 years ago, chances are that most of the links do not work anymore.

[2] Namely the babyboomer generation, that in Holland, mostly with reason, has been blamed for much that is bad, such as the virtual destruction of public education: The film's commentary voice mentions at one point that "most Amsterdammers speak several languages", but this is no longer true, as they do not need to learn these languages anymore in schools, that these days teach at most half that was taught between 1865-1965 as a matter of course, but in the same number of years - which means that everyone's birthright on a good education has been destroyed, willfully, as it happens, in the name of "equality for all".

Also, in 1970 I got to lead one of the three Amsterdam Sleep-Ins that were - very sparsely - funded by the municipal authorities, to keep hippies from sleeping in the streets, for in 1970 Amsterdam, where soft drugs were easy to get, and not legally dangerous to use, was then supposedly "the magic center" of the hippy world, and mayor and aldermen wanted to prevent that "the better class of tourists", with more money to spend in Amsterdam, would be frightened away by the sight of flocks of long haired and unwashed hippies sleeping in the streets. And thus the Sleep-Ins, in which even Bill Clinton got to exercise not inhaling pot while he smoked it. (No, I don't recall him, but he seems to have been there.)

About ME/CFS (that I prefer to call M.E.: The "/CFS" is added to facilitate search machines) which is a disease I have since 1.1.1979:
1. Anthony Komaroff

Ten discoveries about the biology of CFS(pdf)

2. Malcolm Hooper THE MENTAL HEALTH MOVEMENT:  
PERSECUTION OF PATIENTS?
3. Hillary Johnson

The Why  (currently not available)

4. Consensus (many M.D.s) Canadian Consensus Government Report on ME (pdf - version 2003)
5. Consensus (many M.D.s) Canadian Consensus Government Report on ME (pdf - version 2011)
6. Eleanor Stein

Clinical Guidelines for Psychiatrists (pdf)

7. William Clifford The Ethics of Belief
8. Malcolm Hooper Magical Medicine (pdf)
9.
Maarten Maartensz
Resources about ME/CFS
(more resources, by many)


       home - index - summaries - mail