Prev-IndexNL-Next

Nederlog

January 5, 2013

Autobio: Schema

-Next

Sections
Introduction   
1. Autobio: Schema
About ME/CFS



Introduction:

Yesterday I wrote a new PsychoSpeak, that still needs extending with some more lines of text. Today is mostly in Dutch, because I realized last night that my life falls apart in decades that are quite distinct, and that I do want to write some autobiographical notes about, in Dutch.

That remains to be done, but meanwhile here is an outline of the decades I have lived through so far.

1. Autobio: Schema

Ik realiseerde me vannacht dat mijn leven vrij natuurlijk en vanzelfsprekend uiteenvalt in periodes van 10 jaar die nogal verschillen van de voorgaande en volgende periodes.

Omdat ik me ook heb voorgenomen het een en ander aan autobiografisch materiaal uit te schrijven volgt hier om te beginnen het raamwerk in periodes van 10 jaar.

1950-1959: Ik ben geboren in Ansterdam in het Wilhelmina Gasthuis in Mei 1950, en opgegroeid in de Borgerstraat, tussen de Lootstraat en de Jan Pieter Heyestraat, in de Amsterdamse Kinkerbuurt.

Mijn ouders waren communisten en voormalige verzetsstrijders, en tamelijk opvallend omdat ze langer en knapper waren dan de meeste buurlieden en omdat ze allebei ABN spraken, dat ook al ongebruikelijk was in de Kinkerbuurt, maar  ik vond dit als kind allemaal vanzelf spreken, en begreep pas veel later hoe bijzonder mijn ouders waren.

Ik kan me nog veel herinneren van de Borgerstraat, de Kinkerbuurt, de kleuterschool, 't Winterkoninkje geheten, en de lagere school, de Cabotschool, dat ik hoop ooit althans gedeeltelijk uit te schrijven, maar vemeld hier alleen dat de eerste 10 jaar van mijn jeugd tamelijk gelukkig waren, met enkele uitzonderingen, en dat de twee genoemde scholen voor goed doorgingen.

Eén zo'n uitzondering was dat mijn 3 jaar jongere broertje in Juni 1959 verdronk in het Amsterdamse Jan van Galenbad, waar hij kennelijk het diepe ingeduwd was door spelende jongens. Ik was wel in dat openluchtbad, met mijn vader, maar zag het niet gebeuren, en toen mijn broertje gevonden werd was het te laat.

1960-1969:
Omdat dit vooral mijn moeder zeer aangreep, en zij voortdurend aan mijn broertje bleef denken in de Borgerstraat, verhuisden we eind 1959 naar de 2e Hugo de Grootstraat in Amsterdam, naar een groter huis, aan een veel drukkere straat, en in een andere buurt, de Staatsliedenbuurt, nog wel een Amsterdamse volksbuurt, maar een klein beetje minder laag in maatschappelijke status, en ook iets minder armoedig ogend.

Mijn nieuwe lagere school was de Hugo de Grootschool, en was een stuk slechter dan de Cabotschool. Hoewel ik evident ongebruikelijk intelligent was mocht ik op mijn twaalfde niet naar de 5-jarige HBS van het schoolhoofd, tevens mijn klasse-lerares op mijn 12e,
die daar indertijd een voordracht voor moest doen,  dat weigerde tegen mijn moeder met de smoes dat "zijn vader is immers huisschilder, zodat hij dat ook kan worden", maar dat feitelijk zei omdat mijn vader nog steeds een bekende communist was, en mijn klasse-lerares een voormalige NSB-ster was.

Omdat mijn moeder vond dat het zonde was als ik mijn hersens niet gebruikte, liet ze me toelatingsexamen voor de 3-jarige HBS doen, die zij zelf met goed gevolg doorlopen had, maar zonder verder te kunnen doorleren vanwege de crisis in de dertiger jaren, waar ik met uitstekende cijfers voor slaagde.

Deze school werd echter geen succes, al haalde ik wel mijn eindexamen, vooral omdat het onderwijs onder mijn vermogens was, en ik "een moeilijke leerling" was, zodat de rector, die voordracht moest doen voor de 5-jarige HBS, en die herhaaldelijke discussies met mij verloren had, nadat ik uit een klas gezonden was, of in de hal met andere leerlingen er omheen, dit weigerde omdat "Maarten is wel intelligent genoeg, maar hij is te lui".

Het is waar dat ik nooit huiswerk maakte vanaf mijn 13e, maar dat kwam omdat het mij allemaal tegenstond, en ik toch wel een 7
of beter haalde  in de meeste vakken.

Ik ging dus uiteindelijk op mijn 17e werken en begon een avondgymnasium beta, omdat ik wilde studeren, maar van de avondschool kwam niet veel terecht, vooral omdat de zestiger jaren in Amsterdam uitbroken in 1966, en ik daarbij op diverse manieren, via groepen waar ik lid van was, aan deelnam.

In 1968 gaf ik een vaste baan op om in Mei en opnieuw Juni naar de studenten- opstand in Parijs te kunnen, en werkte daarna voor uitzendbureaus, dat het in 1969 makkelijker maakte kort in het toen bezette Maagdenhuis te verkeren, en ook makkelijker voor mij om zeer veel te lezen, want ik wilde zoveel mogelijk weten, leren en begrijpen, en kreeg pas op mijn 17e door, nadat ik van school gegaan was, hoe bijzonder veel mij onthouden was aan kennis en cultuur.

Ongeveer terzelfder tijd had ik uitgevonden dat ik filosofie en logica interessant vond, terwijl mijn ouders besloten in 1969 te verhuizen naar Landsmeer, waar ze een nieuwe woning konden huren, in een enigszins landelijke omgeving, die ze veel meer aanstond dan de rumoerige en drukke 2e Hugo de Grootstraat.

1970-1979: Mij beviel Landsmeer niet, en ik verbleef vaak in Amsterdam bij vrienden - een echtpaar, met jonge kinderen - die een jaar of 10 ouder waren, en zeer van mijn verstand en conversationele talenten onder de indruk waren.

In 1970 leerde ik bij toeval iemand kennen die mij een baan aanbood als staflid van één van de drie eerste Amsterdamse Sleep-Ins, op de Rozengracht, waar ik vrij snel de leiding overnam, omdat degene die daarvoor aangesteld was dit slecht deed.

Eind 1970 boden de bovengenomde vrienden mij een zolderkamertje aan van zo'n 3 bij 3 meter in een nieuw en aanzienlijk groter huis dat ze kregen aan de rand van het Vondelpark, en daar leefde ik tot 1973 , terwijl ik werkte als uitzendkracht of parttime bij "De Waarheid", en probeerde mij voor te bereiden op een staats-examen VWO, nog steeds om te studeren.

Feitelijk las ik bijzonder veel en werkte ik weinig. Van het doen van staats- examens kwam ook weinig, vooral omdat ik een Engelse leerde kennen die 8 jaar ouder was dan ik, lecturer was aan een Engelse universiteit, en buitengewoon intelligent was, zodat ik over een periode van twee jaar af en aan in Engeland verbleef, maar de verhouding werd geen groot succes, en ik kreeg ook al geen verblijfsvergunning voor Engeland. (Ik kon er geen werk vinden zonder verblijfs- vergunning en kreeg geen verblijfsvergunning zonder werk.)

In Amsterdam leerde ik een Noorse kennen, waarmee ik ca. een jaar in een woonboot op de Oudeschans woonde, waarna we besloten vanaf 1 januari 1975 een paar maanden vakantie in Noorwegen te houden, in een blokhut in Dovre.

Dit beviel zo goed dat we er een jaar bleven, waarin zij een baan als journaliste met als standplaats Lom kreeg aangeboden, feitelijk een gebied van zo'n 2000 vierkante kilometer omvattend, overigens grotendeels bergen, dalen en gletschers, en dun bevolkt, en deze aannam eind 1975, en we naar Lom verhuisden  in Januari 1976, waar zij als journaliste werkte en ik haar reed, wat zij niet kon en niet durfde.

Ik deed uiteindelijk een Nederlands staatsexamen in 1976 en kon daarna  studeren, zowel in Noorwegen als in Amsterdam, en besloot dat in Amsterdam te doen,
waar ik in Juli 1977 naar terugkeerde, en om te beginnen filosofie begon te studeren, waar ik ondertussen veel in en over gelezen had, en waar ik ook vrijwel onmiddellijk problemen kreeg aan de UvA vanwege verkeerde voorlichting door de dekaan, en omdat mijn studielening eind 1977 ingetrokken werd door fouten bij Studiefinanciering, en ik gedwongen werd mijn studie te staken en te gaan werken.

Ondertussen hadden mijn Noorse vriendin en ik besloten uit elkaar te gaan. In 1978 leerde ik een Nederlandse kennen waarmee ik ging samenwonen in Juli 1978, in een studentenflat in Diemen, en omdat ik in de 3 maanden dat ik gestudeerd had in 1977 wel voldoende punten voor een jaar tentamens had gehaald kreeg ik voor 1978-1979 weer een studielening voor filosofie.

Mijn Nederlandse vriendin besloot ook te gaan studeren, en wel psychologie, omdat zij als psychologisch assistente had gewerkt in de Jelgersma-kliniek, waar ze vooral IQ-tests afnam, en ze wilde weten waar de tests op gebaseerd waren. Ik besloot naast filosofie ook psychologie te gaan studeren, en dat vooral omdat ik geintereseerd was in menselijk redeneren, en we begonnen welgemoed en gelukkig eind augustus 1978 aan de studie psychologie, en ik ook aan het 2e jaar filosofie.

1 januari 1979 werd ik ziek gedurende een fietstocht in de polder achter Diemen, en bleef dat een week of drie, terwijl mijn vriendin net als ik ziek werd op 10 januari, waarna we snel uitvonden dat het Epstein-Barr was, ook bekend als ziekte van Pfeiffer of mononucleose, en dat dit wel enkele maanden kon duren.

Dit was behoorlijk tot zeer onhandig, omdat we allebei feitelijk aan ons eerste universitaire studiejaar bezig waren, en daarin tot behoorlijk veel verplicht waren. wat betreft het volgen van colleges en practica. In juli 1979 waren we allebei nog steeds ziek, al was het in beide gevallen niet zo erg als gedurende de eerste 10 dagen van de ziekte, die verlopen waren als een zware griep, waar we allebei overwegend van hersteld waren - maar niet meer dan gedeeltelijk.


1980-1989: Omdat we geen enkel belang hadden bij ziek zijn, en van een studiebeurs of een studielening studeerden, en maandenlange practica voor psychologie geacht werden te doen, en vanaf het begin aanzienlijke problemen hadden met lopen en staan, kregen we in 1980 een studentenflat gelijkvloers op de Nieuwe Keizersgracht.

Dit werd om diverse redenen geen succes: We kwamen te wonen naast iemand die ernstig gestoord was en vooral mij bedreigde en bejegende met geweld en ons 's nachts uit de slaap hield; ik had een studentenpartij opgericht om wat te doen tegen het slechte en gepolitiseerde inderwijs aan de UvA en werd daarom vaak gediscrimineerd; mijn gezondheid werd slechter, en mijn vriendin en ik besloten uiteindelijk, op mijn voorstel, en na bijna 6 jaar samen te zijn geweest, dat we allebei als huwelijk beschouwden, waarin we ook de bedoeling hadden een gezin te stichten na ons afstuderen, eind 1983 uitelkaar te gaan, omdat we allebei nog steeds ziek waren, geen hulp kregen, en ik vreesde dat we het risico liepen allebei ten onder te gaan aan een onbekende ziekte, zonder bekende oorzaak, zonder enige hulp, zonder een behoorlijke medische diagnose (anders dan: "psychosomatisch") en ook zonder duidelijke vooruitzichten.

Ik hield op met studeren vanwege de problemen aan de Nwe Keizersgracht, en verhuisde alleen naar de Tuinstraat, waar ik hoopte beter te worden door veel te slapen en veel te rusten.

In September 1984 begon ik weer te studeren van de studielening, die vrijwel meteen weer ingetrokken werd omdat ik een uitkering gehad zou hebben, wat waar was, en wel terwijl ik studeerde, wat niet waar was. Later bleek dat de UvA mij opgeven had als student over het voorgaande studiejaar, kennlijk om het geld voor een - dubbel, bij filosofie en psychologie - ingeschreven student van de Staat te vangen.

Vervolgens kreeg ik geen uitkering, omdat ik ingeschreven stond als student. En ik had al geen studielening, omdat ik zogenaamd een uitkering had. Ik had ook niet de gezondheid om te werken en werd op straat gezet door deurwaarders op last van mijn huisbaas, nadat ik de huur niet kon betalen.

Omdat ik een vriend had die een krottig woninkje aan de Elandsgracht had terwijl hij met zijn vriendin in een behoorlijk huis in Venlo woonde, kon ik in dat woninkje intrekken zonder ziek op straat te hoeven slapen, en deed dat, en woonde daar enkele jaren min of meer dragelijk, terwijl mijn gezondheid iets verbeterde.

In 1987-8 studeerde ik weer, nu van een bijstandsuitkering, als deeltijds-student en op eigen kosten, en werd in Mei 1988, kort voor mijn doctoraal filoofie,  verwijderd van de faculteit voor filosofie, vanwege de inhoud van een toespraak die ik, op verzoek had gehouden in de faculteit, waarvoor ik gevraagd was als spreker
"omdat je de dingen zo goed kunt verwoorden".

Omdat ik ondertussen ook al jaren een kandidaats psychologie had, besloot ik, aangezien ik in ieder geval formeel afgestudeerd wilde zijn, mijn doktoraal psychologie te halen.

Ondertussen had de huisbaas gelijkvloers een "coffeeshop" doen vestigen, met persoonlijke toestemming, getuige een brief met zijn handtekening voor de ramen van de "coffeeshop", van burgemeester Van Thijn, en waren er ook twee cafées vlak bij het al bestaande café geopend, wat betekende dat er van april t/m oktober 4 terassen open waren, binnen 10 a 20 meter van mijn woning, met geassocieerde geluidsoverlast tot tussen 2 en 3 uur 's nachts.

Toen ik protesteerde bij de uitbaters van de "coffeeshop" gelijkvloers tegen de geluidsoverlast werd ik met moord bedreigd: "Als je iets doet wat ons niet bevalt, vermoorden we je." Toen ik dat aanhanging wilde maken bij het politiebureau Leidseplein werd ik uitgelachen en me verteld dat ik maar naar het buitenland moest verhuizen als het me niet beviel in Amsterdam. Toen ik burgemeester Van Thijn probeerde aan te spreken, die de oorlog overleefde mede dankzij de inzet van mijn moeder, en die bestuurde, naar hij beweerde, "uit naam van de idealen van de Februaristaking", in verband waarmee mijn vader en grootvader tot concentratiekamp-straffen waren veroordeeld, weigerde hij me te ontvangen,
weigerde hij mijn brieven te beantwoorden, en weigerde hij mij telefonisch te spreken.

In September 1988, na een "herstel" van de enige schoorsteen waarop ik kon stoken bleek ik vergast door koolmonoxide, wat ik ternauwernood overleefd had, doordat de schoorsteen niet hersteld maar intern ingestort was, al dan niet met opzet, en dichtzat met zakken vol puin, die eruit verwijderd waren door een gat dat gehakt werd boven de kachel in mijn huiskamer.

De gemeentelijke dienst Bouw en Woning-Toezicht weigerde iets te doen of te ondernemen, en beweerde sindsdien dat ik loog. In december 1988 begon ik, op uitnodiging, met mijn columns in Spiegeloog, die op de eerste na allemaal in 1989 geschreven en gepubliceerd zijn. Daardoor leer ik professor Molenaar kennen, maar ondertussen wordt mijn gezondheid steeds slechter vanwege slaapgebrek, en weigerde het gehele Amsterdamse ambtelijke, bestuurlijke en gekozen bestuur ook maar iets te doen dat mijn huisbaas of de drugshandelaren zou kunnen ontrieven.

Uiteindelijk leer ik in 1989 van het bestaan van M.E. (Myalgische Encephalomyelitis) via een radio-uitzending van de BBC Worldservice en krijg de diagnose M.E./F.M. van mijn huisarts.

1990-1999: In 1989, 1990 en de eerste helft van 1991 lukte het me niet enig behoorlijk Amsterdams bestuurder or ambtenaar te treffen die bereid was ook maar iets te doen aan de drugs- en geluidsoverlast of de ingestorte schoorsteen, op één volledig gelogen rapport van een Bouw- en Woningdienst ambtenaar Mannaert na, die langs kwam na veel aandringen maar weigerde de gaten in de schoorsteen te bezien, die daar in 1988 waren gehakt om diverse zakken puin te verwijderen, en die vervolgens schriftelijk aan B&W bleek te hebben gerapporteerd dat "er op het eerste oog niets te zien is".

Door de advocaten van de gemeentelijke Bouw- en Wonindienst, mr. Zeegers en mr. Vlas, word ik veelvuldig telefonisch uitgelachen en voor leugenaar uitgemaakt; de Amsterdamse Ombudsman Salomons weigert vele keren me te otbvangen en beliegt en belastert me schriftelijk; de drugshandelaars blijven met moord dreigen als ik klaag; ik slaap voortdurend veel te weinig van de geluidsoverlast en krijg steeds meer pijn, inclusief rheumatische pijn in mijn handen;  en in het voorjaar van 1991 word ik tenslotte kort suicidaal.

Mijn huisarts weet uiteindelijk een woning te regelen via de gemeentelijke dienst herhuisvesting, die sinds 1986 geweigerd had iets voor me te doen "omdat je immers een woning hebt", en ik kan op 10 februari 1992 de woning verlaten, en laat dan met mijn advocaat een rookproef doen om de schoorsteen te testen, die nog steeds niet hersteld is: Het hele huis staat blauw van de rook, en de schoorsteen was dus inderdaad al die tijd levensgevaarlijk geweest.

De woning waar ik naar toe gevlucht ben blijkt te klein en te gehorig, en ik moet 42 jaar oud, ziek, met voortdurende pijn, bij mijn moeder intrekken om te kunnen slapen, maar dat lukt me daar uiteindelijk, en mijn huisarts weet in 1993 een andere woning voor mij te regelen, als invalide, waar ik wel zonder geluidsoverlast kan leven.

Ondertussen is mijn gezondheid sinds 1990 zeer verslechterd en ben ik ook jarenlang zwaar depressief. Dat verbetert enigszins maar verslechtert weer als mijn moeder vanwege ernstige Alzheimer in een bejaardeninrichting moet worden opgenomen, en ik het daarvoor nodige werk moet doen, omdat mijn broer in het buitenland woont. Dit begint rond 1994, wanneer ik er ook uiteindelijk in slaag, met hulp van professor Molenaar, om af studeren.

Eind 1996 begin ik een website bij xs4all, waarop ik in 1998 een eerste versie van ME in Amsterdam zet, nadat mijn klachten bij zowel de Universiteit van Amsterdam en de Gemeente Amsterdam systematisch niet beantwoord blijken te worden, en zowel de Amsterdamse als de Nationale Ombudsman vele keren weigeren iets te ondernemen:

Je mag in Amsterdam met moord bedreigd worden door drugshandelaren beschermd door de burgemeester en gemeentepolitie; je mag in Amsterdam vergast worden door je met drugshandelaars geassocieerde huisjesmelkers; en je mag in Amsterdam verwijderd worden van de gemeentelijke universiteit op basis je publiek geuite klachten over het onderwijs dat je geboden wordt.

Ook wordt in deze tijd het Van Traa rapport gepubliceerd, waaruit blijkt dat er jaarlijks 19 miljard gulden alleen al in soft drugs wordt omgezet en verscheept vanuit Nederland, grotendeels in Amsterdam, en verongelukt Van Traa, als hij niet vermoord wordt, dat achteraf, gezien de jaaromzet aan illegale drugs omgezet dankzij burgemeesterlijke handtekeningen, veel waarschijnlijker is.

2000-2009: Van 2000 tot 2002 probeer ik alle politieke partijen in de gemeenteraad te spreken te krijgen vanwege het gebeurde. Ik krijg geen enkel antwoord, en wordt, als ik er uiteindelijk in slaag het gemeentehuis te bezoeken, dat fysiek moeilijk voor mij is, alleen persoonlijk ontvangen door een neo-rechtse gekozen carriere-maakster van een pro-auto-partij, later LPF-kamerlid, die niets voor me wil doen. Overigens krijg ik alleen uitermate onbeschofte en leugenachtige "fraktiemedewerkers" te zien of te horen: In de feitelijke praktijk werken de Amsterdamse gemeenteraadsleden, net als B&W, voor de drugsmafia, die dan ook bijzonder rijk en gevaarlijk is.

Mijn gezondheid verslechtert weer en ik word weer depressiever, maar slaag erin mijn site uit te breiden, dat uiteindelijk vrijwel het enige is wat ik kan en doen.

In 2002 vraagt professor Molenaar of ik bij hem wil promoveren, en ik zeg dat ik dat wel wil maar niet kan zonder enige hulp. Hij schrijft een fraaie brief, en ik wend me tot de GGD en burgemeester Cohen, en wordt systematich behandeld alsof ik een Untermensch ben.

Overigens zie Overzicht 2007
en (waar ik naar verwijs omdat ik op dit moment wil vermijden de waarheid te spreken zoals ik die nu zie over de drugshandel in Amsterdam: Er is voor mij geen bescherming in Amsterdam volgens de regel van de wet, en ook niet daarbuiten, en Nederlandse burgers mogem geen wapens dragen: dat is in de feitelijke praktijk alleen de drugsmafia en de politie toegestaan).

Mijn gezondheid blijft de hele decade beroerd, en ik blijf de hele decade geen hulp krijgen, zonder dat me daar, terwijl het gebeurt, alle achtergronden van duidelijk worden, dat pas geschiedt nadat ik in October  2009 leer dat er een paper in Science verschenen is over Myalgische Encephalomyelitis, en mij daar weer in verdiep, na dit zo'n 15 jaar lang vermeden te hebben, vanwege het walgelijke niveau van het proefschrift van Bleijenberg en de totale ineffectiviteit van de ME-Stichting, en de overweging dat ikzelf niets aan de misstanden waaronder ik lijd kan veranderen.

2009-2012: Ik besteed voornamelijk aandacht aan wat samenhangt met ME/CFS en leer vooral zaken die mij grote afschuw of walging inboezemen, en niets helpen, al verklaren ze wel veel.

Wie er meer van wil weten raadplege de indexen voor Nederlog.


Dit is een haastig geschreven overzicht. Het kan allemaal ongetwijfeld stukken beter en veel vollediger, maar niet hier en nu.

De scheidingen waarvan ik sprak aan het begin zijn de volgende:

1950: Geboren.
1959: Mijn broertje verdrinkt en de familie verhuist.
1960: Andere veel slechtere lagere school; ik moet een bril dragen
1969: De familie verhuist naar Landsmeer, en ik raak serieus geinteresseerd in logica en filosofie, via Hermans, Wittgenstein, Russell en Beth.
1970: Ik kom een Sleep-In te leiden,  woon vanaf 1970 zelfstandig op een zolderkamer in Amsterdam, en geef politek op als manier om de samenleving te verbeteren, en verlaat de CPN.
1979: Ik word ziek met de ziekte van Pfeiffer, net als de vrouw waarmee ik samenwoon, en we worden allebei niet meer gezond.
1980: Mijn ex en ik verhuizen naar Amsterdam, en raak betrokken bij de studentenpolitiek in de UvA, en richt iets later met enkele een  studentenpartij op, die ook met een zetel in de universiteits- raad komt. Ik bezet die zetel niet, want heb er te weinig energie voor.
1989: ik leer de naam van de ziekte waaran mijn ex en ik worden geacht te lijden sinds 1979: Myalgische Encephalomyelitis en wordt daarmee gediagnosticeerd.
1990: Ik begin fysiek in te storten door de geluidsoverlast van drie kroegen binnen 15 meter, en één coffeeshop, gelijkvloers waar ik woon, alle vier met een terras open tot 1 uur 's nachts tussen April en Oktober.
1999: Laatste jaar van de 20ste eeuw, indien geteld vanaf 1900, en eerste jaar van ME in Amsterdam op mijn site.
2000: Ik word wat frisser maar verniel dat weer door me een half jaar lang teveel in te spannen met het proberen te onderbouwen van originele ideeën over logica en natuurkunde.
2009: Publikatie van rapport in Science over later weerlegde relatie tussen een retrovirus en ME/CFS en begin van drie jaar lezen over en rondom ME/CFS dat ik tot dan overwegend naliet omdat ik geen medicus ben en tot Juli 2009 geen snel internet heb.

Jan 6, 2013:
Wat typefouten verbeterd en iets ingevoegd, en een paar links toegevoegd.

---


About ME/CFS (that I prefer to call M.E.: The "/CFS" is added to facilitate search machines) which is a disease I have since 1.1.1979:
1. Anthony Komaroff

Ten discoveries about the biology of CFS(pdf)

2. Malcolm Hooper THE MENTAL HEALTH MOVEMENT:  
PERSECUTION OF PATIENTS?
3. Hillary Johnson

The Why  (currently not available)

4. Consensus (many M.D.s) Canadian Consensus Government Report on ME (pdf - version 2003)
5. Consensus (many M.D.s) Canadian Consensus Government Report on ME (pdf - version 2011)
6. Eleanor Stein

Clinical Guidelines for Psychiatrists (pdf)

7. William Clifford The Ethics of Belief
8. Malcolm Hooper Magical Medicine (pdf)
9.
Maarten Maartensz
Resources about ME/CFS
(more resources, by many)



       home - index - summaries - mail