Nederlog

 

23 november 2009

 

Hoe "de samenleving" omgaat met dissidenten (Minnebrieven)

 

     "Poets and philosophers are  the unacknowledged legislators of the world".
      - Shelley, geciteerd in Wallas's Art of Thought

      "Ah me! alas, pain, pain ever, forever!

No change, no pause, no hope! Yet I endure.
I ask the Earth, have not the mountains felt?
I ask yon Heaven, the all-beholding Sun,
Has it not seen? The Sea, in storm or calm,
Heaven's ever-changing Shadow, spread below,
Have its deaf waves not heard my agony?
Ah me! alas, pain, pain ever, forever!
"
     - (Shelley, "Prometheus Unbound")
       geciteerd in mijn CV

      "It was from this time that I developed my way of judging the Chinese by dividing them into two kinds: one humane and one not. It took an upheaval like the Cultural Revolution to bring out these characteristics in people (..)"
     - (Jung Chang)
     "Jesus Christ explained very clearly that to act morally is to go to Golgotha. Many people still prefer to go to the Golgotha. Without them mankind would simply not exist! Even progress would not exist. It is a struggle. Many and many have sacrified their lives, their happiness and comforts, for their moral principles. What is sad today is that few people are willing to sacrifice in the name of moral principles."   
     - Alexander Zinoviev

Opgedragen aan mijn grage sadistische beulen,
het verdierlijkte menselijk tuig
dat in Amsterdam en in Neerland
met liefde en toewijding Ombudsman zijn,
voor de moordzuchtige & vergassende drugshandelaars,
en al doende hun beestachtige sadistische perversies
botvieren op mensen die zich niet kunnen verweren.


Inleidende opmerking: Gisteren had ik het over Ai Weiwei, die de grote moed had op te treden voor de slachoffers van de aardbeving in China in 2008. Op het BBC-World Service nieuws van vandaag was te horen dat een andere Chinees, met dezelfde moed, maar zonder internationale status, tot drie jaar gevangenisstraf is veroordeeld, volgens de vrouw van de veroordeelde, "in revenge" - omdat zijn moed de lokale autoriteiten niet beviel.

Dit vervolgt stuk het stuk van gisteren, en sluit zeer nauw aan bij ME in Amsterdam, en bij de diagnose van de meerderheid van mijn medemensen waar ik na 32 jaar pijn lijden, discrimatie, grove beledigingen van mij en mijn familie, herhaalde moorddreigingen door Amsterdamse ambtenaren; vijf maal herhaalde zeer geloofwaardige moorddreigingen door de Amsterdamse burgemeesters beschermde moordzuchtige bij mij inpandige harddrugshandelaren, met koppen, neuzen en kluizen vol cocaine, met vuurwapens en vechthonden, en na tweendertig jaar weigeren van bijna alles en bijna iedereen in Nederland waartoe ik mij gewend om enige hulp, bij erkende ziekte, hulp tegen een bekende inpandige gek, hulp tegen erkende harddrugshandelaars, hulp na een bewezen vergassing die ik ternauwernood overleefde, hulp vanwege erkende serieuze invaliditeit, vanwege voortdurende pijn, vanwege dekadenlange armoede, vanwege moorddreigingen, vanwege mijn bewezen briljantie om maar te mogen kunnen promoveren, ALLES tweendertig jaar zonder enig resultaat dan chicanes, verdere moorddreigingen, en van leugens, leugens, leugens, nogmaals leugens en dekadenlang sadisme van direct persoonlijk betrokken functioneel anonieme ambtenaren toe ben gekomen ....

.... ik kan nu al 32 jaar kreperen wat Amsterdam en Nederland betreft: Ik wijk af van de doorsnee; ik lieg niet, bedrieg niet en ben daarom niet rijk: Ik kan voortgaan met pijn lijden! Hulpeloos! Want ik had de moed mij te verzetten tegen de runering van het onderwijs in Nederland, en tegen de drugshandel in Amsterdam!

Achtergronden:

Uit het laatste stuk citeer ik de volgende letterlijke precieze waarheid, mede ten behoeve van mijn grage fascistische terroristische beulen en beestmensen van de Amsterdamse Ombudsman, een tekst die mijn grage beulen de gedegenereerde fascistische terroristische beulen en beestmensen van de Amsterdamse Ombudsman Sterk, Perrels, Van de Pol, 

2. Mijn situatie sinds 21 jaar

Mijn vader overleefde bijna 4 jaar Duitse concentratiekampen als veroordeelde 'politieke terrorist', en kon daarna nog een familie stichten, waarin ik als oudste zoon geboren werd, en 20 jaar werken als bouwvak-arbeider, waarna hij gepensioneerd werd met een verzetspensioen, en hij organiseerde met het Sachsenhausen-comit in de laatste 20 jaar van zijn leven tentoonstellingen over het verzet, de kampen, en het gevaar van heropkomend fascisme, die uiteindelijk uitmondde in de zogenaamde Nationale Verzetstentoonstelling, die vele keren in vele plaatsen, zoals het Koninklijk Paleis op de Dam en de Dom te Utrecht, gestaan heeft, en waarvoor mijn vader, vlak voor zijn dood, op het stadhuis van Amsterdam, geridderd is;

Ikzelf overleefde bijna 4 jaar, als niet-erkende invalide met ME, geluidsoverlast, moordbedreigingen, terreur en een vergassing waar ik net niet aan overleed, wonend boven een harddrugshandel vermomd als coffeeshop, met vergunning van burgemeester Van Thijn voor het raam om in drugs te handelen, en ben in hetzelfde jaar als ik vergast werd voor de derde keer van de Gemeentelijke Universiteit verwijderd vanwege "uw uitgesproken ideen", en heb sinds dat jaar, en na nog 3 jaar terreur en overlast, waarin mijn toch al niet goede gezondheid radikaal geruneerd zijn, voortdurend pijn, en ben ook al 20 jaar klagend over de terreur, de vergassing, en de verwijdering, bij zowel de gemeente Amsterdam als de gemeentelijke UvA, en krijg al 20 jaar geen antwoord: Men is systematisch en universeel persoonlijk onaansprakelijk en persoonlijk onverantwoordelijk bij de gemeente Amsterdam en de UvA - en ik heb geen familie kunnen stichten, heb de diepste legale armoede geleden, heb geen enkele hulp gekregen, heb zelfs geen enkel antwoord gekregen, behoudens dat ik geen antwoord krijg vanwege mijn taalgebruik, dat dusdanig "grievend en/of beledigend" zou zijn dat het Amsterdams burgemeesters en wethouders ontslaat van de plicht de Nederlandse wet te handhaven, gelijk als in het geval van gedoogde soft- en harddrugshandel (want de gemeente-politie van Amsterdam weigerde ook daartegen mijn klachten in behandeling te nemen), en ik mocht ook, ondanks mijn bewezen en erkende briljante verstand, niet promoveren, en werd door de GGD en namens B&W naar het Leger des Heils verwezen toen een vooraanstaand universitair professor (sindsdien gemigreerd) daar om vroeg.

In een land en een stad waarin dat mogelijk is, wil ik niet leven, en geen belasting betalen: Ik wil hier weg.

Omdat mijn gezondheid kennelijk voorgoed en volledig geruneerd is boven genoemde drugshandel, heb ik daar een aanzienlijke schadevergoeding voor nodig, was het alleen maar om mij een pensioentje te verzorgen als Jo Ritzen, n van de integere runeerders van het onderwijs, of als Bob de Hon, die mij van de universiteit liet verwijderen vanwege mijn kritiek op de runering van het onderwijs.

Het probleem is echter dat ik al 20 jaar, sinds ik mij persoonlijk met mijn klacht wendde tot de persoonlijke portier van drs. Ed van Thijn, burgemeester uit naam van de Februaristaking, die mijn ouders ontmoet heeft, en die nogal wat te danken heeft aan de tentoonstellingen waarvoor mijn vader geridderd is op het stadhuis van Amsterdam, eenvoudig geen antwoord krijg op mijn klachten, hoe ik zo ook stel, gemoduleerd in welke beleefdheidsfrases ook.

En hier is dan bij wijze van inleiding tot die positie Multatuli's derde sprookje uit Minnebrieven, kennelijk geschreven in net zo'n helder moment als ik had na de brief van de gedegenereerde fascistoide beestmens, harddrugshandelaarsbeschermster, grage vergasser, en toegewijde sadiste, mijn beul Nora Salomons, waarvan u hieronder dan ook de hartewensen en gebruiken van het idem toegeruste voorgeslacht kunt lezen (*).

      ~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~

D e r d e  S p r o o k j e.

   Komt mee, komt mee, daar wordt 'n man gekruist,
   Daar is wat schoons te zien op Golgotha!
   Werpt beitel neer en spade, o burgerlu,
En roept uw dochters en uw knapen van hun spel,
   En laat uw werk, uw werk maar, voor van-daag!
   Werpt hamer, troffel, schaaf en weefspoel neer!
   Komt allen mee . . . daar is wat fraais te zien!
   Komt allen mee . . . hoerah voor Golgotha!
     
Hoerah, hoerah voor
Golgotha!

   -- Dat zal, by God, wat schoons zyn deze keer!
   Hy schynt nog jong, en heeft iets in z'n blik
   Dat taaiheid aanduidt . . . zie, daar zygt hy neer:
   Hy schynt toch zwak te wezen! 't Kruis is zwaar . . .
   Ik hoor: het is van 't allerbeste hout! Men zegt,
   (Maar Nathan, of het waar is, weet ik niet!)
   Ze zeggen dat hyzelf het heeft geleverd,
Toen hy als timmerman nog aan de schaafbank stond . . .
   Want, buurman, vr hy, 'k weet niet wt, misdeed,
Ja, f hy iets misdeed zelfs, Nathan, weet ik niet . . .
   Maar vr hy deed wat men hem euvel nam,
Was hy een timmerman als wy.
-- Hoe heet de man?
-- Dit weet ik waarlyk niet, men zegt hy is hanootzri . . .
Ofwel, zyn vader was hanootzri. *) Hy lykt zwak
   Voor zulk 'n ambacht, maar z'n werk was goed . . .
   Hy struikelt weer . . . (Op-zy wat, Jchaz!
   Ei, laat my ook wat zien . . . ge dringt me weg,
Of 't heele schouwspel waar voor u alleen!) Hy zweet:
   Ik zeide u wel dat hy niet sterk was, Nathan,
Maar toch geloof ik dat hy taai is, en ons niet
   Bedriegen zal, als laatst die and're dief
Die pas 'n half uur had gehangen, toen z'n hoofd
Op-zy knikte . . . en 't was uit! Hy sprak geen enkel woord
Dat ons beloonde voor de moeite. Waart ge er by?
   (Houd kleine Mirjam wat omhoog, Jochbed!)
   Zeg, waart ge er by, o Nathan ben Daoud,
Toen ons die dief bestal voor zooveel moeite om-niet?
   -- Ik had dien dag een splinter in myn voet,
   En dus geen lust in uitgaan of vermaak,
   Maar 'k heb gehoord . . .
-- Ik was er by, vriend Nathan!
   Ik droeg m'n opperkleed van groene zyde,
   En had m'n tulband op van kashmirstof,
   Omdat die koel is . . . zie, hy struikelt weer,
   Maar staat weer op. wat zeide ik ook het laatst?
-- De dief die u bedroog. . . -- Ik weet al. Nu, dien dag
   Was 't warm als heden . . . neen, z warm was t niet!
   Want . . . vindt ge 't niet ontzettend heet van daag?
   De zon brandt me op den schedel. 't Rouwt me wl
Dat ik m'n tulband niet verruild heb voor m'n kashmir,
   Die licht van kleur en koeler is . . . dat doet de haast:
   Ik gunde my geen tyd -- daar valt-i weer --
   Ik heb er spyt van: Golgotha is vr!
   Zoo'n donk're zuigt de warmte broeiend in,
   En drom heb ik spyt dat Golgotha zoo vr is . . .
   Wat zeide ik ook het laatst? -- Die slechte dief . . .
-- Ik bn er! Uren liep ik mee, en hygde als nu . . .
   (Vervloekte hitte . . . dring zoo niet, Jchaz!)
   Ik was vermoeid vr halfweg . . . en de dief
   (Let wel hoe schand'lyk ons die man bedroog)
   Liep met z'n kruis, als waar 't 'n palmtak, voort!
   Hy zweette niet, en is niet ns gestruikeld . . .
   Maar toen-i hing, was 't daad'lyk met hemuit!
   En deze -- zie, hy struikelt weer -- en deze
   Is niet zoo zwaar van bouw, zoo forsch van leest. . .
   Hy schynt wel teer van spieren . . . doch zyn blik
   Toont dat-i veel geleden heeft en droeg,
   Maar dat-i langen tyd nog lyden kn!
   'k Ben zeker dat hy spreken zal aan 't kruis,
   En dit is juist het aardigst van de zaak!
   De kindren gaan, om dt te hooren, mee . . .
   Die andre dief was dood, vr nog m'n vrouw
Die trager liep -- omdat ze zwanger was, dien tyd,
   Van Mirjam -- (houd het schaapje omhoog, Jochbed!)
   Die dief was dood, vr zy daar aankwam, Nathan!
   En ieder zeide dat het schande was!
   (Geef Mirjam my, Jochbed! Hier, m'n kind,
   Hu . . . huup . . . op vaders schouder! Kunje zien?
   Sla 't kleine handje z . . . om vaders hals,
   En houdje vast!) Wat zeide ik ook het laatst?
   -- Die and're dief . . .-- Ik weet al! Heel de buurt
Was op de been gekomen, om dien man te zien.
   Daar waren met ons, Ruben, Ephram,
Bana met de kind'ren, Hiddal ben Elia,
De dochters van Urias, Schmoel de wisselaar . . .
   (Ik zie hem juist, hy werpt den man met drek)
   Hy is 't, die laatst verjaagd werd uit den tempel,
   Omdat hy schacherde in Jehovahs huis . . .
   -- Wie jaagde 'm weg? -- Ze zeggen zekere Ischa . . .
   Jeshoeh, zoon van Joszof, uit 'n groot
Geslacht, die met 'n zweep hem voortjoeg als 'n hond,
En t goud -- en zilverkraampje omver smeet, dat de munt
   Links, rechts wegspringend, neertikte op den grond
En rollend wegstoof onder t volk . . . -- Wie gaf hem recht
Tot zulk 'n groot gezag? -- Dit weet ik, Nathan, niet!
Maar 't is niet goed te schachren in Jehovahs huis!
   Myn Ephraim . . . maar, Nathan ben Daud,
   Ik zeg 't u in vertrouwen, en ik hoop . . .
   (Daar werpt weer Schmoel den kruisman met z'n drek)
Wat zeide ik ook het laatst?  -- Ge spraakt van Ephram,
   En van de wiss'laars in den tempel . . .
   Ik zeg 't u in vertrouwen, en ik hoop
   Dat ge my niet verraden zult! M'n zoon
   Die 't aanzag, wyl hy juist 'n handel sloot,
   Heeft, ylings bukkend, als om hulp te bin
   In 't zoeken -- maar verklap my niet, Ben Daud! --
   Hy heeft met scherp gezicht en vlugge hand . . .
   In 't kort, zyn handel was gezegend op dien dag:
   Hy kwam met dertig zilverlingen t'huis!
Geloof me, Nathan, die Ben Joszof had gelyk . . .
   't Is ongeoorloofd dus Jehovah's tempel
   Te ontwyden met n goud- en zilverkraam:
   Jeshoeh ben Joszof had groot gelyk!
   't Is drom ook dat Ephram, m'n zoon,
   Hem altyd zoekt en naloopt . . . of hy weer
Ter zuivring uitgaat van Gods tempel, met n zweep . . .
   Maar sinds 'n week heeft hy hem niet gezien . . .
   (Daar werpt die Schmoel den kruisman weer met drek)
      -- Die andre dief . . .
-- Ja, juist! Wy allen gingen mee, de heele buurt . . .
   En toen-i hing, was 't daadlyk uit, Ben Daud!
   (Och kleine, druk zoo zwaar niet aan m'n hals!)
   't Is warm -- hy struikelt weer -- hy schynt vermoeid . . .
   Ik zeg u, dit beteekent niets, vriend Nathan!
   Ge weet, hoe 't hout dat makklyk buigt, niet breekt,
   En hoe het harde knakt by 't minste buigen:
   Z ook die man . . . ik zeg u, hy is taai!
   -- Eilieve, zie . . . die vrouw! Zou dat z'n vrouw zyn?
   De vrouw die schreiend volgt en neergebukt,
   Als-of zyzelve 't kruis droeg op haar schouder!
   Ze steekt de magre hand gedurig uit,
Als wilde zy den kruisman schragen. Is 't zn vrouw?
   -- Dit weet ik waarlyk niet . . . ze schynt my te oud.
   En bovendien . . . ik zie geen kindren! Neen,
   Dat is gewis zn moeder . . . zie, ze waggelt!
   Ik heb zoo vaak zoo'n kruisweg meegemaakt,
   (De kind'ren zyn er dol op, de arme schapen!)
   En altyd opgemerkt, dat wie 'n vrouw heeft
   En kindren, die naar 't kruis hem weenend volgen,
   (Wees rustig, Mirjam: vader is vermoeid!)
   Zoo taai niet is als deze, Nathan ben Daud!
   Ik zeg u nog-eens: deze man is taai:
   Een vader zou zoo taai niet wezen, Nathan!
   Hy is wat moe van 't gaan, maar als hy hangt,
   Is dit terstond voorby! Vriend Nathan, help me 't kind
   Eens overzetten, op dien andren schouder . . . z!
Het drukt zoo op-den-duur, al schynt het ligt in t eerst!
   (Zit stil, mn kind!) Ja, deze is wat vermoeid,
   Misschien wat zwak ook door het bloedverlies,
(Schuif niet zoo heen-en-weer, m'n kind, dat doet me pyn!)
Men zegt dat-i gegeesseld is . . . Ziet ge zyn rug?
   Tracht heentekyken over 't volk, vriend Nathan!
-- Ik heb Jchaz voor my . . . -- Kunt gy 't zien, Jchaz?
   -- Ik zie alleen den top en d'arm van 't kruis
Dat sling'rend voortschuift als-i waggelt, maar verdwynt
   Zoodra hy neerzwikt . . . zie, daar valt het weer,
En ryst nu langzaam weer omhoog! -- Dat zie ikzelf
   Zoo goed als gy dat ziet, Jchaz! Maar ik wensch
Te weten of zn rug . . . zoo'n kind is vreeslyk zwaar!
Wees niet zoo woelig, kleine: uw vader is vermoeid . . .
   Kunt gy z'n rug zien, kind, z'n naakten rug?
   Den rug des mans, die ginds dat kruis draagt, kind,
   En die door Schmoel geworpen wordt met drek?
   Ik houd u hoog . . . zie goed . . . maar zie wat snel,
Omdat ik moe ben, Mirjam! Nu? -- Die rug is rood . . .
   -- Ge hoort het, Ben Daud . . . dt maakt hem zwak . . .
   Men heeft hem eerst gegeesseld: dat maakt zwak!
   Maar 't gaat wel ver, als-i hangt. Hy zal
   Gewis zoo gauw niet knikken met het hoofd . . .
   (Zit stil, m'n kind, ge drukt me ontzettend zwaar!)
   Ik zeg u, Nathan, deze man is taai!
   't Is jammer dat ik niet m'n Kashmir heb . . .
   (Zit rustig, kind, of vader zet u neer:
   Ik ben vermoeid!) En ieder zei, Ben Daud:
   Het was n schande . . . ddlyk was het uit!
Maar deze zal zoo gauw niet sterven aan het kruis,
   Hy zal gewis wat spreken voor-i knikt!
   Dat praten dan de kindren jub'lend na,
   En maken grappig spel van wat-i zeide,
   En spelen kruisman, weken naderhand!
   Dit beurt wat op, in dezen slechten tyd!
Maar als-i zwygt aan 't kruis, is 't niet de moeite waard
   Zoo vr te gaan -- het is zoo vreeslyk heet:
   Als 't weer gebeurt, zet ik m'n Kashmir op! --
   Ik zeg u dat-i taai is Ben Daud!
   Hy valt weer . . . dit is niets! Wacht tot-i hangt,
   (Zit stil, Mirjam!) dan zult ge zien en hooren . . .
   (Neem 't kind terug, Jochbed: ik ben moe . . .
      Maar houd het schaapje omhoog . . .
   Komt mee, komt mee, daar is wat schoons te zien!
   Komt allen mee . . . daar wordt 'n man gekruist!
   Wat hy misdeed? 'k weet niet wat hy misdeed,
   Er zyn er zelfs die zeggen dat-i wl deed . . .
   Maar dit 's om t even! Werpt uw grootboek neer,
Vergeet uw koffi en uw suiker, burgerlui . . .
Uw beurs, uw oefning, en uw monsters van tabak,
   Uw winkel van gestolen kruinierswaren,
   Uw Evangelie en uw batig saldo!
Laat liggen voor 'n wyl uw handel en moraal,
Theologie . . . moderne, antieke . . . 't heele zoodje!
   Neem uit de kast uw deftigst opperkleed,
   Bedas uw hals met allerwitst batist,
   En laat uw werk, uw werk maar, voor van-daag,
En roept uw knapen en uw dochters van hun spel . . .

   Komt mee, komt mee, daar wordt 'n man gekruist!
   Daar is wat schoons te zien op Golgotha!
   Ik zeg u dat-i taai is, die daar gaat . . .
   Hy zal zoo gauw niet knikken met het hoofd . . .
   Hy zal, by God, aan 't kruis niet zwygend sterven!
   En voor uw kind'ren zal 't de moeite waard zyn
Te hooren -- en het ntepraten wat-i zegt!
   Beloof hun vry en vroolyk kruismansspel,
   Dat beurt wat p in deze slechte tyden!
   Ik zeg u dat-i taai is, deze man,
   Dat hy ons niet bedriegen zal, als laatst
Die andre dief, die daadlyk knikte met het hoofd,
   En toen was 't uit! Maar deze man is taai,
Al schynt hy zwak van bouw. Het is hem aantezien
   Dat hy veel droeg, maar kracht heeft mr te dragen,
   Dat hy veel leed, maar lang nog lyden kn!
   Hy spreekt reeds . . . luister: ,,Eli Sabactani!'' 
   Hy roept Elias . . . kind'ren, bauwt hem na,
   En sart hem, dat hy ng wat zegge aan t kruis,
   En krabt met lange nagels in z'n wonden . . .
   Of beter, werpt hem -- als vriend Schmoel -- met drek:
   Licht slikt hy walging minder goed dan pyn!
   Hu . . . huup . . . omhoog uw kindren! Dat ze 't zien
   En dat ze 't hooren, hoe de kruisman spreekt,
   Om stof te gaeren voor hun kruismansspel . . .
   Komt allen mee! Hoerah voor Golgotha!
      Hoerah, hoerah voor Golgotha!

   Komt mee, komt mee, daar wordt 'n man gekruist!
   Roept Ruben hier, en Nathan ben Daud . . .
   Klaas, Jakob, Nafthali, Albertus! Elizer . . .
   De dames en de heeren uit de buurt,
Verwanten, neven, nichten, broeders, en de rest,
Behouders, Liberalen, mannen van de beurs,
En van de balie of den kansel! Kontraktanten
En Vry-arbeiders, oppozitie en ministers,
De leden van de Tweede-Kamer in den Haag,
   En wie er rusten kan, na slecht regeeren,
   En wie geen tyd had om z'n plicht te doen,
   Maar ligt nu tyd heeft voor 'n grappig schouwspel.
Roept Mozes, Issaschar en 't heele Willemspark,
   Piet, Paul, Ezechiel . . . roept al wat naam heeft,
   Roept wat gedoopt is, of besneden, mee!
   Roept al wat juicht: ,,ik dank u voor myn braafheid!''
   Roept al wat kermt: ,,wees my genadig, Heer!''
Roept wat verdoemd is, en wat deel heeft aan genade,
Wat loopen, zien en hooren kan (al is 't wat heet!)
   Jezuten -- protestantsche of katholieke --
Van de orde of niet van de orde. Vrye-metselaren,
   Die over t goede, schoone woorden spreekt,
   Maar u onthoudt van stryden tegen t kwaad!
Gy die u kind'ren noemt der weduw, maar uw hand
Niet uitstrekt om het kruis te dragen van haar zoon!
   Roept al wat bidt of schachert in den tempel,
   Al wat er wacht op Nabi Issahs zweep!
   Al wat met scherpen blik en vlugge handen
   Hem nasluipt -- of er soms te grissen viel
   Van 't geld dat rollend wegstuift onder t volk --
En later meepraat over stelsels en principes!
   Roept al wat vet werd van gestolen spys,
   Al wat er pocht op linzen-eerstgeboorte,
   Al wat 'n gouden kalf in 't wapen draagt,
   Al wat er knaagt aan Insulindsche knoken,
   Al wat er zuigt aan de Insulindsche koe,
   Al wat er hangt aan d'afgestroopten tepel,
   Al wat er zwelt van 't afgezogen bloed!
   Komt allen mee . . . Jochbed met de kleine . . .
   (En houd vooral het schaapje omhoog, Jochbed!)
Roept Janszoon, Pieterszoon, Ben Levi, Ben Daud . . .
   Ben . . . dit, Ben . . . dt, Ben . . . ieder!
                                                      Roept ook Schmoel . . .
   Ja, Schmoel vooral, en Judas Judaszoon!

   Komt allen mee, komt mee naar Golgotha!
   By God . . . daar is van-daag wat schoons te zien!
   Komt allen mee, daar wordt 'n man gekruist!
   Komt mee, komt mee . . . Hoera voor Golgotha!
  
   Hoera, hoera voor Golgotha!

Ik ben wat moe, m'n beste Tine!

*) Hanootzri = Timmerman.

      ~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~

Tot zover de tekst + noot van Multatuli's Minnebrieven. Als u het nog niet begreep: Multatuli liep, net als ik, keihard tegen het ingeschapen sadisme van Otto Normalverbraucher-zu-Durchschittsmensch aan, dat alleen maar in hogere en verfijmde vorm in Otto's neven en nichten bureaucraten schuilt, waar het, in landen met totalitair bestuur of een totalitaire bevolking, zoals resp. China en Nederland, De Norm En Waarde blijkt, in de alledaagse bestuurlijke praktijk, en tegen alles en iedereen die niet zo laf, laag, lam en stompzinnig als de doorsnee is of die de moed heeft zich te verzetten tegen misdadige of corrupte bestuurders, ambtenaren of rechters.

Dit is dan ook voor een flink deel wat er achter de eeuwen en eeuwen en eeuwen voortdurende massale moordpartijen en vervolgingen steekt, die inderdaad voornamelijk verricht worden door gewone mensen, al worden ze aangestoken door buitengewone schoften:

De meerderheid van de doorsnee voelt vrijwel alleen medemenselijkheid en empathie met de leden van de eigen groepen; de meerderheid van de doorsnee is conformist, volgeling, en eerlijk collaborateur van de machthebbers; want de meerderheid van de doorsnee is te dom om de leugens, het bedrog of de waanzin van hun bovengestelden te doorzien, en in ieder geval niet bij machte het persoonlijk te weerstaan of redelijk en rationeel te weerspreken of weerleggen.

Het is helaas niet anders - en vandaar mijn eigen On a fundamental problem in ethics and morals (het vaakst neergeladen bestand op mijn site, sinds jaren!): doorsnee mensen weten niet beter, willen niet beter, en kunnen niet veel beter dan ze doen, en hun (mede-)menselijkheid is waarachtig Orwelliaans:

"Actions are held to be good or bad, not on their own merits but according to who does them, and there is almost no outrage - torture, the use of hostages, forced labour, mass deportations, imprisonments without trial, forgery, assassination, the bombing of civilians, which does not change its moral colour when it is committed by 'our' side."              
(The Collected Essays, Journalism and Letters of George Orwell, vol 3, p. 419)


P.S. Morgen meer, want ik lag de afgelopen dagen weer, tot grote vreugde van mijn  evidente sadististische beulen van de Amsterdamse Ombudsman, met veel pijn en moeheid op bed.

En zie ook Heldhaftig Krisisberaad in Kabinet van Burgemeester Cohen, waar ik inga op achterliggende kwesties, motieven en moraliteit.

Noot

(*) Ik ben de "toevallig besneden" geheel athestische vrijdenkende zoon van communistische verzetshelden die niet aan Goebbelsiaans racisme geloofden, zomin als ik - maar het zou mij geheel niet verbazen als de grage sadistische vergassers en beschermers van de Amsterdamse harddrugshandelaren Van Thijn en Salomons, om van Cohen, Oudkerk, en Asscher niet te spreken, uit verziekte ex-concentratiekamp-families komen, waar ze vanaf hun vroege jeugd SM-spelletjes en concentratiekampje speelden (geheel anders dan in mijn familie) en onder andere daarom net zo'n soort zelfbeeld hebben als sommige extremistische rechtse Israeli's, dat erin bestaat dat hun persoonlijk alles toegestaan is, in vergelding tot wat "hun volk" aangedaan is, en dat Joden - zoals het Oude Testament leert - met zegen van Jahweh ook, een menselijke klasse apart zijn, en een soort door de Joodse Godheid benoemde bermenschen.

Ikzelf geloof geheel niet in racisme en geheel niet in "een Joods ras" - mijn grootvader is vermoord, mijn vader doorstond bijna 4 jaar concentratiekamp omdat zij dit niet geloofden noch accepteerden - maar het is helaas wel zo dat sommige gelovige Joden, inclusief een toch zeer intelligent en geleerd man als Talmon - zie mijn Arendt en Heidegger - zoals ik tot mijn verbazing uitvond, evenals Peretz Bernstein, die ik eerder besprak in "Over Groepsdenken (en Joodse identiteit)", dat helaas wel deden.

Het spijt me, maar ook dat is een soort racisme - maar het zou me in het geheel niet verbazen als dit de uiteindelijke gestoorde, in mijn ogen ook gedegenereerde, geestelijke achtergrond is van de zo vaak herhaalde au fond racistische leugen uit de drugscorrupte immer liegende muilen van Van Thijn en Oudkerk is dat zij "de Joodse identiteit" zouden hebben "al heb ik het geloof niet".

Zeg nou eens eerlijk, o mijn grage gore gemeentelijke vergassers, o mijn grage beulen en grage harddrugshandelaar-beschermers Van Thijn en Oudkerk: Wat jullie bedoelen is toch "Eigenlijk zij wij bermenschen - en ons is alles toegestaan, vanwege wat onze families is aangedaan", nietwaar?

En vandaar jullie bescherming van de Amsterdamse drugshandel toch ook, nietwaar?! Natuurlijk samen met het prettige feit dat het illegaal veel oplevert, ook aan corrupte B&W'ers?!

Want ieder verstandig minimaal terzake kundig eerlijk Nederlander heeft toch al sinds dekaden gepleit voor legalisatie van drugs - maar dat kost het drugscorrupte B&W van Amsterdam en de gedegenereerde ambtelijke Amsterdamse bestuurselite waarschijnlijk persoonlijk vele miljoenen per jaar, in baar goud of op geheime bankrekeningen.

En vandaar dat geen Amsterdams burgemeester, geen Amsterdams wethouder, en geen Amsterdams rechter ook, het ooit in zich vond om te pleiten voor legalisatie van drugs?! Liever vele jaarlijkse drugsdoden; liever duizenden hopeloos verslaafden, alles vanwege de lieve illegale giga-winsten, nietwaar, o mijn grage beestachtige vergassers?!

Toch? Dat blijkt toch al dertig jaar in de feitelijke Amsterdamse drugspraktijk?! Ondanks de mooie leugens van de degeneres die daar de bestuurlijke macht hebben?!

Maarten Maartensz

        home - index - top - mail