\ 

Nederlog

 

5 oktober 2009

 

Popper in gruzelementen

 

Men moet weten dat het lichaam van Popper bestond uit een lange borst met kinderbeentjes; daarop balanceerde een reuzenhoofd met een mond waar overdwars een telefoonboek in past, daarboven een gok en olifantsoren aan beide zijden, wier afmeting verder toenam vanaf het moment dat Popper eraan begon te trekken in de overtuiging zijn doofheid langs deze weg te kunnen bestrijden.

-- dr. F. Muller: "Gissen en Missen" p. 17-8

Laat ik het weer eens over filosofie hebben, bij wijze van afwisseling, en omdat ik een aardig stuk van F. Muller vond over Sir Karl Popper, dat u verstandig doet te lezen indien u - bijvoorbeeld - een sociale wetenschapper bent die gelooft dat Sir Karl de mensheid veel geleerd en te leren heeft gegeven, en tal van filosofische raadsels voorgoed heeft opgelost, of anderszins onder indruk bent of was van deze denker. (*)

Het stuk heet Gissen en Missen - Over de psyche en populariteit van Karl Popper en de geschiedenis van de XXste eeuw, en u vindt een niet-bekorte versie via de link in pdf-formaat (157 Kb), die ook meedeelt dat een bekorte versie ervan in oktober 2008 in De Gids is verschenen.

Ik geef eerst een paar achtergronden en dan een stel citaten, die ik vooral zal kiezen met enig leedvermaak en ter lering, en wel zo dat ook de filosofisch naieve lezer enig idee krijgt van heel de mens Popper, omdat ik geen zin heb hier diep in te gaan op de arcana van Popper en ook niet op de kritiek daarop, was het alleen omdat goed begrip redelijk wat kennis vooronderstelt.

Karl Popper werd ik voor het eerst gewaar ca. 1969, via Raoul Chapkis a.k.a. Piet Grijs a.ka. Hugo Brandt Corstius, die een heel lovend stuk over hem geschreven had in een Vrij Nederland, met een frase die in mijn hoofd zit als "alles wat zinnig is in dit stuk dank ik aan Karl Popper" (ik kan me vergissen, maar het was zoiets, het is lang geleden, en ik heb de tekst niet beschikbaar).

De voornaamste ideeen waar Chapkis Popper voor dankt - zoals ik me dat 40 jaar later herinner, maar hier zal het wel op neergekomen zijn - waren (1) dat wetenschap voorschrijdt door het falsificeren van de empirische consequenties van de theoretische gissingen van wetenschappers, en niet door het bevestigen a.k.a. verifieren ervan, zoals de logisch positivisten meenden (2) dat dit logisch samenhangt met het elementaire logische feit dat uit "het is waar dat Q volgt uit P" en "Q is niet waar" logisch geldig volgt dat "P is niet waar" maar uit "het is waar dat Q volgt uit P" en "Q is waar" niet logisch geldig volgt dat "P is waar" en (3) dat inductieve generalisaties niet gelden en logische inducties geen onderdeel van de wetenschap (behoren te) zijn, zoals tot dan toe eeuwenlang aangenomen was: wetenschap werkt door gissing en weerlegging, of in Popper's Engelse termen "conjectures and refutations", volgens Popper.

Ik vermoed dat de genoemde driestaps-opsomming van Popper's hoofdideeen deze weergeven zoals velen deze rond dezelfde tijd, dus circa 1969, in de media konden lezen, want Popper maakte toen flink veel opgang, vooral onder mensen die geen filosofen of wiskundigen of natuurkundigen waren, maar wel in filosofie geinteresseerd waren, ook al omdat Popper niet alleen vanwege zijn  wetenschapsfilosofische hoofdwerk "The Logic of Scientific Discovery" opgang had gemaakt, maar ook door een tweedelig boek over sociale filosofie, getiteld "The Open Society and its Enemies", dat vastberaden positie koos tegen allerlei vormen van totalitairisme en tegen tal van denkers die daaraan bijgedragen hebben of voor gebruikt zijn.

F. Muller's tweede alinea, die een deel van de opinies over Popper bij zijn dood beschrijft geeft dit adekwaat weer:

De ene necrologie is een korte jubelbeschrijving van leven en werken van Sir Karl —zoals zijn vrienden hem mochten aanspreken sinds in 1965 het Verenigd Koninkrijk deze genaturaliseerde Oostenrijker in de adelstand had verheven. Deze FBA (Fellow of the British Academy, 1958) en FRS (Fellow of the Royal Society, 1976) word gekernschetst als een wijsgerig hoogtepunt van de 20ste eeuw. Een baanbreker in de wetenschapsfilosofie en een wegbereider in de politieke filosofie. Een polemist die zowel het dialectisch-materialisme, het logisch-positivisme en de psychoanalyse had weten te verwoesten met briljante argumenten. Een diepdenker met een fontein van ideeen op zijn schouders en een kraakheldere schrijfstijl. Toekomstige generaties zullen Popper op het niveau plaatsen waar Aristoteles en Kant vertoeven.

F. Muller werd ik voor het eerst gewaar in de late negentiger jaren via de NRC, waarin hij af en toe over vooral wetenschapsfilosofische onderwerpen schreef, waarin ik ook leerde van zijn proefschrift, waarmee hij promoveerde tot doctor in de wis- en natuurkunde, "Structures for everyone" geheten, dat ik als een van de zeer weinige Nederlanders gekocht en gelezen heb en goed en interessant bevond.

Hij werkt aan de universiteiten van Utrecht en Rotterdam, kennelijk in deeltijd- functies, en ik heb hem ooit een vriendelijk mailtje over zijn proefschrift geschreven, waar hij niet op geantwoord heeft, waarschijnlijk omdat mijn site toen al bestond, en F. Muller weliswaar een intelligente man is, maar tevens  Nederlander en Neerlands academicus is, en die plegen mij te mijden als de pest als ze me niet voor fascist en terrorist uitkafferen en van de universiteit verwijderen.

Kortom... ik begrijp het dus wel, en dr. Muller is getrouwd en heeft kinderen, en heeft zelf ook een interessante site (als u van wiskunde of wetenschapsfilosofie houdt, tenminste), waaruit blijkt dat hij, net als ik, het hart wat meer op de tong draagt dan de meeste Neerlandse academici, en diverse conflicten met academische vakgenoten heeft, waar ik hier niet op in ga, behalve met de opmerking dat ikzelf "Structures for everyone" goed en interessant vond.

Hoe het zij, F. Muller is goed thuis in de analytische en de wetenschaps-filosofie, en lijkt behoorlijk boos op de persoon van Sir Karl, waar hij nogal wat van weet dat mij allemaal niet bekend was, o.a. omdat ikzelf heel snel van zijn ongelijk overtuigd geraakt was door aandachtige lezing van LSD (a.k.a. The Logic of Scientific Discovery).

Zoals Muller's derde alinea vervolgt:

De andere necroloog doet Popper af als een overschatte dramdenker van middelmatig allooi, die alleen een schaar van bewonderaars heeft weten te verwerven onder niet-filosofen. De kleine groep proselieten onder de filosofen lijkt alle eigenschappen te hebben van een sekte verenigd rond een goeroe (...).
De waarheden die Popper verdedigde zijn, goed beschouwd, wagenwijd openstaande deuren: wie te lang door zijn werken wandelt, wordt er vanzelf uitgeblazen door de rondgierende tochthozen. En achter de dichte deuren die hij als eerste heeft geopend was, alle aanvankelijke opwinding ten spijt, bij nadere beschouwing weinig waarheid te bekennen. Toekomstige generaties zullen Popper zeker niet op het niveau plaatsen waar Aristoteles en Kant vertoeven.

Dit is en was ongeveer mijn standpunt sinds 1970, toen ik LSD las en onmiddelijk zag dat Popper's falsificaties alleen uitgevoerd kunnen worden als inductieve generalisaties dat de toekomst - voorzover relevant voor de uitkomsten van de generalisaties - invarant moet zijn feitelijk gelden.

Ik heb dit eerder uiteengezet in Nederlog, namelijk in Popper en Clifford (en Sanders en Ellian) waar u een heldere beschrijving vindt van mijn reactie op Popper, inclusief mijn nogal ontzette en boze noot in zijn hoofdwerk met de portee van de voorgaande alinea uit december 1970.

Dat was dus een grote logische misser van Popper, en zo waren er meer aan te wijzen, zodat Muller overwegend gelijk heeft met zijn

wie te lang door zijn werken wandelt, wordt er vanzelf uitgeblazen door de rondgierende tochthozen

behalve dan dat ik er bij allereerste lezing reeds uitgeblazen werd, en ik aanneem dat Muller er zeer veel meer tijd en geloof aan besteed heeft dan ik, om welke reden zijn afrekening met Popper en zijn denken in 2008 die ik hier bespreek waarschijnlijk de nogal laatdunkende toon heeft die het heeft, overigens volgens mij wel terecht, zoals de lezer hieronder zal bevinden, en trouwens in het openingscitaat al kon zien.

Iets verderop in zijn stuk citeert Muller een man die ik enigszins gekend heb:

Het even daverende als dwarse ‘In Memoriam Karl Popper’ (Amsterdam 1994, ongepubliceerd), geschreven door de Brit Jonathan Dorling — ooit hoogleraar Wetenschapsfilosofie aan de Universiteit van Amsterdam — eindigt met de volgende conclusie:

Uit het voorafgaande zou men kunnen opmaken dat Popper eenvoudigweg een akademische charlatan was. Maar een charlatan moet, ten minste enkele keren, besef tonen van zijn bedrog, en ik denk niet dat Karl Popper ooit dergelijke ogenblikken van zelfinzicht heeft gekend. Ik heb in ieder geval nog nooit enige anekdote gehoord die zulks suggereert

Dorling’s gedenkschrift eindigt met de opmerking dat ”geen wetenschapsfilosoof Popper’s heengaan zal betreuren”.

Ik ken hem als Jon Dorling (niet als "Jonathan") en hij was de professor die me in 1982 een colloquium aanbood over de logica van de quantum-mechanica waar ik iets over of in ontdekt had, in samenhang met negaties.

Jon Dorling was overigens een van de zeer weinigen die althans begreep waar ik het over had met mijn kritiek op de UvA - hij had immers zelf een eersteklas academische opleiding aan een Engelse elite-universiteit genoten, dus wist heel goed wat voor domme en nauwelijks beschaafde waanzin toen de UvA beheerste - en die het overwegend met mijn kritiek eens was (en hij had o.a. de oorspronkelijke voor de Universiteits-Raad bestemde tekst van "Hoeren van de Rede" van mij gehad), maar ikzelf had de indruk dat hij mij een weliswaar interessant en intelligent afwijkend geval vond maar zichzelf voor meer dan sterk, slim en bekwaam genoeg hield om zich zelfstandig in de UvA te handhaven, tegen de stroom in.

Dat laatste was een illusie, zoals ik hem vrijwel onmiddellijk verteld heb, o.a. omdat ik hem een zinnige wetenschapsfilosoof vond en een intelligente man, en hem wilde waarschuwen, en omdat hijzelf een nogal typisch Engelse don was en nauwelijks enig adekwaat idee had van de manieren en praktijken van Neerlandse universitaire bestuurders noch hoe de UvA feitelijk bestuurd werd.

Wat wel aardig was, zij het nogal futiel, was dat hij in die tijd een gigantisch socialistisch-realistische poster van Friedrich Engels in kleurendruk - waarschijnlijk gekocht bij de communistische boekhandel Pegasus - in zijn universitaire werkkamer opgehangen had, kennelijk om de grote meerderheid van als zeer linkse of neo-marxisten poserende studenten en stafleden op stang te jagen.

Ik zag hem voor het laatst in 1991, kort nadat ik gevlucht was boven de drugshandel, en hij bij mij thuis een lang klagelijk verhaal af kwam steken over zijn behandeling aan de UvA, en overigens weet ik alleen dat hij daar sindsdien niet meer werkt en ook weinig of niets meer gepubliceerd heeft (en er wellicht behoorlijk persoonlijk gemangeld is, want de UvA is dekadenlang totalitair bestuurd, met totalitair gedachtengoed, en iedereen die publiek afweek kreeg problemen met de feitelijke machthebbers erin).

Vervolgens wat meer over Sir Karl aan de hand van doctor Frederik, die Sir Karl's maatschappelijk belang en invloed o.a. als volgt aangeeft - en geef toe, lezer, dat dit bepaald niet de minsten of domsten betreft:

De filosoof Popper heeft aanzien verworven bij vermaarde politici, waaronder Helmut Schmidt, Vaclav Havel en Helmut Kohl, bij vooraanstaande wetenschapsbeoefenaren, waaronder de hersenonderzoeker John Eccles, de microbioloog Peter Medawar, bij de natuurkundigen Victor Kraft, Albert Einstein, Erwin Schroedinger, Henry Margenau en Steven Weinberg, de kosmoloog Hermann Bondi, de econoom F.A. von Hayek, de kunsthistoricus Ernst Gombrich, en bij de Hongaarse investeringsmiljonair George Soros, en in het algemeen bij bewonderaars van de wetenschap onder de literatoren, waarbij men in Nederland denke aan Rudy Kousbroek en Karel van het Reve. De geridderde Britten uit dit gezelschap staan bekend als The Popperian Knights.

en wat verderop

Karl Popper dankt zijn faam aan twee boeken, te weten Logik der Forschung: zur Erkenntnistheorie der modernen Naturwissenschaft (1934) en The Open Society and Its Ennemies. Volume I: The Spell of Plato, en Volume II: The High Tide of Prophecy: Hegel, Marx and the Aftermath (1948). Zijn overige boeken bestaan uit herhalingen annex uitwerkingen van wat in deze twee boeken is te vinden. Het tweede boek maakte Popper op slag beroemd en is vrijwel onmiddellijk in het Nederlands vertaald, onder de (vrij vertaalde) titel De vrije samenleving en haar vijanden (1950) — een nieuwe vertaling is pas verschenen, met een letterlijk vertaalde titel. Het eerste boek is nooit in het Nederlands vertaald; het werd pas bekend nadat in 1959 een bewerkte Engelse vertaling was verscheen, onder de (verkeerd vertaalde) titel The Logic of Scientific Discovery.

Beide boeken las ik toen ik koud uit de middelbare school was gerold. Toen wist ik nog minder dan nu. Van filosofie wist ik minder dan niets.

Iets enigszins overeenkomstigs geldt voor mij, behalve dat ik onmiddellijk de bovengenoemde en andere redeneerfouten zag, op mijn twintigste, toen ik overigens Hume, Descartes, Russell en Berkeley al redelijk kende, om van Marx niet te spreken, maar overigens is de bovenstaande samenvatting over Popper waar, en denk ikzelf dat The Open Society Popper's beste boek is. (**)

Even verderop belijdt Muller:

Wat de Nederlandse literatoren betreft: Kousbroek en Van het Reve bewonderden Popper, Jaap van Heerden ook wel; Hermans was zuiniger. Mulisch moest niets van Popper hebben.

Prachtig vond ik dat. Weinig is fijner dan te geloven dat je aan de kant van het gelijk staat en tegelijkertijd in het goede gezelschap verkeert.

De bedoelde Van het Reve is overigens Karel, en ik neem aan dat deze passage een psychologische reden aangeeft waarom F. Muller dit stuk in 2008 schreef zoals hij deed, terwijl ik me nooit bijzonder opgewonden heb over Popper omdat ik hem vanaf 1970 voor een warhoofd hield, althans logisch gesproken. (***)

En inderdaad blijkt dat F. Muller nog in 2002 een naar eigen zeggen "heuse Popperiaanse bijdrage" schreef voor "het Karl Popper Centenary 2002 Congress te Wenen" waar hij vervolgens een zeer cynisch getoonzette sectie aan wijdt, met sarcastische terzijdes over Neerlandse waarachtige integere denksterren als

Professor doctor meester Herman Philipse uit Leiden, die ik hier voor het eerste meemaak, vertelde met fonkelende ogen dat hij in de Residentie van de Nederlandse ambassadeur verblijft. Met zijn vlinderdas, blazer, kortgekapt hoofd, keurige stem en zijn wellevendheid lijkt hij meer op een diplomaat dan op een denker. (...) Zijn kraaloogjes fonkelen van plezier en smeken tegelijkertijd om jaloezie.

Ik vermoed dat het allemaal geheel verdiend is, maar F. Muller zal zich hiermee niet geliefd gemaakt hebben bij de tegenwoordig net als hij aan de Universiteit van Utrecht werkzame professor die juffrouw Ali bekeerde tot het atheisme (en net als dr. F. Muller dekadenlang publiek zweeg over het algeheel verval van het Nederlands onderwijs, terwijl hij er wel uitstekend van at en leefde en er tevens aan onderwees, naar zich in Philipse's geval doet vermoeden, als bij andere geachte en zwaar betaalde Neerlandse academische filosofen zonder de minste intellectuele of morele distinctie, bij voorkeur alleen aan aantrekkelijke studentes).

De daarop volgende sectie 4 opent Muller met

Ontegenzeggelijk heeft Popper oorspronkelijke denkbeelden de wereld in geworpen:

en geeft een fikse opsomming die ik u schenk die hij dan afsluit met

Niemand zal willen betwisten dat deze denkbeelden een grondige analyse en een eerlijke doordenking verdienen. Dat is geschied: deze denkbeelden zijn grondig geanalyseerd en eerlijk doorgedacht, ten gevolge waarvan ze onder een spervuur van kritiek zijn komen te liggen.

Dit laatste is geheel waar, en later in zijn artikel zal Muller bewijsgronden aandragen dat Popper's centrale ideeen helemaal niet van Popper stammen maar van Einstein (uit 1919) en de toenmalige Oostenrijkse leerpsychologie (uit 1929), maar hij merkt geheel nergens in het stuk op dat Charles Sanders Peirce VEEL eerder was met "Popperiaanse" ideeen, en zeer veel zinniger en subtieler was, en dan ook een zeer veel groter filosoof en veel logischer denker dan Popper was.

Hoeveel Popper van Peirce "geleend" heeft weet ik niet, en misschien was het niets, maar wat (overwegend) zinnig of interessant is in Popper's wetenschaps-filosofie is te vinden in Peirce, maar dan in veel betere vorm, in mijn ervaring.

De volgende secties van Muller's stuk behandelen Popper's biografie, die aan de moeilijkheid lijdt dat

Over het persoonlijke leven van vooral de jonge Popper is niets bekend. Iedereen die hem gedurende zijn jeugd te Wenen heeft gekend, is niet meer. Popper heeft eigenhandig al zijn persoonlijke documenten vernietigd.

 In feite blijkt onder anderen dat

Ook Popper’s bewering dat hij “ongeveer twee of drie maanden” een communist is geweest (Unended Quest, § 8) blijkt op gespannen voet te staan met de waarheid (..)

want kennelijk verkeerde hij van 1919 tot 1929 vooral in communistische of zeer linkse kringen in Oostenrijk:

Gedurende een periode van 8 tot 10 jaar leefde hij in een commune, gevestigd in Barak 43 van het ex-militair hospitaal te Grinz, een overblijfsel van WI, waar armoedzaaiers, intellectuelen, revolutionairen en vluchtelingen uit Duitsland en Hongarije een dak boven hun hoofd vonden.

Dit is geheel anders dan Popper het zelf deed voorkomen, zoals hij ook vrijwel geen aandacht besteedt in zijn eigen werken aan het volgende feitje

In 1925 deed Popper, na een korte opleiding tot onderwijzer gevolgd te hebben, zijn intrede in het Pedagogisch Instituut van Karl Bruehler, hoogleraar psychologie aan de Universiteit van Wenen, die de grootste onderwijshervorming aan het doorvoeren was in de geschiedenis van Oostenrijk.

dat namelijk als volgt hoogst relevant is voor Het Denken van Sir Karl:

Bruehler was, evenals de leerpsycholoog Otto Selz, afkomstig uit de Wuerzburger Schule van Oswald Kuelpe. Een kernidee van deze leerpsychologische school was dat kinderen leren door problemen op te lossen, door oplossingen zelf te bedenken, dan wel voorgestelde oplossingen te toetsen. Wie enigszins vertrouwd is met de wetenschapsfilosofie en het kritisch rationalisme van Popper, weet nu waar zij vandaan komen. Zoals een kind met vallen en opstaan zijn omgeving leert kennen, zo leert de wetenschapsbeoefenaar met gissen & missen de wereld kennen.

Het is plagiaat - of althans... Popper paste de theorie die hij geleerd had over het leren van kinderen toe op het leren van wetenschappers, wat wellicht enige originaliteit had, maar dat zonder bronvermelding verre van eerlijk klinkt.

Muller zet een en ander tamelijk grondig uiteen, maar ik sla het hier over en verwijs u naar zijn stuk als u geinteresseerd bent in de genese van Popper's centrale ideeen.

Wat ik niet oversla is het volgende, en wel omdat ikzelf het vreemd vond om in een tekst die over de fundamenten van de wetenschapsfilosofie ging, namelijk de vertaling van Logik der Forschung als The Logic of Scientific Discovery, een fotografische weergave van een handgeschreven brief van Einstein aan Popper te lezen, omdat me dit rijkelijk overdreven voorkwam c.q. als het paraderen met of parasiteren op Einstein's faam.  Er zit dit achter volgens Muller:

Logik kwam, via Popper’s musicerende zuster Anna, onder de ogen van Albert Einstein; hij las het en schreef Popper een bewonderende en instemmende brief. Welgeteld vijftien jaren voor de verschijning van Logik der Forschung, had Einstein een kort stukje in Berliner Tageblatt van 25 December 1919 geschreven, waarin hij op diverse inzichten van Popper angstwekkend precies vooruitloopt. Later is Popper gevraagd of hij dit stukje van Einstein indertijd heeft gelezen. Zijn antwoord was ontkennend.

Uiteindelijk slaagde Popper erin een aanstelling in Nieuw-Zeeland verkrijgen ca. 1937, met als resultaat volgens Muller, die alnaarmate zijn artikel vordert steeds scherper wordt:

Spoedig was Popper de koning-filosoof van Nieuw Zeeland, dat hoofdzakelijk uit knauwende boeren, blatende schapen en mekkerende lammeren bestond.
(...)
De akademisch omstandigheden te Christchurch waren erbarmelijk. Anno 1937 zal de openbare bibliotheek van Lutjebroek een schatkamer geweest zijn in vergelijking met de Universiteits-bibliotheek van Nieuw Zeeland.

Ik betwijfel dat laatste en teken verder alleen aan dat Popper een joodse achtergrond had, en dus een stuk veiliger en aangenamer leefde in Nieuw-Zeeland dan zijn meeste landgenoten met die achtergrond in Oostenrijk.

Popper slaagt er in 1949 een benoeming in Engeland te krijgen, en brengt 1948 een nieuw boek uit:

The Open Society behoort tot de best verkochte filosofieboeken van de 20ste Eeuw. Na de val van de Berlijnse Muur in 1989 begon The Open Society aan een opmars door Oost-Europa en marcheert thans voort door Azie en China. Tot op de dag van vandaag zijn de meningen over dit vechtboek verdeeld. Popper spoort de filosofische wortels van het totalitaire denken op en komt terecht bij Plato en Hegel. Dit valt niet overal even goed. Zijn dorst naar oordelen en veroordelingen is schier onleesbaar. Logik der Forschung is een schattig boek in vergelijking met de grootscheepse en frontale aanval uit The Open Society, met name gericht op Plato en Hegel. Men spreekt over ‘Karl de Verschrikkelijke’.

Voor mijn eigen mening over The Open Society zie noot (**), met de toevoeging dat Popper feitelijk weinig nieuws bracht, net als met LSD, maar dat hij wat hij bracht wel met ongebruikelijk vuur en scherpte bracht, waarschijnlijk mede bewogen door de Tweede Wereldoorlog en het fascisme, nazisme en communisme van de dertiger en veertiger jaren van de 20ste eeuw.

Ik ben in mijn review van Muller's review van Popper's publikaties en publieke status bij sectie 10 beland, waarin "Karakter en Psyche" van Sir Karl behandeld worden, en wel vooral in verband met het feit dat

(..) de persoon Karl Popper onuitstaanbaar was.

Muller geeft veel gronden om dat objectief aannemelijk te maken, die ik voor het grootste deel oversla, al wil ik u een paar zaken niet onthouden (en de Ina en Eva zijn vrouwen van tamelijk bekende 20ste-eeuwse filosofen die Popper kenden):

Uit de briefwisseling tussen Ina Carnap en Eva Hempel is op te maken hoe deze vrouwen over Popper dachten: “angstwekkend agressief” en “een achtervolgingswaanzinnige” zijn uitdrukkingen die ze met betrekking tot Popper gebruiken.

In zijn autobiografie Confessions of a Philosopher (1997, blz. 231–232) schrijft Bryan Magee, bewonderaar van Schopenhauer en Popper, “nog nooit een dergelijke intellectuele agressiviteit te zijn tegengekomen” als in het geval van Popper, die “genadeloos doorgaat en doorgaat en doorgaat totdat de tegenspreker, bij wijze van spreken, zijn handtekening zet onder een bekentenis dat hij het fout had en Popper goed. In de praktijk betekende dit dat hij mensen trachtte te onderwerpen.”

Dat klinkt niet erg gezond en Muller vervolgt en verklaart een en ander als volgt - en dit bevat het fraaie en leerzame citaat waarmee ik opende:

In Annals of Science 59 (2001) heeft Ivor Grattan-Guiness, een bekend historicus van de wiskunde die enige omgang met de weduwnaar Popper heeft gehad, het gelijkhebberige gebrul van Popper in verband gebracht met zijn fysionomie. Men moet weten dat het lichaam van Popper bestond uit een lange borst met kinderbeentjes; daarop balanceerde een reuzenhoofd met een mond waar overdwars een telefoonboek in past, daarboven een gok en olifantsoren aan beide zijden, wier afmeting verder toenam vanaf het moment dat Popper eraan begon te trekken in de overtuiging zijn doofheid langs deze weg te kunnen bestrijden.

Muller geeft nog aanzienlijk meer persoonlijke informatie over Popper - werkte alle dagen van het jaar continu; dronk niet; rookte niet; was opzettelijk nalatig wat betreft zijn universitaire verplichtingen; was totaal onuitstaanbaar in de persoonlijke omgang; kon geheel niet tegen kritiek (behalve in zorgvuldig ritueel verband, bij zeer zeldzame gelegenheid); had waarschijnlijk geen sex met zijn vrouw (en ook niet met anderen); en zijn vrouw Hennie, die zijn manuscripten moest uittiepen (maar nergens genoemd wordt in De Meester's geschriften), had zeer te lijden:

Popper schreef, schreef en schreef. Hennie typte, typte en typte. Wat moest ze anders doen, verstoken van enig sociaal contact, terwijl haar hart in Wenen lag? Aan het einde van haar leven, zeggen sommigen, waren haar vingers een kootje korter.

Er staat aanzienlijk meer over Popper's vele onsympathieke persoonlijke kanten in Muller's stuk, en hij geeft ook een soort verklaring daarvoor: Popper meende zo bijzonder te zijn als Groot Denker dat hij hier allemaal vanzelfsprekend recht op kon doen gelden - maar het is duidelijk Popper tamelijk gestoord moet zijn geweest, al zegt dr. Muller dat niet expliciet.

Ik vermoed zelf dat Muller gelijk heeft over Popper's persoon, en een nogal bittere rekening met hem vereffend heeft met zijn stuk dat ik hier besproken heb.

Als gezegd zag ik in 1970 al door Popper heen (toen F. Muller 8 en ikzelf 20 was, en het kan hem niet kwalijk genomen worden dat zijn geestesverheldering inzake Popper niet zo snel ging als de mijne, al vind ikzelf de leeftijd van 40 om die staat van relatieve verlichting te bereiken nogal laat) en mijn reden om Muller's stuk hier te bespreken en te linken is vooral dat Popper nog steeds serieus wordt genomen onder sociale wetenschappers en andere akademici en door journalisten als Groot Denker, en overigens dat het mijn stelling onderschrijft dat de grote meerderheid van de mensen uit volgelingen bestaat, wat in het geval van Popper's vele volgelingen - allemaal "kritisch rationalisten", naar het woord van De Meester zelf - nogal ironisch is.

Hij was echter geen Groot Denker, zelfs niet een klein beetje, en in feite geldt voor hem wat volgens dr. Johnson gold voor een Engelse minor poet:

"What is good in his work is not new, and what is new in it is not good"

en overigens was Charles Sanders Peirce een veel groter filosoof en logisch denker, waar u het meeste goede dat in Popper's wetenschapsfilosofie  aangetroffen kan worden kunt vinden in een veel betere en ook in waarachtig originele vorm - of althans met eerlijke attributies aan wie hij iets dankte, in plaats van zaken van anderen over te nemen en onder nieuwe termen en met geringe wijzigingen te presenteren alsof het eigen gedachtegoed zou zijn.


P.S. Wat ik overigens van Popper denk? Wel... ik heb geen 2 dekaden in hem geloofd, en heb dus een stuk minder persoonlijk te verrekenen met hem, want ik had geen hoge pet op van hem zodra ik serieus in zijn hoofdwerk gelezen had, wat ik eind 1970 deed.

En verder had ik tot nu weinig of geen kennis van Popper's persoon of karakter, al viel me snel op dat zekere zaken - als het afdrukken van een fotografische reproductie van een brief van Einstein, en de omgang met ideeen van anderen - nogal vreemd waren.

Ik veronderstel echter dat Muller veel meer gelijk heeft dan niet, en dat Popper toch wel minstens enigzins gestoord was, en dat dat, met zijn inderdaad gigantische werkdrift en ambitie, naast de volgelingen-behoefte van talloos veel miljoenen naar Leiders, het meeste van zijn succes verklaart, naast zijn The Open Society and its Enemies, dat terecht bekend is geworden, als is het welbeschouwd een - grotendeels terecht - journalistiek doch volumineus schotschrift in de vermomming van een diepzinnige filosofische studie.

P.P.S. Wat later op de dag, in vervolg op het voorgaande P.S.:

Ik heb trouwens sowieso niet veel te verrekenen of vereffenen met 20ste eeuwse filosofen, voorzover niet werkzaam (geweest) aan de UvA tenminste, omdat ik van de 20ste eeuwse filosofen alleen Russell, Ramsey en Peirce (die stierf in 1914) voor geniaal hield en houd, maar ook door Russell's denken snel teleurgesteld werd, terwijl Peirce een Fundgrube is van briljante inzichten, terwijl hij er helaas nooit in slaagde een groot systematisch werk over filosofie of logica te schrijven, en Ramsey veel te jong stierf.

De echte denkkolossen in de filosofie zijn toch stukken ouder, hoewel niet per se waarachtiger: Plato, Aristoteles, Lucretius, Aquinas, Ockham, Galileo, Descartes, Hobbes, Leibniz, Berkeley, Hume ... dat is toch allemaal echt nogal radikaal andere waar dan de 20ste eeuwse academische filosofie (****) die voor een flink deel nogal radikaal kromgetrokken is doordat filosofie een academisch universitair vak werd, met daarbij behorende maniertjes, stijltjes, pedanterie, scholasticisme en baantjes-jagerij, allemaal draaiende om langjarige navelstaarderij naar de producten van geachte academische vakgenoten, in de vereerde academische tijdschriften, geschreven in het vereiste formaat en proza, zodat veel 20ste eeuwse filosofie neerkomt op allerlei soorten feitelijke academische esoterica in zogeheten specialistische vaktijdschriften die alleen serieus gelezen, ja, waarvan zelfs het bestaan ervan alleen maar bekend waren, bij heel kleine kliekjes van professoren met hun studenten, die ze volschreven voor elkaar en hun carrieres, en die overigens voor helemaal niemand, nu of later, interessant of te volgen zijn.

En de echte denkkolossen in de twintigste eeuw waren geen filosofen, maar vooral wiskundigen, natuurkundigen of biochemici, die zich trouwens ook bezig hielden met echte wetenschappen, en niet met spekulaties, "sophistries and illusions" (Hume) als academisch specialisme.

Noten

(*) Trouwens... omdat ik naar een citaat zocht heb ik Nederlog even doorzocht op "Popper", en bevonden dat ik deze herhaaldelijk genoemd heb in drie contexten: 1. Nederdenkster Juffrouw Ali, die al jaren roept dat zij - en bijvoorbeeld niet: Twan Huys, al dan niet geanonimiseerd - Een Filosofisch Boek zal schrijven dat "Shortcut to Enlightenment" moet gaan heten, waarin Mohammed en De Vrouw behandeld zullen worden aan de hand van de ideeen van Ali herself, en van Popper en Hayek; 2.  Nederdenkster mevrouw Schreuders-Etty, die Popper citeert over tolerantie alsof ze het zelf bedacht; en 3. in mijn Popper en Clifford (en Sanders en Ellian), waarin ik mijn eigen ongenoegen over Popper verklaar, en op zinniger denkers over wetenschap wijs.

(**) Dit wil niet zeggen dat ik het voor juist houd, maar er is heel veel onzin aan te wijzen in de sociale filosofie (van allerlei richtingen) en Popper doet dat met verve en Schwung, en trouwens ook met talloos veel geleerde noten.

(***) Ik vond daar ook snel allerlei bevestiging voor, trouwens, want ik las meer (en veel) wetenschapsfilosofie en de meeste echte wetenschapsfilosofen waren van Dorling's soort van overtuiging - en bovendien (1) er zitten eenvoudig nogal wat aanwijsbare betwijfelbare of onjuiste redeneringen in zijn werk en (2) wie meer van wetenschapsfilosofie weet bevindt snel dat Popper's ideeen vaak neerkomen op enigszins gewijzigde ideeen van anderen, gebracht in heel andere termen, en op een toon alsof het een grote Popperiaanse ontdekking betreft. Zie bijv. Alex Michaelos: "The Popper-Carnap Controversy".

(****) Ik bedoel dit - "radikaal andere waar" - vooral in stylistische en menselijke zin, en veel minder in hoezeer de genoemden (of anderen) lang nadien een beargumenteerbaar gelijk hadden (of schijnen te hebben).

Er zijn dan ook geen klassieke grote filosofen die geen grote karakters waren (was het alleen al omdat ze gewoonlijk zeer veel persoonlijk riskeerden, zoals een brandstapel, gifbeker, of marteldood: Bruno, Socrates, Galileo), terwijl het zijn van een groot karakter niet of nauwelijks te verenigen is met het maken van een carriere aan een moderne universiteit, dat heel andere talenten en karaktereigenschappen van een mens vergt dan moed, individuele  onafhankelijkheid, eerlijkheid of gehandhaafde ethische principes, namelijk veeleer het tegendeel van deze en verwante eigenschappen, bij voorkeur gecombineerd - althans bij de academische vakken die werkelijk talent vergen - met het beheersen van wat specialistische truukjes en vaardigheden die maar weinigen makkelijk leren, en dat bij voorkeur gecombineerd met die menselijke eigenschappen die iemand een topbureaucraat kunnen maken.

Maarten Maartensz

        home - index - top - mail