Nederlog        

   9 april 2009

 

Iets over Kousbroek en zijn tijdgenoten

 

Ik ben nog steeds aan het afbetalen van mijn inspanningen op zondag, maar het gaat een ietsje beter, en ik kan me eindelijk zetten aan een soort bespreking van het interview met Rudy Kousbroek uit de NRC van afgelopen weekend, dat ik op 4 april al noemde.

Het is "een soort" bespreking omdat ik het een en ander oversla en omdat ik nooit stukjes schrijf als in Nederland gebruikelijk, maar ik kan in wat volgt het een en ander kwijt over de Nederlandse literatuur, Nederlandse schrijvers, verval van het onderwijs en de universiteiten en nog zo het een en ander.

Ik vermoed dat de voornaamste aanleiding voor het interview met Kousbroek, door Pieter Kottman, in de derde alinea staat:

Rudy Kousbroek, bijna 80, P.C. Hooftprijswinnaar, gedurende decennia boegbeeld van deze krant en bron van polemisch wapengekletter, is ernstig ziek, maar daar wil hij het niet over hebben. "Er valt niets verstandigs over te zeggen. Schrijf maar gewoon op: hij is op sterven na dood." Grommend lachje, een hoestbui. In de loop van de gesprekken wordt het een running gag "Jaja, op sterven na dood". Lachje, hoesten.

Nu heb ik wel eens gezegd dat ikzelf niet veel met Nederlandse literatuur heb, Multatuli altijd uitgezonderd, wat waar is, en er niet zoveel van weet, dat ook waar is, maar dat laatste is relatief echte kenners, dat ik echt niet ben, al veronderstel ik dat ik vergelijkenderwijs met andere gestudeerde Nederlanders die geen Neerlandistiek studeerden toch redelijk wat Nederlandse literatuur las, zelfs als ik Multatuli nu even oversla. (Zie in dit verband: 30 favoriete schrijvers.)

Hoe het zij, ook van Kousbroek las ik het een en ander, en ergens in mijn boekenkasten heb ik diverse delen van zijn Anathema's en ook De aaibaarheidsfactor; ik sloeg hem hoger aan toen ik een jaar of 19 was; en ik heb eens vreselijk moeten lachen vanwege hem hoewel niet om hem.

Dat laatste komt zo en speelde zich af in The Book Exchange, waar ik eerder over schreef, ergens rond 1980, toen ik daar was en te spreken kwam met een andere klant, over literatuur en filosofie. Dat was best een aardig gesprek, tot mijn gesprekspartner zei dat Rudy Kousbroek een genie was en ik vreselijk hard begon te lachen, mij immers ook in een winkel met Aristoteles, Shakespeare en Newton in de boekenkasten bevindend - wat echter niet tot grote verheugenis leidde, want mijn gesprekspartner meende het écht, en ik moest alleen maar harder lachen dat iemand dat serieus kon denken.

Rudy Kousbroek is dus geen genie, maar hij schreef best leuk over redelijk wat onderwerpen; hij wist iets van wiskunde en wetenschap; hij is in het geheel niet dom - en ik denk zelf dat hij één van de slachoffers van de zestiger jaren is, en nadat hij had gepoogd zijn lezers wijs te maken, ergens in de vroege zeventiger jaren, dat Roland Barthès een genie was, en hij steeds sentimenteler werd over dieren, raakte ik mijn belangstelling voor zijn geschriften snel kwijt, dat wellicht ook met Weinreb te maken had, over wie ik dacht en denk - net als hij, tegenwoordig - dat hij zich vergiste. (Zie mijn Tamar en de Nederliteratuur).

Een andere aanleiding voor de reeks van interviews, samengebald in het ene artikel dat ik bespreek, wordt door Kottman zo aangegeven:

Volgende maand verschijnt de briefwisseling die hij vanaf 1955 tot 1974 onderhield met de schrijver Willem Frederik Hermans (1921-1995).

Hier wist ik niet van, maar het is waar dat ik geen groot kenner van de Nederliteratuur ben, laat staan kenner van Nederliteraten, en het is ook waar dat Hermans en Kousbroek verschillende belangstellingen deelden.

Het probleem voor Kousbroek - dat hem aanvankelijk niet voor een publieke editie van de brieven porteeerde - geeft hij zelf zo weer:

"Ik durfde geen kritiek te hebben. Dat kon niet bij hem. Als je de minste aanmerking had of zelfs maar vroeg wat iets betekende of waarom het was zoals het was, dan kreeg je de reactie van iemand met vervolgingswaan. Het is als de man die aan zijn vrouw vraagt: 'Waar heb je deze biefstuk gekocht?' en de vrouw die dan antwoordt (hij zet zijn kopstem op): 'Hoezo? Is-ie niet goed dan?' Dat paranoïde van Hermans maakt zijn romans ook zo beklemmend."

Wel... het verklaart mij althans iets over waarom Hermans niet met mij correspondeerde, na een aardig beginnetje naar aanleiding van de eerste druk van zijn biografie "De raadselachtige Multatuli", waar ik een hele reeks kritische opmerkingen bij had.

Hermans antwoordde daar wel aardig op, maar wat afhoudend, en de correspondentie verliep snel, ook al omdat ik vond dat dit wel een beetje erg tam was; waarschijnlijk omdat ik hem schreef hem geen groot schrijver te vinden, omdat ik dat nu eenmaal eerlijk vind en vond, en echt meer in Multatuli geïnteresseerd was; en omdat Hermans zijn briefjes begon te ondertekenen met een stempel, alsof ik het op zijn handtekening begrepen zou hebben, wat toch echt niet zo was. (Ik weet niet eens waar ik de brieven gelaten heb.)

Maar ik had nooit ruzie met hem, en heb niets van vervolgingswaan gemerkt, en zocht inderdaad alleen kontakt met hem naar aanleiding van zijn Multatuli-biografie en om hem te laten weten dat ik voor het eerst van Wittgenstein hoorde dankzij hem, wat voor mij belangrijk was toen ik 17 was, omdat het me op het spoor van de analytische filosofie zette.

Het boek met de correspondentie tussen de twee kan best aardig zijn, voor de liefhebber:

In de briefwisseling, waaraan af en toe ook Kousbroeks toenmalige echtgenote Ethel Portnoy deelnam, komen alle typische Kousbroek-onderwerpen, die ook de hevige belangstelling hadden van Hermans, aan de orde: techniek (vooral van auto's, fotocamera's en typemachines), literatuur (met name Céline), de evolutietheorie, diergedrag, de (verderfelijke) invloed van religie, filosofie (vooral Wittgenstein).

Zoals u misschien begrijpt ben ikzelf van het meeste of alles dat hierboven staat géén groot liefhebber en denk ik dat ik Wittgenstein beter begrijp dan beide heren.

Ik bedoel: Er kunnen best aardige leesbare stukjes over geschreven worden, maar afgezien van literatuur, religie en filosofie heb ik mijzelf niet toegelegd op enige van deze onderwerpen, en die drie dingen ook nogal anders dan Kousbroek en Hermans.

Zoals velen kreeg Kousbroek ruzie met Hermans:

De correspondentie eindigt met (..) een conflict over F. Weinreb (1910-1989), een joodse hulpverlener en schrijver die gecollaboreerd had met de Duitsers en wiens integriteit in de jaren zestig en zeventig inzet was van een heftige controverse onder Nederlandse intellectuelen. Kousbroek verdedigde Weintrebs visie dat goed en kwaad niet altijd duidelijk te onderscheiden zijn tijdens een bezetting, Hermans ontpopte zich als één van de voornaamste aanklagers van de man.

Over deze passage kan ik veel opmerken dat ik achterwege laat. Ik schreef eerder over Renate Rubinstein en Weinreb, en hieronder volgt nog iets. Hier merk ik alleen op dat ik de samenvatting nogal vreemd vind; dat ik nooit in Weinreb geloofd heb omdat mijn ouders alllebei écht in het échte verzet hadden gezeten, en toen ik ze er naar vroeg ca. 1969 zeiden: "Jongen, zo ging het helemaal niet toe in het verzet";  en dat volgens mij Hermans vooral viel over de leugens van Rubinstein over een Haagse mevrouw die feitelijk belasterd was door Weinreb.

Hier is trouwens nog iets dat Kousbroek en Hermans delen en ik niet:

Maar midden jaren zestig is alles nog pais en vree en zijn bijvoorbeeld auto's  nog een geliefd thema van beide correspondenten: op elke pagina wordt wel een Healy 3000, een Lotus, een Chevrolet, Lancia of Amilcar aangeprezen dan wel van uitvoerig commentaar, vooral over te halen snelheden, voorzien.

Hier heb ik nooit enige belangstelling voor of last van gehad, en zelfs als hele kleine jongen speelde ik al niet met autootjes, en trouwens ook niet met poppen: Allemaal levensloze dingen.

Ik sla een flink stuk over en kom bij een brandende kwestie, namelijk het vermogen van de vrouw voor abstract en wiskundig redeneren. Kousbroek zegt

Bij meisjes is het alsof in dat stadium ["het begin van de adolescentie" - MM] zich een andere manier van denken manifesteert, terwijl bij jongens zich dan juist het vermogen tot abstraheren openbaart. Niet voor niets schaken vrouwen niet, op een paar Hongaarse zusjes na. Of zijn er nauwelijks vrouwelijke wiskundigen die iets bijzonders hebben bijgedragen. Je kunt niet zeggen, zoals feministen ons proberen wijs te maken, dat ze er de kans niet voor krijgen. Maar dit is zo'n fundamentele onopgeloste kwestie dat er niet graag een definitief standpunt over zou uitdragen.

Hm... ik vermoed dat ook dit nogal tendentieus geformuleerd is, en vrouwen als Emmy Noether en Helen Rasiowa waren heel goed in hun vak (wiskunde), maar het is ook waar dat de beschikbare evidentie er niet voor pleit dat vrouwen als groep, en in doorsnee en gemiddeld, veel met wiskunde hebben, en misschien ligt dat wel aan een enigszins andere ontwikkeling in de puberteit. (*)

Wat verderop zegt Kousbroek over een andere brandende kwestie, namelijk de dood van God, of niet:

"Ik weet niet of religies - en daar reken ik het fascisme en het communisme ook toe - onuitroeibaar zijn. Ze zijn toch aardig op hun retour. Obama die zich nadrukkelijk ook tot niet-gelovigen richt - tot voor kort zou dat ondenkbaar zijn voor een Amerikaanse president. Maar veel atheïsten noemen zich ook nu veiligheidshalve agnost, een laffe houding. Bertrand Russell, een van mijn grote voorbeelden en grondlegger van het vrijdenken, deed dat ook, maar in zijn tijd kon je anders niet overleven. Wat die man te verduren heeft gehad van gelovigen, tart iedere beschrijving."

Hm... alweer tendentieus geformuleerd, en ik zeg er nu wat meer over.

In de eerste plaats is het niet erg verstandig het fascisme en het communisme tot "religies" te rekenen, al dan niet met het adjectief "wereldlijke", omdat daarmee teveel op één hoop gegooid wordt dat behoorlijk onderscheiden verdient te worden - en trouwens: als het fascisme en het communisme tot de religies behoren waarom dan niet de sociaal-demokratie, het liberalisme, of Het Denken Van Wilders eveneens?

Vervolgens. Over de term "agnost" heeft Kousbroek gelijk, maar hij heeft veel minder gelijk over Russell, die zomin het vrijdenken uitvond als dat hij vreselijk gemarteld werd door gelovigen, en die dan ook een groot deel van zijn leven een Engelse graaf was, en zijn hele leven de kleinzoon van een Prime Minister. Hoe het zij, u vindt Russell's Lijdensweg vanwege Religie - ik denk dat Kousbroek refereert aan zijn ontslag aan de University of New York - heel wel beschreven in Russell's autobiografie en biografieën van Russell door anderen, en ook Russell merkt nergens op dat zijn lijden groot was, of vergelijkbaar met Giordano Bruno of Galileo Galilei of iets dergelijks.

Kousbroek zegt wat verderop in dit verband

"Ik heb de pest aan religies, ze zijn op zijn gunstigst tijdverspilling, en meestal bron van dood en verderf. Als je oorlog wilt, hoef je alleen maar de gelovigen te mobiliseren. Mijn universum is er één zonder politie. Ik verbied niets, ook godsdienst niet, maar intellectueel bezien kun je alleen maar atheïst zijn.

Dat laatste lijkt mij ook, maar het probleem ligt niet zozeer in de menselijke religies, zelfs niet als je daar voor het gemak ook maar gelijk alle politieke ideologieën onder meeneemt, als wel in de menselijke domheid en geringe goede wil of wreedheid, en de menselijke geneigdheid tot totalitair denken.

Om die redenen ben ikzelf dan ook géén voorstaande van "een universum zonder politie", als de anarchisten, eenvoudig omdat een groot deel van de mensheid, zoals ze geboren worden, niet in staat zijn zich zelfstandig en op eigen kracht redelijk te gedragen of rationeel na te denken.

Het menselijk probleem bestaat dan ook minder in religies of politieke ideologieën op zich, als in domheid, egoïsme, wreedheid, onverschilligheid, lafheid en conformisme.

Weer wat verder zegt Kousbroek iets interessants dat ikzelf ook vind, maar in Nederland zelden zelfs maar gezegd wordt, en alleen door types als Mulisch of Claus en dan over zichzelf:

De Palestijnen moorden elkaar ook uit en als je de balans opmaakt, blijven er minder topindividuen over dan waar dat niet gebeurt.

Ik bedoel hier vooral de term "topindividuen" en het idee dat het bestaan van dergelijke zeldzame mensen - Boeddha, Aristoteles, Leonardo, Shakespeare, Newton, Bach: dat soort - van belang is voor de menselijke beschaving en voor de cultuur waarin ze werken.

Deze notie geldt al 40 jaar als héél weinig verwijderd van "fascisme", althans volgens de intelligentsia die Neerlands heet en is, zo leerde ik aan de UvA, zoals ik daarbuiten in Neerland leerde dat er in Nederland alleen waarachtige topindividuen zijn die voetballen, zingen, of zwemmen, althans buiten bankdirecties, managements-burelen en de politiek, en dat overigens alle 16 miljoen Neerlanders allemaal volstrekt gelijkwaardig zijn en hun leven lang krampachtig hun best doen om nóg gewoner te doen dan ze toch al zijn, want zo hoort het immers: Du skal ikke tenke at du er noen (**), als je geen Topper bent of Cruyff of Mulisch of Gordon heet, nietwaar?

Weer wat verderop, en ik selecteer zeer, feitelijk over Der Untergang des Abendlandes, al valt die term niet:

Alleen al de spellingshervormingen, dat zijn misdaden geweest. (..)
De enorme zwakte van de westerse cultuur is het loslaten van verplichtingen. Het afschaffen van zangles alleen al, de Mammoetwet is één van de grootste tragedies van onze tijd geweest.

Ik zeg natuurlijk geen nee, al vervang ik "verplichtingen" graag door "standaarden", want dáár gaat het eigenlijk om: dat er op toegezien wordt dat mensen werkelijk wat leren op school en universiteit, en onderwijs overeenkomstig hun talenten krijgen, en dat niet iedereen in één grote genivelleerde feitelijk gedebiliseerde hoop gelijkwaardigen gedwongen wordt mee te functioneren.

Mijn eigen probleem met deze en dergelijke vaststellingen - die ikzelf al in 1966-7 maakte, over de Mammoetwet! - is: Waar waren jullie allemaal, o zelfbenoemde intelligentsia, voorgangers, opinieleiders, en gesubsidieerde veelverdieners, de afgelopen veertig jaar, toen jullie er wat tegen konden doen?!

Ze schreven elkaar brieven over hun eigen persoonlijke voortreffelijkheid en hun genietingen in een Lancia of Lotus, of hun dromen daarvan...

Niet om het een of ander, maar het zojuist geciteerde vervolgt direct met:

De vraag dringt zich op: wat laat hij zelf na? Het antwoord heeft hij dan al op verschillende momenten gegeven. "Ik heb kilo's krantenpapier zwart gemaakt, maar het merendeel is rommel." Of: "Ik heb alleen wat rondgeamateurd." Of: "Mijn werk? Ik heb 99 procent van mijn tijd aan seks gedacht en, helaas, er niet aan gedaan." (..) "Had er wat meer systeem in gezeten, dan was ik misschien wel... een denker zo groot geworden als Mulisch!"

Of Kousbroek hier aan de recent bekend geworden brief van deze echt Neerlandse profeet en leider dacht weet ik niet, maar anders dan als "minor Dutch author" vrees ik niet dat hij voort zal leven.

Nu weer, na flink wat overslaan, naar de Weinreb-affaire:

"Weinreb lag ingewikkelder, maar in die affaire had Hermans volkomen en totaal gelijk. Ik heb de visie van Weinreb op de bezettingsjaren verdedigd - niet de man zelf."

Dat is toch vooral falsche Spitzfindigkeit, want wie Weinreb's visie indertijd verdedigde, verdedigde in die tijd de man zelf, eenvoudig omdat Renate Rubinstein en hij en andere van zijn medestanders het zo wilden spelen, en niet anders: Weinreb had groot gelijk en was een groot verzetsman, grote held, groot schrijver, groot denker, grote jood, grote vaderfiguur etc. etc. en wie dat niet wilde accepteren was toch wel minstens bijna fout in de oorlog geweest, zo niet helemaal.

Die toon en opstelling heersten toen echt o.a. in "Vrij Nederland" waar Rubinstein in schreef, en het was daarom dat ik mij rond 1969 tot mijn ouders wendde met de vraag hoe het volgens hen zat: "Jongen, zo ging het helemaal niet toe in het verzet" - en zo bleek ook heel wat JAREN en HEEL veel geld later, toen het allemaal uitgezocht was door een commissie.

Eén van de dingen die mij hier over irriteert is dat héél links weldenkend Nederland dat zichzelf tot de intelligentsia rekende uitermate fel en lang over Weinreb discussieerde, feitelijk zonder daar veel of iets over te weten, alleen bewogen door vooroordeel, partijdigheid en vriendjespolitiek, en daarna veertig jaren hun muilen gesloten hielden terwijl het Nederlands onderwijs en de Nederlandse universiteiten geruïneerd werden - en ze alweer niets zeiden vanwege partijdigheid, vriendjespolitiek en omdat ze er zelf op "werkten" (zo moeilijk of inspannend niet in de alfa- en gamma-"wetenschappen"!), zelf van meevraten, en het zelf wel makkelijk vonden bijna niets te weten of kunnen en tòch door te kunnen gaan voor een prominent intellectueel, met meningen van belang, en nog Een Schrijver/ster daarbij.

Kousbroek vervolgt over Weinreb en zijn eigen opstelling in die affaire:

"Maar mijn intentie was onoprecht, halfhartig. Ik deed het omwille van Renate Rubinstein. Haar vader was door de Duitsers vermoord, van alle vaderfiguren die zij gezocht heeft in haar leven, voldeed Weinreb het best. Ik kon dat niet tegen haar zeggen, ik zou dat nog niet kunnen."

Dat is wel eerlijk, maar in mijn ogen ook zowel heel normaal als tamelijk vreselijk, in veel gevallen, eenvoudig omdat men - welbewust, bijna altijd - voor eigenbelang of partijbelang de waarheid slachtoffert, en is dat niet voor eigen opgang dan die van een ander die dat ook al niet verdient.

De zaak Weinreb ging immers niet om het oplossen van de persoonlijke problemen van Renate Rubinstein of het lenigen van haar leed of vaderfixaties, maar om hoe het werkelijk toegegaan zou zijn in de Tweede Wereldoorlog, en wie daarin een held, een verrader of geen van beide was geweest.

Kousbroek vervolgt dus het bovenstaande:

"Het brak mijn hart haar nog verder pijn te doen, en dus verdedigde ik, onder druk van haar, Weinreb."

Menselijk-al-te-menselijk slap, si vous m'excusez, want Renate op haar beurt belasterde weer allerlei mensen uit het voormalig verzet, ook heel oneerlijk, omdat deze Weinreb's verhaal kritiseerden (meestal zoals mijn ouders direct deden: "zo ging het niet toe in het verzet").

Maar ja: Die anderen waren niet gestudeerd, niet gesubsidieerd, waren geen Vijftiger, geen Schrijver, en hadden alleen maar meegemaakt waar Renate c.s. die het niet meegemaakt hadden stellig over fabuleerden of logen, feitelijk - zo bleek achteraf - om de leugenpraat van een gestoorde oplichter hoge verkoopscijfers en grote status en bekendheid te geven, en Renate daarbij.

Ik veronderstel echter wel dat Kousbroek hier was zoals bijna iedereen als hij in Nederland in "zynen kleinen tyd":

Ze logen allemaal mee met de clubs waartoe ze behoorden en persoonlijke vooruitgang van verwachtten; ze deden dat heel bewust; maar je mocht dat niet  zeggen of je werd door of namens de hele club (en andere weldenkenden van andere soortgelijke clubs) voor "fascist" of "terrorist" verrot gescholden.

En ikzelf weet dat zo bijzonder goed omdat ik niet meeloog met machthebbende meutes of wie daartoe wilde gaan behoren, en de zeer grote meerderheid wel. (***)

Hier is het laatste citaat van Kousbroek, ook bijna aan het eind van het stuk, waar ik het wel en niet mee eens ben:

"Maar ik heb altijd een hartstochtelijke relatie onderhouden met de wetenschap. Kennis gaat boven geloof. Dat is denk ik ook geldig in de evolutie. Geloof in wonderen kan incidenteel voordelen hebben, maar alleen waarachtige kennis beklijft. Die bestaat uit redeneringen waarin het bovennatuurlijke niet wordt toegelaten. Zo leven we langer, dankzij de toepasbaarheid van de wetenschap."

Zoals ik al opmerkte: Tsja!

Ook ik heb een dergelijke hartstochtelijke relatie, maar ik denk dat het voor mij toch anders ligt, was het alleen omdat ik er meer voor over had. Vervolgens: Kennis gaat boven geloof voorzover en omdat waar geloof boven geloof gaat. En waarachtige kennis bestaat niet "uit redeneringen waarin het bovennatuurlijke niet wordt toegelaten" maar gewoon uit redeneringen die logisch goed zijn (formeel geldig of in ieder geval: niet formeel ongeldig) en waarin de termen naar waarachtig bestaande dingen verwijzen en de beweringen waar de redeneringen om draait waar of waarschijnlijk zijn.

Het kan zijn dat Kousbroek het laatste bedoelt, maar dan had hij dat moeten zeggen - al geef ik toe dat hij 79 en slecht van gezondheid is, dat natuurlijk veel excuseert.

Hoe het zij, ik vond het toch wel een aardig vraaggesprek, en Kousbroek is ongetwijfeld een intelligent man die aardige stukjes heeft geschreven over heel wat onderwerpen, en die het wellicht in zich had gehad meer dan een goede wetenschapsjournalist te zijn.

Maar ja - zoals ik dat zie moet je het dan serieuzer nemen met de waarheid en ook minder geven om wat men wel niet van je zal (kunnen gaan) denken.

En het is ook zo dat ik Kousbroek en zeer vele andere intellectuelen van zijn generatie, net als de intellectuelen van mijn generatie, heel veel te verwijten heb vanwege de Mammoetwet en het verval van het Nederlands onderwijs en de Nederlandse universiteiten, want het was hun plicht - als intellectueel, of als publieke praatjesmaker - zich daartegen te verzetten, maar ze deden niet, vrijwel zonder uitzondering, vanwege het soort menselijke redenen dat de grote meerderheden van de intelligentsia in Duitsland, Rusland en China zich ook al conformeerden onder Hitler, Stalin en Mao - wat in mijn ogen bovendien een stuk vergeeflijker is, omdat die mensen in waarachtige dictaturen en leefden, en mijn generatie van collaborateurs, en Kousbroek's generatie van collaborateurs in grote vrijheid, veiligheid en welvaren.


P.S. Ik zal dit laatste nog wel eens verder uitspitten, en kan ook tamelijk goede redenen bedenken waarom nogal wat bèta-wetenschappers hun mond hielden, maar ik heb het dekaden-lang heel vreemd gevonden dat de Nederlandse professoren vrijwel allemaal deden alsof het goed ging in het onderwijs en aan de universiteiten, de afgelopen veertig jaar, ook al omdat ze niet het risico liepen individueel of in groepen afgevoerd te worden naar de Ljoebjanka voor een leerzaam onderhoud met de geheime politie vanwege hun ongebruikelijke ideeën.

P.P.S. Het bovenstaande is nu eens zéér moe geschreven, al ging het. Hier is trouwens Mencius over een deel van waar ik het over had - en zie de link.

The great man does not think beforehand of his words that they may be sincere, nor of his actions that they may be resolute; - he simply speaks and does what is right.

The great man is he who does not lose his child's heart.

That whereby men differs from the lower animals is but small. The mass of the people cast it away, while superior men preserve it.

(Portable World Bible, Ed. R.O. Ballou, p. 522, From the works of Mencius).



(*)  Wat waar is en suggestief is dat wiskundig denken abstaherend en simplificerend is en dat vrouwen eerder goed plegen te zijn in associatief denken, dat ook heel bruikbaar is voor multi-tasken. (En ik heb al eens gezegd dat ik vrouwen niet minder intelligent vind dan mannen, wat niet wil zeggen dat ze in alles even goed of even slecht moeten zijn.)

(**) De wet van Jante: Denk jij maar niet dat je iemand bent! (De Skandinavische versie van de Trotse Nedermoraal "Doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg!").

(***) Hier ligt echt een groot menselijk probleem, want om het mede in Julien Benda's termen te zeggen:

Zoals de mensheid inclusief de intelligentsia in grote meerderheid is, zullen ze over alles liegen - dus: de beschaving, de waarheid, de wetenschap, en ook moedige individuele mensen verraden - zolang dat in hun eigenbelang is, en al helemaal als ze enig gevaar lopen door de waarheid te spreken.

Het is slechts enkelingen gegeven dat niet te doen, en die enkelingen hebben zelden effect in de tijd, tussen het volk, waarin zij leven, om de zojuist gegeven reden.

En ik vrees dat het geen kwestie van goede wil is, was het alleen omdat het dan minder zeldzaam zou zijn, maar veel eerder van goed verstand en onwil zichzelf of anderen te bedriegen.

Maarten Maartensz

        home - index - top - mail