Nederlog        

 

8 februari 2009

 

Het geloof van bisschop Williamson

 

"Credo quia absurdum."
   Tertullianus
 

Bisschop Williamson is een Engelse katholiek die kort geleden door de paus in genade is aangenomen omdat hij daarvoor tot een zeer conservatieve katholieke club behoorde die tot kort geleden volgens de paus niet deugde.

Williamson werd prompt wereldberoemd, want hij is niet alleen een gelovig katholiek maar gelooft ook dat de nazis in de Tweede Wereldoorlog hooguit 200.000 tot 300.000 joden vermoordden en dat ze dat allemaal zonder gaskamers deden.

De duitse kanzelier (kanzeleuse?) Angela Merkel werd boos (ontkenning van de Holocaust is dan ook een misdrijf in Duitsland en Oostenrijk) en zelfs de Nederlandse minister Verhagen, toch van katholieke achtergrond, liet weten de opvattingen van Williamson over de Holocaust (*) "idioot" te vinden - en dat laatste lijkt mij een welgekozen term, als is deze verre van vriendelijk of diplomatiek.

En ik wilde in dit stukje op dat "idioot" ingaan, niet om het te bestrijden maar om het te illustreren met een fraai citaat inzake het Christelijk geloof, dat zometeen volgt, en wel na een kort zijstapje over de katholieke theologie.

Naar ik begrepen heb is de Engelman Williamson opgevoed in het Anglicisme en aan de beste public schools (**), en pas na zijn twintigste bekeerd tot het katholicisme, na "een ontmoeting met St. Thomas Aquinas", om de Nederlandse minister van justitie, de katholieke Hirsch Ballin, eens uit mijn hoofd te citeren, die daar ook zeer van onder de indruk was.

Ook ik las St. Aquinas maar mij viel het makkelijk, o.a. omdat ik niet gelovig opgevoed ben, om in te zien dat deze katholieke heilige buitengewoon intelligent geweest moet zijn, maar toch, vrijwel zeker met vrijwel (***) de beste bedoelingen, en met veel vertoon van geleerdheid en logische scherpzinnigheid, een boel onzin verkoopt, met daartussen door ook heel wat (scherp-)zinnige logische onderscheidingen.

Nu is er, althans voor mij, een nogal groot verschil tussen de ideeën van een, inderdaad bijzonder scherpzinnig, denker van ruim 700 jaar geleden, en overwegend dezelfde ideeën nu, zoals die immers nog steeds gehuldigd worden door de paus en de katholieke kerk, en dat verschil ligt in de 700 jaar menselijke beschaving die sindsdien verstreken zijn, en wat in die tijd gedacht, gediscussieerd, gevonden en vastgesteld werd, in het bijzonder door de wetenschap.

Mijzelf wil het voorkomen - die, nogmaals, niet als kind is lastig gevallen met een godsgeloof of met een hel - dat iemand van goed verstand, die niet misleid wordt door zijn eigen emoties en wensdenkerij (inclusief angsten, als branden in de hel, in 't geval de liefhebbende alwetende tóch bestaat) en die intelligent genoeg is om zowel Aquinas met begrip te lezen als kennis te nemen van moderne wetenschap, niet tot enig ander oordeel kan komen dan dat wie gelooft in de waarheid van St. Thomas terwijl hij begripsvolle kennis van heeft van natuurkunde, scheikunde, biochemie en biologie in hun miderne vormen, niet bijzonder onrechtvaardig wordt omschreven met de term van minister Verhagen: "idioot" (dus, naar het Grieks: niet voor rede vatbaar).

En het gaat me hier niet om Williamson's meningen over de Holocaust(*), maar over wetenschap en geloof, en het gaat me hier ook niet om de meningen van eenvoudige katholieke gelovigen, die het vrijwel zeker aan de kennis, de tijd, de gelegenheid, de opleiding, en de wil ontbreekt om hun geloof te pogen te funderen zoals de plicht van een bisschop is, maar om de meningen van religieuze beroeps-scherpslijpers als Williamson.

Daar is, gezien de moderne wetenschap, het een en ander aan dat gek, idioot, vreemd, of gestoord is - als het tenminste niet gewoon bedriegerij, oplichterij, leugen is - en wel eenvoudig omdat het zoveel dat door de moderne wetenschap onderzocht en vastgesteld is ontkent, uiteindelijk alleen vanwege het stellige geloof dat St. Thomas dat meer dan 700 jaar geleden allemaal beter wist, beargumenteerde, doorhad en formuleerde dan de hele wetenschap sindsdien.

In zo'n houding zit iets pervers en iets hoogmoedigs, als van Lucifer, dat ik hier opvoer omdat katholieke bisschopen onder de eersten zijn die hun tegenstanders "hoogmoed" en "trots" voor de voeten werpen, als bitter en verdoemend verwijt, dat volgens hen gemoedsaandoeningen zijn die van de duivel stammen en tot de doodszonden behoren (mits gekoesterd door wie geen bisschop of paus is, uiteraard).

Om dit theologisch uitstapje af te sluiten: Het lijkt me dus niet zo'n héél onzinnig vermoeden dat er reële twijfel behoort te zijn over de compos mentis van bisschop Williamson, eigenlijk vooral - ik ken de man immers geheel niet - omdat hij zo'n grote overmaat aan zaken gelooft die geen weldenkend mens, inclusief vele katholieken (****), ook onderschrijft, in de zin waarin Williamson dat doet.

Maar dat is zijn probleem en dat van zijn kerk of zijn artsen, en ik wil nu een fraai citaat geven van eeuwen her dat een aantal van de moeilijkheden van het Christelijk geloof zinnig bespreekt.

De schrijver was de Baron d'Holbach, een zeer intelligente 18e-eeuwse Franse verlichtingsdenker; het citaat komt uit A.J. Ayer's uitstekende "Voltaire" (*****); en het stamt uit d'Holbach's Système de la nature uit 1770, en bespreekt in feite het "argument from design", dat ook moderne gelovigen, inclusief de grote media-evangelist Knevel, nog zeer inspireert.

En het gaat uiteindelijk om de relaties tussen geloof en rede, tussen theorie en evidentie, waarover onder andere W.K. Clifford zo fraai schreef in "The Ethics of Belief", waar ik het 2 februari over had.

Hier is de Baron zelf, zoals vertaald door Sir Alfred Julius Ayer himself, met wat extra lege regels voor alinering ingevoegd door mij:

It is claimed that animals provide us with convincing evidence of a powerful cause of their existence; we are told that the wonderful agreement of their parts, observed in reciprocically aiding on another fo fulfil their functions and maintain their unity, points to the existence of a workman who combines power with wisdom.

We cannot doubt the power of nature; she produces all the animals that we observe, by means of combinations of matter which is continuously active; the adjustment of the parts of these animals is a consequence of the necessary law of their nature and their combination: as soon as this adjustment ceases, the animal necessarily perishes.

What then becomes of the wisdom, the intelligence or the goodness of the alleged cause which was credited with this vaunted adjustment? Where do we find the wisdom, the goodness, the foresight, the immutability of a workman who appears to be solely concerned with disarranging and breaking the springs of the machines which are presented as the masterpieces of his power and skill?

If God cannot act otherwise, he is neither free nor all-powerful. If he is infirm of purpose, he is not immutable. If he allows the machines which he has endowed with sensitivity to suffer pain, he is lacking in goodness. If he has not managed to make his products stronger, he is lacking in skill. When we observe that animals perish like all the other works of the Divinity, we cannot avoid concluding either that all the activity of nature is necessary and no more than the consequence of natural laws, or that the workman who devised this activity is devoid alike of purpose, power, constancy, skill and goodness.

U kunt niet zeggen dat het niet behoorlijk goed beargumenteerd en fraai opgeschreven is, nietwaar? Op dit punt heeft Sir Alfred een tussenwerping, als volgt:

There follow two paragraphs in the first of which the misfortunes of men are cited as evidence that they are not favoured by a God and in the second of which it is argued that nature is not an artefact, since the explanation for all its working can be found within it.

Zoals sinds d'Holbach schreef dan ook zéér ondersteund door de wetenschappen der natuurkunde, scheikunde, biochemie en biologie. Ayer voegt aan het bovenstaande van hem toe "The passage proceeds", zodat we nu weer bij de Baron d'Holbach zijn:

But let us suppose for a moment that it is impossible to conceive of the universe without a workman who created it and watches over his creation. where are we to situate the workman? Is he to be inside or outside the universe? Is he matter or movement? Or is he merely space, nullity, the void? In any case, either he would be a nonentity, of he would be contained in nature and subject to its laws.

If he is within nature, all that I can observe there is matter in movement, and I must conclude that the agent who sets it in motion is incorporeal and material and consequently liable to perish.

If this agent is outside nature, I then lack any idea of the place which he occupies, or of an immaterial being, or of the way in which an unextended spirit can act upon matter with which it has no connection. Those unknown spaces, which the imagination situates beyond the visible world, do not exist for a being which hardly sees further than its feet; the only way which I can conceive of the ideal power which inhabits them is by fantasizing some random combination of the colours which my imagination cannot discover elsewhere than in the world where I am; in that case I shall merely be reproducing ideally what my senses will have perceived in fact; and this God, whom I endeavour to distinguish from nature and put beyond its grasp, will always be bound to return within it, whether I like it or not.

It will still be objected that if a statue or a watch were shown to a savage who had never seen such things, he could not help acknowledging that they were the work of some intelligent agent, more skilful and more creative than himself: from this it is to be inferred that we are equally forced to acknowledge that the machine of the universe, man, the phenomenon of nature, are the work of an agent whose intelligence and power far excels our own.

I reply, first of all, that we cannot doubt that nature is very powerful and creative; we admire its creativity every time that we are struck by the far-reaching, varied and complicated effects that we discover in those of its works on which we take the trouble to reflect: even so it is neither more nor less creative in any one of its works than in the others. We understand no better how it can produce a stone or metal than a brain like Newton's. We call a man creative when he can do things that we cannot do ourselves. Nature can do everything; and the mere fact that something exists is the proof that nature has the power to bring it about.

It is we ourselves who supply the standard by reference to which we judge nature to be creative; we compare nature to ourselves, and as we possess a quality which we call intelligence by means of which we produce works displaying our creativity, we infer that the works of nature do not belong to it, but are due to a workman with an intelligence like our own - but one that we apportion to the wonder that his works arouse in us, that is to say to our weakness and ignorance. (p. 110-2, op. cit.)

Aldus d'Holbach in 1770 - en u moet ook bedenken dat hij niet zonder gevaar schreef wat hij schreef, want mensen konden in zijn tijd nog geradbraakt worden of de tong uitgerukt krijgen vanwege bespotting van Het Ware Katholieke Geloof. (In feite kon d'Holbach dit schrijven omdat hij rijk was, tot de élite behoorde, en vrienden aan het hof had.)

Ik heb een en ander opgevoerd omdat ik het fraai geformuleerd en beredeneerd vind; omdat Voltaire dit citeert in zijn Dictionnaire philosophique; vanwege het geloof van bisschop Williamson; en omdat ik kort geleden over de Neerlandse media-evangelist Knevel schreef.

Wat voor verweer hebben de gelovigen tegen dit soort argumenten eigenlijk? Ze komen gewoonlijk in twee soorten, zegge defenso-agressief en agresso-defensief.

De defenso-agressieve vorm bestaat erin om zoveel mogelijk de wetenschap en de rationaliteit te mijden, en in plaats daarvan de ongelovigen uit te maken voor intolerant, immoreel, corrumperend en gevaarlijk - omdat ze niet in een eeuwige hel kunnen geloven, of niet in een Goddelijke Goedheid, Alwetendheid en Almacht, met gruwelen als Auschwitz of de Goelag erin, dan immers ook God's liefdevolle schepping.

De agresso-defensieve vorm bestaat erin om, gewoonlijk op hoge toon, het recht op te eisen te geloven wat men zelf wil, ook tegen beter weten en de logica in. De beste uitdrukking daarvoor stamt van de 2e-eeuwse Romeinse kerkvader  Tertullianus, die Christen was en de absurditeiten van zijn geloof verdedigde met de stelling dat "Credo quia absurdum" = "Ik geloof het omdat het absurd is" - met als achterliggende gedachtegang: "Als het immers niet absurd was hoefde ik het niet te geloven en kon ik het weten".

Maar ja... ik had een soort vriendje tijdens de zomervakantie toen ik 9 was, die katholiek was en Fransie heette, die ik me vooral herinner omdat hij vaak won met monopolieën, wat hij weer deed omdat hij zodra één van de andere kinderen zeiden dat hij vals speelde (wat hij deed) hij heel luid en opgewonden begon te schreeuwen en gillen, desnoods met een paars gezicht, dat dit mocht want

"eerlijk is vals, eerlijk is vals, eerlijk is vals, eerlijk is vals!!".

Indertijd kostte het me behoorlijk wat moeite om mijzelf ervan te overtuigen dat wat hij riep oneerlijke onzin was, al had hij de truuk wellicht weer van een ouder broertje of neefje, maar dát is dus waar dat "Credo quia absurdum" op neer komt: Een absurd uitgangspunt om bij een absurde konklusie terecht te komen - alsof dat hoort en kan en deugt en verdedigbaar is: "eerlijk is vals" (gelijk 1=3, voor de katholieken, waar zij goden tellen).

En zoals mijn site sinds het beging opent:

  "If we believe absurdities,                         
    we shall commit atrocities.
"                         
                                  Voltaire                          

- want dat pleegt het gewone gevolg van absurd geloof te zijn, althans in tijden van of oorlog, al eeuwen en eeuwen lang. En als dit niet zo was - ook al vanwege God's goedheid, uiteraard - dan zou het ook véél minder erg zijn.


(*) Een term waar ikzelf niet zo gelukkig mee ben, maar die ondertussen tot het standaard woordgebruik behoort. Hoe het zij, wie de meningen van bisschop Williamson erover wil leren waarderen kan weinig beter doen dan een meer of minder lange blik slaan in "The Holocaust Encyclopedia", ed. W. Laqueur (ISBN 0-300-08432-3, althans van de hardcover editie) die de deugden heeft zowel uit te leggen waarom de term niet erg welgekozen is als 765 paginaas weldoordachte paginaas over het onderwerp te leveren, inclusief beeldmateriaal en statistieken, waar volgens Williamson weinig of niets van waar kan zijn.

(**) Dus feitelijk: zeer dure privé-scholen.

(***) Dit tweede "vrijwel" in vier woorden dient om mijn twijfel mee te delen over Aquinas goede bedoelingen in sommige gevallen, zoals de vervolging van ketters en homofielen, waarover hij meende bewezen te hebben dat het God welgevallig was om ze levend te doen verbranden, althans indien ze volhardden in hun preferenties.

(****) Zoals u wellicht begrijpt heb ik niet veel met het katholicisme, maar ben ik ook niet blind voor intellectuele excellentie, en er waren de vorige eeuw wel degelijk gelovige katholieken die - desalniettemin, moet ik invoegen, mede vanwege het bestaan van bisschop Williamson - behoorlijk zinnige denkers waren. Twee voorbeelden zijn Etienne Gilson en frater Bochenski.

(*****) Mijn editie is een paperback uitgegeven door Faber and Faber in 1986, met als ISBN 0-571-15025-1. Dit is een alleraardigste en zeer leesbare inleiding tot Voltaire.

Maarten Maartensz

        home - index - top - mail