Nederlog        

 

29 januari 2009

 

Juristen over de vervolging van Wilders


 

 

In de NRC van vandaag staat weer een artikel over de vervolging van Wilders, en weer van mr. Folkert Jensma. Het heet "Wilders vervolgen? Dan ook Dante, Voltaire en Hermans" en het begint zo:

Het bevel van het gerechtshof in Amsterdam om Wilders te vervolgen wegens haat zaaien en groepsbelediging verdeelt de juristen hevig. Een zaaltje met zo'n tachtig man kon het gisteren na een actualiteitencollege aan de Leidse rechtenfaculteit niet eens worden, bleek uit handopsteken. Ongeveer de helft volgde mensenrechtenexpert Rick Lawson die vervolging steunt: "Ook Theo van Gogh had vervolgd moeten worden." De rest was het eens met privaatrecht-deskundige Hans Nieuwenhuis, die vervolging vierkant afwijst: "Voor een fatwa hoeven we niet langer naar Teheran".

Het is een goed idee om het vonnis (*) te bespreken aan een rechtenfaculteit en een aardig anecdotisch gegeven dat bij de eerste poging daartoe de aanwezigen ca. 50/50 waren wat betreft eens zijn met het vonnis van het hof, maar niet meer dan dat.

Overigens zijn de geciteerde meningen van zowel de voorstander als de tegenstander niet erg relevant: In ieder geval was er geen wetgeving tegen haatzaaien ten tijde van Van Gogh, terwijl de bewering over de fatwa grote onzin is, omdat een fatwa iets héél anders is dan een beslissing van een gerechtshof in een democratische rechtsstaat.

Jensma bespreekt de meningen van hoogleraar Joan de Wijkerslooth, ooit de leider van het landelijk Openbaar Ministerie, die het vonnis "kort door de bocht" vindt, maar die ik oversla, en vervolgt dan:

Ook hoogleraar Nieuwenhuis was hier kritisch over [nl. dat het hof nooit eerdere gedane overwegingen maakte in het vonnis - MM]. Vrijheid van meningsuiting is voor hem de vrijheid van een ander om dat te zeggen "waar ik het absoluut niet mee eens ben".

Ongetwijfeld sluit Nieuwenhuis hier aan bij wat "een bekende uitspraak van Voltaire" wordt geacht te zijn, al is ondertussen gebleken dat dit feitelijk om een 20ste eeuwse samenvatting daarvan gaat, waarbij komt - en ongeacht de context waarin Voltaire voor tolerantie argumenteerde, die dat niet als jurist deed, maar als filosoof of schrijver - dat Nieuwenhuis' omschrijving juridisch niet adekwaat is.

In feite komt vrijheid van meningsuiting juridisch gezien neer op het recht te zeggen en publiceren wat men wil zonder voorafgaande toestemming van de autoriteiten (juridisch, politiek of religieus), voorzover men daarbij de wet niet overtreedt, wat - al heel lang, bovendien - juridisch wel het geval is wanneer men smaadt of lastert, dus meningen over iemand of een groep publiceert die zo iemand schade kunnen berokkenen en onwaar zijn.

Jensma vervolgt het bovenstaande zo:

Daarvan was hier zeker sprake, zei hij, maar beperkingen lijken hem onnodig. Aanzetten tot haat kan zelfs beter uit artikel 137d worden geschrapt. Aanzetten tot discriminatie en geweld strafbaar stellen is voldoende.

We hebben het dus nog over mr. Nieuwenhuis, en ik ben het met Nieuwenhuis eens dat "Aanzetten tot haat" niet in het wetboek thuishoort, maar ik weet niet of mijn reden de zijne is.

De mijne is dat een behoorlijke wetgeving geen gevoelens of gedachtes behoort te verbieden of gelasten, en wel (i) omdat dit niet het doel van het maatschappelijk recht is (tenzij het politiek of religieus recht is); (ii) omdat dit niet doenlijk is op basis van evidentie (zonder marteling), want het gaat gewoonlijk over principieel oncontroleerbare feiten (ik weet - meestal - niet werkelijk wat u voelt of denkt, en vermoedelijk kunt u even goed liegen als ik of een ander); (iii) omdat in een behoorlijke rechtsstaat - en daarbuiten - de burgers vrij zijn te voelen en denken, en (iv) in een behoorlijke rechtsstaat burgers in beginsel vrij behoren te zijn te zeggen wat ze voelen en denken.

Ook heb ikzelf een logisch bezwaar tegen een - ongekwalificeerd, ongespecificeerd, algemeen - verbod tot "Aanzetten tot discriminatie" ("op welke grond ook", staat in de Nederlandse wetgeving), omdat ik zelf vanzelfsprekend discrimineer en wens te discrimineren - bijvoorbeeld - op basis van intelligentie, kennis en moraliteit (en andere gronden, als uiterlijk schoon in vrouwen, iets wat mannelijke Neerlandse juristen kennelijk nooit doen, manhaftig niet-discriminerend als die wel moeten zijn), en ik meen dat Aristoteles gelijk had toen hij schreef, in Engelse vertaling, dat "Discrimination" - dus: het trekken van onderscheidingen - "is the beginning of all wisdom".

Een derde punt dat ik mis is dat Nieuwenhuis eenvoudig het recht van de klagers om hun beklag te doen bij het hof op basis van de bestaande wetgeving - en dit was de reden van het hof om vonnis te wijzen - geheel niet behandelt, en evenmin de vraag of het hof, gegeven de klachten en gegeven de bestaande wetten, juridisch gesproken anders had kunnen oordelen - en "juridisch gesproken" is hier veel minder wat "juristen" er persoonlijk van wensen te vinden, maar wat logisch volgt uit de bestaande wetgeving.

Een mening over Wilders' uitingen heeft Nieuwenhuis wel, want Jensma vervolgt zo:

De intolerantie en minachting waar het hof over viel, zei Nieuwenhuis "verwerpelijke gemoedstoestanden" te vinden, "maar zij zijn wezenlijk wat anders dan haat".

Nieuwenhuis mag dat vinden van mij, maar juridisch en logisch is het onzin:

Het recht is er - nogmaals - niet om "gemoedstoestanden" te bestendigen of verbieden (afgezien wellicht van hele vage en ideale, als bijvoorbeeld uitgedrukt door de Constitutie van de VS, als een "recht op het nastreven van persoonlijk geluk"), en hoe Nieuwenhuis kan weten dat de "intolerantie en minachting" van enige X (van mij bijvoorbeeld) inzake Y "wezenlijk wat anders dan haat" is - bijvoorbeeld voor de gelegenheid ingepast in wat de spreker denkt overeind te kunnen houden in een rechtbank - ontgaat mij volkomen, als psycholoog ook.

Jensma - en wellicht Nieuwenhuis, maar dat is me niet duidelijk uit de NRC-tekst - werpt nog een moeilijkheid op in dit verband:

Dat het hof consequent spreekt van haat zaaien, terwijl de het het heeft tot aanzetten tot haat, betekent dat het hof het bewijzen ervan makkelijker maakt. Haat zaaien kan ook zonder gevolg. Aanzetten tot haat betekent dat er een reëel gevaar moet bestaan dat anderen metterdaad moslims gaan haten.

Láng geleden (in de zestiger jaren) was er een keuze-vak logica bij de juristen, maar het zou me niet verbazen als dit ondertussen - vanwege de studieduur-halvering en het niveau van de gemiddelde student - geheel afgeschaft is, en dat de meeste afgestudeerde Neerlandse juristen eigenlijk geheel geen geschoolde sjoegen van logische argumentatie hebben.

Hoe het zij, het geciteerde is weer onzin:

"Aanzetten tot" kan immers ook geheel "zonder gevolg" zijn; de wet zoals die er ligt heeft het ook helemaal niet over gevolgen van "Aanzetten tot" of "zaaien", maar over aanzetten; en overigens lijkt het mij heel wel logisch verdedigbaar dat "Haat zaaien" en "Aanzetten tot haat" hetzelfde betekenen, dus synoniem zijn, in vrijwel iedere context.

Maar opnieuw, het voornaamste probleem dat ikzelf hier zie is een ander, namelijk dat het recht geen gedachten of gevoelens behoort te bevelen of verbieden, maar alleen gedragingen van rechtspersonen.

Ik sla wat over en kom bij weer een mening van mr. Nieuwenhuis, zoals weergegeven door mr. Jensma:

De Wilders-beschikking van het hof keurde hij af als een "voortzetting van de politiek met andere middelen - het strafrecht". Het islamdebat met Wilders behoort tot de "onvervreembare taken van de politiek."

Tsja. Stel dat Nieuwenhuis in beide geval strikt gelijk heeft.

Dan nog heeft het hof de plicht een vonnis te wijzen in antwoord op de klachten van burgers die het ontving, en in overeenstemming met de bestaande wetgeving.

Vervolgens, wat betreft "voortzetting van de politiek met andere middelen":

Wat is daar in beginsel tegen? Is het Nederlands recht daar soms niet beschaafd genoeg voor? Het hele recht heeft toch uiteindelijk een politiek-maatschappelijk doel, namelijk een bepaald soort rechtsstaat overeind te houden, en de rechten en plichten van de burgers die in die staat leven helder en objectief omschrijven?

En wat betreft "onvervreembare taken van de politiek":

Dat mag zo zijn, maar het hof heeft en had te maken met klachten van burgers tegen Wilders op basis van de bestaande wetgeving. Afgezien daarvan, alle "onvervreembare taken" van wie dan ook voor wat dan ook zijn in beginsel óók onderworpen aan het recht, dat bijvoorbeeld moet kunnen beoordelen of een politicus zijn "onvervreembare taken" behoorlijk en volgens de wet uitoefent.

Dit was dus weer een staaltje juridische kul-logica, maar mr. Nieuwenhuis heeft meer in dit verband:

Nieuwenhuis zei misprijzend dat het hof de minister "op zijn wenken bediende" door "middellijke belediging" alvast te erkennen. "Uit het diskwalificeren en minachten van bepaalde eigenschappen, tradities of symbolen - Allah, Mohammed en de Koran - kan belediging van een groep mensen worden afgeleid", aldus het hof.

Eerst wat betreft "middellijke belediging", die de minister van Justitie tot wetsartikel wil maken, maar nog niet gemaakt heeft. Ik merk dit vooral op om de inhoud van het gestelde enigszins te verduidelijken, en laat als niet-jurist de juridische portée van het gestelde buiten beschouwing.

Wat betreft de geciteerde overweging van het hof:

Daar ben ik het logisch gesproken wel mee eens, op voorwaarde dat vóór de frase "diskwalificeren en minachten" iets wordt ingevoegd als "herhaaldelijk, publiekelijk, opzettelijk", zodat de opzet tot kwetsen of beledigen althans duidelijk is.

Maar zelfs met deze precisificatie blijft de vraag of deze kwetsing of belediging dan een juridische grond tot vervolging zou moeten zijn.

Mijn eigen opvatting is dat een rechtbank hier zeer terughoudend moet zijn, maar minder terughoudend in het geval van politieke of religieuze voorgangers, en dat overigens een vervolging vanwege belediging vanwege uitingen als "De Koran" = "Mein Kampf" e.d. volgens mij wel doenlijk is, maar dan vooral met een beroep op het recht ongehinderd de eigen godsdienst uit te mogen oefenen, en daarvoor niet vanzelfsprekend beledigd of bedreigd te worden door politici of door religieuze voorgangers van een ander geloof, en omdat het onderstreepte evident onwaar is én evident bedoeld is om stemming (!) te maken.

Nieuwenhuis denkt daar kennelijk anders over, want Jensma vervolgt zo:

Nieuwenhuis kwam haast worden tekort. "Dat zal dan ook wel gelden voor Jezus, Maria en de Bijbel. Maar ook voor Spinoza, Voltaire en Darwin, de iconen van de ongodsdienstigen?"

Ik ben ongodsdienstig, en begrijp dat dit een rhetorische vraag is, die ik niet erg eerlijk en relevant vind, of anders niet intelligent:

De genoemde personen waren geen van allen politici, en hadden ook geen van allen bij hun leven ook maar een fractie van de aandacht voor of macht van een politicus als Wilders nu heeft.

En de Bijbel, net als de Koran, staat mijns inziens vol onzin, maar het is het heilig boek van een geaccepteerde religie.

Kortom, dit moet loos vertoon van rhetorica en emotie geweest zijn van mr. Nieuwenhuis, tenzij hij natuurlijk dom genoeg is om te geloven wat hij zei.

Nieuwenhuis zei ook meer in dit verband, dat ook al niet erg rationeel is:

Nieuwenhuis citeerde [W.F. Hermans'] bekende tirade tegen de katholieken uit 1951 als "het meest schunnige, belazerde, onderkruipende, besodemieterd deel van ons volk".

Ook dit is nogal oneerlijke juristische quasi-logica, en niet eerlijk of niet intelligent:

A. De tirade werd geschreven door W.F. Hermans, maar is niet van hem
maar van zijn hoofdpersoon in een werk dat evident literaire fictie is, en Nieuwenhuis behóórt te weten, als jurist, dat dit de voornaamste reden was dat Hermans vrijgesproken werd.

B. Hermans schreef niet als politicus, deed geen oproepen de katholieken te discrimineren, was geen politicus, en had geen of nauwelijks een achterban, en dat laatste dan alleen qua auteur, en niet qua politicus.

C. Afgezien van de bovenstaande punten: Wat mij betreft mag een gewone Nederlands burger een mening als de geciteerde hebben en uitspreken - maar wordt dit bedenkelijk als hij dit niet doet als individu maar als leider van een politieke of religieuze beweging.

Kortom, dit was alles echte onzin, bovendien irrelevant, en feitelijk misleidend.

Maar Nieuwenhuis heeft nog een punt, want Jensma vervolgt het boven geciteerde zo:

Dat het hof het criterium 'onnodig' bij 'kwetsend en of grievend' gebruikt om te kunnen beslissen of de rechter bevoegd is, noemt hij onwerkbaar.

Dit is iets minder onzinnig, maar niet bijzonder veel:

I. Uiteraard is er verschil in mates van gekwetstheid of belediging, en ook in mates van de intenties te kwetsen of te beledigen, zodat het in dit verband geheel niet onredelijk is om termen daarvoor in te voeren.

II. Ikzelf vind "onnodig" minder zinnig dan wat ik boven schreef: "herhaaldelijk, publiekelijk, opzettelijk", en dan in het bijzonder indien het een politiek of religieus leider betreft die het doet, in de context bovendien van zijn eigen belangenbehartiging als politicus of religieus voorganger.

We zijn gearriveerd bij de opponent van Nieuwenhuis, want Jensma vervolgt het laatst geciteerde zo:

Dat alles neemt niet weg dat Wilders volgens mensenrechten-expert Lawson "geen schijn van kans maakt" in Straatsburg. Volgens hem zijn Europese rechters juist gevoelig voor de bescherming van gelovigen tegen "unwarranted and offensive attacks". Het hof leunde sterk op jurisprudentie die Lawson onder de kop 'Wild, wilders, wildst" in het bulletin van het Nederlands juristen Comité voor de Mensenrechten besprak.

Maar ja - dit geeft alleen een persoonlijke inschatting weer, die ik niet rationeel kan beoordelen, bij gebrek aan relevante kennis.

Een principieel punt hier is dat "offensive attacks" een tautologie is en dat "unwarranted" vooral een kwestie van smaak is en een vaag begrip, terwijl waar het in deze kwestie feitelijk om gaat is wat men - burgers, politici - publiekelijk mag zeggen over een religie of de aanhangers daarvan, met als extra moeilijkheid dat religies vormen van geloof zijn die niet-gelovigen in die religie makkelijk als minstens enigszins belachelijk of als evident onwaar voorkomen.

Aan de andere kant, zoals ik hierboven zei of impliceerde:

Op het moment dat je mensen de juridische vrijheid toekent een religie te kiezen, behoor je ze ook de juridische kans te bieden dat geloof feitelijk en ongehinderd uit te kunnen oefenen, voorzover de gelovigen daarbij geen wetten breken, en zonder dat ze - bijvoorbeeld - uitgemaakt worden door prominente politici voor (gelijkwaardigen van) 'fascisten' of 'terroristen'. 

Afsluitend:

Ik heb een en ander weer besproken omdat ik de kwestie eerder besprak (zie de pijlenknoppen hieronder); omdat deze mij belangrijk voorkomt; en ook omdat me - weer eens - bleek dat ook juristen het moeilijk hebben met logisch oordelen.

Immers, de lezer zal moeten toegeven, lijkt me, dat een groot deel van de juridische argumentaties die ik in de huidige context besproken heb rationeel gesproken weinig om het lijf heeft.

Maar ja: Neerland had tot nu toe slechts veertig jaren onderwijsdebilisering, wat de modern opgeleide Neerlander vast weer hoop biedt voor de toekomst, nietwaar? (***)


P.S. Ikzelf citeer nog eens de Amerikaanse rechter van het Supreme Court Hugo Black, die in de dertiger jaren schreef:

"The conditions which created Fascism there must not pass unnoticed here. Their first and most dangerous symptom is always the same everywhere: an abandonment of equal justice to all, the placing of some groups in a preferred class of citizenship at the expense of other groups."

Ongeacht wat de heer Wilders van zichzelf vindt (laat staan publiek roept dat hij vindt), en ongeacht juridische kwesties en harenkloverijen, meen ikzelf dat het bovenstaande citaat ten volle van toepassing is op de heer Wilders en mevrouw Verdonk, en op veel van wat ze zeggen en beweren te beogen; dat een zéér relevant verschil tussen hen en andere mensen is dat zij een véél groter maatschappelijk podium hebben en zéér verregaande maatschappelijke ambities, namelijk één die eindigt met hun persoon als Neerlands premier of minister, in functies met zeer veel persoonlijke en maatschappelijke macht; dat ik meen dat een deel van de politieke propaganda-technieken van genoemde heer en dame heel duidelijk aansluiten bij wat in "Mein Kampf" te lezen is, bijvoorbeeld over de zogeheten "Grosze Lüge" (= het volk wordt veel beter en makkelijker  bedrogen door grove dan door subtiele leugens); en dat ikzelf bij zowel de heer als de dame regelmatig twijfels heb over hun compos mentis, en altijd meen de stellige kennis te hebben dat in ieder geval zij geheel niet geschikt zijn als politiek leider, voorganger of machthebber, en wel bij gebrek aan vrijwel ieder relevant talent behoudens het vermogen te liegen. (**) En deze diagnose heeft ook weinig of niets met hun standpunten van doen, en veel met hun evidente gebrek aan intelligentie, beschaving, rationaliteit en redelijkheid - want zelfs als (wilde en nogal absurde hypothese) zij het met mij eens zouden zijn, dan nog zou ik vinden dat zij niet de personen zijn om mijn ideeën of waarden zinnig uit te dragen of in de praktijk te brengen, bij gebrek aan enig relevant talent daarvoor.

En heel wel mogelijk is dat laatste - het gebrek van alle bijzondere intellectuele, morele of artistieke talenten - één van de prettigste kanten aan hun menselijke hoedanigheden gecombineerd met hun politieke ambities.

Toch krijg ik géén echt veilig gevoel van deze overweging, maar dat ligt niet aan de heer en dame, maar aan de inrichting van het kiesrecht in Nederland, dat geheel voorbij gaat aan de vermogens van kiezers om rationele en geďnformeerde keuzes te maken. (Democratie is prachtig ... zolang de meerderheid die stemt ook - bewijsbaar! - bekwaam is hun stem rationeel te motiveren op basis van relevante kennis.)

(*) Dit is een link naar de site DeRechtspraak.nl, waar het vonnis in z'n geheel, maar geanonimiseerd, te lezen is.

Tip voor geďnteresseerde niet-juristen:

Bijna aan het eind van het vonnis in de link staat een lijst van in het stuk gebruikte juridische afkortingen. Als u daar eerst een blik op slaat, en ca. halverwege de tekst van het vonnis op de geciteerde wetsartikelen, dan wordt het juridisch proza daarna een stuk begrijpelijker.

(**) In dit verband, zowel van Hitler, als gebrek aan compos mentis, als de "Grosze Lüge", is lezing van de psychiater Walter Lange's "The mind of Hitler" aan te raden, dat oorspronkelijk in 1943 in opdracht van de Amerikaanse geheime dienst geschreven werd, dat ik kort besprak in 2004 in de link.

(***) Ik merk nog maar eens op dat ik - bewijsbaar, publiek, in druk, aan de UvA, in de studentenpolitiek - geageerd heb tegen de maatschappelijke gevaren van de debilisering van het onderwijs in Nederland sinds 1978, en dat ik als dank daarvoor drie dekaden weggezet ben door mijn generatie van verraders als "fascist" en "terrorist" en herhaaldelijk voor van de UvA verwijderd ben, toen al als invalide.

Het is vooral om deze reden + Wilders + Verdonk + het niveau van de Neerlandse politieke élite en ambtenarij sinds dekaden, dat ik - nog steeds - werkelijk hoogbegaafden aanraad Nederland z.s.m. te verlaten: Met een beetje pech worden uw leven en  gezondheid evenveel of nog meer geschaad in de nabije toekomst als de mijne, met minstens hetzelfde genot voor de ambtenaren en bestuurders die dat mogen doen.

Want mijn leven en resterende gezondheid zijn in Nederland met welbewust genoegen geruďneerd door het menselijk uitschot dat Amsterdam bestuurt, en zoals Neerlanders zijn,  in grote meerderheid, en ook opgevoed en onderwezen zijn de laatste veertig jaren, moet u niet rekenen op enig reëel verzet van de grote meerderheid als Nederland neo-fascistisch zou worden (totdat het daar véél te laat voor zal zijn).

Maarten Maartensz

        home - index - top - mail