Nederlog        

 

25 januari 2009

 

Vindt Mark Rutte het ook? (Vervolging Wilders)


 



Dit is alleen een korte reactie op een bericht dat vanmiddag in het radionieuws was, dat erop neer kwam dat (i) Mark Rutte van Artikel 137d Wetboek van Strafrecht afwil, op basis - mede - waarvan Wilders vervolgd moet worden van het Amsterdams gerechtshof en (ii) dat minister Plasterk het een schande vindt dat Rutte zich met de rechtsgang bemoeit.

Welaan dan .... 

Ik heb op 23 januari beargumenteerd dat ik een voorstander ben van de vervolging van Wilders; dat ik een tegenstander ben van dat Artikel 137d, eenvoudig omdat ik niet denk dat je rationeel en redelijk wetgeving kunt hebben die heel menselijke gevoelens en keuzes verbiedt (ook niet als die gevoelens opzichzelf geheel niet redelijk of rationeel zijn); dat ik een voorstel tot herziening van Artikel 137d heb; en dat mijn beoogde herziening overeenkomt met het gebruik dat het Amsterdamse hof wil maken van 137d tegen Wilders (waarvoor zie ook hieronder).

En ik heb op 22 januari mijn eigen reactie op de NRC-rapportage over het bedoelde vonnis (*) van het Amsterdams hof uiteengezet zonder dit vonnis toen gelezen te hebben, met mijn eigen overweging waarom mijns inziens tot vervolging van Wilders zou kunnen worden besloten, maar toen zonder daarmee de klachten gedeponeerd bij het hof mee te wegen, die gedeeltelijk gebaseerd zijn op het bestaande Artikel 137d, en zonder de artikelen 137c en 137d mee te wegen, waar het hof vanuit gaat, zoals het in beginsel uit moet gaan van bestaande wetsartikelen bij het toepassen van het recht.

Hier zijn nogmaals dat Artikel 137d inclusief mijn voorgestelde herziening, met de originele tekst die ik wil vervangen doorgestreept, en mijn voorgestelde vervangingen in blauw:


Mijn wetsvoorstel inzake Artikel 137d Sr:


Artikel 137d Sr (Aanzetten tot haat ontrechting)

1. Hij die in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, aanzet tot haat tegen of discriminatie van mensen
het ontzeggen, het onthouden of het belemmeren van de rechten van of aanzet tot het gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun geslacht, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.
2. Indien het feit wordt gepleegd door een persoon die daarvan een beroep of gewoonte maakt of door twee of meer verenigde personen wordt gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie opgelegd.


Ik heb een en ander op 23 januari beargumenteerd, maar wil nu uiteenzetten waarom ik denk dat mijn herziening het door het hof bedoelde gebruik van het geciteerde artikel dekt en mogelijk maakt.

Maar eerst twee logische puntjes - en ik merk inleidend ook nog op dat mijn kritiek op het bestaande Artikel 137d vooral logisch en rechtsfilosofisch is - namelijk deze:

A. Het hof van Amsterdam is er om het bestaande recht te helpen handhaven, en heeft dus weinig keus als burgers zich richten tot het hof en zich baseren op bestaande wetsartikelen als Artikel 137d.

B. Men kan een redelijk gebruik maken van onredelijke wetten, en trouwens ook een onredelijk gebruik van redelijke wetten (en het laatste kan Wilders verweten worden, onder andere, inzake vrije meningsuiting).

Wat mijn voorgestelde herziening betreft, één van mijn gronden voor ondersteuning van mijn herziening was dit wetsartikel dat in het vonnis geciteerd wordt en "EVRM" = "Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden":

Artikel 17 EVRM (Misbruik van recht)
 
Geen der bepalingen van dit Verdrag mag worden uitgelegd als zou zij voor een Staat, een groep of een persoon een recht inhouden enige activiteit aan de dag te leggen of enige daad te verrichten met als doel de rechten of vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld teniet te doen of deze verdergaand te beperken dan bij dit Verdrag is voorzien.

en drie andere gronden die ik had kunnen opvoeren die het hof citeert zijn als volgt, waar "IVBPR" = "Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten"

Artikel 27 IVBPR (Respect voor minderheden)

In Staten waar zich etnische, godsdienstige of linguïstische minderheden bevinden, mag aan personen die tot die minderheden behoren niet het recht worden ontzegd, in gemeenschap met de andere leden van hun groep, hun eigen cultuur te beleven, hun eigen godsdienst te belijden en in de praktijk toe te passen, of zich van hun eigen taal te bedienen.

Artikel 26 IVBPR (Discriminatieverbod)

Allen zijn gelijk voor de wet en hebben zonder discriminatie aanspraak op gelijke bescherming door de wet. In dit verband verbiedt de wet discriminatie van welke aard ook en garandeert een ieder gelijke en doelmatige bescherming tegen discriminatie op welke grond ook, zoals ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status.

Artikel 14 EVRM (Discriminatieverbod)

Het genot van de rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, moet worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.

Anders gezegd:

Ik denk dat het proces dat het hof tegen Wilders gevoerd wil zien beter op deze vier geciteerde artikelen gebaseerd kan worden dan op Artikel 137d, en wel omdat (1) deze artikelen zinniger zijn (**) en (2) dezelfde of betere gronden bieden Wilders te vervolgen als Artikel 137d en wel (3) omdat de wetgeving niet alleen Nederlands maar ook Europees is.

En een ander relevant artikel dat het hof citeert dat van toepassing is, in beide leden is:

Artikel 10 EVRM (Vrijheid van meningsuiting)

1. Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Dit artikel belet Staten niet radio-omroep-, bioscoop- of televisieondernemingen te onderwerpen aan een systeem van vergunningen.
2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.

Ook dit artikel lijkt mij redelijke mogelijkheden te bieden Wilders te vervolgen - en ik moet hier nóg een opmerking van logische aard maken:

Uiteraard is een gerechtshof gebonden aan de logica, maar de logica in het recht speelt een enigszins andere rol dan in de wiskunde, in het bijzonder in deze zin:

In de wiskunde gaat het er vaak om stellingen te bewijzen met een minimum aan vooronderstelde wiskundige axiomaas, en geldt een stelling als het best bewezen die de minste vooronderstellingen maakt en het bewijs toch levert.

In het recht gaat het er vaak om stellingen te bewijzen met een maximum aan vooronderstelde wetsartikelen, en geldt een stelling als het best bewezen als het bewijs geleverd wordt op basis van de meeste wetsartikelen.

Dit betekent ook dat er in het recht veel wetsartikelen aan te wijzen zijn die vanuit wiskundig-logisch oogpunt overbodig zijn of lijken, maar die wettelijk relevant zijn omdat ze een ander aspect van dezelfde zaak betrekken dan overige artikelen, en deze aspecten raken aan welbepaalde menselijke belangen  of aan het verband van wetten onderling.

Ik zei hierboven dat ik wilde uiteenzetten waarom ik denk dat mijn voorgestelde herziening het door het hof bedoelde gebruik van het geciteerde artikel dekt en mogelijk maakt.

Het is wellicht het handigst dit te doen door het hof te citeren uit het vonnis, en wel uit sectie "12.  Inhoudelijke beoordeling":

Het hof zal beginnen met het meest ernstige verwijt dat Wilders in deze zaak door klagers is gemaakt, het aanzetten tot haat en discriminatie. Het hof is van oordeel dat de uitlatingen van Wilders, zoals opgesomd in paragraaf 4 van deze beschikking, in samenhang bezien geschikt zijn om haat te zaaien en aan te zetten tot discriminatie, niet alleen vanwege de inhoud maar ook vanwege de wijze van presenteren. Deze wijze van presenteren kenmerkt zich door eenzijdige, sterk generaliserende formuleringen met een radicale strekking, niet aflatende herhaling en een toenemende felheid waarmee de standpunten worden verwoord. Die wijze van presenteren, zeker in combinatie met de inhoud, tast de moslims in hun waardigheid wezenlijk aan. Een dergelijk ageren tegen het moslimgeloof en zijn aanhangers is naar het oordeel van het hof onnodig, omdat Wilders zijn opvattingen ook op andere wijze kan uitdragen.

Het openbaar ministerie verdedigt de opvatting dat er van haatzaaien geen sprake is, omdat daarvoor het opruiende element in de meningsuitingen van Wilders ontbreekt. Naar het oordeel van het hof berust die visie op een onjuiste appreciatie van wat er in werkelijkheid gebeurt. Inhoud van de bestreden meningsuitingen en wijze van presenteren – vaak in een gebiedende en militante stijl (‘Verbied de Koran’) - zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm kennelijk erop gericht om bij de Nederlandse bevolking conflictueuze tweespalt te veroorzaken ten opzichte van de islamitische bevolkingsgroep, om de Nederlandse bevolking jegens die groep gelovigen tot discriminatie, intolerantie, minachting en vijandschap te bewegen alsmede om voor hen angst aan te jagen.

Bepaalde uitdrukkingen – zoals “De grenzen dicht, geen islamieten meer Nederland in, veel moslims Nederland uit” - kunnen bezwaarlijk anders worden verstaan dan erop gericht om de gepropageerde ideeën tot uitvoering te brengen. Dit soort uitlatingen hebben immers tot doel anderen ‘mee te krijgen in’ (aan te zetten c.q. op te roepen tot) het realiseren van hetgeen men voor wenselijk houdt. De opbouw in Wilders’ uitlatingen en het repeterende patroon dragen het kenmerk anderen, politici of burgers, van zijn ideeën te overtuigen en hen op basis daarvan tot actie te bewegen.

Ook andere uitlatingen stellen de moslims in een kwaad daglicht en spiegelen hen voor als een gevaar voor de Nederlandse samenleving: “De Koran is het gezicht van de Islam: een levensgroot gevaar”, “De grenzen dicht, geen islamieten meer in Nederland”, “Er (is) geen onderscheid tussen Goede Islam en Slechte Islam”, “Ik heb genoeg van de islam in Nederland; geen moslimimmigrant er meer bij. Ik heb genoeg van de aanbidding van Allah en Mohammed in Nederland; geen moskee er meer bij. Ik heb genoeg van de Koran in Nederland: verbied dat fascistische boek. Genoeg is genoeg”.

Wat ik stel is eenvoudig dit:

Zowel mijn voorgestelde herziening van Artikel 137d als de - ook internationaal geaccepteerde - hierboven geciteerde wetsartikelen uit het EVRM en het IVBPR, geven betere gronden tot vervolging van Wilders, en wel omdat, zoals ik dat zelf formuleerde in mijn herziening van Artikel 137d (1) Wilders evident oproept tot ontrechting van moslims die (2) evident niet rechtmatig kàn zijn in een werkelijke rechtsstaat met gelijke rechten voor allen en (3) ongeacht of er sprake is van "haat en/of discriminatie" of oproepen daartoe.

En ik stel dit, zonder een logisch bewijs mee te leveren, omdat ik meen dat dit behoorlijk evident is, en een logisch bewijs overbodig is. (***)

Tenslotte nog drie overwegingen in dit verband:

A. De hele geciteerde overweging van het hof blijft gelden, maar op enigszins andere gronden, die volgens mij veel zinniger zijn en juridisch, ethisch en logisch veel houdbaarder zijn, en wetgeving die gevoelens verbiedt of gelast vermijdt.

B. In dit verband kan ik twee van mijn stukken uit 2006 opvoeren, gedeeltelijk geschreven in verband met de veroordeling van de zogeheten Hofstad-groep: De Nederlandse rechter over vrijheid van meningsuiting en Tegen wetgeving van verplichte gevoelens of gedachtes.

C. En hier is tenslotte een relevant citaat, dat ik eerder gaf, namelijk in Wilders-film, van een in de vorige eeuw zeer vooraanstaande Amerikaanse rechter, dat mede uitdrukt waarom ik het inhoudelijk eens ben met het Amsterdams hof, al ben ik het niet geheel eens met de abstracte logica die daaraan ten grondslag wordt gelegd - en ik citeer ook mijzelf uit maart 2008, met deze keer een extra vetzetting van het bedoelde juridische proza:

Laat ik dus eerst nogmaals een parallel opvoeren die ik eerder aangaf, en die van de hand van één van de Amerikaanse rechters van het Supreme Court uit de jaren dertig en veertig van de 20ste eeuw:

"The conditions which created Fascism there must not pass unnoticed here. Their first and most dangerous symptom is always the same everywhere: an abandonment of equal justice to all, the placing of some groups in a preferred class of citizenship at the expense of other groups."
   (Hugo L. Black)

Dit is de autochtone kaart die Wilders en Verdonk spelen in hun spel om de macht, zeker als zij zijn van de beschikbaarheid van zeer veel aandacht op TV en van het bestaan van diverse miljoenen Nederlandse kiezers die nauwelijks enige algemene ontwikkeling hebben, en niet of nauwelijks kunnen lezen, schrijven of rekenen, na veertig jaar Nederlands onderwijs vooral bestierd door de PvdA, maar die wèl allemaal mogen stemmen.

En laat ik tenslotte onderstrepen waarom mij de door mij voorgestelde herziening van Artikel 137d zinniger voorkomt dan het bestaande én waarom de andere geciteerde artikelen mij betere gronden tot vervolging van Wilders lijken te bieden: Het gaat om het verbieden c.q. tegengaan van

an abandonment of equal justice to all, the placing of some groups in a preferred class of citizenship at the expense of other groups

en dat ook ongeacht (het - eerlijke of oneerlijke - vertoon van) emotionele gronden daarvoor, "het zaaien van" "haat of discriminatie" "op welke grond ook" of "van welke aard ook", maar omdat je geen algemeen rechtvaardige rechtsstaat met gelijke rechten voor allen kunt hebben als groepen burgers daaruit ontrecht kunnen (gaan) worden omdat populistische politici dat op hoge toon eisen.


P.S. Is de kwestie hiermee afgedaan? Vindt Mark Rutte het ook? Nee, de kwestie is hiermee niet afgedaan, doch is wel moreel en juridisch zinnig en interessant, en verdient rationele discussie, en of Mark Rutte het vindt of niet weet ik niet op basis van wat ik op de radio hoorde, maar het is in ieder geval waar dat een wetgeving gebaseerd op het verbieden of gelasten van menselijke gevoelens, goed bedoeld of niet, weinig zinnig is en ook niet aansluit bij wat velen eeuwen geacht werd het doel van het recht te zijn: Mensen helpen bewegen zich (niet) op bepaalde manieren te gedragen.

(*) Tip voor geïnteresseerde niet-juristen:

Bijna aan het eind van het vonnis in de link staat een lijst van in het stuk gebruikte juridische afkortingen. Als u daar eerst een blik op slaat, en ca. halverwege de tekst van het vonnis op de geciteerde wetsartikelen, dan wordt het juridisch proza daarna een stuk begrijpelijker.

(**) Maar omdat ik een logische geest heb merk ik op dat ook deze frases bevatten die logisch problematisch zijn, namelijk "van welke aard ook" en "op welke grond ook", die allebei teveel eisen, en mensen onmogelijk zijn, terwijl exact dezelfde wetsartikelen zonder deze frases veel beter zijn, en ook veel specifieker

(***) En voor de goede logische orde: Uiteraard meen ik dat ik een dergelijk bewijs kàn leveren, formeel en al, in predikatenlogica of verzamelingenleer - alleen is dat, nogmaals, hier overbodig, en overigens voor slechts weinigen inzichtelijk, dus irrelevant.

Maarten Maartensz

        home - index - top - mail