Nederlog        

 

11 september 2008

                                                                 

Hoe ik tot de filosofie en de psychologie kwam

 

 

Misschien moet ik eens uitleggen hoe ik tot de filosofie en de psychologie kwam, was het alleen omdat ik er regelmatig over schrijf; ik behoorlijk veel gelezen word (mijn site heeft "zeer vele gebruikers" volgens McAfee, en inderdaad schijnt er iedere minuut van de dag wel iemand op de planeet iets op te lezen - wat motiverend is voor mij, inderdaad: "no man is well pleased to have his all neglected, be it ever so little", zoals Dr. Johnson schreef); ik (uitstekende) academische diplomaas in deze academische studien heb; en het mogelijk van enige interesse is voor sommigen.

Het is vooral een gevolg van de combinatie van aanleg en opvoeding: Ik heb een theoretische aanleg, die disponeert tot willen weten, willen verklaren, en die plezier vindt in abstracte structuren, en mijn ouders waren eerlijke communisten, met een radikaal en lokaal ongebruikelijk wereldbeeld en ongebruikelijke morele opvattingen (zoals een grote rechtvaardigheid en een voorkeur voor eerlijk delen).

Als kind van een jaar of 7 vond ik uit dat ik een redelijk stuk slimmer was dan de andere kinderen van mijn leeftijd die ik kende en werd ik - achteraf sprekend - overwegend gered van redelijk wat moeilijkheden daardoor vanwege mijn vrijwel gelijktijdige ontdekking van de Openbare Bibliotheek Oranjehof (nu ter ziele), waar ik al snel uit "de boeken voor volwassenen" mocht lenen (mits mijn kinderziel zuiver bleef, natuurlijk, maar ik zocht vooral naar biologie-boeken over dieren), en mij in de volgende jaren door veel van de beschikbare delen daar heenlas, niet tot vreugde van mijn ouders, die vonden dat twee boeken per dag wel rg veel was, voor een kind van acht, en dat op straat spelen ook heel gezond en interessant voor een kind was. (De familie leefde met 2 volwassenen en 3 kinderen in 2 kamertjes in de proletarische Kinkerbuurt van Amsterdam. En je kn toen als kind nog veilig buiten spelen - in de straat waar ik opgroeide verscheen "de eerste auto van een bewoner van die straat" in 1958, en dat was eigenlijk een taxi, en geen eigen bezit).

Ik las uit belangstelling en om de gapende en schreeuwende leegtes van behoefte naar kennis die het Lager Onderwijs overwegend braak liet liggen te bevredigen en was hier, tot ik een jaar of 12 14 was,  overwegend tevreden mee, vooral omdat ik biologie erg interessant vond, en daar redelijk wat van en over te krijgen was.

Tegelijkertijd waren mijn ouders allebei actief in en voor de CPN, lazen het partijblad De Waarheid, en gingen vaak, ook met hun kinderen, naar publieke bijeenkomsten van de CPN, zodat mij snel duidelijk werd dat mijn ouders over veel vraagstukken nders dachten dan de meeste andere Nederlandse volwassenen.

Ze legden hun geloof geheel niet dwingend op - dat moest ik zlf maar uitzoeken als ik groter was - maar ondertussen werd ik wel opgevoed in een klimaat waar allerlei dingen vanzelfsprekend waren, zoals de menselijke excellentie van het socialisme in de Sovjet-Unie en de wenselijkheid van het communisme, die dat allemaal niet waren voor andere kinderen of andere ouders, en er werd thuis ook veel over politiek gesproken.

Rond mijn 14e raakte ik genteresseerd in filosofie, en dat vooral maar niet alleen omdat ik op het uiterste nippertje niet uit de DDR gegooid was, als 14-jarige, omdat ik - door mijn ouders meegestuurd met een groepje communistenkinderen om 5 weken vakantie te genieten in het Oostduitse Pionierlager "Wilhelm Pieck" - daar z verontwaardigd en ziek van het daar heersende militairistische en totalitaire klimaat was dat ik publiek beweerde en volhield dat het er een "fascistische Schweinerei" was. (*)

Toenmalige onwillige burgers van de DDR werden voor minder om zeep gebracht (blijkt achteraf, in ieder geval), maar mijn vader had samen met een toenmalige Oostduitse minister in het concentratiekamp Sachsenhausen gezeten, en ik was 14, en was ondertussen vlak bij de Poolse grens in een roestige spijker getrapt die mij een bloedvergiftiging had bezorgd, zodat ik bijna twee weken in het kampziekenhuis lag, en ik uiteindelijk gewoon met de rest gerepatrieerd werd.

Het tekent mijn ouders - ik zei al: zeer rechtvaardige mensen - die, zelf op vakantie in de buurt van Hilversum, begin augustus 1964 door de Oostduitse partijleiding getelefoneerd werden met de boodschap dat ze hun zoon moesten komen ophalen, dat ik hiermee geen enkel probleem kreeg zodra ik uitgelegd had wat mij bewoog, zoals dat ik het volkomen krankzinnig vond om kinderen in militaire carres op te stellen rond De Vlag, en kinderen van een jaar of 8 - "Junge Pioniere" - te dwingen dagelijkse lofredes te houden op het wijze beleid van Sovjet-premier Leonid Brezhnev, alsof zij dat op hun achtste redelijk konden beoordelen.

Maar dit, en wie weet de arriverende puberteit, bewogen mij richting filosofie, ook al omdat ik ondertussen diverse problemen had met de leer van de CPN (die ik dagelijks uit het communistische volksdagblad De Waarheid kon vernemen), zoals de vraag waarom "de kapitalisten" het deden met de leer van de econoom John Maynard Keynes, als Karl Marx de waarheid over de kapitalistische economie had uitgevonden, omdat me toen al leek dat je een stuk meer aan de waarheid hebt dan aan illusies om je eigen belangen te bestendigen.

Mijn vader, die heel lang de scholingssecretaris van het CPN-partijdistrikt Amsterdam was, en die heel wat delen Marx, Engels, Lenin en Stalin in de kast had staan, wist hierop het antwoord niet, en was eerlijk genoeg dat toe te geven.

Het probleem voor mij was dat er in de Openbare Bibliotheek Oranjehof - achteraf gesproken - niets zinnigs over filosofie te vinden was. Ik herinner me - vagelijk - iets duisters over De Fenomenologie en iets anders duisters over Het Denken van Kant, maar daar was kop noch staart aan te breien voor me, al had ik wel door dat het k nog eens slecht geschreven was (en geheel geen Multatuli).

Daarbij kwam dat de filosofie van Marx, voorzover ik die uit de boeken in mijn vader's boekenkast kon reconstrueren, op tal van manieren zinnig klonk, en gepresenteerd werd als wetenschappelijk - "Het Wetenschappelijk Socialisme", te kontrasteren met "het utopisch socialisme" van iedereen die niet de marxistische overtuiging toegedaan was, maar toch socialist - waar ik toen al een voorkeur voor had terwijl "het marxisme" bovendien vanaf ca. 1965 maatschappelijk populairder of minder onpopulair werd (kennelijk vooral vanwege de oorlog die de VS in Vietnam voerde en het radikale klimaat in The Sixties).

Op mijn 15e bedacht ik geheel zelfstandig dat filosofie en mens-zijn vooral neerkwam op het vermogen tot redeneren en raakte dus zeer genteresseerd in verklaringen voor wat menselijk redeneren zou zijn.

Helaas waren die verklaringen niet te vinden in de Openbare Bibliotheek Oranjehof, buiten een boekje van een Belgische professor Flam, waaruit te leren viel dat logica heel nuttig was, maar niet wat het was of waarom, en boekjes over logica die neerkwamen op een soort veredeld puzzelen ("Meneer A woont naast het rode huis. De bewoner van het gele huis houdt een giraf. Meneer B woont niet in het groene huis. De zebra woont in het huis naast het blauwe huis. Wie woont waar en heeft welk huisdier?" - dat srt vraagstukken, en nee: het hier gestelde is onoplosbaar).

Dat hielp dus allemaal niet erg, en vanaf mijn 15e tot mijn 17e was ik tamelijk braaf het marxisme toegedaan zoals mijn vader dat uitdroeg, vooral omdat het wetenschappelijk zou zijn; ik het zinniger vond dan wat ik overigens gelezen had over filosofie; mijn ouders het werkelijk goed meenden en rechtvaardige mensen waren; het marxisme een leer was met honderden miljoenen aanhangers, waaronder tal van bekende wetenschappers; en het ook nog eens een handvat gaf om "het imperialisme van de VS" c.q. de oorlog in Vietnam te duiden, dat snel populairder werd vanaf ca. 1965, ook in niet-communistische kringen, vooral vanwege de manieren waarop de Amerikanen huishielden in Vietnam (clusterbombing, napalm, uitmoorden van dorpen).

Ik had er wel problemen mee, zoals het bovengenoemde feit dat "de kapitalisten" hun eigen belangen bevorderden middels de economische leer van Keynes en niet de idem van Marx, en met de dialektiek, waarmee contradicties in werkelijkheid zouden bestaan, wat mij veel intellectuele hoofdbrekens kostte totdat ik, ook op mijn 15e, besloot dat dit in ieder geval onzin was (**), maar er was - of scheen - overigens moreel redelijk wat voor het Marxisme te zeggen, en mijn ouders waren heel behoorlijke, welmenende, rechtvaardige en intelligente mensen, en die leer toegedaan.

Op mijn 16e mocht ik voor het eerst zelfstandig naar het buitenland van mijn ouders ("daar ben je verstandig genoeg voor", zei mijn vader) en ik ging naar Parijs en naar Londen, en kocht in de laatste, in de grote boekhandel Foyles, een deeltje met dialogen van Plato en een deeltje Aristoteles - de Ethica, jawel! - die mij onmiddellijk zeer bendrukten als buitengewoon scherpzinnig, en van een andere intellectuele klasse dan Marx of Lenin, om van Stalin niet te spreken (die ik toen al doorhad als een filosofische duisterprater, en geheel niet mocht omdat hij zijn beeltenis overal had verspreid, alsof dat enige deugd deed). 

Dit was mijn eerste echte confrontatie met serieuze en echte filosofie buiten de marxistische traditie, en ik was zeer onder de indruk, onder andere vanwege de logische scherpzinnigheid van Plato's Socrates, maar het was me ook duidelijk dat het teksten van meer dan 2000 jaar oud betrof, en dat er sindsdien veel gedacht was waar ik niets van wist.

Op mijn 17e kwam ik, dankzij W.F. Hermans, voor het eerst in aanraking met Wittgenstein's Tractatus, die mij toen zeer bendrukte, al was ik het er niet mee eens, en al meende ik onmiddellijk dat Wittgenstein zich moest vergissen over wiskunde. Hier is trouwens mijn commentaar als 17-jarige bij Wittgenstein's laatste stelling in de Tractatus:

7. What we cannot speak about we must pass over in silence.

Mijn reactie, die ik toen en nu logischer vond: "What we cannot remain silent of we must speak about." - en merk op dat Wittgenstein feitelijk een moreel gebod uitsprak, en ik een menselijke en feitelijke onafwendbaarheid (afgezien van F.P. Ramsey's toevoeging "if we can't whistle it either", mij toen onbekend - en Ramsey was echt een stuk slimmer dan Wittgenstein).

En eenmaal op dit spoor gezet kostte het mij niet erg veel tijd om echte logici (Tarski, Beth) te vinden en te lezen, en Bertrand Russell te ontdekken, die ik vrijwel onmiddellijk voor een stuk zinniger (en beter schrijvend) dan Karl Marx hield, en die bovendien voor mij, op dat moment, de deugd had ook een bekend tegenstander van de Amerikaanse Vietnam-oorlog te zijn. (***)

Niet alleen dat: Tussen mijn 17e en mijn 20e vond ik stapsgewijs uit, te hooi en te gras lezend in alles wat mij interesseerde, dat heel veel was, dat er zr veel meer en aanzienlijk zinniger was geredeneerd dan in de marxistische tradities, waar ik ondertussen enige redelijke kennis van had, en dat ik allerlei dingen die ik graag wilde weten, vooral over wetenschap, filosofie en logica, niet wist - zodat ik mij met groot en jeugdig enthousiasme zette aan het pogen dat wl te weten. (En vrucht - op termijn - hiervan is "Echte wetenschap = genot", dat ik u nog steeds aan kan raden, en dat een overzichtje biedt van het beste dat ik aantrof.)

Ook was ik op mijn 18e lid van de CPN geworden, al had dat, toen al, hl weinig met mijn liefde voor de CPN van doen, en veel meer met mijn vader, die dit zeer toejuichte, en met mijn  liefde voor de tweede dochter van Marcus Bakker, zodat ik mij door de eerste dochter van Bakker liet verleiden tot een partijlidmaatschap, heel wel wetende wat mij feitelijk het meest dreef (namelijk de verlokkingen van haar zus).

Op mijn 20ste gaf ik dat CPN-lidmaatschap weer op, overigens precies in de tijd dat tal van mijn generatie-genoten, zonder mijn achtergrond, er lid van werden, o.a. vanwege de Vietnam-oorlog en de gebeurtenissen van '68 in Parijs en de bezetting van '69 van het Maagdenhuis, waar de CPN "de kant van de bezettende studenten" had gekozen, wat deze partij in de komende tien jaren veel aankomende en gearriveerde academici opleverde als partijlid.

Ikzelf had diverse redenen voor mijn besluit uit de CPN te stappen, zowel moreel-praktisch als theoretisch, maar de algemene overweging komt neer op n die ik eerder gegeven heb in Nederlog: Ik had gekonkludeerd, uit wat ik wist en meende te weten, dat de menselijke emancipatie zr veel beter gediend is door de bevordering van echte wetenschap dan door politiek aktivisme.

En ik had besloten dat ik me vooral op logica, wetenschapsfilosofie en redeneren wilde toeleggen, en daar zoveel mogelijk van wilde weten en begrijpen, enerszijds omdat me dit zinnig leek, en anderszijds omdat ik er talent en smaak voor bleek te hebben.

Mijn horizon verbreedde zich dus zeer; ik wist dat ik zeer veel niet wist, en dat er zeer veel geschreven was in de wetenschap en de niet-marxistische filosofie dat ik weten wilde; en ik legde me de komende tien jaren vooral toe op wetenschapsfilosofie, logica en wetenschap, heel welbewust, en gedreven door interesse en de bevinding dat ik mee kon redeneren met wie ik las, wie dat ook was, tenminste als hij of zij zinnig schreef, en ik moeite deed (bijvoorbeeld om de gebruikte wiskunde te begrijpen).

Dit was vooral een ontdekkingstocht, waarvan ik u bij gelegenheid in Nederlog op gevonden fragmentjes gewezen heb, en het deed me veel deugd, gaf me veel plezier (****), en leerde me veel.

Ik veronderstel dat het bovenstaande mijn belangstelling voor filosofie en wetenschap in het algemeen redelijk verheldert, maar wellicht dat u nog niet begrijpt waarom ik in de psychologie genteresseerd was, en het ging studeren, om daar uiteindelijk in af te studeren, vooral omdat ik ondertussen, vlak voor mijn doctoraal in de filososfie, bij filosofie verwijderd was als student, vanwege "uw uitgesproken gedachten" c.q. de vragen die ik publiek stelde in 1988, die sindsdien gebleken zijn allemaal volledig terecht te zijn geweest.

Uiteindelijk was de reden om psychologie te studeren ook weer logisch: Ik wilde zoveel mogelijk weten over menselijk redeneren en meende, mede dankzij William James, dat de wetenschap der psychologie mij daarover meer zou kunnen leren - en vandaar.

Tenslotte, wat denk ik achteraf over de door mij gekozen academische studies? Niet veel goeds, want bijna alles wat ik weet heb ik mijzelf geleerd door eigen initiatief - al ligt dat mede aan het niveau van "onderwijs" aan de UvA toen ik daar studeerde.

Afgezien daarvan was het voor mij waarschijnlijk een stuk beter geweest als ik geen filosofie of psychologie maar biologie of wiskunde gestudeerd had, was het alleen omdat ook dit me zeer interesseerde, en ik er waarschijnlijker academisch emplooi en het aanzienlijk minder moeilijkheden vanwege mijn gewoonte te zeggen wat ik vind had opgeleverd.

Maar spijten doet het me niet, want het blijft k waar dat de meest intelligente mensen zich het vaakst serieus met filosofie, logica en wiskunde hebben beziggehouden, en dat wie moeite doet en enig talent heeft daar zr veel van (en mee, en door) kan leren.

Indien u echter meent op mij te lijken, zus of zo, n een heel stuk jonger bent dan ik, dan doet u er verstandig aan iets natuur-wetenschappelijks te studeren, als u dat aankan, want dat is de kortste en zinnigste weg naar chte kennis n naar een behoorlijke academische aanstelling.

Mcht u dan (toch) een groot talent hebben voor filosofie, dan zal dat wel blijken, en heeft u de rest van uw leven om u daarin in te lezen, bijvoorbeeld als natuurkundige, wiskundige of biochemicus - en de chte filosofische meesterwerken plegen geschreven te worden door oudere mannen, terwijl de geniale ingevingen in de bta-wetenschappen gewoonlijk door jong talent genoten en gevonden worden.


(*) Ook vast een persoonlijke karakteristiek: Ik was vanaf hl jong aan nooit bang om te zeggen wat ik dacht (en had daar vanwege mijn ouders dan ook niets voor te vrezen). Het was pas veel later dat ik doorkreeg dat dit behoorlijk ongebruikelijk is.

(**) Ik kan me de opluchting en de plaats waar ik tot dit besluit kwam ng heugen.

(***) Wie hier meer van wil weten kan Ray Monk's biografie van Russell tot zich nemen, in twee stevige delen, die - vooral in deel II - nogal wat mythes rondom Russell weerlegt, en geen werkelijk fraai beeld van hem schetst, al zal het overwegend waar zijn. Hoe het zij... Russell's Vietnam-standpunten, op ca. 90-jarige leeftijd, waren kennelijk vooral het werk van zijn secretaris Ralph Schoenman.

(****) Dringende tip voor mensen als ik (zeg maar: hoogbegaafde intellectueel nieuwsgierigen): En bevinding die ik snel deed en die mij grote deugd deed (na eerdere pijn en ellende vanwege mijn koppigheid te willen blijven proberen een zogenaamd belangrijke tekst op eigen kracht te ontsluieren) was deze: Als je serieus in een onderwerp genteresseerd ben, lees dan alleen wat je daarin stylistisch bevalt, of althans niet tegen staat. Er zijn vl duisterschrijvers, maar in de echte wetenschap is er, wellicht met enige moeite, gewoonlijk iemand te vinden die het - voor u, mits u de vermogens werkelijk heeft - wl duidelijk, behoorlijk, en aansluitend bij uw niveau uit kan leggen. 

 Maarten Maartensz

        home - index - top - mail