Nederlog        

 

7 september 2008

                                                                 

Johnson en Boswell

 

 

Gisteren tracteerde ik u op het allerbeste uit de Nederlandse literatuur (van 2008) en vandaag wilde ik wat meer over de mij zoveel meer bevallende - klassieke - Engelse literatuur schrijven, maar mijn energie houdt weer eens niet over, en ik beperk me tot een paar citaten van Johnson uit deel 1 van "The Life of Samuel Johnson, LL.D" van James Boswell (*) omdat ik ze aardig vind en omdat zowel Johnson als Boswell gelezen verdienen te worden.

Als u geheel niet weet wie ze waren - 18e eeuwse Engelse schrijvers - dan kunt u op het internet redelijk wat materiaal vinden, waar ik u nu geen links naar kan geven, omdat ikzelf ze vooral - en sinds vele jaren - uit gedrukte boeken ken.

Maar goed - over Dr. Samuel Johnson, die leefde van 1709-1784. Hij werd geboren in een arme doch nette familie (de ouderwetse geur die hieruit spreekt is terecht); werd vroeg herkend als een wonderkind, met een geheugen dat genoeg had aan het één of twee keer lezen van een pagina tekst om deze - lang daarna ook - uit z'n hoofd te kennen; had een bijzonder heldere, logische geest; een zeer groot taalvermogen; en moest de universiteit van Oxford na korte tijd verlaten wegens algeheel  geldgebrek.

Rond 1755 werd hij beroemd in Engeland als "Dictionary Johnson" ("Johnson" is natuurlijk Engels voor "Jansen"), nadat hij erin geslaagd was om in een jaar of zeven, en hoofdzakelijk alleen werkend, het eerste behoorlijke woordenboek van de Engelse taal te maken en doen publiceren.

Daarnaast publiceerde hij gedurende zijn leven "Rasselas", dat ook volgens hemzelf, en tot zijn verbazing, zoveel van Voltaire's "Candide" wegheeft, dat de één of de ander van plagiaat beschuldigd zou zijn als ze niet vrijwel tegelijk gepubliceerd waren; "The Rambler", zijnde een verzameling wekelijks gepubliceerde essays (die mij bevallen maar veel lezers te serieus vinden); "Lives of the English poets" in twee delen; een editie van Shakespeare met voorwoorden; en meer werk dat interessant, scherpzinnig, en goed geschreven is, maar hij dankt zijn grote faam aan zijn zeer grote talent als conversationalist en de biografie van zijn aanzienlijk jongere vriend James Boswell  (1742-1795) die in 1791 verscheen, in twee delen, onmiddellijk beroemd werd, en sindsdien geldt als één van de grootste biografieën ooit geschreven.

Johnson had een tamelijk moeilijk leven, ondanks zijn zeer grote intellectuele gaven, want hij had diverse serieuze gezondheidsklachten gedurende vrijwel z'n hele leven; een constitutionele zware melancholie; en hij was het grootste deel van z'n leven een intens gelovig Anglicaans christen, met een aanzienlijke angst voor het goddelijk oordeel na z'n dood, en veel zelfverwijten vanwege het zijns inziens onvoldoende gebruik dat hij van zijn grote intellectuele vermogens maakte.

Hier is om te beginnen één van de bekendste brieven in de Engelse taal, namelijk Johnson aan Lord Chesterfield, een hoge Engelse edelman met een uitstekend verstand, die bij gelegenheid graag als patroon (beschermer, maecenas) mocht optreden van schrijvers en dichters.

Johnson, die bij de aanvang van zijn werk aan zijn Dictionary doodarm was, had zich een keer bij hem vervoegd met de vraag om enige hulp van Chesterfield die hem vanwege de Noble Lord voorgespiegeld was, maar was uiteindelijk, na lang te moeten wachten tussen andere gunstverzoekers, weggelopen en had sindsdien zeven jaren niets meer van hem gehoord, tot de publikatie die "Dictionary Johnson" snel beroemd maakte, en Lord Chesterfield hem prees in de pers.


TO THE RIGHT HONOURABLE THE EARL OF CHESTERFIELD

My Lord,                                           February 7, 1755

I have been lately informed, by the proprietor of the World, that two papers, in which my Dictionary is recommended to the publick, were written by your Lordship. To be so distinguished, is an honour, which, being very little accustomed to favours of the great, I know not well how to receive, or in what terms to acknowledge.

When upon some slight encouragement, I first visited your Lordship, I was overpowered, like the rest of mankind, by the enchantment of your address, and could not forbear to wish that I might boast myself Le vainqueur du vainqueur de la terre; - that I might obtain that regard for which I saw the world contending; but I found my attendance so little encouraged, that neither pride nor modesty would suffer me to continue it. When I had once addressed your Lordship in publick, I had exhausted all the art of pleasing which a retired and uncourtly scholar can possess. I had done all that I could; and no man is well pleased to have his all neglected, be it ever so little.

Seven years, my Lord, have now past, since I waited in your outward rooms, or was repulsed from your door; during which time I have been pushing on my work through difficulties of which it is useless to complain, and have brought it, at last, to the verge of publication, without one act of assistance, one word of encouragement, or one smile of favour. Such treatment I did not expect, for I never had a Patron before.

The shepherd in Virgil grew at last acquainted with Love, and found him a native of the rocks.

Is not a Patron, my Lord, one who looks with unconcern on a man struggling for life in the water, and, when he has reached ground, encumbers him with help? The notice which you have been pleased to take of my labours, had it been early, had been kind; but it has been delayed till I am indifferent, and cannot enjoy it; till I am solitary, and cannot impart it; till I am known, and do not want it. I hope it is no very cynical asperity, not to confess obligations where no benefit has been received, or to be unwilling that the Publick should consider me as owing that to a Patron, which Providence has enabled to do for myself.

Having carried on my work thus far with so little obligation to any favourer of learning, I shall not be disappointed though I should conclude it, if less be possible, with less; for I have been long weakened from that dream of hope, in which I once boasted myself with so much exultation.

                           My Lord,
               Your Lordship's most humble
                           Most obedient servant,
                                          SAM. JOHNSON
(p. 155-7)


Taalkundige opmerking: "weakened" = "woken up" (en als u verder  serieuze moeite hebt met Johnson's Engels, dan is hij niet voor u totdat u beter Engels kent).

Merk overigens op dat Lord Chesterfield een hoge edelman was in een tijd dat dit grote voorrechten gaf, en dat Voltaire, ruim dertig jaar eerder, door de lakeien van een Franse edelman in elkaar was geslagen omdat deze edelman vond dat Voltaire te veel praatjes had, voor een niet-edelman.

Lord Chesterfield was overigens zelf een zeer intelligent man (die een heel fraai en leerzaam boek met opvoedkundige brieven voor zijn zoon schreef), die de wellevendheid had niets tegen Johnson te doen, behalve de geciteerde brief te roemen tegen vrienden en bekenden als zeer goed geschreven.

Vervolgens een citaat van Boswell himself, die z'n hele leven zeer tegen Johnson opkeek, maar zelf ook een bijzonder man was:


He [Johnson - MM] recommended me to keep a journal of my life, full and unreserved. He said it would be a very good exercise, and would yield me great satisfaction when the particulars were faded from my remembrance. I was uncommonly fortunate in this subject, for I had kept such a journal for some time; and it was no small pleasure to me to have this to tell to him, and to receive his approbation. He counselled me to keep it private, and said I would certainly have a friend who would burn it after my death. From this habit I have been enabled to give the world so many anecdotes, which would otherwise have been lost to posterity. In mentioned that I was afraid I put into my journal too many little incidents. JOHNSON. "There is nothing, Sir, too little for so little a creature as man. It is by studying little things that we attain the great art of having as little misery and as much happiness as possible."

(p. 269)


Hieraan is niet alleen Johnson's biografie te danken, maar ook, in de twintiger en dertiger jaren van de 20ste eeuw, de vondst van aanzienlijke stukken van Boswell's dagboeken, die hij meestal bijhield van zijn 19e tot zijn dood, en die bijzonder levendig geschreven, interessant, en leerzaam over de 18e eeuw zijn.

Ze zijn sindsdien uitgegeven in flink wat delen - waaronder: "Boswell in Holland" (want hij studeerde een jaar in Utrecht, en had een stevige flirt met Belle van Zuylen), "Boswell's London Journal", over zijn leven in London rond 1762; "Boswell on the Grand Tour", met een beschrijving van zijn reizen door Duitsland, Zwitserland en Frankrijk, en ontmoetingen met Rousseau en Voltaire; "Boswell in search of a wife", ook met informatie over zijn leven als Schots advocaat - alles fraai en zorgvuldig uitgegeven sinds de late veertiger jaren, en ongetwijfeld te verkrijgen via een goede universitaire bibliotheek.

Ik vond het allemaal leuk, vermakelijk, interessant, en leerzaam, en Boswell was o.a. een groot natuurlijk schrijver (wat maar héél weinig mensen zijn, zélfs als ze "universele genieën" zijn) - en wie zich, zoals heel wat mensen, ook al bij Johnson's en Boswell's leven, afgevraagd heeft wat een intellectuele gigant als Johnson in een kennelijke hanger on als Boswell zag, die kunnen hieruit zien dat Johnson Boswell's begaafdheid heel wat beter zag dan velen, zoals Boswell trouwens Johnson's bijzonderheid en kwaliteiten beter zag dan velen.

Laatste citaat, dat samenhangt met mijn eigen belangstelling voor filosofie, en een belangrijke kwestie heel zinnig behandeld:


I mentioned Hume's notion, that all who are happy are equally happy; a little Miss with a new gown at a dancing-school ball, a General at the head of a victorious army, and an orator, after having made an eloquent speech in a great assembly. JOHNSON. "Sir, that all who are happy, are equally happy, is not true. A peasant and a philosopher may be equally satisfied, but not equally happy. Happiness consists in the multiplicity of agreeable consciousness. A peasant has not capacity for having equal happiness with a philosopher." I remember this very question very happily illustrated in opposition to Hume, by the Reverend Mr. Robert Brown, at Utrecht. "A small drinking glass and a large one, (said he), may be equally full; but the large one holds more than the small."

(p. 315)


Sindsdien zette Bentham en vader en zoon Mill de utilitaristische opvatting van de ethiek op, waarbij alles draait om de kwantiteit geluk - en de moeilijkheid optreedt, zoals deze aan John Stuart Mill verscheen, dat een zwijn en Socrates precies hetzelfde quantum geluk kunnen bezitten (of dat de orgasmes - etc. - van een konijn of spin of lintworm àlle geluksgevoelens van alle overige gedierte verre te boven gaan).

Johnson's punt is natuurlijk geldig: Het gaat niet alleen om de kwantiteit, maar ook om de diversiteit - net als trouwens bij het beoordelen van een cultuur of beschaving, die je ook niet adekwaat kunt meten in alleen geproduceerde kilojoules per uur, of in alleen het geluksgevoel van de grootste meerderheid (in het Neerland van nu dus, met waarachtig demokratische onafwendbaarheid: van voetbalsupporters en 'laaggeletterden').

Later ongetwijfeld meer (D.V. zou Dr. Johnson toevoegen), want zowel Johnson als Boswell bevallen mij zeer - en hebben helemaal niets vergelijkbaars in de Nederlandse literatuur. (Van hetzelfde of vergelijkbaar niveau, natuurlijk. Biografieën zat, en publieke praatjesmakers ook - maar geen mensen van de luciditeit, het taalvermogen en het soort persoonlijke geschiedenis als van Johnson of Boswell.)

O ja: Ik bezit diverse uitgaves van "The Life of Samuel Johnson, LL.D", maar die in Everyman's Library is verreweg de beste, en uitgaves bestemd voor het universitaire literaire onderwijs of - in zeer afgekorte vorm, voor een soort Readers Digest publiek - het slechtst. En er is véél te leren uit deze biografie, maar het is waarschijnlijk ook waar dat modern opgeleide twintigjarigen van nu het waarschijnlijk aan diepgang ontbreekt om in te zien hoe goed het werkelijk is.

(*) Mijn editie is die in de Everyman's Library, die uitstekend is.

 Maarten Maartensz

        home - index - top - mail