Nederlog        

 

 10 mei 2008

                                                                 

En alweer '68

 



Het houdt niet op met het herdenken van en publiek peinzen over 1968 -zal ik maar zeggen - althans in de NRC, en ik vervolg dus een reeks met de voorgangers "De "verbeelding" aan de macht", De postmoderne filosoof als media-shamaan en Meer '68.

Zoals de lezer wellicht begrepen heeft ben ikzelf van de school van "het was een onderdeel van een veel uitgebreider proces van maatschappelijke veranderingen, dat zich voor een deel, kennelijk vooral vanwege de opkomst van TV en popmuziek, wereldwijd afspeelde" en meen ik ook dat het een interessant onderwerp is, ook voor wie er niet bij was, was het alleen al omdat - van '1968' sprekend - révoltes niet zo heel vaak voorkomen, de révolte van het betreffende jaar goed gedocumenteerd is, en er het een en ander uit te leren zou moeten zijn.

De vandaagse NRC heeft in de reeks 'Mei 1968' een aardig interview met de nu 93-jarige ex-premier van die dagen Piet de Jong, in de oorlog commandant van een onderzeeboot, onder de titel 'De oorlog was de oorzaak van het geduvel in '68' en ook een redelijke hoofdredactionele column onder de titel 'In 1968 werd de wereld vrijer en liberaler'.

Om te beginnen met Piet de Jong, premier van 1967-1971, ondertussen 93, maar niet seniel. Hij heeft een theorie, of een bijdrage aan de interpretatie van '68, waarover direct meer.

De NRC vertelt over hem:

Piet de Jong was in de Tweede Wereldoorlog officier en later commandant op een onderzeeboot. Hij vocht zes jaar lang tegen de Duitsers en de Japanners. Hij behoorde bij de vijfentwintig procent die het er levend van afbracht.

Merk die "vijfentwintig procent" op, die aantoont dat er inderdaad zwaar gevochten werd, en dat De Jong bepaald niet niets deed in de strijd tegen de vijand, maar dat allemaal niet in Nederland deed.

En zoals ik zelf eerder opmerkte in dit verband bij gelegenheid, en zoals het artikel de bovenstaande passage direct vervolgt:

Maar toen hij terugkwam in Nederland, in 1946, merkte hij dat niemand daarin geïnteresseerd was.

"Mijn bootsman zei na zijn verlof dat er hier zeven miljoen leiders van het verzet woonden."

In die behoefte aan zelfverheerlijking proefde Piet de Jong hoe diep de vernedering moet zijn geweest.

Wat dat laatste betreft: Wellicht - maar ikzelf geloof wat anders, en minder verheffends.

Want in de eerste plaats: Er is veel gecollaboreerd in Nederland onder de Duitse bezetting, gedeeltelijk gedwongen (men probeerde te overleven) en gedeeltelijk vrijwillig (men had NSB-sympathieën, of wilde de Joodse buurman wat betaald zetten, of gaf hem aan voor geld). En wie meer wil weten over die collaboratie vindt daar in Nederland niet echt veel waarachtigs over, althans tot zeer recentelijk.

En in de tweede plaats: Waarom werd er dan maar liefst vrijwel zevenmiljoenvoudig over gelogen?! - al mag men het bittere gezegde van de bootsman met enig zout nemen (terwijl mijn laatste link ongebruikelijk duidelijk en eerlijk is, voor een Nederlander).

Vervolgens de theorie of bijdrage van De Jong:

""Ik heb de afgelopen week al die krantenartikelen over 1968 gelezen", zegt hij. "Er is één element dat er steeds in ontbreekt, en dat is het effect van de bezetting door een vreemde mogendheid vijfentwintig jaar eerder. Ik heb die zelf niet meegemaakt, want ik zat op zee toen. Als we niet achterna gezeten werden, of zelf achter de vijand aanzaten, had ik de tijd om te lezen, om na te denken. Ik dacht: al die mensen die zo lang onderdrukt worden - als dat voorbij is dan komt daar geduvel van."

Er is meer dat aardig is in het interview, en er is iets voor te zeggen, maar ikzelf meen dat deze factor, als verklaringsgrond of causale factor voor 'Mei 1968', temidden van diverse anderen die ik genoemd heb, in dit of eerdere stukjes in de reeks, niet bijzonder belangrijk was, en ben ook bepaald geen groot of automatisch gelover in mono-causale verklaringen van maatschappelijke gebeurtenissen.

Aan de andere kant: Ik denk wèl dat er een uitstekend argument te maken is voor de verwante stelling dat in de 20ste eeuw zeer veel beschaving, in allerlei relevante betekenissen van dat woord, kapot of onmogelijk gemaakt is door grote oorlogen en grote revoluties, bijvoorbeeld omdat zowel in de Eerste als de Tweede Wereldoorlog een aanzienlijk deel van de toekomstige maatschappelijke élite, in wetenschap, kunst en bestuur, stierf op een slagveld of in een concentratiekamp voor hun vijfentwintigste levensjaar, en omdat 'het reëel bestaande socialisme' vooral op dictatuur, onderdrukking, armoede en grauwheid bleek neer te komen, toen het eenmaal werkelijk gevestigd was.

Het becijferen van de gevolgen van zoiets -

"hoe verandert een maatschappij als de helft van de meest getalenteerden in zo'n maatschappij vermoord is in een oorlog of kamp, zonder ooit veel of iets met z'n talenten te kunnen doen, en niet in staat deze door te geven?"

- is een interessante, bittere en heel moeilijk te beantwoorden vraag. (Voor oorlogen en de 20ste eeuw, zie trouwens Raymond Aron's "The Century of Total War", want zo heet zijn daaraan gewijde boek, en zo was de 20ste eeuw.)

Hoe het zij: Het is niet zo héél onwaarschijnlijk dat "de generatie van '68" feitelijk vooral en gemiddeld de kinderen waren van de tweede, derde en verdere lagere kwaliteit gerekend in termen van intellectuele aanleg en moed, eenvoudig omdat zoveel van de besten en moedigsten gesneuveld waren op een slagveld of vermoord waren in een concentratiekamp, en dat zonder nageslacht te hebben gehad, en ook omdat de lafsten en meest collaborerenden verreweg de beste kansen hadden te overleven in een oorlog of in een totalitaire maatschappij, en zich daarin voort te planten.

Maar goed - het is een overweging, en ik geef toe dat een en ander moeilijk te bewijzen, becijferen, berekenen etc. is, en dat veel relevante kennis, bijvoorbeeld over hoe gedrag samenhang met genetica, (nog) niet bekend is.

Vervolgens het boven genoemde hoofdredactionele stuk, 'In 1968 werd de wereld vrijer en liberaler', waarvan ik de eerste drie alineaas plus de eerste zin van de vierde citeer:

Een paar cijfers geven een wereld van verschil weer tussen nu en 1968, veertig jaar geleden. In 1968 was de gemiddelde leeftijd in Nederland nog geen 29 jaar, nu is die bijna veertig. Toen was slechts vijf procent van de bevolking van buitenlandse of Nederland-Indische herkomst, nu is dat twintig procent – en de meesten uit die groep stammen niet uit voormalige rijksdelen. Toen was de straat jong en blank, nu zijn er meer huidskleuren en is er meer grijs haar te zien.

En dan de economie: in 1968 bedroeg de groei 6,7 procent maar voor dit jaar heeft het Centraal Planbureau een bescheiden 2,25 procent geraamd. De jaren zestig kenmerkten zich door loonexplosies die soms de tien procent per jaar te boven gingen. Veel mensen hadden voor het eerst van hun leven een auto voor de deur en een zwart-wit tv erachter.

Aan zoveel nieuwe weelde moest de levensstijl worden aangepast. Dat, en niet de ideologische strijd daaromheen, was de kern van de jaren zestig. De tijd van zuinig opbouwen was voorbij, Nederland en andere westerse landen liberaliseerden, met de talrijke jongeren uit de geboortegolf in de voorhoede. De protesten en manifestaties waren kleine sociale aardbevingen die de spanning tussen nieuwe materiële vrijheid en oude strenge normen verlichtten. Het waren de jaren van seksuele bevrijding en van emancipatie, voor vrouwen die gelijke rechten verwierven, voor arbeiders die meer invloed kregen, voor jongeren die als eersten in hun familie konden studeren en voor homoseksuelen die hun geaardheid niet langer hoefden te verbergen.

Het hele Westen werd liberaler, ondanks initiatieven tot restauratie.

Ik citeer dit vooral omdat het me als een zinnige samenvatting voorkomt, en ook omdat het belangrijke factoren noemt: demografisch - babyboom; economisch - snelle toename van welvaart; en overigens het belang van de pil, en van de TV, en de grote nadruk, in de beleving van velen van de betrokkenen, op "bevrijding" van "oude vormen en gedachten" (zingt de Socialistische Internationale, met "Sterft gij" ervoor), en op "strijd tegen de autoriteiten".

De NRC-redactie konkludeert ook, wat verder:

De jaren zestig zijn geen linkse of rechtse zaak. Van de liberalisering heeft iedereen de vruchten geplukt, hoe men ook tegenover die periode staat.

Ik pel deze twee zinnen uit een langere alinea waar ik meer op af te dingen heb, maar dit lijkt me wel ongeveer juist en acceptabel, zeker voor wie de vijftiger jaren bewust heeft meegemaakt, die immers zowel bekrompen als armoedig waren, en niet erg smaakten naar "bevrijding". 

Vervolg -

 Maarten Maartensz

        home - index - top - mail