Nederlog        

 

 5 april 2008

                                                                 

Odi profanum vulgus: Het citeren van De Tocqueville

 



Eén van de echt zinnige schrijvers over politiek die ik heb gelezen is Alexis de Tocqueville. Als u hem niet las, en geïnteresseerd bent in politiek, zou u dat snel moeten doen, want hij schreef en redeneerde bijzonder goed, en "Democracy in America" in twee delen (ik citeer de Engelse vertaling die ikzelf heb) is zeer goed en zeer perceptief.

Ik ben de enige niet die dit vind, en zowel John Stuart Mill als Frank Ankersmit dachten daar kennelijk weinig anders over. Er staat een aardig artikel in de NRC van 5 april van Ankersmit over De Tocqueville, met een Frans citaat van De Tocqueville, dat kennelijk vooral beoogt een bijzonder zinnig man als De Tocqueville, die doorgaat voor een conservatief, te onderscheiden van veel minder zinnige veel recenter politieke would be denkers die zich neo-conservatief noemen, maar die in ieder geval niet veel gemeen met hem hebben.

Misschien dat ik later op Ankersmit's artikel inga, maar voor het moment ben ik nog aan het bijkomen van de inspanningen die de gemeente Amsterdam aan invaliden oplegt althans voorzover deze ongelukkigen aanzienlijk minder onbegaafd zijn dan Amsterdamse ambtenaren en bestuurders, en véél eerlijker.

Maar één rechtzetting wil ik wel maken, en die heeft te maken met het feit dat ikzelf, anders dan de na mij komende academisch opgeleide generaties van Nederlanders, nog tamelijk probleemloos Frans lees; dat Ankersmit zijn betoog op dat Franse citaat bouwt; en dat ik het citaat anders lees, en beter vertaal dan hij.

Hier is het Frans van Tocqueville, zoals geciteerd door Ankersmit, in de context waarin hij dat deed bovendien, die een aardige vraag opwerpt:

Kortom, wat is conservatisme? Om die vraag te beantwoorden, wil ik de aandacht vestigen op Alexis de Tocqueville (1805-1859) - die voor mij de meest loepzuivere conservatief is. Edmund Burke - ook een in dit verband vaak genoemde kandidaat - was te veel nog een man van vóór 1789 om het in wezen postrevolutionaire conservatisme te kunnen representeren.

(...)

Om greep te krijgen op Tocqueville's conservatisme verwijs ik naar een paar regels die men in zijn nalatenschap aantrof en waarin hij zichzelf politiek karakteriseerde

"J'ai pour les institutions démocratiques un goût de tête, mais je suis aristocrate par instinct, c'est à dire que je méprise et crains la foule. J'aime avec passion la liberté, la légalité, le respect des droits, mais non la démocratie. Voilà le fond de l'âme."

Ankersmit vertaalt de passage onmiddellijk, zoals tegenwoordig dan ook helaas nodig is voor minstens 95% van de VWO-afgestudeerden .... maar vergeet (Freudiaans?) de meest centrale frase, althans in mijn inschatting van "le fond de l'âme" van Tocqueville, en van mijzelf:

"c'est á dire que je méprise et crains la foule"

- want dit laatste zinnetje slaat Ankersmit over alsof het er niet staat, in zijn eigen vertaling.

Hier is dus eerst mijn vertaling van het gehele citaat, gevolgd door een korte enigermate klassiek geleerde toelichting:

"Ik heb een soort intellectuele voorkeur voor democratische instituties, maar instinctief ben ik een aristocraat, dat wil zeggen dat ik de menigte vrees en veracht. Ik houd hartstochtelijk van de vrijheid, de rechtsstaat, en het respect voor de wet, maar niet van de democratie. Ziedaar het fundament van mijn ziel." (*)

Volgens mij is het centrale deel van dit citaat maar dan ook precies het deel dat Ankersmit weglaat of vergeet: "dat wil zeggen dat ik de menigte vrees en veracht", als uitleg voor "instinctief ben ik een aristocraat".

En hier ben ik, om het maar eens zo te zeggen, intuïtief zeker, omdat het precies overeenkomt met mijn eigen ervaringen in verband met de Franse studenten-revolte van 1968, en de Nederlandse Maagdenhuis-bezetting van 1969, die ik allebei meegemaakt heb, als indertijd 18-jarige zoon van een Nederlandse communistische verzetsstrijder - en waar ik precies dezelfde reactie op had, die ik o.a. hier en hier beschrijf, en zelf terug vond bij Horatius:

odi profanum vulgus et arceo
= ik haat het gewone volk en weer het af
   (Hor. od. 3, 1, 1)

Ongetwijfeld citeerde Tocqueville Horatius, en miste Ankersmit de klassieke verwijzing.

Ikzelf ging in op wat ik bij gelegenheid mijn aristocratisch pessimisme belief te noemen in 2001, maar feitelijk is het mijn "fond de l'âme" sinds ik als 7-jarige herhaaldelijk opstond in de klas op school, verklaarde dat ik dit onderwijs te dom vond voor mij, en de school uitliep. (Er was in de Amsterdamse proletarische Kinkerbuurt van 1957 geen ruimte voor "hoogbegaafdheid" al was het lager onderwijs indertijd véél beter dan nu.)

Er is, kortom, een merkbaar verschil tussen mensen die werkelijk kunnen nadenken, en mensen die dat niet, of merkbaar minder goed kunnen - al ligt de merkbaarheid van een en ander natuurlijk vooral aan de eigen vermogens en onbevooroordeeldheid.

Wie ooit met enig verstand "de menigte" (massa, grote meerderheid: "la foule" sc. "la folie") heeft bekeken of aangehoord, en wie zich gerealiseerd heeft dat, in Chamfort's woorden

"Presque toute l'Histoire n'est qu'une suite d'horreurs."

kan in gemoede ook weinig anders, en komt ook licht tot de diagnose van de Protestanten, namelijk dat de mens, althans in meerderheid, en wellicht niet door eigen opzet, verdorven is en

"onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad"

zoals ook op dezelfde NRC-pagina wordt geciteerd als Ankersmit schrijft, maar niet door Ankersmit zelf. En zie bijvoorbeeld Hazlitt, in Nederlog door mij aangehaald.

Ik ben zelf niet even pessimistisch als een Calvinistisch theoloog, en geen gelover in enige straffende of belonende Godheid, maar inderdaad, over het geheel genomen, en kennelijk instinctief vanaf mijn vroege jeugd, opgroeiende tussen echte volkse Amsterdammers

odi profanum vulgus et arceo.

De enigszins intellectueel en moreel begaafde Nederlander die dit wat beter zou willen begrijpen verwijs ik naar mijn lijst van politieke teksten en raad ik de aandachtige beschouwing van Wilders, Verdonk en hun volgelingen en bewonderaars aan.

"En Jezus zei 'Vader vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen.' ". ( Lukas XXIII, vers 34.)

Voor de meerderheid van bedoelde volgelingen en bewonderaars geldt dat ongetwijfeld, net als voor de bewonderaars van Goebbels en Riefenstahl, zij het trouwens niet voor de voorgangers zelf, ook alweer net als vroeger.

Mijn eigen beschrijving van mijn aristocratisch gemoed op mijn site zijn bijvoorbeeld te vinden in Vader en de revolutionairen uit 2004, Etiamsi omnes, ego non, uit 2001, en Het verraad van mijn generatie uit 2003.

Het is ongetwijfeld een radikaal minderheidsstandpunt, maar dat geldt ook voor echte wiskunde, echte wetenschap, echte kunst, en echte moraal.


(*) Ankersmit zelf vertaalde het citaat zo:

"Ik kan intellectueel instemmen met de instituties van de democratie, maar ik ben instinctief een aristocraat. Ik houd met hartstocht van de vrijheid, de legaliteit, het respect voor de wet, maar niet van de democratie. Ziedaar mijn politieke hart."

Afgezien van z'n vertaling, die beter kon, reduceert hij Tocqueville's

"mais je suis aristocrate par instinct, c'est à dire que je méprise et crains la foule"

tot "ik ben instinctief een aristocraat", punt - en mist volgens mij de essentie van het hele citaat, zoals ik hierboven kort uitleg.

 Maarten Maartensz

        home - index - top - mail