Nederlog        

 

19 maart 2006

                                                                 

Tegen wetgeving van verplichte gevoelens of gedachtes

 


 

Bijna een week geleden schreef ik over een deel van de recente uitspraak van de Nederlandse rechter over de zogenaamde Hofstadgroep, namelijk een deel dat over vrije meningsuiting ging.

Ik heb hier een kleine precisering. Waar ik me tegen verzette was de mening van de rechter en de wetgever over de onvrijheid "mensen te beledigen"; de onvrijheid mensen "aan te zetten tot haat van mensen"; en de onvrijheid van (openbare) "smalende godslastering".

De reden waarom ik mij hiertegen verzette was en is dat het hier feitelijk om emoties gaat, en dat men deze niet kan bewijzen, en dat men emoties redelijkerwijs zomin wettelijk kan voorschrijven als verbieden, in een niet-totalitaire samenleving.

Een deel van de moeilijkheid hier is dat iemand die gecriticeerd wordt vanwege belediging, aanzetten tot haat, of smalende godslastering zich altijd kan verdedigen met de bewering dat hij helemaal niet bedoelde te beledigen of kwetsen, niet aan wilde zetten tot haat, en niet smaalde, ongeacht de gevoelens van de naar eigen zeggen beledigde, gekwetste, bedreigde of gesmaalde klagers, en dat hij overigens ook skeptisch is over de beweerde gevoelens van de klagers, omdat hij zelf meent dat ze de wetten tegen beledigen, oproepen tot haat, of smalende godslastering aangrijpen voor hun eigen politieke of religieuze belangen, en niet waar die wetten door de wetgever voor bedoeld zijn.

Dit alles kan waar zijn, en er zijn fundamentele problemen voor een rechter die zich hierover zou moeten uitspreken: Bedoelde de aangeklaagde te beledigen (oproepen tot haat, smalen) of ligt de gekwetstheid van de klager alleen of vooral aan diens bijzondere persoonlijke gevoeligheid? En voelen de klagers zich echt gekwetst of doen ze alleen maar zo omdat het verkrijgen van een wettelijke veroordeling van hun tegenstander in hun eigen politieke voordeel zou zijn? Of is er in allebei de gevallen van beide mogelijkheden wat waar?

Om deze en andere redenen lijkt het mij veel verstandiger gn wetgeving op te stellen, in te voeren, of in stand te houden die bestaat in het gebieden of verbieden van gevoelens of gedachten.

Wetgeving behoort niet te gaan over wat mensen voelen of denken, maar over wat ze doen en laten.

En reden hiervoor is dat mensen vrij behoren te zijn te voelen en te denken; een andere reden is dat het tot nu en waarschijnlijk ook in ieder geval in de nabije toekomst vaak niet doenlijk is te bewijzen wat iemand werkelijk voelde, dacht en wilde; en een derde reden is dat iemand's voelen en denken een ander's feitelijke belangen niet raken, want dat doen alleen z'n handelingen of nalatigheden.

En voor alle drie de genoemde gevallen is er wel wetgeving mogelijk (die gewoonlijk ook bestaat) die althans een deel van het beoogde tracht te bewerkstelligen: Men is niet vrij mensen te belasteren (dus: hen schadende onwaarheid te spreken); men is niet vrij op te roepen tot geweld tegen mensen; en men is niet vrij de aanhangers van een geloof te lasteren.

Maarten Maartensz

 

        home - index - top - mail