Nederlog        

 

13 maart 2006

                                                                 

De Nederlandse rechter over  vrijheid van meningsuiting

 

 

Ik heb in dit Nederlog eerder geschreven over vrijheid van meningsuiting: Vrijheid van meningsuiting, Engelse haters van haters van haat, Mohammed's (on)afbeeldbaarheid, Over tolerantie en respect, Moraliteit en religie, Verbaal versus lichamelijk geweld, Ms Benson en Mr Hitchens tegen de geloofsfanaten, Professor-emeritus J.A.A. van Doorn weet het beter, Mill over vrijheid en De vrijheid van David Irving,

Het komt dus aardig uit dat een Nederlandse rechter zich in het proces tegen de Hofstadgroep dat pas is afgerond hier ook over heeft uitgesproken.

Ik citeer een stuk uit het vonnis naar de NRC van 13 maart dat feitelijk één continue passage is, die ik echter in stukken opbreek om enig commentaar in te voegen.

Hier past ook een opmerking over de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van godsdienst. In onze rechtsorde kunnen Christenen, Joden, Moslims en belijders van andere godsdiensten hun geloof in vrijheid belijden en uitdragen.

Ja, maar één fundamenteel probleem daarbij is dat - bijvoorbeeld - Christenen, Joden en Moslims elkaar in de geschiedenis vaak bestreden hebben, in woord en in daad. Dit betekent dat er in "onze rechtsorde" geen legitieme plaats is voor wat ik voor het gemak maar "godsdienstfanaten" noem, en kortweg definieer als: "mensen met een geloof waarvan zij menen dat het hun opdraagt mensen met een ander geloof niet in vrede en vrijheid te laten leven volgens hun eigen opvattingen".

Een tweede relevant punt en probleem hier is dat de leden van enig geloof het geloof van de leden van enig ander geloof voor feitelijk onwaar en onjuist en wellicht ook in sommige opzichten voor immoreel houden.

Geen van beide punten impliceert dat niet-fanatieke leden van verschillende geloven niet langdurig vreedzaam kunnen samenleven en alleen verbaal van mening kunnen verschillen.

Die vrijheid bestaat ook voor hen die het geloof of een bepaald geloof bestrijden.

In zekere zin volgt het zojuist geciteerde uit het voorgaande geciteerde, omdat de gelovers van verschillende geloven het feitelijk oneens zijn met elkaar, en elkaar feitelijk tegenspreken.

Daar komt bij dat het voor bestrijders van het geloof, dus voor atheisten, agnosten of skeptici, verschijnt alsof het probleem van de godsdiensten toch vooral bij de godsdienstigen schuilt: Zonder godsdiensten, of zonder godsdiensten met waarheidspretenties, zouden er aanmerkelijk minder problemen zijn, en geweest zijn in de menselijke geschiedenis, want er zijn miljoenen mensen vermoord uit naam of in vermeende opdracht van allerlei goden.

Aan deze vrijheden zijn wel beperkingen gesteld, onder meer ter bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Ja, en je mag aanvullen dat de rechtmatigheid van die "beperkingen" bestaat in hun doel: De "bescherming van de rechten en vrijheden van anderen".

Het staat niet vrij mensen te beledigen of te bedreigen, in het openbaar aan te zetten tot haat van mensen vanwege ondermeer hun godsdienst of homoseksuele gerichtheid, of in het openbaar op te ruien tot strafbare feiten of geweld tegen de overhed.

Ik begrijp de overweging, maar heb problemen met diverse punten, waaronder de onvrijheid "mensen te beledigen" en de onvrijheid mensen "aan te zetten tot haat van mensen".

Het probleem met "beledigen" is dat het érg moeilijk adekwaat en objectief te definieren is, o.a. omdat wat de één beledigend of kwetsend vindt aan de ander hooguit als een satirisch grapje verschijnt, en omdat de teksten van de verschillende Heilige Boeken van de verschillende geloven of hun theologen door niet-gelovers in die geloven héél plausibel als bedreigend of kwetsend of beledigend uitgelegd kunnen worden. (Zie: Citaten van de Heiligen.)

Hier kan men dan weer de vrijheid van godsdienst opvoeren, maar er blijft een fundamentele spanning.

Mijn eigen opvatting is dat het verstandiger is beledigen niet te verbieden maar laster wel, en "laster" te definiëren als "feitelijk onware beweringen over iemand die deze persoon serieus schaden indien ze geloofd worden". En de schade dient hier te bestaan in aantoonbare financiële of lichamelijke schade, of een reële kans daarop, en niet beperkt te zijn tot alleen een gevoel van gekwetstheid.

Het probleem met het verbod op het aanzetten tot haat van mensen is enerszijds dat de Heilige Boeken van de verschillende godsdiensten dit op redelijk wat plaatsen blijken of lijken te doen en anderszijds dat haat een fundamentele menselijke emotie is, die men heeft of niet, ongeacht aanzet of oproep.

Ik zie ook niet in waarom het redelijk zou zijn dat de wetgever - bijvoorbeeld - iemand die concentratiekampen overleefde, zoals Simon Wiesenthal, verbiedt z'n beulen en de moordenaars van z'n familie te haten, of publiek op te roepen ze te vervolgen.

Mijn eigen opvatting is dat het veel verstandiger is om het aanzetten tot haat van mensen niet te verbieden, maar het aanzetten tot geweld tegen mensen of hun eigendommen wel, net als het verbieden van eigenrichting - maar dat is alles al geregeld in de wet.

Ook smalende godslastering in het openbaar is bij wet strafbaar gesteld.

Ook hiermee heb ik problemen, enerzijds omdat ikzelf een atheist ben en meen dat andersgelovigen dan ik zich vergissen; anderszijds omdat "smalen" net zulke problemen heeft als "beledigen"; en tenslotte omdat het heel makkelijk is om nogal wat passages te vinden in de Heilige Boeken en theologische geschriften van de diverse geloven die heel plausibel geconstrueerd kunnen worden als "smalend" of "godslasterlijk" voor personen van een ander geloof, of geen geloof.

Ik citeer maar eens een katholieke heilige en een prominente protestantse theologische voorganger om mijzelf te verduidelijken, ook inzake haat en belediging:

"That the saints may enjoy their beatitude and the grace of God more abundantly they are permitted to see the punishment of the damned in hell."
   (St. Thomas Aquino, Summa Theologica)

"The sight of hell's torments will exalt the happiness of the saints forever."
   (Jonathan Edwards)

Mijn eigen opvatting is dat het verstandiger is godslastering niet strafbaar te stellen, was het alleen maar omdat de god in kwestie volgens alle aanhangers van alle andere geloven en volgens alle ongelovigen niet bestaat, en wat niet bestaat niet gelasterd kan worden, maar de bepalingen tegen laster van godsdienstigen te handhaven: Men is vrij te geloven wat men wil, ook als dat volgens anderen dom of schadelijk of immoreel is, en andersgelovigen mogen wel het geloof van anderen kritiseren, betwijfelen, belachelijk maken, niet serieus nemen en niet volgen, maar mogen niet de aanhangers of uitdragers ervan belasteren, bedreigen, of met geweld vervolgen.

Dit samenstelsel van vrijheden en de daaraan gestelde wettelijke beperkingen waarborgt dat mensen van heel verschillende levensovertuiging in ons land in vrijheid én in vrede met elkaar kunnen samenleven.

Dit is een goede motivatie, maar ze is niet geheel waar zoals geformuleerd: De wet "waarborgt" niet "dat mensen van heel verschillende levensovertuiging in ons land in vrijheid én in vrede met elkaar kunnen samenleven", want mensen moeten dit zelf doen in beginsel en in de praktijk, maar de wet dient ertoe om mensen daarbij te helpen.

En in dit verband passen nog twee opmerkingen, namelijk over het relatieve belang van de rechtsorde en de vrijheid van godsdienst en van meningsuiting, en over het verschil tussen een verlichte en een niet-verlichte wetgeving.

Wat de rechter in de geciteerde passage feitelijk niet zei maar wel impliceerde of vooronderstelde is dat de bestaande Nederlandse rechtsorde, die o.a. tot doel heeft te bestendigen "dat mensen van heel verschillende levensovertuiging in ons land in vrijheid én in vrede met elkaar kunnen samenleven" in de feitelijke en wettelijke praktijk logisch vóór de levensovertuigingen gaat die ze tot doel heeft om de aanhangers ervan in vrijheid en vrede te laten samenleven met anderen.

Hier ben ik het in beginsel mee eens, maar het betekent wel een logische inperking van wat men volgens de wet vrij is uit te dragen in naam van z'n geloof of politieke overtuiging.

Wie een religieuze of politieke overtuiging heeft die feitelijk totalitair is, heeft een overtuiging die strijdig is met de bestaande Nederlandse rechtsorde, en, volgens die rechtsorde, ondergeschikt is aan deze rechtsorde. (Hier ligt ook een probleem met revolutionaire politieke overtuigingen.)

En dit raakt aan mijn tweede opmerking. Het doel van een wetgeving voor een samenleving is te bestendigen dat deze samenleving vreedzaam blijft en geordend plaats vindt. Dit geldt voor iedere wetgeving, ook voor weinig verlichte of achterlijke vormen van wetgeving.

Het is in dit verband zinnig een verlichte wetgeving te definiëren als één die die o.a. tot doel heeft te bestendigen "dat mensen van heel verschillende levensovertuiging in ons land in vrijheid én in vrede met elkaar kunnen samenleven"; dit doel te relateren aan de ideeën van de Verlichting (in dit verband vooral: Montesquieu, maar ook de teksten die ten grondslag lagen aan de Amerikaanse Revolutie), en aan het algemene doel van een pluriforme samenleving met ruimte voor vele meningen en standpunten; en op te merken dat dit logisch strijdig is met wie een staat, samenleving of wetgeving wil invoeren die totalitair is of alleen de doelen van één godsdienst of politieke overtuiging wil bestendigen.

Maarten Maartensz

 

        home - index - top - mail