Nederlog        

 

20 februari 2006

                                                                 

Mill over vrijheid

 

 

Eén van de vele vervelende kanten van de Nederlandse politiek is dat deze feitelijk uitgeoefend wordt door duizendsterangers: Carrièremakers die het niet in zich hebben te excelleren in wetenschap of kunst, waar een eventuele carrière voornamelijk afhangt van talent, of in de handel, waar succes vooral samenhangt met energie en handigheid, kunnen tegenwoordig een veel grotere status, een veel makkelijker leven, en een aanzienlijk hoger inkomen "verdienen" als media-persoonlijkheid of politicus, waar de opgang vooral te danken is aan het vermogen te liegen voor camera's, en miljoenen die nog dommer zijn dan jij stroop om de mond te smeren, en leugens te  verkopen.

Daaraan danken we de Balkenendes, de Scheffers, de Elians, de Ettys e.v.a., en het is niet toevallig dat de genoemden professor zijn in allerlei flutvakken, want de status van een professor is nog steeds hoog; iedereen met politieke vrienden/kameraden in de al generaties lang gecorrumpeerde besturen van de Nederlandse universiteiten kan professor in een flutvak worden; en de financiële en overige voordelen van het professor-cum-ambtenaarschap in Nederland zijn groot.

Maar aan het niveau van deze en dergelijke publieke voorgangers danken we ook het niveau van politiek debat in Nederland, zoals ik dat bijvoorbeeld de afgelopen dagen heb besproken aan de hand van teksten van de professoren Van Doorn en Scheffer.

Laat ik dus maar weer eens, ook in het kader van de vrijheid, waar het allemaal om zou gaan in Het Vrije Westen, een stukje Mill citeren, deze keer uit "On Liberty", gewoon omdat m'n oog erop viel; het relevant is voor het onderwerp; en ik dat soort teksten gelezen heb, met begrip, en in de kast heb staan.

This, then, is the appropriate region of human liberty. It comprises, first, the inward domain of consciousness; demanding liberty of conscience in the most comprehensive sense; liberty of thought and feeling; absolute freedom of opinion and sentiment on all subjects, practical or speculative, scientific, moral or theological. The liberty of expressing and publishing opinions may seem to fall under a different principle, since it belongs to that part of the conduct of an individual which concerns other people; but, being almost as important as the liberty of thought itself, and resting in great part on the same reasons, is practically inseperable from it. Secondly, the principle requires liberty of tastes and of pursuits; of framing the plan of our life to suit our own character; of doing as we like, subject to such consequences as may follow: without impediment from our fellow-creatures, so long as what we do does not harm them, even though they should think our conduct foolish, perverse, or wrong. Thirdly, from this liberty of each individual, follows the liberty, within the same limits, of combination among individuals; freedom to unite, for any purpose not involving harm to others: the persons combining being supposed to be of full age, and not forced or deceived.
No society in which these liberties are not, on the whole, respected, is free, whatever may be its form of government; and none is completely free in which they do not exist absolute and unqualified. The only freedom which deserves the name, is that of pursuing our own good in our own way, so long as we do not attempt to deprive others of theirs, or impede their efforts to obtain it.
(p. 75, Utilitarianism, On Liberty and Considerations on Representative Government. J.S. Mill. Edited by H.B. Acton)

 

Maarten Maartensz

 

        home - index - top - mail