Nedernieuws        

 

9 november 2004

                                                                 

Gibbon en het geluk

 

 

Ik was herhaaldelijk enthousiast over Gibbon - de héle uitgave, mét alle voetnoten - en zal nu met een citaat proberen aan te tonen waardoor dat (bijvoorbeeld) komt.

Er is bijzonder veel citabel in Gibbon, maar het vergt een goede kennis van het Engels en een soepele geest. Het eerste is nodig omdat zijn Engels zeer gecultiveerd, statig, ironisch, gelaagd en opzettelijk geconstrueerd is. Niet alle Engelsen zijn er even gelukkig mee geweest, maar - bijv. - Byron was er, net als ik, een bewonderaar van, en Byron had echt taalgevoel. En een soepele geest is nodig om te zien of te voelen waar hij ironisch is, en te begrijpen waar hij het over heeft.

Hier dan het citaat, inclusief een inleiding, die de achtergrond schetst; een pointe, die het begrip menselijk geluk geldt, opgehangen aan een fraai citaat; en een deel van een voetnoot, waarin Gibbon vaak fraai en ironisch zaken kwalificeert.

En ik citeer uit hfdst. LIII, en het betreft het Spaanse hof van de Mohammedaanse Moren ca. de 8ste eeuw A.D., die de Ommiaden genoemd werden:

In the West the Ommiades of Spain supported with equal pomp the title of commander of the faithful. Three miles from Cordova, in honour of his favourite sultana, the third and greatest of the Abdalrahmans constructed the city, palace and gardens of Zehra. Twenty-five years, and above three million sterling, were employed by its founder: his liberal taste invited the artists of Constantinople, the most skilful sculptors and architects of the age; and the buildings were sustained or adorned by twelve hundred columns of Spanish and African, of Greek and Italian marble. The hall of audience was encrusted with the curious and costly figures of birds and quadrupeds. In a lofty pavilion of the gardens of one of these basins and fountains, so delightful in a sultry climate, was replenished not with water, but with the purest quicksilver. The seraglio of Abdalrahman, his wives, concubines, and black eunuchs, amounted to six thousand three hundred persons: and he was attended to the field by a guard of twelve thousand horse, whose belts and scimitars were studded with gold.

In a private condition our desires are perpetually repressed by poverty and subordination; but the lives and labours of millions are devoted to a despotic prince, whose laws are blindly obeyed, and whose wishes are instantly gratified. Our imagination is dazzled by the splendid picture; and whatever may be the cool dictates of reason, there are few among us who would obstinately refuse a trial of the comforts and the cares of royalty. It may therefore be of some use to borrow the experiences of the same Abdalrahman, whose magnificence has perhaps excited our admiration and envy, and to transcribe an authentic memorial which was found in the closet of the deceased caliph.

"I have now reigned above fifty years in victory or peace; beloved by my subjects, dreaded by my enemies, and respected by my allies. Riches and honours, power and pleasure, have waited on my call, nor does any earthly blessing appear to have been wanting to my felicity. In this situation I have diligently numbered the days of pure and genuine happiness which have fallen to my lot: they amount to FOURTEEN; - O man! place not thy confidence in the present world!""

Aldus de tekst. Twee moeilijkheden zijn natuurlijk: Hoe definieert men "the days of pure and genuine happiness" en hoe meet of telt of registreert men ze, allebei redelijkerwijs - naast het probleem dat temperamenten van individuen nogal verschillen. Gibbon heeft, als zo vaak, een fraaie en persoonlijke voetnoot bij Abdalrahman's proza, waarvan ik het eind citeer:

If I may speak of myself (the only person of whom I can speak with certainty), my happy hours have far exceeded, and far exceed, the scanty numbers of the caliph of Spain; and I shall not scruple to add, that many of them are due to the pleasing labour of the present composition.

Hoe het ook mag zijn met menselijk geluk - de beste verhandeling die ik ken in boekvorm is van Tatarkiewicz: "Analysis of Happiness" - het bovenstaand is een fraai voorbeeld van magistraal proza. Maar laat ikzelf kort wat opmerken over het onderwerp, als een man die al meer dan een generatie in diepe armoede, dagelijkse pijn, totaal gebrek aan zorg of hulp, en aanzienlijke discriminatie van de gemeentelijke autoriteiten lijdende is.

Mij wil het voorkomen - en het lijkt me dat daar goede biochemische en biologische redenen voor zullen zijn, al zullen die overwegend tot nu onbekend zijn - dat de meeste mensen die géén pijn lijden, géén honger hebben, niet in angst leven, en gezond van geest en lichaam zijn, zich dan en daarmee tamelijk prettig voelen (afgezien van een aangeboren melancholische constitutie e.d. die óók voorkomt). Was het immers anders, dan waren er zeer veel meer zelfmoorden, bijvoorbeeld.

Nu over naar het JeejPeejse gruwelproza.

Maarten Maartensz

        home - index - top - mail